I. Het Taaleigen.

Onze Nederlandsche tongvallen behooren tot de westelijke groep der

Germaansche dialekten. Deze omvat nl., behalve de weinig bekende

taal der oude Longobarden, de dialekten der Germaansche veroveraars

van Engeland: Angelen, Jutten en een deel der Saksers; verder het

Friesch, dat zich uitstrekte tusschen Schelde en Weser; het Saksisch

van het vaste land; het Frankisch; het Hessisch en Thuringisch;

het Allemannisch en Beiersch, de voornaamste dialekten van het

Opperduitsch. Overeenkomstig den stam der volken, die opdrongen

uit het Noorden en Oosten, om onze gewesten te bevolken, zijn onze

Nederlandsche dialekten van Friesche, Saksische en Frankische

herkomst. Plaatselijk zijn ze met andere, met name Keltische

bestanddeelen vermengd.

Ook heeft men gemeend Ooreuropeesche invloeden en bestanddeelen

te kunnen waarnemen, zooveel als Ooreuropeesche fossielen [10]:

overeenstemming met Keltische en Slavische taalverschijnselen, die

zou berusten op gemeenschappelijk Ooreuropeeschen grondslag. Als

zulk een fossiel beschouwt men b.v. de ratelende _z_ (_zr, rz, rs_),

die in Oost-Brabant, d.w.z. het grootste gedeelte van de Meijerij,

met de landen van Cuyk en Ravensteyn, tot in het westelijke deel

van Maas en Waal in het Noorden en tot in Peel- en Kemperland in

het Zuiden gehoord wordt in plaats van de gewone _r_, b.v. rooster:

_rzeuster_; berispen: _berzispen_; kar: _karz_. Deze klank vertoont

inderdaad groote overeenkomst met de Boheemsche _r_. Maar fonetische

overeenkomst behoeft niet noodzakelijk door gemeenschap van herkomst

te worden verklaard.

_1. Het Friesche taaleigen._ Friesch leven, taal en volkaard, wij zagen

het reeds (I, bl. 6), heerschte eertijds in de provincies Groningen

en Friesland, in het Westen van Drente, Overijsel en Utrecht, in

Holland met uitzondering van Kennemerland, in Zeeland en het Vrije

van Brugge. Thans is het Friesch gebied heel wat ineengekrompen. Het

Landfriesch, zoo heet het zuiverste Friesche dialekt, wordt gesproken

tusschen Vlie en Lauwers en omvat 1. de tongvallen der Waldjers in het

Noordoosten; 2. die der Klaikers in het Westen en 3. het Zuidhoeksch,

dat grenst aan den Saksischen tongval van de Stellingwerven. Verder

behoort hiertoe 4. het taaleigen van West- en Oost-Terstelling. Te

Midsland op Terschelling wordt tegenwoordig hetzelfde Noordhollandsche

dialekt gesproken als op Texel.

De Klaikers zijn de bewoners van de kleistreken, de Waldjers de

bewoners van de Dokkumer woudstreken of zandgronden. Het is zeker

niet louter toevallig, dat hun dialekt eenigermate afwijkt, al wordt

dit verschil thans met den dag geringer. Gesteldheid van den bodem

op de alleerste plaats, wellicht in samenwerking met het klimaat,

heeft een sociologische differentiatie tot stand gebracht, die niet

zonder invloed op het dialekt gebleven is. Ook de lokale afwijkingen

van visschersdorpen als Wierum en Moddergat zijn sociologisch licht

verklaarbaar; zie vooral Joh. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch

Dialecticon ('s Gravenhage 1874) I, bl. 428 vlg. Ligging en bedrijf

hebben ongetwijfeld ook hun invloed doen gelden op het afwijkend

taaleigen van Schiermonnikoog en eveneens op het Hindeloopensch, dat

over de taal van Molkwerum meer de overige, boven genoemde dialekten

nadert. Is Hindeloopen niet in alle opzichten uitermate karakteristiek,

zoo in vorming als in kleeding, zoo in volksvoorstellingen als in

zeden en gebruiken?

Trouwens de gezamenlijke Friesche taal- en volksgroep draagt

zoo heelemaal een eigenaardig cachet van vasthoudendheid

en vastberadenheid, tweelingstelg uit zijn huwelijk met de

zee. Theod. Siebs verklaart den naam _Fresa(n_) door verwantschap

met het Oudhoogduitsche _freisôn_ "in gevaar zweven", waardoor

bedoeld worden de gevaren der zee. De Friesche taal neemt onder de

Germaansche talen dan ook een geheel bijzondere plaats in: zij is

een tak der Engelsch-Friesche taaleenheid, en het Angelsaksisch--met

name het Northumbrisch--bestaat haar het naast in den bloede. De

Friezen behooren tot de weinigen, die thans nog wonen, waar zij zich

in de oudste tijden vestigden, zij het ook met belangrijke beperking

van hun gebied. Het vokalisme is vrij eentonig; zoo b.v. schaap:

_skieëp;_ jaar: _jieër;_ rijk: _riek_; voet: _foeët;_ huis: _hoes_;

deel: _deel;_ steen: _stieën;_ oog: _eea_g; sturen: _stjoere;_ hand:

_haan_; oud: _aald;_ vogel: _foegel;_ hond: _hoen_ enz. [11] De drie

persoonsuitgangen eindigen in het meervoud allen op een toonlooze

_e_. De _n_ wordt in de onbepaalde wijs en in de verbuigingsuitgangen

na toonlooze _e_ weggelaten. Het verleden deelwoord kent geen

voorvoegsel. Een eigenlijk wederkeerig voornaamwoord ontbreekt. Ook

het konsonantisme streeft naar eenvormigheid. De groep _sk_ blijft in

't begin, midden en einde der woorden: _skieëp, woskje, fisk_; _ch_

wordt _ks_: _okse_, en niet _ss_ als elders. Ook is zangerigheid aan

het Friesche taaleigen vreemd,--zegt men niet: "Frisia non cantat"?

Dit Landfriesch of Boerenfriesch heeft zich weten te verheffen

tot een rijk kultuurdialekt. Laat ik aan de hand van Winkler hier

de namen vermelden van Gysbert Japicx, "den frieschen Vondel";

Tjeerd Ritske's Velstra, "den frieschen Poot"; Waling Dijkstra,

"den frieschen Fritz Reuter". Verder de gebroeders Halbertsma,

Rein Postumus, die o.a. eenige werken van Shakespeare in het Friesch

vertaalde, en Tiete Roelof's Dijkstra, oprichter van het Selskip for

frîske tael- end skriftekinnisse.

Friesch.

(_Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door_ F. U. Lourensz).

De klokken fen Sint-Odolf.

It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în 'e earste helte fen

'e 9e ieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.--By in tîge

lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van

de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.--Dit plak în 'e Sudersé

wirdt troch de séljue nog altijd as "it tsjerkhôf fen Ald-Starum"

oanwîsd en hja komme as 't kin, der net tichte bij.--

Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer

de klokken üt te sprekken; mar dat hie în 't bigjin gjin neidélige

gefolgen.

Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it

by oerlevering lîke te witen, de saek oan 'e biskop fen Utert

forklapt;--dy, tîge lilk wier do 't er det hearde, en rîp: "Dan binne

dy klokken des dîvels".--Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei

de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart,

oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în 'e groun, sa great,

dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier

meî dizze bût sa în 't snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In

neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde

tsjoenster, dy 't in bulte kwea die.

Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken

te keatsen.

Omke siet te Himelum en neef op 'e Galamadammen; sa smieten se elkoar

de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong

in nacht of whet goed.--Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier

net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen 'e klokken liet er în

't wetter fen 'e Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf,

în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch

de ierdkoarste hinne en kamen în 'e onderwrâld torjuchte.

Sint dy tyd hearre de fiskers op 'e Fluessen en de biwenners van de

Galamadammen 's nachts soms in dof gebombam în 'e djipte.

Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd

gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is

whet better.

Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în 'e Haagsche

lotterij de hûndert tûzen trokken hat.--Dan is der blydskip în 'e hel.

Het Stadfriesch, dat vooral te Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Franeker

en Sneek, maar ook te Midsland op Terschelling en op Ameland gesproken

wordt, is eigenlijk een mengelmoes, waarvan men niet weet, of men

het Saksisch-getint Friesch dan wel Friesch-getint Saksisch moet

noemen. Merkwaardig is het, hiervan na te gaan, welke dialektische

bijzonderen de taaiste levenskracht vertoonen. Het zijn: _sk_ voor

_sch_; de scherpe uitspraak van _v_ en _z_ als _f_ en _s_ in het

begin der woorden; het ontbreken van het voorvoegsel der verleden

deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen,

b.v.: "Dou hât dat wel laten kunnen" (Je hadt dat wel kunnen laten);

eindelijk de uitspraak _bien, tien, breg, pet_, voor been, steen,

brug en put.

Deze eigenaardigheden vindt men dan ook als overleefsels aan

de overzijde der Zuiderzee, te beginnen met Strandhollandsch (of

Strandfriesch), het taaleigen, gesproken in de visschersdorpen Egmond,

Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen. Hoe

verschilt dit dialekt, dank zij ligging en bedrijf, van dat in

het naburige Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen! Men

hoort hier ook nog de Engelsche _w_ als beginletter. Dan volgt het

Noordhollandsch met de dialekten van Kennemerland, de Zaanstreek en

Waterland. Wat Amsterdam betreft, het zeventiende-eeuwsch, ons uit de

kluchten van Bredero bekend, komt in meer dan éen opzicht overeen

met het dialekt, dat thans benoorden het IJ wordt gehoord. Het

oorspronkelijkst echter, en het minst door Hollandschen invloed

gewijzigd, is de volkstaal van West-Friesland. Dit gewest bestaat

uit twee deelen: het eigenlijke West-Friesland, tusschen Alkmaar en

den Helder, en het tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gelegen

Drechterland. Hiertoe behooren ook de eilanden Texel en Wieringen.

Zaansch.

(_Uit Leopold, Van de Schelde tot den Weichsel I, bl. 274_).

Oitje met een Jachie.

't Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit

het volk.

Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onder

jachie of glaze jachie verstaat men die kleine, vaak met verguld en

gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid

worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte

plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder

der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net

was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.

Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen

ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap,

meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.

Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de

nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeen gelegd, en ik

heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter

pleizier kende, dan zoo'n oitje met een jachie op de Zaandammer-

of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk

een feestje betreft, 't gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid,

't Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan

"gepot" wordt voor vele soort van zaken.

Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een

uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen

bewaren alle dikke-nieuwe-centen, om aan 't des jaars voor bijzondere

uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan

den verteller.

't Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel

e-weest, dat hoore en zien je vergong, en 't was ook wel te

begraipe. Op zoo'n kermis den rake die mensche, zooals olieslagers,

pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is

't alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is

't nag zoo. Maar met zoo'n kermis, den haal je je asem nag eres bai je

reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.

Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje

op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met 'et jachie te

kermis te gaan. Ook hadde ze 'et esteld op Vraidag, dat was nag al

een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.

Dus, 'et jachie en die het roeie most, ware 'ehuurd voor Vraidag;

den most het beure--weer of gien weer;--ze hadde er al goeie lucht op.

Maar wie zou 'et jachie oitreste?

Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: "Nou,

den zei ik 'et wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;--wet brood

met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete,

een avvekateborrel, en we binne klaar."

"Goed", zegge de are, "of-esproke".

De Vraidag kwam. 't Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan

't klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de

boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur

menier kon, voor te zette.

De knecht kwam met 'et jachie en nou wier de boel 'elade. Wel man,

'et zag er maar avvenant oit.

"Hè", zai Griet, "ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike

eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch

wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit

benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook

voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe."

De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had

en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve

bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst

ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure,

toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.

Je konne wel zien, dat ze 'et alle dage niet ewend ware om oit te

gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus

met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde

het bai taie oit om 't lekker oitje en dat ze nou al zoo'n lol hadde.

Op iens zait Neel: "Groote groen in 't hoissie, weer is me

knippie?"--Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.

"Wat," vrage de are, "je hèt je knippie toch niet estrooid,

Neel?" "Nee," zegt deuze, maar da's nou toch nochter van me. Ik

bedenk me deer net. 'k Heb het leete legge op 't bontje, vlak bij

't hoochie van den smoiger. Da's een malle boel.--Maar wacht eres. 'k

Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer

ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de

rollebol te speule."

"Nou," zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt,

"je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes

bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook

gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene."

"Wet," zait Neel, "ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel

een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem

niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene."

"Hou nou je groote babbelbek maar es dicht," zait Griet. "Deer hê-je

een avvekaatje."

"Zoip, zwager, oome Jan is jarig!"

Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an 't

kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man,

die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de

dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo

rood as een haan.

Maar ik kom nog even terug op het Amsterdamsch dialekt, dat van

groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot

het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt uiteen in

verschillende tongvallen, waarop door Joh. Winkler in zijn Dialecticon

II, bl. 86 vlg. de aandacht gevestigd is. Wij hebben hier m.i. vooral

te doen met de inwerking van het _bedrijf_ op de taal, waardoor

afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt

de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam

staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart

zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te

Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en

in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joos-ten-Oode enz.,

anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt,

en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan

in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Jan's Molenbeek enz. Ook

te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men

heeft hier vooral twee onderscheiden tongvallen. De eene heet te

Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der

Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en

fabriekarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek,

en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking,

zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook

in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat

van dat der andere. J. Ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende

niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste

thans nog in leven zijn. Ik schakel hier het Jodenhoeksch uit, dat weer

uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den

tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier

een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder

vooral nog het Kattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger

scheepstimmerlui, mèt het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.:

"moet je ook geschoren worden" luidt in den Kattenburgschen tongval:

"mój jók geskórre wórre". Hiervan verschilde vroeger het Rapenburgsch

eenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. Het Nieuwmarktsch

wordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de

andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is

ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen,

sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is het Bierkaaisch, de tongval

gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking

van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek

tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. Het

Komkommerbuurtsch hoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt:

't Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. Het

Franschepadsch werd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in

de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen

daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en

uitdrukkingen, aan de dieven- en bedelaarstaai ontleend. Laat ik ten

slotte nog vermelden het Kalverstraatsch, het Gebed-zonder-endsch,

een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo

merkwaardige Duvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth

van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en

Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid,

"doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit

het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten, _négociants, nomades,

colporteurs, vagabonds, chevaliers d'industrie,_ duitsche kwakzalvers,

luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten-

en kannenwijven, fransche goochelaars, rottevangers en ""verdrijvers

van wandgedierten" ", savooische lieremannen, orgeldraaiers en

marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en

verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun

verblijf hielden en er te zamen een duvelshoeksch _jargon_ prevelden":

Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92.

Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een

daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt

men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en

lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijke

Hasseltsch, de volkstaal het Beeksch, dewijl deze meestal door de

minder gegoeden gesproken wordt, die "obbe Beek" wonen. Zie Gittée,

Nederlandsch Museum 1888, II. bl. 310.

2. _Het Saksische taaleigen_. Het zuiverste Saksisch wordt

op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en

Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet

bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsen, Doetichemsch enz. bij

het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den

deminutiefuitgang _-ien,_ en door _lief, bier_. Het Oostdrentsch

(Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een

kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekte _a_

in het Oostdrentsch den _oa-(ao_)klank heeft aangenomen, terwijl

zij in het Twentsch den helderen _a_-klank bewaard heeft. Dus:

Twentsch _dage, hane_, Drentsch _doage, hoane_. Prof. Te Winkel,

Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in

deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen,

door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het

Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV,

bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap, vormen inderdaad het Saksische

kernland. Daar vindt men nog het "lösse hoes", de hoeve met éen

enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de

Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der boerenwoningen,

dat men te Staphorst en Rouveen aantreft--type, zooals wij zagen, met

beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 36)--stemt overeen het feit, dat

het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont

op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen

verschoven veenkolonies.

Het merkwaardigste kenmerk van het Saksische taaleigen is stellig

de meervoudsvorming van den tegenwoordigen tijd: 1ste, 2e en 3e

persoon gaan uit op _t_. Het verleden deelwoord wordt voorafgegaan

door een toonlooze _e_: _estoan_ (gestaan). De Sakser is gesloten,

óok in zijn taal; het terughoudende en berekende vindt er zijn

uitdrukking. Hij rondt zijn woorden niet af, hij bijt ze veeleer

af, laat de klanken niet in hun volheid komen over de omheining der

tanden, zooal nog blijkt uit het vervormen van den uitgang _en_ tot

een sonantische _n_: dus _hooren_ wordt _heurn_. Verder zijn _î_ en

_û_ niet gediphthongeerd en zegt men derhalve _mien, wien, huus(hoes),

zoegn_. Konservatief betoont zich het Saksisch verder in behouden van

_al_ en _ol_ voor een volgende _d_ en _t_, b.v. _old_ (oud) en _talter_

(schommel). Maar vooral ook de woordvoorraad is belangrijk en werpt

op het karakter der Saksische volkstaal het helderste licht. Hier is

het weer Gallée, die zich het meest verdienstelijk maakte door zijn

Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialekt (Den Haag 1895).

Volgen nu twee dialektproeven uit het Saksische kernland, beide van

folkloristischen aard, óok om hun inhoud.

Achterhoeksch I.

(_Uit Driem. Bladen I, bl. 80_).

Ho ze knikkert in Eibarge.

'n Klein zetjen eleden sloog 't half eene op ten Eibargschen toorn;

't warkvolk is allemaole noa 't hoes hen en de kindere bunt oet

de schoole; ze zölt wal haoste met 't etten edaone wèzen, want ze

holt zich om 't zeggen: "Ellef uur den pot op 't vuur, um twalef uur

wat etten". Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch,

doar kump net Batjen langs 't hekke van den meister zînen hof hen

en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar he'j den dikken

Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an,

he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog

mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan

zoo lomp gauw etten. Daor he'j 'm al. Oet de wîte smit ê al met ne

sleiferkei en he röp: "ik magge 't eerste oetsmîten watte? we doot

toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei he'j noo nog nooit ezeene;

'k heb 'm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot,

kik es wat 'n mooien!" "We doot kuultjen scheeten" zeg Batjen, "Oa

wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie

niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold," zeg ten dikken

Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?" schreeuwt Lulefken. "No, too dan

moar," zeg Batjen, "dan wil ik 't laatste oetsmîten, heur!" "'k Heb

't anders al lange ezeg" schreeuwt Henne, "maor't kan mie ok neet

schellen, 'k komme toch wal bôven alles!" Noo zet ze de knikkers fijn

op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan he'j ok nog meer

kans dat ze melken mot. "Hier zal de kip wezen," zeg Batjen, en hé

trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee da's 't kortste bie,

da'i meugt liggen. "Ik zal wal 't eerste oetsmîten," zeg Bennad. He

geet achter 't pötjen staon en smit met den sleiferklei 'n pas of tine

wît. Doar maakte ê'n streepken. "Daor gao 'k boaven," röp Henne, den

altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren, verspöllen

deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik 'm es en

onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp:

"Da's ok wît genog" en de andere lacht en zegt: "Henne wat bu'j

toch 'ne onwîzen." Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No

mot Batjen oetsmîten. "Wacht" dech e, "ze könt ter wal es allemaole

langs hen mikken en he röp "'k gao op de kip, dar!" Zeezoo, no kan

't beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen

sleifert fijn, 't geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes,

een paar köpkes valt ter of. "Melken, melken" röp e! En noo geet e

der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen,

want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt

zoovölle van 't heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met

spieë mag neet, heb ze ezeg. "Noo, mîne vîve he'k," schreeuwt Henne,

too 't köpken völt, "no mot ie Lulef." Lulef smit, maor raakt niks;

he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? "Ze hebt

'm emeut Bennad," röp e, "mozze motte weerumme." "Dat leeg ie." "Da's

al." "Ik zeg oe van neet." "No," zeg Lulef, ik nemme mîne vîve",

en he löp ter as'n haze hen. "Neet grîpen" schreeuwt Batjen en

veur de sekurigheid grip e eiges 't heele pötjen op; "dan mot Lulef

moar översmîten." Lulef smit maor raakt niks. "Onreg verdeelt zich,"

schreeuwt Batjen. "'t Is toch gemeen, hè had 't anders secuur edaone,

leelekert," röp Lulef, "Lig toch neet te schennebekken," zeg Henne,

"ie mot smîten Bennad." Kik 'm es loeren en mikken, 't Geet er wal

ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net

op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op,

want he vertrouwt te anderen geenen cent. "Kom jongens, noe nog 'n

pötjen," rup Henne al weer, "der bunt er nog meer biêkommen, dat zal

'ne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!',

H. P. t. B.

Achterhoeksch II.

(_Uit Driem. Bladen VII, bl. 21._)

Hanenèfken en Hennenichjen.

(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook).

Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekare

en kokten samen de pot. Toe de beeste 's arfstens op de spörrie etuurd

wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et

in de kelder. "Zee, nichte," zei Hanenèfken, "doar zöw ons nog es an

verslakken as de sneebluemkes vleêgt".

Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen

en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of 't pötjen der nog ston

en prüven of de botter ok stark wier. 't Pötjen ston der nog en de

botter smekte goed en was nêet stark.

En 's margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong

hen kîeken en prüven.

En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.

Zie, ij konnen nîet wetten, dat ko'j nêet.

't Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt,

dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs

de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.

Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel

hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.

Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen

Hennenichjen: "haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder."

"Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet", zei Hanenèfken. "Nee,

Hanenèfken, ij gaot veur!" Toe pikten Hanenèfken 't eerste en hie

hadde de heele nekke voel....höonderköttels.

Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e

Hennenichjen 't vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den

puttenpos op den bézenbos um te dreugen.

Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.

Hanenèfken kwam buuten en 't velleken was weg, Hî maakten zich en kaore

van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe

ging et naor 't huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam

um en osse in tegen. Die zei "Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?"

"Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken

weerumme."

"Za'k moar met gaon?"

"Jao, sprink maor achter op de kaore."

Veerder kump um en hane integen, die zei:

"Hanenèfken, waor mo'j nao töo?"

"Ik gao nao 't huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes

velleken weerumme."

"Za'k maor mee goan?"

"Jao, sprink maor achter op de kaore."

En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en

slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.

Zoo kwammen ze bij 't huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure

was op de gruntele.

"Hoe dook der met," zeg Hanenèfken.

"Ik witte raod", zei de Hane, "ik zal deur 't hôondergat kroepen en

de deure lös doen".

Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao

en vund Hennenichtjes velleken in en deusken.

"Hoe doew der now met?" zeg Hanenèfken.

"Daor zölle wij wel veur zorgen" zekt die metereden bunt.

't Ei geet in 't vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte

van den stool.

De hekkele geet met de rugge in 't bedde liggen; de osse geet in de

stal staon en de hane achter in de koostal op 't rik. De slîpsteen

henk zich op baoven de deure.

's Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken,

en "poef!" zeg et ei en vlug um in de oogen. "O! min oogen" krouwt

e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de

naolde: "O! mîn eers, mîn eers!" Van pîne löt e zich in bedde vallen,

waor de hekkele lig. "O! mîn rugge, mîn rugge!"

Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse

nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. "Smît um mîn maor

boo", schreeuwt de hane, "dan za'k um nog anders toetakelen!"

Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös

doon, völt um de slipsteen op den kop.

En too wasse ha(r)dstikke dood.

G. J. Klokman.

Ik besprak reeds het mengdialekt van Staphorst en Rouveen. Ook

te Vollenhoven, Genemuiden, Zwartsluis, Kampen enz. wordt een

Saksisch mengdialekt gesproken. Maar de twee voornaamste Saksische

mengdialekten, met Frieschen inslag, zijn het Groningsch en het

zoogenaamd Stellingwerfsch, dat weer in verscheiden kleinere idiomen

uiteenvalt.

Het Groninger dialekt lijkt de Friezen hard en zwaar; bij het

spreken wordt de mond breed geplooid. De voornaamste bijzonderheden

zijn wel: de uitgang _-en_ van den 1sten en 3en persoon meervoud

van den tegenwoordigen tijd; het ontbreken van de _e_ vóor het

verleden deelwoord; de voorliefde voor den _ai_-klank, tegenover de

Saksische _ee_ en _ei_. Wat het Stellingwerfsch betreft, dit wordt

o.a. gekenmerkt door den 2den persoon meervoud _jimme_, en door _voet,

boek_ tegenover _voot_ en _book_.

Westerwoldsch.

(_Uit Driem. Bladen XIII, bl. 67_).

Op Aovondproot.

't Was Dunderdagaovend. 't Vroor dat 't knapte. De lucht was helder

van sterens en de grond zoo hard as 'n bikkel. Snij lag d'r nich;

't weide ook nich en nò was 't zoo heur in de lucht, dat m' duudelk

heuren kön, dat 't leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en

wel klompen aan aanhad'n.

Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels

op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor 't anders veul

te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze d'r best langs. Ik

wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout

ze alle Dunderdagaovond um 'n beetk'n te proten en 'n kop koffie te

drinken. IJn van heur hef altied wol 'n bösschop.

Ik gao d'r ook hen; 'k wil ijs heuren of mien schoune klaor bint;

dan kan 'k ijs wat mit proten over 't ies en 't weer en wat 't 'r

meer veur 'n dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en

bint dan vot in de keuken.

"Gaot man zitten jongs; trekt man 'n stoele bie 't vuur. Och, Aoldien,

doe steist door net bie de hörn, smiet nog 'n kijnstobbe op 't vuur,

de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem

ijs aan......" "Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen."

Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he

stopt hef: "wolt ook aansteken, Geert?"

"Nee," zeg Geert, "'k heb 'n kolle" (_pruim_). De duize knapt weer

tou en geit weer op 't olle stee. "Geef mie de tange ijs Hinderk,

doe bist 'n de hörn kropen, magst bedijnen van aovend". De tange geit

in 't vuur, komp 't 'r mit 'n koolk'n vuur oet, dij in Pijter zien

borstklopper geit. "Hij! doe stichst brand, daor lig 'n kole vuur bie

dien klompe op de vlouer." "O, wacht man, laot de tange man staon,

't geit zoo wol", en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur

in de raokeldobbe. "Verbraanst dien zokke." "Nee, 't schal wol gouw

gaon. Haf' we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit 'n kole

vuur aanvegen." "Wat dee dij hond dan?" "Hest nooit van dij looze hond

heurd?" zeg Pijter, as m' tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan

göng vot nao 't kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum." "O,

dat kan onze boer zien hond ook wol." "Ja, man Jan Tools zien hond

dee dat ook mit 'n kole vuur. As 't 'r 'n kole oet 't heerdk'n op de

plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg

he de kole in de bek en smeet hum weer op 't vuur." "Dat kön nooit,

dan brandde zien bek ja!" "Ja, jong, man hij m..... de kole eerst

oet." "Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat 'r op dien piepkop

steit, daor heb 'k al zoo lank tegen aankeken." "Daor, kiek man

ijs goud, 't kan best wezen, dat 't nog familie van die is." "Wel

kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van--ik zij wel

't is--horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst 'r mit

loopen duurst." "Wat mijnst dan wel 't is", zeg Pijter. "De olle

knecht, gijn ijne anders." "Laot ijs zijn", zeg Hinderk. "Verdold,

Geert hef gliek, 't is hum." "Man, wat mot dij schaope d'r toch bie,"

zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit 't hekke (bril)

op de neuze de piepkop bekik, "'k heb nooit heurd, dat de duvel

op de schaope past. En 't is net of het zit te fluitspeulen." "Dij

schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ

ijs 'n maol op 'n aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen

aanzat." "Man hest hum zölf wijl ijs zijn?" Geert zee niks. Man opijns:

"Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter 't iemhok van

Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik s' aovends daor nooit weer

achter 't hoes langs gao." "Hou zag he d'r dan oet, net as op mien

piepkop?" Dat kön 'k zoo nich zijn, man 'k schal joe vertellen wat

'k zijn heb. 't Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips

en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern

as op 't oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en

um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao 't iemhok,

umdat mien boer mie ijs verteld hef, dat Janoom zien vader doar ijs

'n hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor

wat zijn achter 't iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat

't was. Um d'r te komen mös he 't heksk'n deur en dou was he van

zien recht of. Op ijns heurt he, 'n geschatter en daor springt d'

olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he d'r mit um

argewijerd; in 't leste har he 't heksk'n mit d' ijne hand pakt en

dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht." Hef

dien boer die dat verteld?" zeg Pijter. "Jao en dij lug nich." Geert

har 'n grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van

hijl Westerwolde. "Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de

nachtmerrie had hef." "Ja, doe wolt niks leuven, dat wij 'k wol, man

wat ik d'r zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik

zag op ijns 'n kop boven 't iemhok oet komen. Ik wör d'r kei van,

want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij d'r beleefd har,

't was net op 'k aan de knijen tou deur 't zaand göng. Man ik keek

nog ijs weer, en dou was 'n d'r twij koppen, ik dochte: jong, red di,

het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (_aan de haal_). Dou 'k

veur onze valdeure kwöm, har 'k aan ieder haor 'n zwijtdrup. 'k Bin

boven over de underdeure hensprongen, 'k heb de deure dicht maakt

en bin op bedde kropen." "En dat is de duvel west?" "Wat mijnst

doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben." "Och, kerel,

't was Steffen, daar hebt 'n jong en 'n wicht mit 'n ander staon te

vrijen. Schost d'r man gerust hen gaon wezen, meschijn har 't wicht

die ook wol 'n smok geven." "Jawol, ik har 'n smok kregen van 'n hijl

ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö 'n hijl woord,

en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch

wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard

doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln." "Ik heb hum

al 'n maol zijn" zeg Pijter hijl dreuge. "Doe? Waarzoo? En wat hest

dou daon?" "'k Heb hum de nakke umdreid". "Verrek um mie, nö heb

'k genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!"

"Wolt 't nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij

knip, "'t is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je d'r nog 'n kopk'n in,

dan keer 'k nich um." "Jewol, jong, vertel man op."

"Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien

dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog

in hoes en dan hadden ze 'n meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder

heit, wij 'k nich meer; 'k wijt wol dat ze altied stom kwaod was,

as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in

de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. 't Was 'n viet ding, man

'n beetke'n eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud

dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt

ze mie 'n schrik aanjagd, dij 'k heur nie gouw vergaf.

Ik kwöm ijs op 'n aovond um tien uur 't loug (deel van 't dorp)

oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange,

waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure

open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien

gleude kop op mien bedde. Ik stende 't eerst oet van benauwdheid en

't göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man 't duurde nich laank;

ik kreeg mien kracht weerum en 'k wör duvelsch. Ik zee: "satan, olle

duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die--koom man

op, satan! en anders griep ik die...." en ik griep hum mit beide

handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven,

dij aan 'n ander bonden wad'n. Oogen, neuze, en mond bestönden oet

glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in 't kaarnhoes 'n

verdacht gegnies en dou 'k kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in

draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik 't 'r ijne van pakt har,

dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou 'k dij meid d'

ander dag alleine achter 't hoes trof, zee 'k tegen heur: as 'k die

'n raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders

könst wol ijs 'n schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze

raor op en 'k heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was

laoter ook nich bange meer veur d'olle, umda 'k hum de nakke umdreid

en de kop over de kougange mieterd har." "Jijzes, Pijter," zee Geert,

"wat bist doe 'n kerel. Kiek, as mie 't overkomen was, ik was vot nao

't veurenne vlogen en har de boer roupen." "Ja, zoo geit 't jong,

as m' de boudel nich underzöcht. 'n Smid oet Wedde vertelde mie ijs,

dat he 's aovends van de Pekel komen was langs 'n binnenpad over de

heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum

twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen

göng, hij geit 't 'r op of en wat is 't? 'n Lijk schaopk'n dat op

de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he,

dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de

duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as 't 'r zoowat

is, gao d'r dan rustig op of en underzuik 't en dan scholt zijn, dat 't

allemaol 'n natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!" Hinderk

dij nog niks zegd har, kik op de klokke. "Ketijer veur tiene? Dan wot

't mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in

'n saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom."

"Wacht," zegt Geert, "ik gao mit, dan heb 'k zoo wied gezelschop." "Ja,

ik gao ook mit," zeg Pijter, "baos ik heb joe mien stevels bie deure

hen zet, kan 'k dij Zaoterdag wol weerum haolen? D'r mout halve zolen

en hakken under."

"'t Schal wel gaon. Gòjenaovend."

A. H. Smith.

3. _Het Frankische taaleigen_. Hier en daar met Friesche en

Saksische bestanddeelen vermengd, wordt het Frankisch gesproken

in Vlaamsch België, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Utrecht en

een gedeelte van Holland. Aan Maas en Rijn heeft het Frankisch

element beslist de bovenhand. Maar eng verbonden hiermee hebben wij

reeds herhaaldelijk het Keltisch ontmoet. Kelten waren wellicht de

vertegenwoordigers der Klokkebeker-kultuur in Utrecht, Drente, Twente

en op de Veluwe. Kelten waren stellig de Galliërs, die omstreeks 300

n.Chr. de Hallstatt-kultuur brachten in onze zuidelijke provinciën. De

algemeene Nederlandsche taal kent Keltische plaatsnamen en andere

Keltische leenwoorden. Een hoeve-type, hoogstwaarschijnlijk van

Keltischen oorsprong, het langgevel-type, vinden wij hoofdzakelijk

in België, Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe, op de Veluwe en

in de duinstreek. De brunetten zijn het sterkst vertegenwoordigd in

Noord-Brabant, Limburg, zuidoostelijk Gelderland en Zeeland. Ook het

emotioneele volkskarakter stemt hiermee overeen, met uitzondering van

de Veluwe. Maar op de Veluwe stooten de drie Nederlandsche hoofdstammen

aan elkaar; nergens trouwens is de invloed van het landschap,--hier: de

schrale, sombere heidevelden--zóo merkbaar inwerkend op de geaardheid

des volks. "De bodem der N.-W.-Veluwe", schrijft W. van Schothorst, "is

met uitzondering van de lage, waterrijke, en hier en daar veenachtige

Westelijke helft, hoog, dor en onvruchtbaar. Slechts dennen, sparren

en eikenhout vindt men op den schralen grond, wanneer deze niet

met heide is begroeid of uit stuifzanden bestaat. Een onafzienbare

heivlakte met golvenden bodem, aan den gezichtseinder begrensd door

donkere bosschen en rijen witte zandheuvels, als stoffage een enkel

boerderijtje met wat armoedige boompjes, en op een verheffing van den

bodem een kudde schapen door haar eenzamen herder met zijn trouwen

hond gehoed, ziedaar een typisch Veluwsch landschap!" (Het Dialect

der Noord-West-Veluwe. Utrecht 1904, bl. III).

Ook kleederdracht en versierselen wijzen op gemeenschappelijken

Keltischen inslag. In Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van

Nijmegen en in Zeeland worden hangers gedragen. Met eenigszins

gewijzigden vorm vinden wij den hartvormigen hanger, de _schoef_

genaamd, ook in het Zuiderzeegebied met het Gooi. Nauwer hangt dit

gebied door een breeden, platten ring met spiraalwerk van blaadjes

weer met Zeeland samen. Eigenaardig-bewerkte knoopen, gordel- en

broekplaten, halskettingen van bepaalden vierkanten vorm treft men

aan in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden, in het Gooi en op

de Veluwe om de Zuiderzee.

Wij krijgen aldus een uitgestrekt samenhangend gebied; en vergelijkt

men dit met het gebied, waar nakomelingen van Frankische stammen te

vinden zijn (I, bl. 8), dan zal men tot de bevinding komen, dat beide

territoren elkaar nagenoeg dekken. Hierbij komt, dat de dialekten der

bevolking, hoe uiteenloopend ook, een aantal kenteekenen vertoonen,

die men althans ten deele ook in de Keltische talen weervindt. Waar wij

nu van een Keltisch-Frankisch huis gesproken hebben, zal men het dus

niet kunnen misbillijken, dat ook de benaming van Keltisch-Frankisch

dialekt door ons gebezigd wordt. Natuurlijk behoeft elke overeenkomst

op-zich niet op gemeenschappelijke herkomst te berusten, ik wijs

slechts op het nasaleeren van een klinker vóor gedekte nasaal en

het verwaarloozen der _h_, ook elders nawijsbaar, zie b.v. Groninger

Volksalman. 1900, bl. 28.

Enkele der meest eigenaardige kenmerken van de Keltisch-Frankische

dialektgroep laat ik hier volgen.

Nederlandsche Volkskunde · 第 84 / 117 题