D. Vr. Wat syn roovers?

M. A. De roovers syn somtydts byen van de selfde hut, somtydts syn

sy van andere hutten; alhoewel sy door den geheelen lenten en ock

somtydts in den somer syg laeten sien, soo syn sy nooyt arger als in

het begin der lenten, als de byen beginnen te vlygen en geen blommen

hebben om haeren kost te haelen; dan geven sy malkander een vysiet,

maer soo goet, dat sy malkander overvallen en geheel van den honingh

beroven; ock dikwyls dooden sy de overvallene, daer ordeneer diese

byen, gering van volck syn.

D. Vr. Ick heb oyt gesien en gehoort dat er menschen syn die de byen

iets voeren, opdat sy op andere byen souden gaen rooven.

M. A. Dit en weete ick niet hoe het is, maer is het dat er sulke

menschen gevonden worden, dan syn dit onkristelyke menschen. Ick

noem dese menschen onkristelyk, omdat sy groetelyks sondigen tegen

de liefde en de regtvaerdigheydt Godts, want ten eersten sondigen sy

tegen de liefde, die ons leert:

Quod tibi non vis fieri alteri ne feceris.

Dat gy niet en wieldt dat u geschied

Doe dat ock aen uwen naesten niet.

Wie is er die soude willen, dat sulks aen hem soude geschieden; ergo

doet het niet aen uwen evenaesten. Het is ock groetelyks strydigh

tegen de regtvaerdigheydt, wanneer sy willens en wetens expresselyk

haeren evenmensch willen beschadigen; vervolgens syn sy gehouden,

alle schaede die haeren evenaesten overkomt, te restitueeren en

te herstellen; ick heb nooit ondervonden dat er sulke boosaerdighe

menschen syn en daerom kan ick niet geloven, dat er sulke onder de

kristenen gevonden worden; maer was het saeken dat sy gevonden wierden,

men soude met gewelt syg tegen desen mogen versetten, want;

Licet vim vi repellere.

Die tot my komen met gewelt

Tegen dese staen ick in het velt.

Capittel II.

Van de middelen tegen de roovers.

Het Geldersch Byenboek of pratyk der byen, langs den kant der Maes, Peel en Niers, in het overkwartier van Gelderland · 第 98 / 191 题