NEGENDE HOOFDSTUK.

De laatste woorden van de koningin werden afgebroken door een

schaterend gelach, dat door de marmeren wanden van het feestvertrek

werd teruggekaatst. Eerst verschrikte zij, maar zij begon vriendelijk

te glimlachen, toen zij haren broeder Euergetes herkende, die, den

kamerheer op zijde dringende, op de gasten toetrad vergezeld van een

Griek, die ouder was dan hij.

"Bij alle bewoners van den Olympus en al dat gespuis van goden en vee,

dat de tempels aan den Nijl bevolkt," riep de pas aangekomene, terwijl

hij nog altijd zoo luid lachte, dat zijne vleezige wangen en zijn

buitengewoon sterk jeugdig lichaam beefde en schudde. "Bij uwe schoone

kleine voeten, Kleopatra, die zich zoo gemakkelijk laten verbergen,

en die men toch altijd moet zien; bij al uwe zachtaardige deugden,

Philometor, ik geloof dat gij beproeven wilt den grooten Philadelphus

of onzen Syrischen oom Antiochus te overtreffen, en een optocht zonder

weerga zult doen houden, en wel te mijner eer! Braaf zoo! Ik zal zelf

deelnemen aan die wonderlijke vertooning, en met mijn dikke lichaam

een Eros voorstellen, met boog en pijlkoker. Eene Ethiopische vrouw

moet dan voor mijne moeder Aphrodite spelen. Zij zal er prachtig

uitzien, als zij met hare zwartachtige huid uit het witte zeeschuim

opstijgt. En wat zoudt ge denken van een Pallas met kort kroeshaar,

van Gratiën met breede Ethiopische platvoeten, en van een Egyptenaar

met een kaal geschoren kop, die terwijl de zon zich in zijn gladden

schedel spiegelt, Phoebus Apollo kan voorstellen?"

Onder deze woorden wierp de twintigjarige reus zich op het ledige

rustbed neder tusschen zijne zuster en zijn broeder. Nadat de laatste

hem den naam van den Romein had genoemd, en hij dezen niet zonder

waardigheid begroet had, riep Euergetes een der jonge Macedonische

edelen, die de gasten als schenker bediende, tot zich, liet zijn

beker een- en andermaal, ja ten derde maal vullen, dronk dien telkens

snel en zonder ophouden ledig, en zeide dan hardop, terwijl hij beide

handen door zijne verwarde blonde haren haalde, zoodat ze hoog boven

zijn grooten schedel en breed voorhoofd uitstaken: "Ik moet inhalen,

wat gij mij vóor zijt. Nog een beker, Diokleides!"

"Wildeman!" zeide Kleopatra vermanend, terwijl zij hem half in scherts,

half in ernst met den vinger dreigde. "Wat ziet ge er uit!"

"Als Silenus, doch zonder bokspooten," antwoordde Euergetes. "Geef

me een spiegel, Diokleides! Gij hebt de blikken der koningin maar te

volgen, om er een te vinden.--Juist, daar is het ding.--Waarachtig,

het beeld, dat het mij toont, bevalt mij niet slecht. Ik zie daar

een schedel, waarop behalve de twee kronen van Egypte, nog wel een

derde plaats zou kunnen vinden, een die zooveel hersens bevat, dat

men daarmede de koppen van vier koningen tot aan den rand zou kunnen

vullen. Ik zie twee haviksoogen, die altijd scherp zien, zelfs al is

hun gebieder dronken, en die voor niets te vreezen hebben, behalve dat

het vleesch op deze vroolijke wangen, als het zoo blijft voortgroeien,

eindelijk hun licht betimmeren zal, evenals eene drachme, die men in

de spleet van een boom heeft gestoken, door het aanwassend hout wordt

ingesloten, of als een luik, dat wordt toegeschoven, het venster

bedekt. Die kerel daar in den spiegel verwurgt met deze handen en

armen, als 't moet, een volwassen nijlpaard. De keten, die dezen

hals versieren zal, moet dubbel zoo lang zijn als die, welke een wel

doorvoed Egyptisch opperpriester gewoon is te dragen. Ik zie in dezen

spiegel een man, die uit een kolossaal stuk deeg en uit een vettere

vastere stof is gebakken, dan andere lieden. En als dat fijne beeld

daar op die blanke oppervlakte een doorzichtig kleed draagt, wat kunt

gij, Kleopatra, daar tegen hebben? De Ptolemaeën in Alexandrië moeten

voor den invoerhandel zorgen; dat heeft de groote zoon van Lagos reeds

ingezien, en wat zou er worden van den handel met Kos, wanneer ik den

fijnsten bombyx niet kocht, daar gij, koningin, hen die daarin handelen

niets te verdienen geeft, en gij u, als eene Vestaalsche maagd, in

een gewaad van tapijtengoed hult.--Komaan, eene krans op mijn hoofd,

en nog eene tweede, en nieuwe wijn in den beker! Op het welzijn van

Rome, en op het uwe, Publius Cornelius Scipio, en, mijn Aristarchus,

op onze laatste kritische onderstelling, op het fijn denken en het

flink drinken!"

"Op flink denken en fijn drinken," antwoordde hij, die alzoo werd

toegesproken, haastig, terwijl hij den beker ophief en dien langzaam

naar zijn langen, schoon gevormden en zacht gewelfden neus en aan

zijne dunne lippen bracht.

"Oho, Aristarchus!" riep Euergetes, terwijl hij zijn breed voorhoofd

fronste. "Gij bevalt mij beter, als gij de woorden uwer dichters en

schrijvers zift, dan als gij de toosten van een drinkenden koning

kritiseert. 'Fijn drinken' is 'slurpen', en dat slurpen bij kleine

teugen laat ik voor de roerdompen en ander gevogelte over, dat t'huis

hoort in het riet. Gij verstaat mij, hoop ik? In het riet, hetzij

dit al of niet tot schrijfstift is versneden."

"Onder fijn drinken," gaf de groote criticus doodbedaard, terwijl hij

met zijne smalle hand het zachte grijze haar van zijn hoog voorhoofd

wegstreek, den jongen koning ten antwoord; "onder fijn drinken

versta ik het drinken van uitgelezen wijn. En hebt gij ooit iets

fijners geproefd, dan dit druivensap van Anthylla, dat uw verheven

broeder ons doet schenken? Uw dronk, zooals die door mij is omgekeerd,

prijst u als een flink denker en tegelijk den milden gever van dezen

kostelijken drank."

"Goed gevonden," riep Kleopatra, in de handen klappende. "Ziet gij,

Publius, hier hebt gij eene proeve van de rapheid eener Alexandrijnsche

tong."

"Ja," viel Euergetes in, "als men met syllaben te velde kon trekken

even als met speren, dan zouden die heeren van het Museum in de

Alexander-stad, met hun Aristarchus aan het hoofd, de verbondene

legers van Rome en Karthago in een paar uren tot rede brengen."

"Wij zijn echter niet in den krijg, maar aan een vreedzaam drinkgelag,"

zeide de koning vriendelijk, om vrede te bewaren. "Gij hebt intusschen

ons geheim afgeluisterd, Euergetes, en den draak gestoken met mijne

trouwe Egyptenaars, in wier plaats ik gaarne blanke Grieken zou

stellen, wanneer Alexandrië mij nog toebehoorde en niet u. Toch zal

het op uw feest niet ontbreken aan een waardigen optocht."

"Schept gij dan waarlijk nog vermaak in zulk een vervelenden

ganzenmarsch?" vroeg Euergetes, en rekte zich op zijn rustbed uit,

terwijl hij de handen gevouwen tegen zijn achterhoofd hield. "Liever

gewen ik mij aan dat fijne drinken van Aristarchus, dan dat ik uren

lang toeschouwer moet zijn van deze ijdele praalvertooning. Alleen

onder twee voorwaarden verklaar ik mij bereid, mij stil te zullen

houden, en bovendien mij minstens een halven dag geduldig te willen

vervelen, gelijk een aap in de kooi; vooreerst wanneer het onzen

Romeinschen gastvriend Publius Cornelius Scipio genoegen doet zulk

een schouwspel te zien, dat echter, sedert onze oom Antiochus ons

uitplunderde en wij, broeders, Egypte onder ons verdeeld hebben,

in de verste verte niet vergeleken kan worden met de triumftochten

der Romeinsche overwinnaars; of, ten anderen, als ge mij toestaat in

persoon aan den optocht deel te nemen."

"Wat mij aangaat, o koning," zeide Publius, "behoeven er geene

feestelijke optochten gehouden te worden, althans niet zulke, waarbij

ik gedwongen ben toeschouwer te zijn."

"Ik schep nog altijd vermaak in zulke optochten," zeide Kleopatra's

gemaal, Philometor. "Ik wordt het niet moede, zulke goed geordende

groepen en het gewoel der vroolijke menigte te zien."

"En ik," zeide Kleopatra, gloei en huiver daarbij van aandoening,

en menigmaal komen mij tranen in de oogen, wanneer het volk luid

jubelt. Eene groote verscheidenheid, die tot éen geheel samenwerkt,

maakt altijd een even machtigen indruk. Eén druppel, éen zandkorrel,

éen bouwsteen zijn op zichzelf onbeduidende dingen, maar hoe

hartverheffend is het, wanneer millioenen van deze zich vereenigen tot

een zee, een zandwoestijn, eene pyramide! Iemand die alleen jubelt

heeft veel van een gek, die uit het dolhuis is weggeloopen, maar

wanneer duizenden menschen samen jubelen, wordt ook een koud gemoed

geweldig aangegrepen. Hoe kan u, Publius Scipio, wiens wil krachtig

ontwikkeld schijnt te zijn, een schouwspel koud laten, waarbij zulk

een groote menschenmassa door één wil schijnt bezield te zijn?"

"Kan er dan," vroeg de Romein, "bij dit volksgejuich inderdaad sprake

zijn van een zelfstandigen wil? Juist bij zulk eene voorstelling

wordt ieder een werktuigelijk naäper en naprater van anderen. Ik voor

mij verkies mijn weg zelf te vinden, en mij van niets afhankelijk te

maken dan van de wetten en plichten, die de staat, waartoe ik behoor,

mij oplegt."

"Maar ik," zeide Euergetes, "heb die optochten van kindsbeen steeds

van de beste plaats gezien, en daarvoor straft mij nu het noodlot

met onverschilligheid voor deze en dergelijke vertooningen, terwijl

de arme stumpers, die alleen de neuzen, de haren of de ruggen te zien

krijgen van hen die medewerken, zich steeds opnieuw aan dat spektakel

vergapen. Op Publius Scipio behoef ik, zooals gij gehoord hebt, geen

acht te slaan, hoe gaarne ik het anders ook deed. Wat zoudt gij er

wel van zeggen, Kleopatra, als ik eens in persoon aan mijn optocht--,

ik zeg mijnen, want hij wordt te mijner eer gehouden,--deelnam? Dat

was dan eerst eens iets nieuws, en bovendien iets vermakelijks."

"Meer nieuw en vermakelijk dan passend, zou ik denken," antwoordde

Kleopatra norsch.

"Maar dat moest u juist genoegen doen," hernam Euergetes lachend,

"want behalve uw broeder ben ik ook nog uw mededinger, en zoo iemand

ziet men liever dalen dan stijgen."

"Daar is niets wat u recht geeft tot zulke woorden," viel de koning in,

en de toon van zijn zachte stem gaf duidelijk te verstaan, dat hij het

gesprokene betreurde, en zulke dingen niet hooren wilde. "Wij hebben

u lief," ging hij voort, "wij gunnen u uwe bezitting naast de onze,

en verzoeken u dringend zelfs in scherts zulk eene taal niet te voeren,

opdat al het verledene vergeten blijve."

"En bovendien," voegde Kleopatra er bij, "dat gij uw waardigheid als

koning en uw naam als geleerde niet zult bezoedelen door kluchten

te vertoonen."

"Schoolmeesteres! Weet gij dan wat ik van zins was? Ik wilde als

Alcibiades verschijnen, met een gevolg van fluitspeelsters, in

gezelschap van Aristarchus, die voor Socrates zou moeten spelen. Men

vertelt mij immers altijd, dat Alcibiades en ik--in vele opzichten,

zeggen zij die het oprecht meenen: in alle opzichten, beweren

hoffelijker vrienden--op elkaar gelijken."

Publius nam bij deze woorden het vormlooze in het doorzichtig kleed

gehulde lichaam van den jongen koninklijken woesteling met scherpe

blikken op, en daar hem hierbij voor den geest stond, een heerlijk

standbeeld van den lieveling der Atheners, dat hij aan den Ilissus

had gezien, zweefde er een spottend lachje om zijne lippen.

Dit laatste bleef voor Euergetes niet verborgen, en het krenkte hem,

daar hij niets liever zag, dan dat men hem met den neef van Pericles

vergeleek. Doch hij onderdrukte zijn toorn, want Publius Cornelius

Scipio was de naaste bloedverwant der meest invloedrijke mannen aan

den Tiber, en al bezat hij zelf koninklijke macht, zoo stond toch

Rome boven hem gelijk de wil der godheid.

Kleopatra bespeurde wat er in haar broeder omging, en om hem de

gelegenheid tot antwoorden te ontnemen en zijn gedachten af te leiden,

zeide zij vroolijk: "Zoo willen wij dan den optocht laten varen en

aan iets anders denken, om uw geboortedag te vieren. Gij, Lysias,

moet in zulke dingen ervaren zijn, want Publius vertelde mij, dat

gij alle vertooningen in Korinthe regelt. Wat zullen wij dan doen,

om Euergetes en ons een vroolijk feest te bereiden?"

De Korinthiër staarde een oogenblik in zijn beker, schoof dien langzaam

heen en weer op het marmeren blad van het tafeltje aan zijne zijde,

tusschen oesterpasteien en frissche asperges, en zeide eindelijk met

een blik, die hoop op aller bijval uitdrukte:

"Bij den grooten optocht, die onder Ptolemaeus Philadelphus plaats had,

en waarvan Agatharchides mij gisteren de beschrijving van Kallixenus,

een ooggetuige, te lezen gaf, werden allerlei voorstellingen uit het

leven der goden aan het volk te aanschouwen gegeven. Laten wij in dit

heerlijk paleis blijven, en zelven de schoone groepen weergeven, die

de groote kunstenaars der oudheid geschilderd of afgebeeld hebben. Wij

moeten daartoe echter minder bekende kiezen."

"Uitnemend!" riep Kleopatra, in levendige verrukking. "Op wien gelijkt

mijn kolossale broeder meer dan op Heracles, en wel op den zoon van

Alcmene, zooals Lysippus dien opgevat en gebeeldhouwd heeft. Laten

wij dus het leven van Heracles voorstellen, naar de beroemde modellen,

en aan Euergetes de rol van den heros overlaten."

"Dien neem ik op mij," zeide de jonge koning terstond, terwijl hij de

enorme spieren op zijn borst en zijne armen betastte. En gij moogt mij

er wel zeer dankbaar voor zijn, dat ik dit doe, want die slangenwurger

miste het beste, en Lysippus heeft hem niet zonder voordacht afgebeeld

met een kleinen kop op het kolossale lichaam. Doch ik zal er niets

tegen inbrengen."

"Wanneer ik Omphale voorstel, wilt gij dan aan mijne voeten

zitten?" vroeg Kleopatra.

"Wie zou zich niet gaarne aan zulke voetjes nederzetten?" hernam

Euergetes. "Kiezen wij nu terstond nog iets anders uit den grooten

voorraad, die voorhanden is. Maar met Lysias waarschuw ik voor hetgeen

algemeen bekend is."

"Er zijn alledaagschheden, zoowel voor het oog als voor het oor,"

zeide Kleopatra, "maar wat algemeen als goed wordt erkend, pleegt

ook het schoonste te zijn."

"Veroorloof mij," hervatte Lysias, "u op een marmeren beeldhouwwerk

opmerkzaam te maken, dat zeer verheven is uitgevoerd. Het is oud en

schoon, en toch geloof ik, aan weinigen uwer bekend. Het bevindt zich

bij de bron van mijn ouderlijk huis te Korinthe, en werd reeds eeuwen

geleden door een groot Peloponnesisch kunstenaar gewrocht. Publius

was verrukt, toen hij dit werk zag, en het is ook onbeschrijfelijk

heerlijk. Het geeft op voortreffelijke wijze de echtverbintenis te

aanschouwen van Herakles met Hebe, van den onder de goden opgenomen

Heros met de eeuwige jeugd.--Zoudt gij u, o koning, door Pallas Athene

en door uwe moeder Alcmene ter bruiloft met Hebe willen doen geleiden?"

"Waarom niet?" vroeg Euergetes; "maar die Hebe moet schoon zijn. Daar

is echter éen bezwaar. Hoe krijgen wij de bron uit uws vaders huis

tegen morgen of overmorgen hier? Men kan zulk een groep niet schikken

uit het hoofd, zonder het origineel. En al vertelt men ook, dat het

standbeeld van Serapis van Sinope naar Alexandrië is gevlogen, en al

zijn er ook toovenaars te Memphis...."

"Die hebben wij niet noodig," zeide Publius, den koning in de rede

vallende. "Terwijl ik als gast vertoefde in het ouderlijk huis van

mijn vriend, dat, vergun mij dit op te merken, prachtiger is dan de

oude koningsburcht van Gyges te Sardes, liet ik naar het kostelijk

beeldwerk steenen snijden, bestemd tot huwelijksgeschenken voor mijne

zuster. Deze zijn bijzonder goed gelukt en liggen in mijne tent."

"Hebt gij eene zuster?" vroeg de koningin, terwijl zij zich boog naar

den Romein. "Gij zult mij van haar een en ander moeten vertellen."

"Zij is een meisje als alle andere," antwoordde Publius vóor zich

ziende, want het stuitte hem tegen de borst, in gezelschap van een

Euergetes over zijne zuster te spreken.

"Gij zijt onbillijk, gelijk alle broeders," zeide Kleopatra met

een glimlach, "en ik moet meer van haar hooren, want"--en bij deze

woorden fluisterde zij zacht, terwijl zij Publius veelbeteekenend

aanzag--"alles wat u aangaat, heeft waarde voor mij."

Gedurende het gesprek hadden Ptolemaeus en zijn broeder zich tot

den Korinthiër gericht met vragen over het huwelijk van Herakles met

Hebe, en alle dischgenooten hoorden met opmerkzaamheid naar Lysias,

toen hij zeide: "Dit schoone kunstwerk stelt eigenlijk geen bruiloft

voor, maar het oogenblik waarop de bruidegom zijne bruid in de armen

wordt gevoerd.

"De heros, getooid met de leeuwenhuid en met de knots op zijn schouder,

gaat, geleid door Pallas Athene, die bij dit werk des vredes de lans

ter aarde gebogen houdt en den helm in de hand draagt, en vergezeld

door zijne moeder Alcmene, den optocht der bruid te gemoet. Deze wordt

geopend door niemand minder dan Apollo zelf, die het huwelijkslied

zingt onder het bespelen van zijne luit. Naast hem treedt zijne

zuster Artemis gevolgd door de moeder der bruid, begeleid door Hermes,

den bode der goden, als gezant van Zeus.

"Dan komt de hoofdgroep, die tot de schoonste werken der Grieksche

kunst behoort, welke ik ken. Hebe gaat den bruidegom te gemoet,

zachtkens voortgetrokken door Aphrodite, de godin der liefde. Maar

Peitho, de godin der overreding, legt de hand op den arm der bruid,

dringt haar ongemerkt naar voren, en keert haar aangezicht af, want

wat gezegd moest worden heeft zij gezegd, en zij lacht in stilte. Hebe

toch heeft haar oor niet gesloten voor hare stem, en wie eens naar

Peitho geluisterd heeft, moet doen wat zij wil."

"En Hebe?" vroeg Kleopatra.

"Zij slaat de oogen neder en houdt den arm, waarop de hand van Peitho

rust, met eene afwerende beweging van de vingers, op welker toppen

een pas geplukt roosje zweeft, in de hoogte, als wilde zij zeggen:

'Ach laat mij toch met vrede; ik ben bang voor dien man'; als wilde

zij vragen: 'Zou het niet beter zijn als ik bleef wat ik ben, en uwe

lokstem niet volgde noch Aphrodite's drang?' Deze Hebe is verrukkelijk,

en gij, koningin, moet haar voorstellen!"

"Ik?" vroeg Kleopatra. "Maar gij zeidet, dat zij de oogen nederslaat."

"Dat doet zij uit maagdelijke schuchterheid, haar gang moet zijn als

die van eene schroomvallige maagd. Haar lang gewaad valt in rechte

plooien op hare voeten neder, terwijl Peitho het hare schalks,

en zich in 't geheim verheugende over hare nieuwe overwinning, met

duim en wijsvinger in de hoogte houdt. Ook de figuur van Peitho zou

u bijzonder goed passen."

"Ik denk dat ik Peitho zal voorstellen," viel de koningin den

Korinthiër in de rede. "Hebe is eene knop, eene nog niet geheel

ontloken bloem, maar ik ben moeder, en vlei mij bovendien ook een

weinig wijsgeer te zijn...."

"En," viel Aristarchus in, "gij kunt met recht zeggen, dat gij, bij

alle aanlokkelijkheid der jeugd, eigenschappen bezit, die bij Peitho

passen, de godin, die niet alleen de harten maar ook de geesten weet

te betooveren. Evenals rozen, zoo zijn ook jonge meisjes verrukkelijk

om te zien, doch wie niet alleen de fraaie kleur liefheeft, maar ook

den geur en daarmede bedoel ik verkwikking, opwekking en verrijking

des geestes--die wende zich tot den reeds ontsloten bloemknop,

evenals de rozenkweekers aan het meer Moeris alleen de knoppen

van hunne pleegkinderen tot spoedig verwelkende ruikers en kransen

samenwinden, maar deze niet gebruiken kunnen om fijne geurige olie

daaruit te bereiden. Voor dit doel hebben zij de bloem noodig in

vollen bloei. Stel gij Peitho voor, koningin; de godin zelve mag

trotsch zijn op zulk eene plaatsvervangster!"

"Moge zij," sprak Kleopatra, "even trotsch zijn als ik gelukkig ben,

nu ik zulke woorden mag hooren uit den mond van Aristarchus! Het

blijft dus afgesproken, ik zal Peitho zijn. Mijne speelgenoote Zoë

mag Artemis voorstellen, en hare ernstige zuster Pallas Athene. Voor

de moeder kunnen wij over vele oude matronen beschikken. De oudste

dochter van den intendant schijnt mij voor de rol van Aphrodite het

meest geschikt te zijn; zij is wonderschoon."

"Is zij ook dom?" vroeg Euergetes. "Dat behoort bij die eeuwig lachende

Cyprische godin."

"Dom genoeg, denk ik, voor dit doel," hernam Kleopatra met een

lach. "Doch hoe komen wij aan eene Hebe, gelijk gij, Lysias, haar

beschreven hebt? Het dochtertje van den Arabarch [11] Ahmes is een

lieftallig kind."

"Maar zij is bruin, zoo donkerkleurig als deze voortreffelijke wijn,

en bovendien te zeer eene echte Egyptische," zeide de opperschenker,

die het toezicht had over de jonge Macedonische bedienden, terwijl

hij zich diep boog en met alle bescheidenheid de aandacht vestigde

op zijne eigene zestienjarige dochter. Maar tegen dit meisje had

de koningin aan te voeren, dat zij veel grooter was dan zijzelve,

die toch naast Hebe moest staan en de hand op haren arm leggen.

Andere meisjes werden weder op andere gronden afgewezen, en reeds sloeg

Euergetes voor eene postduif naar Alexandrië te zenden, ten einde

van daar een schoon Helleensch kind met een sneldravend vierspan te

laten komen naar Memphis, waar de donkere Egyptische goden en menschen

beter gedijen dan de Grieksche, toen Lysias uitriep:

"Ik heb heden het meisje gezien, dat wij noodig hebben; eene Hebe,

als had zij de marmeren groep in mijns vaders huis verlaten, en als

had een god haar beweging, kleur en levenswarmte geschonken. Zij is

schuchter, blank en blozend, en van uwe grootte, koningin. Als gij

het mij toestaat, zal ik u nader zeggen wie zij is, maar eerst ga ik

naar onze tent, om de gesneden steenen met de afbeelding van onzen

marmergroep te halen."

"Gij zult ze vinden in het elpenbeenen kistje op den bodem van mijn

kleederkist," zeide Publius. "Hier hebt gij den sleutel."

"Haast u," riep de koningin, "want wij allen zijn benieuwd, waar gij

hier in Memphis uwe blanke, blozende en schuchtere Hebe ontdekt hebt."

Klea en Irene: roman · 第 10 / 28 题