"Hoe, niemand hier die mij tegemoet komt?" vroeg de koningin, toen zij
genaderd was aan den voet van den porphieren trap, die leidde naar de
voorzaal, waardoor men de feestzaal binnentrad. Zij zag verstoord de
kamerdienaren aan, die haar begeleidden, en herhaalde, terwijl zij
de kleine hand tot een vuist balde: "Ik kom, en vind hier niemand!"
Dit 'niemand' had in dit geval eene bijzondere beteekenis, want op
den met marmerplaten belegden vloer van de groote ruimte, die rondom
door zuilengangen was omgeven, waarboven de sterrenhemel als een dak
was uitgespannen en waarheen de koningin wees met hare hand, stonden
meer dan honderd Macedonische lijfwachten, in den rijksten wapendos,
en even zoovele aanzienlijke hofbeambten, die de titels droegen van
vaders, broeders, verwanten, vrienden en bijzondere vrienden des
konings. Deze allen ontvingen hunne gebiedster met een veelstemmig:
"heil!" maar Kleopatra scheen niemand hunner een blik waardig te
achten. Deze menigte was in haar oog nog minder dan de lucht, die wij
moeten inademen om te leven; zij was voor haar als de lastige rook,
als dwarrelend stof, waarvoor wij gaarne uit den weg zouden gaan,
doch dat de wandelaar zich toch getroosten moet, om verder te komen.
De koningin had verwacht, dat de weinige gasten, die zij en haar
broeder Euergetes zich voor dit gastmaal hadden uitgekozen, haar aan de
trappen zouden welkom heeten, dat zij haar, die zich hoog verheven in
haar schelpvormigen draagstoel eene godin gelijk achtte, naar omlaag
zouden zien zweven. Zij had zich reeds verheugd op de bewondering van
den door dit schouwspel getroffen Romein, en op de vleierij van den
Korinthiër Lysias. Thans was het meest indrukwekkend oogenblik in de
rol, die zij dezen avond dacht te spelen, onopgemerkt voorbijgegaan,
en de gedachte kwam bij haar op zich weder terug te laten dragen naar
haar dak, om eerst, wanneer zij zeker kon zijn van de aanwezigheid
der gasten, hen nog eenmaal tegemoet te zweven. Maar meer nog dan al
het andere, zelfs meer dan smart en berouw, vreesde zij den schijn
van zich belachelijk te maken. Zij liet derhalve de dragers bevelen
stil te staan, en terwijl de overste dergenen, die de gasten moesten
binnenleiden, zijne waardigheid vergetende, op een draf wegvloog,
om haar gemaal hare nadering te melden, gaf zij de voornaamsten
der rijksgrooten een wenk, ten einde met koele vriendelijkheid
eenige genadige woorden tot hen te richten. Doch slechts weinige,
want weldra vlogen de deuren van thyia-hout, waarmede de eigenlijke
feestzaal gesloten was, open, en de koning trad met zijne vrienden
Kleopatra tegemoet.
"Hoe konden wij u zoo vroeg verwachten!" riep Philometor zijne
gemalin toe.
"Is het dan inderdaad nog vroeg?" vraagde de vorstin, "of verras ik
u alleen, omdat gij vergeten hebt mij op te wachten?"
"Hoe onbillijk zijt gij!" hernam de koning. "Gij moest toch weten dat
gij, hoe vroeg gij ook moogt verschijnen, naar mijn wensch altijd te
laat komt."
"En naar onze wenschen," zeide de Korinthiër Lysias, "noch te vroeg,
noch te laat, maar ter juister tijd, evenals het geluk, de overwinning
en de genezing."
"De genezing, die eene ziekte onderstelt?" vroeg Kleopatra, en er
kwam weder vuur en opgewektheid in hare glinsterende oogen.
"Ik begrijp Lysias volkomen," zeide Publius, voor den Korinthiër
het woord opvattende, "want ik ben eens op het veld van Mars met
mijn paard gevallen, moest weken lang op mijne legerstede blijven
liggen, en weet bij ervaring dat er geen zaliger gewaarwording is, dan
wanneer men herstelt en de verloren krachten voelt terugkeeren. Hij
heeft dus willen zeggen, dat men zich in uwe nabijheid bijzonder wel
moet gevoelen."
"Veelmeer," dus liet Lysias hier dadelijk op volgen, "schijnt onze
koningin mij toe de genezing zelve te zijn, daar wij ons, zoolang
zij in ons midden werd gemist, krank gevoelden en smachtten van
heimwee. Uwe nadering, Kleopatra, is de krachtigste artsenij en geeft
ons de verlorene gezondheid weder!"
Kleopatra boog bevallig en als tot dank met haren veeren waaier,
en draaide daarbij snel het handvatsel, opdat de daarop bevestigde
diamanten helder zouden schitteren. Daarop wendde zij zich tot de
beide vrienden en zeide: "Uwe vriendelijke woorden zijn wel gemeend,
en staan in verhouding tot elkander als twee steenen in een kleinood
gevat, waarvan de een fonkelt, omdat hij kunstig werd geslepen en aan
alles wat licht geeft vele spiegelvlakken aanbiedt, maar de ander
omdat hij echt is en zijn eigen vuur bezit. Het echte en het ware
zijn éen; de Egyptenaars hebben ook voor beide maar éen woord, en
uwe vriendelijke toespraak, mijn Scipio--maar ik mag u wel Publius
noemen, niet waar?--uwe vriendelijke toespraak, Publius, schijnt
mij meer waar te zijn, dan die van uw scherpzinnigen vriend, wiens
woorden voor ijdeler ooren dan de mijne berekend zijn. Ik bid u,
reik mij thans uwe hand!"
De schelp waarin zij gezeten was werd nedergelaten, en door Publius
en haar gemaal ondersteund, steeg de koningin uit en begaf zich met
hare gasten naar de feestzaal.
Zoodra het voorhangsel achter haar gesloten was en Kleopatra zacht
eenige woorden met den koning had gewisseld, richtte zij zich weder tot
den Romein, wien de eunuuch Eulaeus inmiddels op zijde was getreden,
en sprak: "Gij komt uit Athene, Publius, doch gij schijnt daar de
lessen over de logica niet bijzonder trouw gevolgd te hebben. Hoe is
het anders mogelijk dat gij, die de gezondheid voor het hoogste goed
houdt en die zooeven verklaardet u nergens zoo wel te gevoelen als
in mijne nabijheid, dat gij mij na den optocht, geheel tegen onze
afspraak, zoo snel verlaten kondt? Mag ik vragen welke bezigheden..."
"Onze edele vriend," antwoordde de eunuuch met een diepe buiging,
zonder de koningin te laten uitspreken, schijnt een bijzonder
welgevallen gevonden te hebben in de gebaarde kluizenaars van Serapis
en bij hen zijne Atheensche studiën te willen voltooien."
"Daaraan heeft hij goed gedaan," hernam Kleopatra, "want van hen
kon hij leeren, zijne aandacht te vestigen op dat derde gedeelte van
het leven, waarvan men in Athene het minst spreekt, op de toekomst,
bedoel ik--"
"Deze behoort aan de goden," gaf de Romein ten antwoord. "Zij
komt vroeg genoeg, en daarover heb ik ook met den kluizenaar niet
gesproken. Eulaeus mag wel weten, dat integendeel alles, wat ik van
den zonderlingen man in het Serapeum vernam, op verledene dingen
betrekking heeft."
"Maar hoe is het mogelijk," vroeg de eunuuch op zijn beurt, "dat
iemand, wien eene Kleopatra aanbood haar gezelschap te schenken,
zoo lang aan iets anders dacht, dan aan de heerlijkheid van het
tegenwoordige?"
"Gij hebt volkomen gelijk," antwoordde Publius haastig, "dat gij
voor het tegenwoordige in de bres springt, en liever niet om uw
verleden denkt."
"Dat verleden was rijk aan zorg en moeite," antwoordde de eunuuch
met groote zelfbeheersching, "gelijk mijne vorstin wel weet door
hare vorstelijke moeder, en uit eigene ervaring. Zij zal mij ook
weten te beschermen tegen den onverdienden haat, waarmede machtige
vijanden mij schijnen te willen vervolgen. Veroorloof mij, koningin,
dat ik eerst laat aan den maaltijd verschijn. Deze edele heer liet
mij uren lang in het Serapeum wachten, en de plannen aangaande de
nieuwe gebouwen in den Isistempel van Philae moeten nog heden in orde
worden gebracht, om morgen vroeg in den raad uw hoogen gemaal en zijn
verheven broeder Euergetes..."
"Gij zijt verontschuldigd," zeide Kleopatra, hem in de rede vallende.
Nadat Eulaeus zich verwijderd had, kwam de koningin dichter bij
Publius en zeide: "Gij zijt boos op dezen misschien niet aangenamen,
maar in elk geval bruikbaren en verdienstelijken man. Mag ik vragen,
of alleen zijn persoon u afstoot, dan of er daadzaken zijn, die uwen
afkeer, en als ik wel heb gezien, uwe bitter vijandelijke gezindheid
tegen hem hebben gewekt?"
"Beide," antwoordde Publius. "Ik vermoedde van den aanvang in dezen
eunuuch niets goeds te zullen vinden, en weet thans dat, als ik mij
in hem bedrogen heb, dit in zijn voordeel is geweest. Tegen morgen
vraag ik u een uurtje gehoor; dan wil ik u een en ander omtrent
hem mededeelen, dat niet past op dezen avond, die aan de vreugde
is gewijd, want het betreft treurige dingen, die afkeer wekken. Gij
behoeft niet nieuwsgierig te zijn, want het zijn zaken die tot het
verledene behooren, en u noch mij aangaan."
Dit onderhoud werd afgebroken door den opperhofmeester en den schenker,
die allen aan tafel noodigden, en weldra was het koninklijk echtpaar
met zijne gasten aangelegen.
In het middelmatig groot vertrek, waarin Ptolemaeus Philometor het
liefst met weinige uitverkorene vrienden placht feest te vieren,
paarde zich Oostersche pracht aan de schoonheid van Grieksche
vormen. Evenals de groote receptiezaal en de mannenzaal, waarin de
gasten van den koning zich verzamelden, met zijne twintig deuren en
hooge porfierzuilen, ontving het zijn licht van boven, want alleen de
vensterlooze wanden en sierlijke albasten zuilen met hunne Korinthische
akantus-kapiteelen droegen eene smalle overdekking, de middenruimte
was echter onbedekt. Thans, nu het vertrek rondom door honderden
lampen werd verlicht, was over deze wijde opening, waardoor het bij
dag beschenen werd door den helderen zonneglans, een van gouddraad
gevlochten en met halve manen en sterren van blinkend bergkristal
versierd net, klein van mazen, uitgespreid om de vleermuizen en
nachtvlinders, die op het licht komen toevliegen, af te weren.
Ook de eetzaal des konings was bijna daghelder verlicht, en wel door
talrijke veelarmige luchters, die door lieflijke kindergestalten van
marmer en metaal werden gedragen. Elke voeg van de mozaïkschilderij
op den vloer, welke de komst van Hercules op den Olympus, den maaltijd
der goden en de verbazing van den overbluften held over de pracht van
het hemelsche drinkgelag voorstelde, was duidelijk te onderkennen,
en honderd vlammen spiegelden zich langs de wanden in het gepolijste
gele marmer uit de groeven van Hippo Rhegium. Daar hadden bekwame
kunstenaars van kostbare steenen, als lazuursteen, malachiet, kwarts,
bloedjaspis, achaat en chalcedon, allerlei afbeeldingen ingelegd
van vruchten, muziekinstrumenten en groepen van geschoten wild. Op
de pijlers zag men de maskers der muzen van het blijspel en van het
treurspel, fakkels, thyrsusstaven met wijnranken en klimop omwonden en
Pansfluiten. Deze laatste ornamenten waren van gedreven goud en zilver,
met half-edelsteenen bezet, en lagen op den marmeren ondergrond, als
de metalen knoppen van lederen schilden, of het rijke beslag op de
scheede van een zwaard. Langs de friesen zagen de gasten eene schoone
voorstelling in relief van een Dionysos-optocht, dien de beeldhouwer
Brayxis voor Ptolemaeus Soter gemodelleerd en in elpenbeen en goud
uitgevoerd had.
Al wat het oog in dit vertrek boeide was schoon en kostbaar, en droeg
vooral een vroolijk karakter voordat Kleopatra den troon beklom. Doch
zij had, even als in hare woonvertrekken, zoo ook hier de borstbeelden
der groote Helleensche wijsgeeren en dichters, van Thales uit Miletus
tot Strato, die het toeval op den troon der godheid plaatste, van
Hesiodus tot Kallimachus, op marmeren voetstukken doen plaatsen, en het
masker van de tragische muze doen plaatsen naast dat der komische. Want
aan haar tafel, placht zij te zeggen, wenschte zij niemand te zien,
wien een degelijk en ernstig gesprek niet hooger genot kon schenken,
dan spijs, drank en gelach.
In plaats van gelijk andere vrouwen op een stoel, of aan het voeteinde
van het rustbed van haar gemaal, in zittende houding, het gastmaal bij
te wonen, lag zij op haar eigen rustbed, waarachter de borstbeelden
stonden van de dichteres Sappho en van Aspasia, de vriendin van
Pericles. Zij matigde zich als een recht aan voor eene wijsgeer, en zoo
al niet voor eene dichteres, dan toch voor iemand die de dichtkunst en
de muziek wist te waardeeren, gehouden te worden. Waarom zou zij niet
liever aanliggen, dan zitten, daar zij toch wist hoe voordeelig hare
figuur uitkwam, als zij zich schilderachtig op het kussen uitstrekte,
en het hoofd steunde met den arm, die op de leuning van hare legerstede
rustte, een arm, die juist wel niet schoon was te noemen, doch waaraan
altijd de edelste gewrochten van de Alexandrijnsche kunst in het
graveeren van edelgesteenten en het bewerken van goud, te zien waren.
Doch zij koos de liggende houding vooral om der wille harer voeten,
want geene vrouw in geheel Griekenland en Egypte bezat kleiner en
fijner gevormde dan zij. Daarom waren ook hare sandalen zóo gesneden,
dat zij, als zij stond of liep, alleen de voetzolen bedekten, maar
de sierlijke blanke teenen met de rooskleurige nagels en de zoo fijn
gevormde enkels onbedekt lieten. Bij een gastmaal legde zij, even als
de mannen, haar schoeisel geheel af, om hare voeten eerst te verbergen
maar dadelijk weder te vertoonen, wanneer zij begreep dat de striemen,
die de riemen der sandalen in haar teeder vel achter lieten, geheel
verdwenen waren.
De eunuuch Eulaeus was een bovenmatig bewonderaar van deze voeten,
niet gelijk hij voorgaf, om der wille harer schoonheid, maar omdat
hij, als de koningin met hare teenen speelde, raden kon wat er in haar
omging, wanneer hij dit niet kon opmaken uit haar stem en hare oogen,
die bijzonder geoefend waren in de kunst van veinzen.
Negen, in den vorm van een hoefijzer geordende rustbedden, drie
aan drie, met leuningen van ebbenhout en kussens van dof olijfgroen
brokaat, waarin fijne bloemen van goud en zilver geweven, of als met
een lichte hand gestrooid waren, noodigden de gasten uit zich neder
te vlijen.
De koningin fluisterde schouderophalend met den kamerheer, naar het
scheen niet zeer aangenaam verrast, over hetgeen zij vernam, en deze
wees nu ieder der genoodigden in het bijzonder zijn plaats aan. De
koningin nam plaats op het rustbed rechts van de achterste groep,
haar gemaal bezette dat ter linkerzijde, terwijl de sopha tusschen
hen beiden open bleef voor Euergetes, den broeder van het vorstelijk
echtpaar. Een der drie aanligbedden, die zich met een rechten hoek
aansloten bij die der vorstelijke familie, werd Publius aangewezen,
en wel dat naast de koningin. Tegenover hem lag de Korinthiër Lysias,
aan de zijde des konings. Naast hem bleven twee bedden over, terwijl
de dappere en verstandige Hiërax, de vriend en trouwe dienaar van
Euergetes, eene plaats vond aan de zijde van den Romein.
Terwijl de dienaren het vertrek met rozenbladeren bestrooiden,
welriekende wateren sprengden en kleine zilveren tafeltjes met stevige
bladen van edel roodbruin en witgevlekt porfier, naast de ligplaats
van elken gast nederzetten, richtte de koning zich tot zijne gasten
met een vriendelijken groet, zich verontschuldigende, dat zij zoo
weinig in aantal waren.
"Eulaeus," zeide hij, "heeft ons moeten verlaten om dringende
bezigheden, en onze koninklijke broeder zit zeker nog met Aristarchus,
die met hem uit Alexandrië gekomen is, achter de boeken. Doch hij
heeft stellig beloofd te zullen komen."
"Hoe kleiner dit gezelschap is," zeide Lysias met eene diepe buiging,
"des te eervoller is het bij eene keus tot het getal uwer uitverkorenen
te behooren."
"Ik meende reeds uit de goeden de besten genoodigd te hebben,"
zeide de koningin; "maar de weinige vrienden, die ik hier wilde zien,
schijnt mijn broeder Euergetes nog te veel geweest te zijn. Want hij,
die in de woning van een ander bevelen geeft, alsof het zijne eigene
was, heeft den kamerheer verboden onze geleerde vrienden te noodigen,
waaronder Agatharchides, de voortreffelijke leermeester van mij en mijn
broeder, dien gij kent, alsmede onze joodsche vrienden, die gisteren
aan ons gastmaal deelnamen, en die ik op de lijst had gezet. Ik heb er
vrede mede, want ik houd van het getal der muzen, en wellicht wilde
hij u, Publius, eene eer bewijzen, want wij zijn hier op Romeinsche
wijze bijeen. Ter eere van u, en niet van hem, zullen wij heden geen
muziek hebben; gij zeidet immers dat muziek bij een gastmaal u niet
bijzonder aangenaam was. Euergetes speelt zelf voortreffelijk op de
harp. Overigens is het goed dat hij, gelijk altijd, eerst laat komt,
want overmorgen is het zijn geboortedag, en dien wil hij hier bij
ons en niet in Alexandrië vieren. Ook de priesterlijke gezanten,
die in Bruchium vergaderd zijn, zullen hier te Memphis komen, om hem
geluk te wenschen. Wij moeten dus iets voorbereiden dat schitterend
zal zijn. Nu zijt gij wel geen vriend van Eulaeus, Publius, doch hij
is het bekwaamst voor zulke dingen, en ik hoop dat hij weldra terug
zal keeren, om mij goeden raad te geven."
"Des morgens zullen wij een grooten optocht doen plaats hebben,"
zeide de koning. "Euergetes is een liefhebber van praalvertooningen,
en ik wil hem gaarne toonen, hoezeer zijn bezoek ons verheugd heeft."
De vriendelijke trekken van den koning namen bij deze, uit den grond
van zijn hart gesprokene woorden, eene bijzonder innemende uitdrukking
aan. Zijne gemalin zeide echter op bedenkelijken toon: "Ja, als wij
in Alexandrië waren! Maar hier onder al dat Egyptische volk--."