ACHTSTE HOOFDSTUK.

"Hoe, niemand hier die mij tegemoet komt?" vroeg de koningin, toen zij

genaderd was aan den voet van den porphieren trap, die leidde naar de

voorzaal, waardoor men de feestzaal binnentrad. Zij zag verstoord de

kamerdienaren aan, die haar begeleidden, en herhaalde, terwijl zij

de kleine hand tot een vuist balde: "Ik kom, en vind hier niemand!"

Dit 'niemand' had in dit geval eene bijzondere beteekenis, want op

den met marmerplaten belegden vloer van de groote ruimte, die rondom

door zuilengangen was omgeven, waarboven de sterrenhemel als een dak

was uitgespannen en waarheen de koningin wees met hare hand, stonden

meer dan honderd Macedonische lijfwachten, in den rijksten wapendos,

en even zoovele aanzienlijke hofbeambten, die de titels droegen van

vaders, broeders, verwanten, vrienden en bijzondere vrienden des

konings. Deze allen ontvingen hunne gebiedster met een veelstemmig:

"heil!" maar Kleopatra scheen niemand hunner een blik waardig te

achten. Deze menigte was in haar oog nog minder dan de lucht, die wij

moeten inademen om te leven; zij was voor haar als de lastige rook,

als dwarrelend stof, waarvoor wij gaarne uit den weg zouden gaan,

doch dat de wandelaar zich toch getroosten moet, om verder te komen.

De koningin had verwacht, dat de weinige gasten, die zij en haar

broeder Euergetes zich voor dit gastmaal hadden uitgekozen, haar aan de

trappen zouden welkom heeten, dat zij haar, die zich hoog verheven in

haar schelpvormigen draagstoel eene godin gelijk achtte, naar omlaag

zouden zien zweven. Zij had zich reeds verheugd op de bewondering van

den door dit schouwspel getroffen Romein, en op de vleierij van den

Korinthiër Lysias. Thans was het meest indrukwekkend oogenblik in de

rol, die zij dezen avond dacht te spelen, onopgemerkt voorbijgegaan,

en de gedachte kwam bij haar op zich weder terug te laten dragen naar

haar dak, om eerst, wanneer zij zeker kon zijn van de aanwezigheid

der gasten, hen nog eenmaal tegemoet te zweven. Maar meer nog dan al

het andere, zelfs meer dan smart en berouw, vreesde zij den schijn

van zich belachelijk te maken. Zij liet derhalve de dragers bevelen

stil te staan, en terwijl de overste dergenen, die de gasten moesten

binnenleiden, zijne waardigheid vergetende, op een draf wegvloog,

om haar gemaal hare nadering te melden, gaf zij de voornaamsten

der rijksgrooten een wenk, ten einde met koele vriendelijkheid

eenige genadige woorden tot hen te richten. Doch slechts weinige,

want weldra vlogen de deuren van thyia-hout, waarmede de eigenlijke

feestzaal gesloten was, open, en de koning trad met zijne vrienden

Kleopatra tegemoet.

"Hoe konden wij u zoo vroeg verwachten!" riep Philometor zijne

gemalin toe.

"Is het dan inderdaad nog vroeg?" vraagde de vorstin, "of verras ik

u alleen, omdat gij vergeten hebt mij op te wachten?"

"Hoe onbillijk zijt gij!" hernam de koning. "Gij moest toch weten dat

gij, hoe vroeg gij ook moogt verschijnen, naar mijn wensch altijd te

laat komt."

"En naar onze wenschen," zeide de Korinthiër Lysias, "noch te vroeg,

noch te laat, maar ter juister tijd, evenals het geluk, de overwinning

en de genezing."

"De genezing, die eene ziekte onderstelt?" vroeg Kleopatra, en er

kwam weder vuur en opgewektheid in hare glinsterende oogen.

"Ik begrijp Lysias volkomen," zeide Publius, voor den Korinthiër

het woord opvattende, "want ik ben eens op het veld van Mars met

mijn paard gevallen, moest weken lang op mijne legerstede blijven

liggen, en weet bij ervaring dat er geen zaliger gewaarwording is, dan

wanneer men herstelt en de verloren krachten voelt terugkeeren. Hij

heeft dus willen zeggen, dat men zich in uwe nabijheid bijzonder wel

moet gevoelen."

"Veelmeer," dus liet Lysias hier dadelijk op volgen, "schijnt onze

koningin mij toe de genezing zelve te zijn, daar wij ons, zoolang

zij in ons midden werd gemist, krank gevoelden en smachtten van

heimwee. Uwe nadering, Kleopatra, is de krachtigste artsenij en geeft

ons de verlorene gezondheid weder!"

Kleopatra boog bevallig en als tot dank met haren veeren waaier,

en draaide daarbij snel het handvatsel, opdat de daarop bevestigde

diamanten helder zouden schitteren. Daarop wendde zij zich tot de

beide vrienden en zeide: "Uwe vriendelijke woorden zijn wel gemeend,

en staan in verhouding tot elkander als twee steenen in een kleinood

gevat, waarvan de een fonkelt, omdat hij kunstig werd geslepen en aan

alles wat licht geeft vele spiegelvlakken aanbiedt, maar de ander

omdat hij echt is en zijn eigen vuur bezit. Het echte en het ware

zijn éen; de Egyptenaars hebben ook voor beide maar éen woord, en

uwe vriendelijke toespraak, mijn Scipio--maar ik mag u wel Publius

noemen, niet waar?--uwe vriendelijke toespraak, Publius, schijnt

mij meer waar te zijn, dan die van uw scherpzinnigen vriend, wiens

woorden voor ijdeler ooren dan de mijne berekend zijn. Ik bid u,

reik mij thans uwe hand!"

De schelp waarin zij gezeten was werd nedergelaten, en door Publius

en haar gemaal ondersteund, steeg de koningin uit en begaf zich met

hare gasten naar de feestzaal.

Zoodra het voorhangsel achter haar gesloten was en Kleopatra zacht

eenige woorden met den koning had gewisseld, richtte zij zich weder tot

den Romein, wien de eunuuch Eulaeus inmiddels op zijde was getreden,

en sprak: "Gij komt uit Athene, Publius, doch gij schijnt daar de

lessen over de logica niet bijzonder trouw gevolgd te hebben. Hoe is

het anders mogelijk dat gij, die de gezondheid voor het hoogste goed

houdt en die zooeven verklaardet u nergens zoo wel te gevoelen als

in mijne nabijheid, dat gij mij na den optocht, geheel tegen onze

afspraak, zoo snel verlaten kondt? Mag ik vragen welke bezigheden..."

"Onze edele vriend," antwoordde de eunuuch met een diepe buiging,

zonder de koningin te laten uitspreken, schijnt een bijzonder

welgevallen gevonden te hebben in de gebaarde kluizenaars van Serapis

en bij hen zijne Atheensche studiën te willen voltooien."

"Daaraan heeft hij goed gedaan," hernam Kleopatra, "want van hen

kon hij leeren, zijne aandacht te vestigen op dat derde gedeelte van

het leven, waarvan men in Athene het minst spreekt, op de toekomst,

bedoel ik--"

"Deze behoort aan de goden," gaf de Romein ten antwoord. "Zij

komt vroeg genoeg, en daarover heb ik ook met den kluizenaar niet

gesproken. Eulaeus mag wel weten, dat integendeel alles, wat ik van

den zonderlingen man in het Serapeum vernam, op verledene dingen

betrekking heeft."

"Maar hoe is het mogelijk," vroeg de eunuuch op zijn beurt, "dat

iemand, wien eene Kleopatra aanbood haar gezelschap te schenken,

zoo lang aan iets anders dacht, dan aan de heerlijkheid van het

tegenwoordige?"

"Gij hebt volkomen gelijk," antwoordde Publius haastig, "dat gij

voor het tegenwoordige in de bres springt, en liever niet om uw

verleden denkt."

"Dat verleden was rijk aan zorg en moeite," antwoordde de eunuuch

met groote zelfbeheersching, "gelijk mijne vorstin wel weet door

hare vorstelijke moeder, en uit eigene ervaring. Zij zal mij ook

weten te beschermen tegen den onverdienden haat, waarmede machtige

vijanden mij schijnen te willen vervolgen. Veroorloof mij, koningin,

dat ik eerst laat aan den maaltijd verschijn. Deze edele heer liet

mij uren lang in het Serapeum wachten, en de plannen aangaande de

nieuwe gebouwen in den Isistempel van Philae moeten nog heden in orde

worden gebracht, om morgen vroeg in den raad uw hoogen gemaal en zijn

verheven broeder Euergetes..."

"Gij zijt verontschuldigd," zeide Kleopatra, hem in de rede vallende.

Nadat Eulaeus zich verwijderd had, kwam de koningin dichter bij

Publius en zeide: "Gij zijt boos op dezen misschien niet aangenamen,

maar in elk geval bruikbaren en verdienstelijken man. Mag ik vragen,

of alleen zijn persoon u afstoot, dan of er daadzaken zijn, die uwen

afkeer, en als ik wel heb gezien, uwe bitter vijandelijke gezindheid

tegen hem hebben gewekt?"

"Beide," antwoordde Publius. "Ik vermoedde van den aanvang in dezen

eunuuch niets goeds te zullen vinden, en weet thans dat, als ik mij

in hem bedrogen heb, dit in zijn voordeel is geweest. Tegen morgen

vraag ik u een uurtje gehoor; dan wil ik u een en ander omtrent

hem mededeelen, dat niet past op dezen avond, die aan de vreugde

is gewijd, want het betreft treurige dingen, die afkeer wekken. Gij

behoeft niet nieuwsgierig te zijn, want het zijn zaken die tot het

verledene behooren, en u noch mij aangaan."

Dit onderhoud werd afgebroken door den opperhofmeester en den schenker,

die allen aan tafel noodigden, en weldra was het koninklijk echtpaar

met zijne gasten aangelegen.

In het middelmatig groot vertrek, waarin Ptolemaeus Philometor het

liefst met weinige uitverkorene vrienden placht feest te vieren,

paarde zich Oostersche pracht aan de schoonheid van Grieksche

vormen. Evenals de groote receptiezaal en de mannenzaal, waarin de

gasten van den koning zich verzamelden, met zijne twintig deuren en

hooge porfierzuilen, ontving het zijn licht van boven, want alleen de

vensterlooze wanden en sierlijke albasten zuilen met hunne Korinthische

akantus-kapiteelen droegen eene smalle overdekking, de middenruimte

was echter onbedekt. Thans, nu het vertrek rondom door honderden

lampen werd verlicht, was over deze wijde opening, waardoor het bij

dag beschenen werd door den helderen zonneglans, een van gouddraad

gevlochten en met halve manen en sterren van blinkend bergkristal

versierd net, klein van mazen, uitgespreid om de vleermuizen en

nachtvlinders, die op het licht komen toevliegen, af te weren.

Ook de eetzaal des konings was bijna daghelder verlicht, en wel door

talrijke veelarmige luchters, die door lieflijke kindergestalten van

marmer en metaal werden gedragen. Elke voeg van de mozaïkschilderij

op den vloer, welke de komst van Hercules op den Olympus, den maaltijd

der goden en de verbazing van den overbluften held over de pracht van

het hemelsche drinkgelag voorstelde, was duidelijk te onderkennen,

en honderd vlammen spiegelden zich langs de wanden in het gepolijste

gele marmer uit de groeven van Hippo Rhegium. Daar hadden bekwame

kunstenaars van kostbare steenen, als lazuursteen, malachiet, kwarts,

bloedjaspis, achaat en chalcedon, allerlei afbeeldingen ingelegd

van vruchten, muziekinstrumenten en groepen van geschoten wild. Op

de pijlers zag men de maskers der muzen van het blijspel en van het

treurspel, fakkels, thyrsusstaven met wijnranken en klimop omwonden en

Pansfluiten. Deze laatste ornamenten waren van gedreven goud en zilver,

met half-edelsteenen bezet, en lagen op den marmeren ondergrond, als

de metalen knoppen van lederen schilden, of het rijke beslag op de

scheede van een zwaard. Langs de friesen zagen de gasten eene schoone

voorstelling in relief van een Dionysos-optocht, dien de beeldhouwer

Brayxis voor Ptolemaeus Soter gemodelleerd en in elpenbeen en goud

uitgevoerd had.

Al wat het oog in dit vertrek boeide was schoon en kostbaar, en droeg

vooral een vroolijk karakter voordat Kleopatra den troon beklom. Doch

zij had, even als in hare woonvertrekken, zoo ook hier de borstbeelden

der groote Helleensche wijsgeeren en dichters, van Thales uit Miletus

tot Strato, die het toeval op den troon der godheid plaatste, van

Hesiodus tot Kallimachus, op marmeren voetstukken doen plaatsen, en het

masker van de tragische muze doen plaatsen naast dat der komische. Want

aan haar tafel, placht zij te zeggen, wenschte zij niemand te zien,

wien een degelijk en ernstig gesprek niet hooger genot kon schenken,

dan spijs, drank en gelach.

In plaats van gelijk andere vrouwen op een stoel, of aan het voeteinde

van het rustbed van haar gemaal, in zittende houding, het gastmaal bij

te wonen, lag zij op haar eigen rustbed, waarachter de borstbeelden

stonden van de dichteres Sappho en van Aspasia, de vriendin van

Pericles. Zij matigde zich als een recht aan voor eene wijsgeer, en zoo

al niet voor eene dichteres, dan toch voor iemand die de dichtkunst en

de muziek wist te waardeeren, gehouden te worden. Waarom zou zij niet

liever aanliggen, dan zitten, daar zij toch wist hoe voordeelig hare

figuur uitkwam, als zij zich schilderachtig op het kussen uitstrekte,

en het hoofd steunde met den arm, die op de leuning van hare legerstede

rustte, een arm, die juist wel niet schoon was te noemen, doch waaraan

altijd de edelste gewrochten van de Alexandrijnsche kunst in het

graveeren van edelgesteenten en het bewerken van goud, te zien waren.

Doch zij koos de liggende houding vooral om der wille harer voeten,

want geene vrouw in geheel Griekenland en Egypte bezat kleiner en

fijner gevormde dan zij. Daarom waren ook hare sandalen zóo gesneden,

dat zij, als zij stond of liep, alleen de voetzolen bedekten, maar

de sierlijke blanke teenen met de rooskleurige nagels en de zoo fijn

gevormde enkels onbedekt lieten. Bij een gastmaal legde zij, even als

de mannen, haar schoeisel geheel af, om hare voeten eerst te verbergen

maar dadelijk weder te vertoonen, wanneer zij begreep dat de striemen,

die de riemen der sandalen in haar teeder vel achter lieten, geheel

verdwenen waren.

De eunuuch Eulaeus was een bovenmatig bewonderaar van deze voeten,

niet gelijk hij voorgaf, om der wille harer schoonheid, maar omdat

hij, als de koningin met hare teenen speelde, raden kon wat er in haar

omging, wanneer hij dit niet kon opmaken uit haar stem en hare oogen,

die bijzonder geoefend waren in de kunst van veinzen.

Negen, in den vorm van een hoefijzer geordende rustbedden, drie

aan drie, met leuningen van ebbenhout en kussens van dof olijfgroen

brokaat, waarin fijne bloemen van goud en zilver geweven, of als met

een lichte hand gestrooid waren, noodigden de gasten uit zich neder

te vlijen.

De koningin fluisterde schouderophalend met den kamerheer, naar het

scheen niet zeer aangenaam verrast, over hetgeen zij vernam, en deze

wees nu ieder der genoodigden in het bijzonder zijn plaats aan. De

koningin nam plaats op het rustbed rechts van de achterste groep,

haar gemaal bezette dat ter linkerzijde, terwijl de sopha tusschen

hen beiden open bleef voor Euergetes, den broeder van het vorstelijk

echtpaar. Een der drie aanligbedden, die zich met een rechten hoek

aansloten bij die der vorstelijke familie, werd Publius aangewezen,

en wel dat naast de koningin. Tegenover hem lag de Korinthiër Lysias,

aan de zijde des konings. Naast hem bleven twee bedden over, terwijl

de dappere en verstandige Hiërax, de vriend en trouwe dienaar van

Euergetes, eene plaats vond aan de zijde van den Romein.

Terwijl de dienaren het vertrek met rozenbladeren bestrooiden,

welriekende wateren sprengden en kleine zilveren tafeltjes met stevige

bladen van edel roodbruin en witgevlekt porfier, naast de ligplaats

van elken gast nederzetten, richtte de koning zich tot zijne gasten

met een vriendelijken groet, zich verontschuldigende, dat zij zoo

weinig in aantal waren.

"Eulaeus," zeide hij, "heeft ons moeten verlaten om dringende

bezigheden, en onze koninklijke broeder zit zeker nog met Aristarchus,

die met hem uit Alexandrië gekomen is, achter de boeken. Doch hij

heeft stellig beloofd te zullen komen."

"Hoe kleiner dit gezelschap is," zeide Lysias met eene diepe buiging,

"des te eervoller is het bij eene keus tot het getal uwer uitverkorenen

te behooren."

"Ik meende reeds uit de goeden de besten genoodigd te hebben,"

zeide de koningin; "maar de weinige vrienden, die ik hier wilde zien,

schijnt mijn broeder Euergetes nog te veel geweest te zijn. Want hij,

die in de woning van een ander bevelen geeft, alsof het zijne eigene

was, heeft den kamerheer verboden onze geleerde vrienden te noodigen,

waaronder Agatharchides, de voortreffelijke leermeester van mij en mijn

broeder, dien gij kent, alsmede onze joodsche vrienden, die gisteren

aan ons gastmaal deelnamen, en die ik op de lijst had gezet. Ik heb er

vrede mede, want ik houd van het getal der muzen, en wellicht wilde

hij u, Publius, eene eer bewijzen, want wij zijn hier op Romeinsche

wijze bijeen. Ter eere van u, en niet van hem, zullen wij heden geen

muziek hebben; gij zeidet immers dat muziek bij een gastmaal u niet

bijzonder aangenaam was. Euergetes speelt zelf voortreffelijk op de

harp. Overigens is het goed dat hij, gelijk altijd, eerst laat komt,

want overmorgen is het zijn geboortedag, en dien wil hij hier bij

ons en niet in Alexandrië vieren. Ook de priesterlijke gezanten,

die in Bruchium vergaderd zijn, zullen hier te Memphis komen, om hem

geluk te wenschen. Wij moeten dus iets voorbereiden dat schitterend

zal zijn. Nu zijt gij wel geen vriend van Eulaeus, Publius, doch hij

is het bekwaamst voor zulke dingen, en ik hoop dat hij weldra terug

zal keeren, om mij goeden raad te geven."

"Des morgens zullen wij een grooten optocht doen plaats hebben,"

zeide de koning. "Euergetes is een liefhebber van praalvertooningen,

en ik wil hem gaarne toonen, hoezeer zijn bezoek ons verheugd heeft."

De vriendelijke trekken van den koning namen bij deze, uit den grond

van zijn hart gesprokene woorden, eene bijzonder innemende uitdrukking

aan. Zijne gemalin zeide echter op bedenkelijken toon: "Ja, als wij

in Alexandrië waren! Maar hier onder al dat Egyptische volk--."

Klea en Irene: roman · 第 9 / 28 题