TWEEDE HOOFDSTUK.

Het tichelsteenen huis, waarin zich het vertrek der zusters bevond,

en dat bovendien door andere beambten van de tempelgebouwen en

een aantal pelgrims werd bewoond, heette het pastophorium [1]. De

laatste kwamen uit alle deelen van Egypte ter bedevaart hierheen,

en overnachtten gaarne in het heiligdom der godheid.

Irene ging, nadat zij hare zuster verlaten had, vele deuren voorbij,

die, nu de zon was opgegaan, geopend waren. Haastig beantwoordde

zij den groet van vele bekenden en onbekenden, die haar met een

vriendelijk gelaat nakeken, als ware hare verschijning in den vroegen

morgen hun een goed voorteeken. Spoedig kwam zij aan een gebouw, dat

zich aan het noordeinde van het pastophorium aansloot. Het had geen

deur, maar wel op manshoogte zes ongeslotene vensteropeningen, aan

de zijde van den weg. Uit het eerste, dat zij bereikte, zag haar het

bleeke en van diepe rimpels doorsnedene gelaat van een grijsaard aan.

Zij riep den oude opgewekt den vroolijken groet der Hellenen toe:

"Wees blijde!" Hij gebood haar echter, zonder de lippen te bewegen,

ernstig en veelbeteekenend met de magere hand en de kleine starende,

matte oogen te wachten, en reikte haar daarop een houten bord toe,

waarop eenige dadels en een half brood lagen.

"Voor het altaar van den god?" vroeg het meisje.

De grijsaard knikte toestemmend, en Irene ging, zoo zeker als iemand,

die goed weet wat van hem gevorderd wordt, met haren lichten last

verder. Maar reeds na weinige schreden en eer zij nog het laatste

venster bereikt had, bleef zij staan, want duidelijk lieten zich

stemmen en voetstappen hooren, en weldra vertoonden zich aan het

uiteinde van het pastophorium, waarheen zij ging, en dat grensde aan

het kleine acaciënbosch van Serapis, hetwelk zich buiten den ringmuur

verder uitbreidde, eenige mannen, wier verschijning hare opmerkzaamheid

gaande maakte. Doch zij durfde de vreemdelingen niet te gemoet gaan,

en wachtte, vlak tegen den wand van het pastophorium staande en naar

hun gesprek luisterende, tot zij voorbij zouden zijn.

De voorste van deze vroege tempelbezoekers was een stevig man, met

een langen staf in de rechterhand. Hij sprak tot de beide mannen

die hem volgden, zooals gidsen van beroep gewoon zijn te doen, het

woord voerende alsof zij hunne toehoorders uit een onzichtbaar boek

voorlezen, en die men liever niet met vragen in de rede valt, aangezien

men begrijpt dat zij niet veel meer weten, dan zij juist zeggen.

Van zijne beide zeer opmerkzaam luisterende hoorders was de een in

een lang veelkleurig gewaad gehuld, en rijk met gouden ketens en

ringen getooid, terwijl de ander over de korte chiton [2] slechts

eene witte wollen Romeinsche toga droeg, die over den linker schouder

was geslagen. Zijn rijk gekleede metgezel was een man van leeftijd,

met een gevuld baardeloos gelaat en dunne grijzende haren.

De luisterende Irene zag den laatste met bewondering en verbazing

aan, maar slechts om, nadat zij hare aandacht had gewijd aan de stof

zijner kleeding en de sieraden die hij droeg, de slanke gestalte van

den jongeling aan zijne zijde des te opmerkzamer op te nemen.

"Precies de dikke poedel van den kok Hoeï met een jongen leeuw,"

prevelde zij in zichzelve, terwijl zij den behaaglijken tred van

den een en den zelfbewusten, veerkrachtigen gang van den ander

waarnam. Daarbij kon zij de verzoeking bijna niet weerstaan, om

de ouden heer na te doen. Maar die overmoedige opwelling zou weldra

worden onderdrukt, want nauwelijks had de geleider den Romein verteld,

dat hier de vrome mannen, die in vrijwillige gevangenschap als de

aan Serapis gewijden, de godheid dienden, hunne cellen bewoonden,

dat zij hun voedsel door een venster--en met zijn staf wees hij er

heen--ontvingen, toen eensklaps een luik, waartegen de gids van dit

ongelijke paar menschen met zijn stok had gestooten, met zooveel

snelheid en kracht openvloog, alsof een windstoot het had getroffen

en tegen den wand geslagen. Even plotseling kwam een menschenhoofd,

met grimmig gelaat en golvende grijze haren, als de manen van een

leeuwenkop, uit het venster te voorschijn, en schreeuwde hem die

geklopt had met eene zware basstem toe:

"Ik wou dat mijn luik uw rug was, gij onbeschaamde kerel, dan had

uw lange stok op de rechte plaats getroffen. Of zat er in plaats van

deze tong een knuppel in mijn mond, dan zou ik dien zwaaien, tot zij

zoo moede was als die van een redenaar, die drie uren lang voor het

volk zijn ledig stroo heeft uitgedorscht. Nauwelijks is de zon op,

of deze klaplooper sleept het nieuwsgierig gespuis naar ons toe! Wek

ons voortaan te middernacht uit den slaap en smijt met steenen tegen

de verrotte luiken! Mijne laatste begroeting van voor drie weken heeft

zeker uitgewerkt; die van heden zal, hoop ik, langer nawerken. Gij

mannen, hoort mij! Gelijk de raven het leger achternavliegen, om

de gesneuvelden te verslinden, zoo stelt deze zich ten dienste der

vreemdelingen, om hunne zakken te ledigen. En jij, die je tolk noemt,

en toen je Grieksch leerdet, je beetje Egyptisch hebt vergeten, ik

raad je als je vreemdelingen hebt te geleiden, ze naar de Sphinx te

brengen. Of laat hen in den tempel van Ptah den Apis naar de toekomst

vragen, of voer hen naar de wildbaan des konings te Alexandrië,

of in de kroegen van Kanopus, maar niet tot ons. Want wij zijn geen

faisanten, geen fluitspeelsters of wonderdieren, die het zich moeten

laten welgevallen dat men hen aangaapt. Gij, mannen, moet u een beteren

gids kiezen, als dat sistrum [3] dat u zijn erbarmelijk geklingel laat

hooren, wanneer gij het schudt. Wat uzelven betreft, heb ik alleen

dit te zeggen: Nieuwsgierige oogen zijn onbescheiden gasten, waarvoor

een slimme waard op zijne hoede is, door de deur voor hen te sluiten."

Irene verschrikte opnieuw en drukte zich nog vaster tegen den pilaar,

die haar verborgen hield, want al krakend vloog het luik, dat de

kluizenaar door middel van een touw, hetwelk aan het uiterste einde

was bevestigd, met geweld naar zich toehaalde, dicht, en onttrok hem

aan de blikken van de vreemdelingen. Doch slechts voor een oogenblik,

want de verroeste hengsels waarin het hing, waren tegen zulk een

heftigen ruk niet bestand, en langzaam boog het zich naar beneden.

De man die zoo hard geklopt had strekte zijne armen uit, om het

tegen te houden, maar het was zwaar, en hij zou het zeker niet hebben

kunnen houden, wanneer niet de jonkman in Romeinsche kleederdracht

hem de behulpzame hand had geboden, en het vallende luik gemakkelijk

en zonder inspanning, alsof het niet uit zware planken samengesteld

maar uit dunne wilgentakken gevlochten was, met hand en schouder in

de hoogte had getild.

"Nog een beetje hooger," riep de kluizenaar zijn helper toe. "Houd

het ding op den scherpen kant! Zoo! Schuif het nu nog wat op! Daar

is het erbarmelijk monstertuig, en daar mag het blijven liggen. Als

de vleermuizen mij dezen nacht een bezoek brengen, zal ik om ulieden

denken, en ze voor u groeten!"

"Gij zoudt beter doen, u die moeite te besparen," zeide de jonkman

koeltjes en voornaam. "Ik zal u een timmerman sturen, die het luik

opnieuw zal vast maken. Ook vragen wij u verschooning, want wij hebben

de schade veroorzaakt, die u getroffen heeft."

De grijskop liet den jongen Romein uitspreken en zeide toen, nadat

hij hem van het hoofd tot de voeten had opgenomen: "Gij zijt sterk en

weldenkend. Gij zoudt mij bevallen, wanneer gij in ander gezelschap

waart. Uw timmerman heb ik niet noodig, laat mij alleen een hamer

brengen, een bijl en stevige spijkers. Wilt ge mij voorts nog een

dienst bewijzen, pakt u dan weg!"

"We gaan al," zeide de man in de bonte kleeding, met eene pieperige

vrouwenstem. "Wat blijft een mensch, dien kwajongens uit eene veilige

schuilplaats met vuilnis werpen, anders over dan zich te verwijderen."

"Kom, ga maar heen," zeide hij lachend, wien deze beschimping gold, "en

als gij er lust in hebt, groote Eulaeus, dadelijk tot naar Samothrace

[4]. Den weg zult gij nog wel niet vergeten zijn, sedert gij den

koning hebt geraden met zijne schatten daarheen te vluchten. Wanneer

ge echter vreezen mocht dien alleen niet te kunnen vinden, dan kan

ik u dien tolk en gids daar aanbevelen, om hem u te wijzen."

De eunuuch Eulaeus, een aanzienlijk raadsheer van koning Ptolemaeus,

dien men Philometor, d. i. den moederlievende noemde, verbleekte hij

deze woorden, wierp den ouden een gramstorigen blik toe en gaf den

jongen Romein een wenk. Deze had echter geen zin om hem te volgen,

want de knorrige zonderling beviel hem, misschien wel omdat hij

bemerkte, dat zijn persoon den ouden man, die anders niet schroomde

zijne ontevredenheid te uiten, welgevallig was. Bovendien had hij

aan diens oordeel over de mannen, die hem begeleidden, niets toe

te voegen. Daarom keerde hij zich naar den eunuuch en zeide beleefd:

"Ontvang mijn dank voor uw geleide, en laat u niet langer om mijnentwil

van gewichtiger bezigheden afhouden."

Eulaeus boog en antwoordde: "Ik weet wat mijn plicht is. De koning

heeft u aan mijne leiding toevertrouwd. Veroorloof mij daar ginds

onder dien acacia op u te wachten."

Toen nu de eunuuch met den gids zich verwijderde in de richting van

het groene boschje, hoopte Irene eindelijk gelegenheid te hebben,

tot het doen van haar verzoek. Maar de Romein was voor de cel van

den oude blijven staan, en had een gesprek met hem aangeknoopt, dat

zij niet durfde storen. Met een stillen zucht plaatste zij het haar

toevertrouwde bord met het brood en de dadels op een uitstekenden

steen aan hare zijde, ging met de armen en de beenen over elkander

gekruist tegen den wand leunen en spitste hare ooren om te luisteren.

"Ik ben geen Griek," zeide de jongeling, "en gij dwaalt, als gij meent,

dat ik uit nieuwsgierigheid naar Egypte ben gereisd en tot u gekomen."

"Doch wie den tempel binnengaat," hernam de andere, hem in de rede

vallende, "enkel om te bidden, die kiest zich geen Eulaeus, zou ik

meenen, geen paar als die twee, die daar onder den acacia geen zegen

over uw hoofd zullen afsmeeken, tot zijne geleiders. Ik zou ten minste,

als ik een dief was, niet met dezen uitgaan om te stelen. Wat dreef

u naar den tempel van Serapis?"

"Thans mag ik op mijne beurt u van nieuwsgierigheid betichten."

"Nu ja," riep de grijskop. "Als eerlijk koopman neem ik de munt aan,

waarmede ikzelf gaarne betaal. Komt gij dan om u een droom te laten

uitleggen, of om daarboven in den tempel te slapen en een droomgezicht

te ontvangen?"

"Zie ik er dan zoo slaperig uit," vroeg de Romein, "als wilde ik,

een uur na zonsopgang, weder naar bed gaan?"

"Het zou ook kunnen zijn," riep de kluizenaar, "dat voor u de dag

van gisteren eigenlijk nog niet om is, en dat het u, op het einde

van een gastmaal, was ingevallen, ons een bezoek te brengen, en bij

Serapis uw hoofdpijn uit te slapen."

"Er schijnt u toch nog al wat ter oore te komen, van hetgeen er buiten

deze muren voorvalt," gaf de Romein hem ten antwoord. "Als ik u op

de straat tegenkwam, zou ik u wel voor een schipper kunnen houden,

of voor een bouwmeester, die over vele weerspannige arbeiders te

gebieden heeft. Na alles wat men mij in Athene en hier van u en uws

gelijken vertelde, had ik mij eene andere voorstelling van u gevormd."

"Welke dan?" vroeg Serapion lachend. "Ik vraag dit, op gevaar af van

nog eens voor nieuwsgierig gehouden te worden."

"Ik zou u wel willen antwoorden," hernam de ander, "maar als ik u de

volle waarheid zeg, dan stel ik mij bloot aan een nog grooter gevaar,

van namelijk door u even onvriendelijk weggestuurd te worden, als

mijn arme gids daarginds."

"Spreek maar," antwoordde de grijskop, "voor verschillende lijven

heb ik ook verschillende kleedingstukken, en niet het slechtste voor

hem, die mij vergast op het zeldzaam gerecht van waarheid. Maar eer

ge mij uwe bittere spijzen te proeven geeft, moet ge mij zeggen,

hoe gij heet."

"Wil ik den gids roepen?" vroeg de Romein met schalkschen lach. "Die

kan u eene beschrijving geven van mijn persoon, en u de geheele

geschiedenis van mijn huis vertellen. Doch ik wil u niet boos maken:

ik heet Publius."

"Zoo heet althans éen op de drie van uwe landslieden."

"Ik ben van het geslacht der Cornelii, en wel van de familie der

Scipio's," antwoordde de jonkman met zachte stem, als wilde hij zelfs

den schijn vermijden van met zijn aanzienlijken naam te pronken.

"Ge zijt dus een voornaam, een zeer groot heer," zeide de kluizenaar,

terwijl hij eene buiging maakte van uit zijne cel. "Trouwens dat wist

ik wel van te voren, want alleen een edelman gaat op uwe jaren met

zulk een vasten stap, ofschoon de stevige beenen op zulke teedere

enkels rusten. Dus Publius Cornelius...."

"Genoeg, noem mij Scipio, of nog liever bij mijn voornaam Publius,"

verzocht de jonkman. "Gij zelf heet Serapion, en ik wil u thans

zeggen, wat gij omtrent mij wenscht te weten. Toen men mij vertelde,

dat zich in dezen tempel lieden bevonden, die zich in kleine vertrekken

lieten opsluiten, om ze nimmer te verlaten, maar zich alleen met hunne

droomen bezig te houden en in stille overpeinzing te leven, dacht ik

dat zij zwakhoofden moesten zijn of gekken, of beiden tegelijk."

"Goed zoo," zeide Serapion hem in de rede vallende, "aan eene vierde

mogelijkheid hebt gij dus niet gedacht. Maar als zich nu eens onder

dezen mannen bevonden, die men tegen hun wil houdt opgesloten, en als

ik eens juist tot die soort van gevangenen behoorde? Ik heb u allerlei

dingen gevraagd, en ge zijt mij het antwoord niet schuldig gebleven,

daarom moogt gij nu ook weten, hoe ik in deze ellendige kooi kom,

en waarom ik daarin blijf. Ik ben van goeden huize, want mijn vader

was opzichter van de koornschuur dezes tempels en van Macedonische

afkomst; mijne moeder was echter eene Egyptische. Die moeder heeft

mij ter kwader ure ter wereld gebracht, op den zeven-en-twintigsten

van de maand Paophi [5], dus op den dag die in de heilige boeken een

ongeluksdag wordt genoemd, en dat men het kind, op dien dag geboren,

opgesloten moet houden, daar het anders door een slangenbeet zal

sterven. Tengevolge dezer onheilspellende uitspraak, zijn velen, die

op denzelfden dag geboren zijn, vroeger reeds, even als ik, in zulk

eene kooi opgesloten. Mijn vader had mij gaarne de vrijheid gegund,

maar mijn oom, een horoscoop in den tempel van Ptah, die op mijne

moeder een onbeperkten invloed had, benevens zijne vrienden, ontdekten

nog meer slechte voorteekenen aan mij; zij lazen in de sterren,

dat mij allerlei onheil wachtte op mijn levensweg; zij verzekerden

dat de Hathors niets dan kwaad over mij beschoren hadden, en hielden

zoolang bij hem aan, tot men mij--wij woonden beneden in Memphis--voor

de kluizenaarscel bestemde. Ik dank deze ellende aan mijne eigene

moeder, die uit louter liefde voor mij dit lot heeft gekozen. Gij

ziet mij vragend aan, jonkman; het leven zal ook u wel leeren, dat de

ergste haat tegen iemand gericht hem dikwijls meer baat, dan blinde

teederheid die de perken te buiten gaat. Lezen, schrijven en wat men

gewoon is priesterzonen te onderwijzen, dat alles heb ik geleerd,

maar nimmer heb ik geleerd mij geduldig in mijn lot te schikken. Toen

ik geen baardelooze knaap meer was, is het mij gelukt vrij te komen,

en heb ik overal in de wereld rondgezworven. Ik ben te Rome geweest,

te Karthago en in Syrië. Eindelijk kreeg ik weder lust uit den Nijl te

drinken, en keerde ik naar Egypte terug. Waarom? Omdat het mij, dwaas,

dikwijls toescheen, dat water en brood mij in mijne gevangenschap in

het vaderland beter hadden gesmaakt, dan koek en wijn terwijl ik vrij

was in den vreemde.

"In mijn ouderlijk huis vond ik nog slechts mijne moeder terug, want

mijn vader was van kommer gestorven. Vóor mijne vlucht was zij eene

statige vrouw, doch toen ik terugkwam zag ik dat hare schoonheid geheel

was verwelkt en zij haar einde naderde. De angst, die haar folterde,

over mij, ellendeling, had, zooals de arts verzekerde, hare krachten

gesloopt, en dat viel mij zwaar te dragen.... Toen nu ten laatste

de goede kleine vrouw, die mij, wilde knaap, zoo zacht kon streelen,

mij op haar sterfbed smeekte, weder in mijne kluis terug te keeren,

heb ik toegegeven en haar gezworen, dat ik geduldig in mijne kooi zou

blijven tot aan mijn einde. Want ik ben als de wateren in het noorden:

een kind kan mij met de handen klieven, of ik ben koud en hard als

kristal. De oude vrouw stierf spoedig nadat ik den eed gezworen had,

en dat ik woord hield ziet gij. Ook hebt gij kunnen opmerken, op

welke wijze ik mij in mijn lot schik."

"Vrij geduldig," hernam Publius. "Ik zou vrij wat weerspanniger met

mijne ketenen rammelen dan gij. Mij dunkt, het moet u goed doen zoo

eens uit te gisten, gelijk gij zooeven hebt gedaan."

"Als zoete wijn van Chios," antwoordde de kluizenaar. Daarbij smakte

hij met de tong, als proefde hij het edele druivennat, en stak hij

zijn ruigharig hoofd ver uit het venster. Hierdoor kreeg hij Irene

in het oog, en riep haar dadelijk vroolijk toe: "Wat doet ge daar

kind? Gij staat daar, als wachttet gij op het geluk, om het een

'goeden morgen' toe te roepen."

Het meisje greep haastig met de eene hand het bordje, streek met de

andere het haar glad, en terwijl zij een weinig blozend de mannen

naderde, liet Publius verrast de oogen vol bewondering op haar rusten.

Behalve hij had nog een ander, die op dit oogenblik, komende van het

acaciën-boschje, den Romein tegemoet ging, de woorden van Serapion

vernomen, en riep, vóor hij beiden nog bereikt had: "Zij zal op het

geluk wachten, zegt die man daar? En gij hoort dit aan, Publius,

en antwoordt niet, dat zijzelve het geluk brengt, waar zij zich

slechts vertoont?"

Hij die zoo sprak was een met bijzondere zorg gekleede jonge Griek,

die ondertusschen den granaatbloesem, dien hij in de hand hield, achter

het oor stak, om zijn vriend Publius de rechterhand te schudden, en

daarna zijn bevallig open en fijn besneden, bijna vrouwelijk gelaat

naar den kluizenaar te keeren. Want door hem toe te spreken wenschte

hij ook diens aandacht op zich te vestigen.

"Met den groet van Plato, 'doe wat schoon en recht is,' nader ik

u!" riep hij. Daarna ging hij kalmer voort. "Wel is waar behoeft

gij deze vermaning ternauwernood, want gij behoort onder hen, die de

kunst verstaan om de echte, dat is de innerlijke vrijheid deelachtig

te worden. Wie toch kan vrijer zijn dan hij, die geene behoeften

kent? Daar nu niemand edeler is dan hij, die van alle vrijen het

meest vrij is, zoo neemt gij den cijns mijner vereering aan, en laat

een groet van Lysias van Corinthe u welgevallig zijn, die even als

Alexander gaarne met u, den Diogenes van Egypte, zou willen ruilen,

wanneer het hem gegund werd, uit de opening van uwe anders niet

bijzonder begeerlijke woning, steeds de lieftallige gedaante van

deze jonkvrouw...."

"Genoeg, jong heertje," zeide Serapion, den woordenvloed van den

Griek stuitende. "Deze jonkvrouw behoort in onzen tempel te huis,

en wien de lust mocht bekruipen, om met haar te spreken als ware zij

eene fluitspeelster, die heeft met mij, haar beschermer, te doen. Ja

met mij; en uw vriend dáar zal gaarne getuigen, dat het niet raadzaam

is met mij en mijns gelijken den strijd aan te binden.--Gaat nu wat

achteruit, jongelieden, en laat dit meisje mij zeggen wat zij begeert."

Toen Irene nu tegenover den kluizenaar stond, en hem haastig en zacht

verteld had, wat zij had gedaan, en dat hare zuster Klea nu op haar

wachtte, begon Serapion eerst luid te lachen, en zeide daarna met

zachte stem, maar opgeruimd, op den toon van een vader, die zijn

dochtertje plaagt: "Zij heeft voor twee gegeten, en staat hier op

haar teenen, en rekt zich uit tot aan mijn venster, als stak in dit

rokje geen oververzadigd menschenkind, maar een luchtgeest. Wij kunnen

lachen, maar Klea, dat arme schepsel, zal honger hebben, niet waar?"

Irene sprak geen woord, doch terwijl zij zich nog hooger dan te voren

op de teenen uitrekte, keerde zij Serapion haar geheele gelaat toe,

en knikte herhaaldelijk, van harte toestemmend, met het lieve kopje.

Terwijl zij hem schelmsch en tegelijk zoo innig smeekend in de oogen

zag, riep de kluizenaar: "Gij verlangt dus dat ik u mijn ontbijt voor

Klea zal geven. Doch daar kan niets van inkomen, want dat ontbijt

is er geweest en niet meer terug te vinden. Alleen de dadelpitten

zijn daarvan nog over. Maar op dat bordje dáar in uwe hand ligt een

redelijk maal."

"Het is het offer van den ouden Phibis voor Serapis," gaf het meisje

ten antwoord.

"Hm, hm, nu ja," bromde de oude. "Als het voor den god is.... Doch

deze kan het inderdaad beter ontberen, dan zulk een arm, uitgehongerd

menschenkind."

Daarop ging hij echter voort met ernst en nadruk, evenals een

onderwijzer, die de onvoorzichtige woorden, door zijne leerlingen

uit zijn mond vernomen, met waardiger taal wil goedmaken: "Voorzeker,

wat ons is toevertrouwd, mogen wij ons niet toeëigenen, en eerst de

godheid--dan de menschen. Wist ik nu maar hoe men.... Maar bij de

ziel mijns vaders, Serapis zelf zendt ons wat wij noodig hebben! Hei

daar! edele Scipio, of, daar ik u zoo noemen mag, Publius, kom toch

wat naderbij, en kijk eens met mij naar dien acacia ginds: Ziet gij

daar mijn vriend, den gids, en het brood en de gebraden hoentjes,

die uw slaaf voor hem uit de lederen tasch haalt? Nu zet hij zelfs

eene wijnkruik op het kleed, dat hij voor de groote voeten van Eulaeus

heeft uitgespreid. Aanstonds zullen zij ook u ter maaltijd noodigen,

maar ik weet een lief hongerig kind, welks ontbijt heden morgen door

een witte kat is opgevreten. Breng mij voor dat schepseltje een half

brood en een kippenboutje, en als ge wilt ook nog een granaatappel,

of eene van die perziken, die de eunuuch daar juist met zijne vinger

bevoelt. Van deze kunt gij er ook wel twee geven, want ik kan ze

allebei wel gebruiken."

"Serapion!" zeide Irene op zacht verwijtenden toon, en sloeg de oogen

neder. De Griek riep echter met geestdrift: "Meer, veel meer kan ik

u brengen. Ik vlieg dadelijk heen...."

"Blijf!" viel Publius hem in de rede, met gebiedende stem, terwijl hij

hem bij den schouder terughield. "Het verzoek van Serapion gold mij,

en ik wensch mijn vriend in eigen persoon een dienst te bewijzen."

"Ga gij dan!" riep de Griek Publius achterna, die zich snel

verwijderde. "Gij gunt mij dus den dank niet van de schoonste lippen

in Memphis. Zie eens, Serapion, wat haast hij maakt! Nu moet die

arme Eulaeus opstaan. Een nijlpaard zou van hem kunnen leeren, hoe

men dat op de meest onbeholpen manier doen moet. Dat noem ik korte

metten maken. Zoo'n Romein vraagt niet veel eer hij neemt. Daar heeft

hij reeds wat hij hebben wil. Eulaeus kijkt hem na als eene melkkoe,

die men haar kalf afneemt. Ik voor mij eet ook liever de perziken op,

dan dat ik ze door een ander weg zie halen. Als het volk op het Forum

dit eens zien kon! Publius Cornelius Scipio Nasica, de lijfelijke

kleinzoon van den grooten Africaan, die in elke hand een schotel

draagt, als een slaaf die bij het gastmaal bedient! Welnu, Publius,

wat brengt Rome ditmaal als overwinnaar naar huis?"

"Heerlijke perziken, en een gebraden fazant," antwoordde Cornelius

lachend, en reikte den kluizenaar de beide schotels door zijn venster

toe. "Er blijft nog genoeg voor den oude over."

"Dank, hartelijk dank!" zeide Serapion, riep Irene met een wenk nader,

gaf haar een goudgeel tarwebrood, de helft van het gebraad, dat

Eulaeus reeds in tweeën had gedeeld, benevens twee perziken. Daarbij

fluisterde hij haar zachtkens toe: "De andere helft mag Klea, als die

dáar weg zijn, zelve bij mij komen halen. Bedank thans dien goeden

heer en ga heen."

Een oogenblik stond het meisje verlegen en sprakeloos tegenover den

Romein. Voor den ernstigen blik zijner donkere oogen sloeg zij de hare

neder. Haar gelaat kleurde van schaamte en met de kleine sneeuwwitte

tanden beet zij zich op de onderlip. Eindelijk vatte zij moed en zeide:

"Gij zijt wel goed. Ik kan mij niet in mooie woorden uitdrukken,

maar vriendelijk zeg ik u dank."

"En uw vriendelijke dank," antwoordde Publius, "maakt dezen kostelijken

morgen voor mij nog schooner. Tot een aandenken aan dezen en aan u

zou ik wel een van die viooltjes uit uw haar willen bezitten."

"Neem ze alle!" riep Irene, maakte het ruikertje snel uit de haren

los, en reikte het den Romein toe. Maar eer deze de bloemen aannemen

kon, trok zij de hand terug, en zeide met een ernstig gezicht: "De

koningin heeft ze in de hand gehouden! Mijne zuster Klea heeft ze

gisteren bij den optocht gekregen."

Bij deze woorden veranderden de gelaatstrekken van Cornelius, en

vroeg hij met gebiedende kortheid en scherpte: "Heeft uwe zuster

zwart haar, en is zij grooter dan gij, en draagt zij bij optochten

een gouden krans? Schonk zij u deze bloemen?--Ja, zegt gij? Nu, 't

zij zoo. Zij heeft dit ruikertje van mij gekregen, maar hoewel zij

het aannam schijnt zij er toch weinig mede in haar schik geweest te

zijn. Want wat men op prijs stelt, dat geeft men niet weg. Zoo moge

het dan vliegen!"

Terwijl hij dit sprak wierp Publius de bloemen over het huis en zeide

vervolgens op vriendelijken toon: "Gij, mijn kind, zult schadeloos

gesteld worden voor den verloren haartooi. Geef mij uwe granaat,

Lysias."

"Waarachtig niet," antwoordde deze. "Gij verlangdet in eigen persoon

uw vriend Serapion een dienst te bewijzen, toen ge mij zoo even

terughieldt om de perziken te halen. Thans verlang ik met eigene hand

de schoone Irene mijn granaat te geven."

"Neem dan den bloesem van hem aan," zeide Publius, en keerde hem

opeens den rug toe, terwijl Lysias zijn granaat in de handen stak

van het meisje, waarmede zij het houten bord vast hield. De harde

bejegening van den Romein gaf haar een gevoel, als had eene ruwe hand

haar aangeraakt. Zwijgend en schuchter boog zij, om daarop haastig

naar hare woning terug te keeren.

Publius staarde haar peinzend na, tot Lysias hem toeriep: "Hoe heb

ik het nu? Is heden morgen de vroolijke Eros in den tempel van den

somberen Serapis verdwaald geraakt?"

"Dat zou niet goed zijn," haastte de kluizenaar zich te zeggen:

"want de Cerberus voor de voeten van onzen god zou den winderigen

jongen"--en bij deze woorden zag hij den Griek veelbeteekenend

aan--"weldra de beweeglijke vleugels uitplukken."

"Als hij zich ten minste door het driekoppig ongedierte liet vangen,"

zeide Lysias lachend. "Maar kom nu, Publius, Eulaeus heeft thans lang

genoeg gewacht."

"Ga gij dan naar hem toe," antwoordde de Romein. "Ik volg u weldra,

maar eerst heb ik nog een woordje met Serapion te spreken."

Deze laatste had, sedert Irene vertrokken was, zijne aandacht gewijd

aan den acacia, waaronder de eunuuch nog altijd zat te smullen. Toen

de Romein hem nu aansprak, schudde hij met weerzin het groote hoofd,

en zeide:

"Uwe oogen zijn zeker niet slechter dan de mijne. Zie eens hoe dat

heer onder het kauwen zijne kaken beweegt en met de lippen smakt! Bij

Serapis, men kan het karakter van een mensch leeren kennen, wanneer

men hem ziet eten. Gij weet dat ik niet voor mijn plezier in deze

kooi zit, maar om éene rede ben ik er dankbaar voor, namelijk dat

ik daardoor niet in de verzoeking kom om te doen, wat lieden van

het slag van Eulaeus genieten noemen, want zulk genieten, zeg ik u,

verlaagt een mensch."

"Zoo zijt gij dan toch meer wijsgeer, dan gij wilt schijnen,"

antwoordde Publius.

"Ik wil van niets den schijn aannemen," antwoordde de kluizenaar,

"want mij is het om het even, wat anderen van mij denken. Maar wanneer

iemand, die niets te doen heeft, die zelden in zijne rust gestoord

wordt en over allerlei dingen zoo zijne eigene gedachten heeft, een

wijsgeer is, noem dan mij zóo als gij wilt. Zoo gij ooit goeden raad

noodig hebt, moogt ge mij altijd opnieuw bezoeken, want gij bevalt mij,

en misschien zijt gij in staat mij een gewichtigen dienst te bewijzen."

"Spreek slechts," zeide de Romein. "Van harte gaarne wil ik u van

dienst zijn."

"Ditmaal niet," antwoordde Serapion zacht, "maar kom, als gij tijd

hebt, op een anderen keer weder, natuurlijk zonder uwe metgezellen

van heden, ten minste zonder Eulaeus, die van alle schurken, welke

ik ooit ontmoet heb, de slechtste is. Misschien kan het zijn nut

hebben, wanneer ik reeds heden u zeg, dat ik u niet spreken wil over

mijzelven, want wat zou ik begeeren?--maar dat het geldt het geluk

of het ongeluk der kruikdraagsters die gij beide hebt gezien en die

bescherming noodig hebben."

"Om de oudste, om Klea, en niet om uwentwil kwam ik hierheen," zeide

Publius vrijmoedig. "Zij heeft iets in haar gang, in hare oogen,

dat anderen mogelijk afstoot, maar mij aantrekt. Hoe komt een meisje

met zulk een voornaam uiterlijk in uwen tempel?"

"Als gij terugkomt," antwoordde de kluizenaar, "vertel ik u de

geschiedenis van de zusters, en wat zij aan Eulaeus te danken

hebben. Ga nu heen, en houd u reeds dadelijk overtuigd, dat deze

meisjes hier goed bewaakt worden tegen lichtzinnige aardigheden. Ik

maak deze opmerking met het oog op den Griek, die overigens een

hulpsche flinke knaap is, niet om uwentwil, want gij ziet er uit als

een rechtschapen man, en als gij weet wie die meisjes zijn, zult gij

mij gaarne helpen om hunne belangen te bevorderen."

"Dat heb ik heden reeds gedaan met groot genoegen," riep Publius, nam

daarop afscheid van den kluizenaar, en richtte zijne schreden naar

Eulaeus, dien hij begroette met de woorden: "Dat was een kostelijke

morgen!"

"Deze zou voor mij nog schooner zijn geweest," antwoordde de eunuuch,

"wanneer ge mij wat minder lang van uw gezelschap hadt beroofd."

"Dat beteekent," hernam de Romein, "dat ik langer dan behoorlijk is

ben weggebleven."

"Gij handelt, zooals al uwe landgenooten gewoon zijn te doen,"

hernam de ander met eene diepe buiging, "die zelfs koningen in hunne

voorvertrekken laten wachten."

"Gij draagt echter geen kroon," liet Publius er bits op volgen,

"en zoo iemand, dan verstaat een oud hoveling de kunst om geduld

te oefenen...."

"Wanneer het volgens den wil zijns konings zoo zijn moet," zeide

Eulaeus hem in de rede vallende, "weet de grijze hoveling ook

te zwijgen, wanneer het jongelieden lust hem te hoonen." "Dit

geldt ons beiden," hernam Publius, terwijl hij zich tot den Griek

wendde. "Beantwoord gij hem nu, Lysias, want ik heb genoeg gehoord

en gesproken, en uw tong is vlugger dan de mijne."

Klea en Irene: roman · 第 3 / 28 题