EERSTE HOOFDSTUK.

Aan den grooten eerwaardigen, uit gehouwen steen opgetrokken Griekschen

Serapis-tempel, en de daaraan grenzende kleinere heiligdommen van

Asklepius Anubis en van Astarte, in het woestijngebied van Memphis'

doodenstad, sluit zich eene rij van breede lage, uit ongebakken tegels

gebouwde huisjes aan, niet ongelijk aan een troepje bedelaarskinderen,

die door een sierlijk uitgedoschten koning bij de hand worden geleid.

Naarmate de gladde en gele zandsteenwanden van den tempel, door de

morgenzon verlicht, met helderder glans te voorschijn komen, des te

onaanzienlijker en ruiger zien die grauwe bijgebouwen er uit. Als de

wind om hunne muren blaast, terwijl deze door de zonnestralen beschenen

worden, zijn zij in een stofwolk gehuld, gelijk droge wegen, wanneer

een luchtstroom daarover strijkt. De vertrekken, die deze gebouwen

bevatten, zijn zelfs niet met kalk bestreken, en daar de Nijltegels,

waaruit de binnenwanden zijn opgemetseld, vermengd zijn met gesneden

stroo, dat overal met kleine harde stoppels uit de muren te voorschijn

komt, zoo is het even onaangenaam voor de hand ze aan te raken,

als voor het oog ze te zien.

Toen zij, eeuwen geleden, gebouwd werden tusschen den eigenlijken

tempel en den ringmuur, die dezen omgeeft en aan de oostzijde

het acaciënbosch van Serapis in twee helften verdeelt, bleven zij

voor de blikken der bezoekers van het heiligdom verborgen door den

achterwand van een zuilengang, die aan de oostzijde van den voorhof

oprees. Thans is een gedeelte van de kolonade ingestort, zoodat

men door deze opening enkele dezer steenen huisjes kan zien, aan

de tempelzijde voorzien van deuren en vensters, of liever eene rij

zonder eenige kunst aangebrachte gaten, die tot ingang en uitkijk

moeten dienen. Waar eene deur is, ziet men geen venster, en waar

venstergaten in den wand zijn aangebracht, mist men weder eene deur,

en toch zijn geen twee der vertrekken van dit langwerpig, smal,

slechts éene verdieping hooge gebouw met elkander verbonden.

Door de opening in de zuilengaanderij voert een smal, veel betreden,

met grijs stof bedekt pad, over puin, langs steenblokken en stukken

van zuilen, die voor een nieuwen bouw bestemd zijn. Het werk schijnt

alleen gedurende den nacht gestaakt te zijn, want breekijzer en koevoet

liggen nog op en bij de werkstukken. Deze weg leidt naar het grauwe

gebouw, en eindigt bij eene kleine geslotene houten deur, die zóo

ruw getimmerd is, en zóo gebrekkig in haar hengsels hangt, dat zich

eene vlugge grijze kat, met voorover gebogen kop, de buik langs den

grond schurende, tusschen haar onderkant en den dorpel, die slechts

eenige vingerbreedten boven den grond uitsteekt, weet door te wringen.

Zoodra het lenige dier weder recht op zijne pooten staat, likt het

zijn glimmend vel dadelijk glad en schoon, kromt zijn rug en kijkt

met groene fonkelende oogen naar het huis, dat het zoo even verliet,

en waarachter op dit oogenblik de morgenzon oprijst. Verblind door

de heldere stralen keert het zich om, en loopt voorzichtig en met

onhoorbare schreden naar boven den tempelhof in.

Het vertrek, waaruit de kat te voorschijn kwam, is klein en ziet er

bijzonder armoedig uit. Het zou er volslagen donker zijn, wanneer de

gaten in het dak en de spleten in de deur het licht niet veroorloofden

binnen te dringen in deze uiterst beperkte ruimte. Tegen de ruwe grauwe

wanden staat niets dan een houten kist, en daarnaast op den grond ziet

men een paar aarden schalen, benevens eene sierlijk bewerkte kruik van

echt blinkend goud, die in deze armoedige omgeving eene zonderlinge

figuur maakt. Geheel op den achtergrond bespeurt men bovendien twee

matten van boomschors gevlochten, die over eenige schapenvachten

zijn uitgespreid. Het zijn de bedden van de beide bewoonsters van

dit vertrek, waarvan er eene gezeten is op eene kleine bank van

palmtakken, terwijl zij al geeuwend de lange, glanzige, bruine haren

begint te ordenen.

Zij toont zich niet bijzonder handig bij het verrichten van dezen

allesbehalve gemakkelijken arbeid, en nog minder geduldig, want nu

de hoornen tanden een nieuwen hinderpaal ontmoeten, werpt zij de kam

op haar bed. Hoewel zij deze noch te driftig, noch te hard door haar

hoofdtooi heeft gehaald, knijpt zij de oogen toch zóo stevig dicht,

en drukt zij de kleine sneeuwwitte tanden zóo diep in de vochtige

roode onderlip, dat men wezenlijk zou denken, dat zij zich hevig pijn

had gedaan.

Op dit oogenblik laat zich buiten de deur een slepende stap

hooren. Haastig slaat zij de groote kastanjebruine oogen op,

vol verbazing rondziende. Er speelt een lachje om haren mond, en

haar geheele voorkomen, nu zoo vriendelijk, is plotseling geheel

veranderd als het uiterlijk van een vlinder, die uit de schaduw in

den zonneschijn vliegt, die zich weerspiegelt in het glinsterend stof

zijner vleugels.

Er wordt driftig eene hand aan de los in hare hengsels hangende deur

geslagen, zóo hard dat zij kraakt. Terstond daarop wordt door de

opening boven den dorpel, waardoor de kat een uitgang had gevonden,

een houten bord geschoven, waarop een dun rond brood ligt, en een

aarden schaaltje met wat olijvenolie staat. Het laatste bevat niet

meer, dan de halve dop van een hoenderei bevatten kan, maar de olie

schijnt versch te zijn en glanst zoo zuiver als goud. Het meisje

is de deur genaderd, heeft het bord naar zich toegehaald en roept,

zoodra zij met de oogen het brood gemeten heeft, half klagend, half

verwijtend: "Zoo weinig? Is dat voor ons beiden?"

Bij deze vraag hebben hare vroolijke gelaatstrekken eensklaps wederom

eene andere uitdrukking aangenomen. Hare heldere oogen zijn zóo

troosteloos naar de deur gericht, als ware daarbuiten het licht van

zon en sterren uitgebluscht. Toch is hetgeen haar krenkt niet anders

dan de geringe hoeveelheid brood, die trouwens nauwelijks groot

genoeg is om den honger van éen jeugdig menschenkind te stillen,

hoewel twee personen daarmede verzadigd moeten worden. Wat echter in

het leven van den eenen mensch nietsbeduidend is, kan den ander zeer

gewichtig toeschijnen, en in zijne schatting eene zaak van groote

beteekenis zijn.

De verwijtende woorden van de klagende hebben hun weg door de deur

gevonden, en de oude vrouw, die het bord over den dorpel heeft

geschoven, riep haar haastig maar niet onvriendelijk toe: "Heden is

er niet meer, Irene!"

"Maar dat is schandelijk!" hernam het meisje, met tranen in de

oogen. "Van dag tot dag wordt het broodje kleiner. Al waren we

musschen, dan zouden wij er nog niet genoeg aan hebben! Gij weet wat

ons toekomt, en wij zullen niet ophouden te klagen en onze grieven

te uiten. Serapion moet een nieuw smeekschrift voor ons opstellen,

en als de koning verneemt, hoe schandelijk men ons behandelt...."

"Ja, als hij het verneemt," hernam de oude, haar in de rede

vallende. "Maar vele winden blazen tegen het woord der arme, eer het

tot 's konings oor kan doordringen. Ik weet een korter weg voor u en

uwe zuster, wanneer u dat hongerlijden zoo erg mishaagt. Wie er uitziet

als mijne lieve kleine Irene, die behoeft geen gebrek te hebben."

"En hoe zie ik er dan uit?" vroeg het meisje, en bij deze woorden

scheen weder een zonnestraal langs haar aardig gezichtje te glijden.

"Juist zoo," antwoordde zij lachende, "dat gij u gerust ten allen

tijde naast uwe zuster kunt vertoonen. Gisteren bij den optocht zag de

groote Romein, aan de zijde der koningin, ten minste even dikwijls naar

haar als naar Kleopatra zelve. Als gij er toen ook bij waart geweest,

zou hij in het geheel geen oog meer voor de vorstin hebben gehad,

want gij ziet er, ge moogt het wel weten, allerliefst uit. Niet waar,

zulk een woordje is menigeen nog welkomer dan brood. Overigens bezit

gij een spiegel; kijk daarin, als ge honger hebt."

De sloffende tred van het oudje stierf langzaam weg, doch het meisje

greep naar de gouden kruik, zette de deur op een kier, zoodat het

daglicht op de blanke oppervlakte kon vallen, en spiegelde zich

daarin. Maar door de ronding van het kostbaar vaatwerk werden de

trekken van haar gelaat verwrongen, en opgeruimd blies zij met haar

spits mondje over het wanstaltige beeld voor hare oogen, zoodat het

door den vochtigen adem geheel beneveld werd. Vervolgens zette zij

de kruik lachend op den grond, naderde de kist, haalde daaruit een

kleinen metalen spiegel te voorschijn, bekeek zich daarin goed een en

andermaal, schikte haar glanzende haren nu eens zus, dan eens zoo,

en wilde het voorwerp juist uit de hand leggen, toen zij opeens

aan het ruikertje van violen dacht, dat zij reeds bij het ontwaken

had opgemerkt, en dat door hare zuster gisteren met de steeltjes in

een schaaltje vol water moest zijn gelegd. Zonder dralen nam zij de

zacht geurende bloemen, droogde de groene stengels met haar kleed af,

hield den spiegel nog eens omhoog, en stak de violen in het haar.

Hoe helder fonkelden thans weder hare oogen, hoe blijde greep zij

naar het brood! En welke heerlijke tooneelen deden zich op voor hare

verbeelding, terwijl zij het eene stukje na het andere afbrak, het

even doopte in de frissche olijvenolie en snel opat. Eens, op het

nieuwjaarsfeest, had zij een blik geworpen in de koninklijke tent,

en dáar mannen en vrouwen gezien, die bij het feestmaal op purperen

kussens lagen. Zij droomde nu, dat zij aan die tafel vol kostbaar

vaatwerk had plaats genomen; zij liet zich in den geest door met

kransen getooide knapen bedienen, luisterde naar de liederen van fluit-

en harpspelers en--och, zij was nog half een kind, en daarbij zoo

hongerig als men in die jaren is--nam voor zich in de verbeelding

de sappigste en zoetste lekkernijen uit schotels van louter goud,

en at zich zat, zoo recht van harte zat, tot het laatste stukje brood

en de laatste druppels olie verdwenen waren.

Zoodra hare hand op het ledige bord niets meer vond, verdween

opeens het droomgezicht. Verrast en met schrik keek zij in het

droge olieschaaltje en naar de plaats, waar nog zoo even het brood

had gelegen.

"Ach," zuchtte zij diep, keerde het bord nog eens om, als ware het

mogelijk op de achterzijde een nieuw brood en nieuwe olie te vinden,

schudde teleurgesteld haar hoofd en zag nadenkend voor zich. Dit

duurde echter maar weinige oogenblikken, want de deur van het vertrek

werd geopend, en eene slanke gestalte trad binnen. Het was hare zuster

Klea, wier karig maal zij al droomend had verteerd, terwijl deze voor

haar gedurende den halven nacht had genaaid en vóor zonsopgang was

uitgegaan, om uit de zonnebron voor het morgenoffer water te dragen

naar het altaar van Serapis.

Zij die te huis kwam groette de andere met een zwijgend maar

vriendelijk knikje. Zij scheen te vermoeid te zijn om te spreken,

droogde de zweetdruppels van haar voorhoofd af met den sluier, die

het achterhoofd bedekte, en zette zich neder op het deksel van de kist.

Irene staarde terstond weer op het ledige bord en overlegde bij

zichzelve, of zij hare schuld zou bekennen en hare vermoeide zuster

om vergeving bidden, dan of zij de berisping, die zij verdiend had,

door eene aardigheid zou afwenden, gelijk haar dit dikwijls was

gelukt. Het laatste scheen haar gemakkelijker, en daarom verkoos zij

dezen weg in te slaan. Haastig, maar niet zonder eenigen schroom,

trad zij op hare zuster toe en zeide met komischen ernst:

"Zie eens goed uit uwe oogen, Klea, bemerkt ge niets aan mij? Mij

dunkt, ik moet er uitzien als een krokodil, die een geheel nijlpaard

heeft verslonden, of als de heilige slang, wanneer zij een konijntje

heeft opgeslokt. Begrijpt eens, terwijl ik mijn brood at, kwam mij

onvoorziens ook het uwe tusschen de tanden; nu wil ik echter...."

Zij die aldus werd aangesproken wierp een blik op het ledige bord,

en viel hare zuster in de rede met op zachten toon uit te roepen:

"Ik was zoo hongerig!"

Er lag geen verwijt in deze woorden, maar zij getuigden van groote

uitputting. Toen nu de jeugdige misdadigster haar oog op hare

teruggekeerde zuster richtte, en zag hoe zij daar zat, afgemat en ineen

gezonken, het ongelijk haar aangedaan dragende zonder een enkel woord

van berisping, werd haar licht beweeglijk gemoed met medelijden en

droefheid vervuld. In tranen uitbarstende, wierp zij zich voor hare

zuster neder, omvatte hare knieën en riep uit, terwijl hare woorden

telkens door snikken werden afgebroken:

"Ach Klea, arme Klea, welk een leed heb ik u weder aangedaan! Geloof

mij, ik wilde u niet krenken. Ik weet eigenlijk zelve niet hoe

het gekomen is. Doch datgene waartoe eene macht daar binnen mij

aandrijft, schijn ik niet te kunnen laten, en ik weet altijd eerst

als het gebeurd is, of ik kwaad of goed heb gedaan. Gij hebt voor

mij gewerkt en u zelve afgetobd, en ik, slecht meisje, moet u zulks

op deze wijze vergelden! Maar gij zult geen honger lijden, dat zult

gij niet, neen, dat zult gij niet!"

"Spreek er maar niet meer over," zeide de andere, terwijl zij hare

zuster vol liefde over het bruine haar streek. Daarbij stuitte

echter hare hand op de viooltjes in de glanzige lokken. Hare lippen

beefden en er kwam leven in hare kwijnende oogen, toen zij de bloemen

bespeurde, en naar het ledige schaaltje greep, waarin zij ze gisteren

zoo zorgvuldig had neergelegd.

Irene bemerkte terstond hoe de gelaatstrekken van hare zuster

veranderden, en daar zij geloofde dat deze alleen verrast was over

haar aardig hoofdtooisel, vroeg zij op vroolijken toon: "Zie ik er

naar uw zin uit met deze bloemen?"

Klea had de hand reeds uitgestrekt, om de viooltjes te nemen uit de

bruine lokken van hare zuster, die nog altijd aan hare voeten geknield

lag. Doch na deze vraag liet zij den arm zinken en zeide luider en

beslister dan zoo even, met eene voor een meisje buitengewoon diepe,

ja bijna mannelijke, maar toch welluidende stem:

"Dit ruikertje hoort mij toe, maar gij kunt het behouden tot den

middag, als het verwelkt zal zijn; geef het mij dan weder."

"Behoort het u toe?" herhaalde de andere, en hief hare groote oogen

verwonderd op naar hare zuster, wier eigendom tot op deze ure ook

het hare was geweest. "Maar ik mocht immers altijd de bloemen nemen,

die gij medebracht; wat bijzonders is er dan aan deze?"

"Het zijn slechts viooltjes, gelijk alle andere," antwoordde Klea,

terwijl een donkere blos haar gelaat overtoog, "maar de koningin

heeft ze gedragen."

"De koningin!" riep hare zuster, sprong van den grond op en klapte

vol verbazing in de handen. "Gaf zij u bloemen? En dat vertelt gij

mij nu eerst? Inderdaad, gij hebt gisteren, toen gij van den optocht

terugkwaamt, alleen naar mijn voet gevraagd en of mijne kleederen wel

heel waren, doch verder hebt gij geen syllabe met mij gesproken. Hebt

gij den ruiker van Kleopatra zelve gekregen?"

"Hoe kunt ge dat denken!" gaf Klea ten antwoord. "Een van die haar

vergezelden wierp mij de bloemen toe. Doch zwijgen wij hierover! Wees

zoo goed mij de kruik eens aan te geven; mijne mond is droog en ik

kan van dorst bijna niet spreken."

Terwijl zij dit zeide, steeg het bloed haar weder naar het hoofd en

kleurden hare wangen, maar Irene merkte het niet op. Blijde dat zij

haar onrecht door een dienst weder goed kon maken, was zij naar de

waterkruik gesneld, en terwijl Klea haar houten bekertje vulde en

ledigde, zeide zij, terwijl zij haar kleine voetje sierlijk omhoog

hief en het der drinkende toonde:

"Zie maar, de schram is geheel genezen, en mijn voet kan de sandalen

weder velen. Thans ga ik ze aanbinden, om Serapion brood voor u

te vragen. Misschien geeft hij ons een paar dadels daarbij. Toe,

maak den riem hier aan mijn enkel wat losser, mijn vel is zoo dun en

gevoelig; mij doet reeds pijn wat gij nauwelijks bemerkt. Zie eens,

hoe ik mij nu met vasten tred bewegen kan. Tegen den middag ga ik weder

met u mede om de kruik voor het altaar te vullen; later kan ik u ook

vergezellen bij den optocht, die gisteren werd aangekondigd. Zullen

de koningin en de aanzienlijke vreemdelingen weder getuigen zijn van

de processie? Wat zou dat heerlijk zijn! Kom, nu ga ik, en vóor gij

den laatsten beker hebt gedronken, zult gij het brood hebben. Want

als ik den oude aardig weet te vleien, zegt hij niet 'neen'."

Toen Irene de deur open deed en het volle zonlicht haar bescheen, blonk

haar bruin hoofdhaar in den gouden gloed, en het scheen hare zuster,

die haar naoogde, als vermengde zich de glans, die haar omzweefde,

met de stralen der dagvorstin.

Het laatste wat de achterblijvende zag van haar die naar buiten ging,

was het bundeltje violen. Zij was nu alleen, en het hoofd zachtkens

schuddende, prevelde zij in zichzelve: "Ik geef haar alles, en zij

ontneemt mij het eenige wat ik nog overheb. Driemalen heb ik dien

Romein ontmoet, gisteren schonk hij mij de viooltjes, die ik voor

mijzelve bewaren wilde; en thans...."

Zij drukte bij deze woorden den beker, dien zij in de hand hield,

vaster aan de lippen, die zich pijnlijk samentrokken. Doch dit duurde

slechts een oogenblik, daarna richtte zij zich hoog op en zeide op

vasten toon: "Zóó moet het ook zijn!"

Thans zweeg zij, zette den beker naast zich op de kist, streek met

de achterzijde van hare hand over het voorhoofd, alsof dit haar pijn

deed, keek mijmerend in haren schoot, en weldra zonk het hoofd der

vermoeide op zijde en was zij ingesluimerd.

Klea en Irene: roman · 第 2 / 28 题