Nog steeds wordt Amsterdam bij den vreemdeling aangemerkt als
vertegenwoordigende het land, waarvan het de Hoofdstad heet; minder
echter om die reden, dan wel uithoofde der herinneringen, die zich
aan de stad verbinden, als voortdurend de voorgangster en leidsvrouw,
niet zelden de gebiedster der voormalige Republiek. Datzelfde type,
't welk Amsterdam als zoodanig biedt op uitgebreide schaal, biedt
ons, meer dan eenig ander gebouw, binnen zijn muren, de Nieuwekerk
op een verkleinde schaal aan. Worden in de hoofdkerken van andere
Rijken veelal de herinneringen bewaard van Vorsten, die er gezalfd
werden, of wier gebeente er onder marmeren gedenksteenen rust, wekt
haar beschouwing bij den bezoeker de gedachte op aan monarchieën,
die te niet zijn gegaan, aan koninklijken luister en bisschoppelijke
praal, bij hem, die de Nieuwekerk te Amsterdam binnentreedt, rijzen,
't zij hij hare stichting en lotgevallen overdenke, 't zij hij de
oogen om zich heen sla, geene andere denkbeelden voor den geest, dan
die in verband staan met de ontwikkeling van vrije en krachtvolle
burgers. Hoeverre die kerk dan ook in de oogen van oppervlakkige
of onkundige toeschouwers schijne achter te staan in belangrijkheid
bij gebouwen als de Abdijen van Westminster en St.-Denis, zij mag,
vooral wie zich door uiterlijke pracht noch hoogklinkende namen
laat bedwelmen, een gelijken rang innemen met beide; immers zij ook
bewaart de overleveringen van vroegere grootheid en macht; en rusten
onder haar zerken geen Koningen of Vorsten, zij bevat het stoffelijk
overschot van hen, die Koningen en Vorsten ontzag inboezemden; zij
is het Westminster en St.-Denis van den Derden Stand.
Verlangt men bewijzen dat ik hier niet overdrijf, dat geene dwaze
ingenomenheid met een der weinige praalgestichten, die Amsterdam
nog aanbiedt, mij doet spreken, ik hoop mijne gezegden te handhaven
en aan te toonen dat het geene ijdele machtspreuk was, die ik mij
heb veroorloofd.
Beschouwen wij daarom in de eerste plaats de stichting der Kerk,
eene stichting, die reeds als eene profetie kan aangemerkt worden
van hare latere bestemming.
Het was in den aanvang der 15de eeuw: nog in die dagen, toen de
geschiedenis der volkeren niet veel meer scheen te zijn dan de
geschiedenis hunner regeerders en de krijg niet gevoerd, noch de
vrede gesloten werd om de belangen eener natie maar om die van den
Souverein of van het regeerende stamhuis te dienen. Men had toch in
de Nederlanden, bij de uitbreiding van handel en nijverheid, reeds
sedert meer dan een eeuw de stem der burgerijen, en reeds dikwijls
luid en krachtig doen hooren en ook in Holland was de invloed der
groote steden begonnen tegen dien van den adel op te wegen. De Vorsten
hadden leeren inzien hoe hun waar belang het medebracht om zich van
de toegenegenheid der poorters te verzekeren en de jammerlijke moord
door verbitterde edellieden aan Floris V gepleegd, had zijne nazaten
op den gravenzetel niet afgeschrikt om zijn voorbeeld te volgen. Het
bloed der martelaren is altijd vruchtbaar.
Met dat al, indien de Graven van Holland, die voor Willem VI kwamen,
het niet beneden zich geacht mogen hebben, nu en dan bij iemand
van onedele geboorte te rade te gaan, niet één hunner had het
nog gewaagd, een zoodanige te bekleeden met een dier eerambten of
hooge staatsbedieningen, die bij uitsluiting voor den adel schenen
weggelegd. Groot was derhalve de verbazing, de verontwaardiging,
de verbolgenheid der Hollandsche Edelen, toen in 1410 de Gentenaar
Willem Eggert, die zich te Amsterdam had nedergezet en er handel
dreef, door den genoemden Vorst tot Trezorier van de Grafelijkheid
werd benoemd. Wel had de Amsterdamsche koopman, zoogoed als zij,
mannen van wapenen uitgerust om den Graaf in den Arkelschen krijg
te dienen: wel had hij bovendien door aanzienlijke voorschotten in
geld, den Graaf in de mogelijkheid gesteld dien krijg te voeren,
maar die gedachte zelve, dat een eenvoudige poorter meer doen kon
en ook meer deed dan zij, moest reeds strekken om hen tegen Eggert
te verbitteren, en de overweging dat iemand, die aan finantiëele
kennis een helder doorzicht in zaken en een onkreukbare eerlijkheid
paarde, beter dan een van hen geschikt was om de orde in de verwarde
geldmiddelen te herstellen, gold weinig bij lieden, die tot dien tijd
juist die betrekking van Trezorier hadden aangemerkt als een middel
om hem, die haar bekleedde,--en niet het Land--te verrijken. De gift,
van de Ambachtsheerlijkheid van Purmer en Purmerend, waardoor de
Trezorier het recht kreeg een adellijken titel te voeren, was niet
geschikt om de afgunst van 's Graven evenknieën te verminderen: ja
er was, om de uitbarsting van hun wrevel tegen Eggert te voorkomen,
eene uitdrukkelijke verklaring van Willems zijde noodig, "dat hij
't op hen verhalen zou, indien zijn vriend een tegel van het dak op
't hoofd viel."
Maar zoo Willem Eggert, 't zij als gedeeltelijke en billijke voldoening
zijner schuldvordering, 't zij om zijn doorluchtigen beschermer
niet voor 't hoofd te stooten, de giften, hem gedaan, in dank had
aangenomen, niet voor zich zelven alleen had hij partij getrokken
van 's Graven dankbaarheid; 't was voornamelijk Amsterdam, dat er de
vruchten van genieten moest. Verknocht aan de stad, waarin hij gastvrij
ontvangen was, en zijne rijkdommen verworven had, was het voor haar
meer dan voor zichzelven dat hij de goede gezindheid zijns meesters
inriep, en werkelijk gelukte het hem zulke treffelijke privileges voor
haar te verwerven, dat naar de uitdrukking eens kroniekschrijvers nooit
eenig burger dezer stad "profytelijcker ofte aengenaemer" is geweest
dan hij.--Doch dit was hem niet genoeg. Oordeelende dat zijne kinderen
na zijn dood genoeg zouden vinden om onbekrompen te leven, besloot
hij, al wat zijn ambt hem bezorgde, en een aanzienlijk deel zijner
overwinsten uit den handel bovendien, te besteden aan eene stichting,
waar Amsterdam, bij den toenemenden aanwas van bevolking, behoefte
aan begon te gevoelen. Hij liet ten dien einde een boomgaard rooien,
die niet verre van zijne woning te Amsterdam, aan den Nieuwendijk
gelegen was en op dien grond was het dat in 1414 met den opbouw eener
kerk aangevangen en 't werk met krachtigen spoed werd doorgezet. Drie
jaren verliepen er en nu barstte boven 't hoofd van Willem Eggert het
onweer los, dat zoolang had gedreigd. Op 31 Mei 1417 overleed zijn
Vorstelijke beschermheer en nauwelijks had deze de oogen gesloten of
de lang bedwongen gramschap gaf zich lucht, en uit alle adellijke
sloten stroomden ontzeg- en uitdaagbrieven den Heer van Purmerende
tegen. Bij de smart over het verlies van zijn weldoener paarde zich
nu in Eggerts hart de angst, dat hij nergens meer veilig wezen zou
en reeds op 15 Juli 1417 bezweek hij onder 't gewicht dier dubbele
gemoedsaandoeningen. Maar vóór zijn dood had hij voor 't minst zijn
stichting voltrokken gezien, en was hij op het Purmerslot gestorven,
het was in zijn geliefd Amsterdam, binnen de gewijde muren van de Kerk,
door hem gebouwd, dat hij zich een graf bereid had. Nog rust daar
zijn gebeente, ter zijde van het koor, waar zijn grafschrift luidt:
"Anno MCCCC ende XVII den XV dagh in Julio sterft den eerbaeren
Heer Willem Eggaert, fundateur van dese Kapelle, gedoyteert met twee
Vicariën, medefondateur van dese Kerck, die begraven is onder deze
blauwe serck."
Zoo had dan de Nieuwekerk het aanzijn te danken aan den vromen zoon
des volks, die niet alleen als koopman, den bloei der jeugdige stad tot
eene vroeger ongekende hoogte had gebracht, maar die ook, als bekwaam
en eerlijk raadsman zijns Vorsten, den deerlijk vervallen toestand der
schatkist had weten te verbeteren, daarbij de eerste der handelaren,
die in Holland heerlijke rechten bekwam en uitoefende. Met hem mag men
alzoo die lange reeks doen beginnen van regenten uit den handelsstand,
die, twee eeuwen na hem, zich koningen gelijk stelden.
En wie waren 't die, toen Eggerts ontijdige dood belette dat de
Nieuwekerk zoo treffelijk volbouwd en voltooid werd als in het
oorspronkelijke plan des Stichters gelegen was, wie waren het, die
verder tot haar opluistering bijdroegen? 't Waren, behalve de gilden,
die er de koren en altaren stichtten, naar hen genoemd--meest poorters
en poorteressen als Eggert, begeerig als hij, om aan den openbaren
Godsdienst een voornaam deel te wijden van hetgeen handel en nijverheid
hun hadden doen verkrijgen. 't Waren, om hen 't eerst te noemen,
zijn zoon Jan, die reeds in 1418 twee eeuwige kapellerijen, en zijn
nazaat Willem, die in 1509 twee vicariaten in Willem Eggerts kapelle
stichtte; 't waren ten tijde van de eerste vestiging der Kerk, de
kooplieden Jan Dirksz. Sill Jacob Meeuwszoon en Jacob Aemsz. Verburg,
't waren zoo ter dier gelegenheid als bij twee latere, leden uit het
burgemeesterlijke geslacht van Loen en uit dat van Boel, welks bloed
door de aderen van al de toekomstige Amsterdamsche Patriciërs stroomen
zou; 't waren in de 15de de regeeringsleden Bartel Doos Dirksz., Jan De
Waal, Jacob Van Berck of Berge, Meeuw Gerbrantsz. en Arent Barendsz.,
en de Apotheker Huygen Jansz. en Geert Jacob Bickersdochter zijn
huisvrouw; de Priesters Willem Bruynincx en Pieter Bije Jacobsz. en
Katharina Bicker, Weduwe Meeuw Gerbrantsz; in de 16de de Priesters
Willem Cloes en Vechter Dirksz., de Weduwe van Jan Duijn, Anna
Bruning, Niclaes Steyn Niclaesz., man en voogd van Wendelmoet,
dochter van Heijman Van IJlp; 't waren op min bekende tijdstippen
Gerijt Paeuw, Grebber Dircksz., Albert Gerritsz., Jacob Florisz.,
Steven Reijersz. en zoovele anderen meer; maar onder al die namen,
min of meer bekend, ja, waarvan sommigen later beroemd werden, geen,
die niet aan nederige poorters of ingezetenen behoorde--geen enkele
naam van eenig, 't zij wereldlijk, 't zij kerkelijk Vorst of Heer--wat
zelfs te Amsterdam met opzicht tot een paar andere kerken het geval
is--verbindt zich aan de stichting of voltooiing der Nieuwekerk, maar,
even gelijk de Burgerstand, aan wien zij haar opkomst te danken had,
den Adel boven 't hoofd wies, evenzoo verhief zich haar roem boven dien
van menige andere kerk, die op aanzienlijker stichters bogen mocht.
En thans, de nederige zerk van Willem Eggert, bij welke wij de
geschiedenis der stichting herdacht hebben, verlatende en meteen
die kapellen om het hoofdkoor, sedert bijna drie eeuwen aan haar
oorspronkelijke bestemming onttrokken, willen wij verder de Kerk
intreden en, ons midden in het kruis stellende, ons oog in 't rond
laten weiden.
Gewis, al moge de oorspronkelijke vorm bewaard zijn gebleven, geheel
anders doet ook hier het gebouw zich aan ons voor, dan toen het voor
't eerst aan den dienst van God geheiligd werd. Niet alleen had, reeds
vier jaren na Eggerts dood, een hevige brand het gebouw aangetast,
waaruit het met herboren glans te voorschijn kwam, maar ook herkennen
wij niets meer van de innerlijke pracht, die het in de 16de eeuw
nog vertoonde. Toen bevatte de kerk, behalve vier en dertig keurig
gebeeldhouwde altaren, de kostbaarste kerksieraden: een verguld kruis,
dat 26 mark zilver woog, een verguld zilveren sacramentshuis van 38 en
een zilveren Lieve Vrouwenbeeld van 32 mark. Toen stonden in 't midden
der kerk en in 't midden van het hoofdkoor de prachtige beelden van de
beide Patronessen, aan wie de kerk was toegewijd, Maria en Katharina:
toen versierden standbeelden de pilaren en schilderijen de muren. Dat
alles had op den 2den September 1578 een doldriftige hoop ijveraars,
die met geweld de kerk waren binnengedrongen, vernield en vergruisd,
verscheurd en aan flarden gereten. Doch volvoerde de moedwil
hier, wat in de Oudekerk, op last der Regeering--doch ordelijk en
bedaard--bereids geschied was, een noodlottig toeval deed, ruim vijf en
zestig later, gewichtiger schade. Op den 11den Januari 1645 op vollen
middag, begingen loodgieters, die in de goot gearbeid hadden, en aan
't schaften waren gegaan, eene dier onvoorzichtigheden, die telkens
bezuurd en betreurd, telkens weder plaats hebben; het achterlaten
namelijk van een pot met vuur voor een open dakvenster. De tocht deed
de vlam opflikkeren, die door een fellen wind aangeblazen, eerst
in 't droge houten dak sloeg, en spoedig zoo geweldig om zich heen
woedde, dat in een halfuur tijds, het geheele gebouw in lichterlaaie
stond. Vergeefsch waren alle pogingen om den brand te stuiten,
vooral aan gebrek aan die middelen tot blussching, welke sedert
werden uitgevonden. Ten drie uren stortten dak, gewelf, torentjes,
orgels en schoorbalken, met wat er aan vast was, van boven in de Kerk,
den kunstig bewerkten predikstoel, de banken en gestoelten en al wat
zich verder daarbinnen bevond, onder hun wicht verpletterende.
In weinige jaren echter werd de Kerk--thans op kosten der stad--weder
opgebouwd. Het was toen een geheel andere tijd als dien wij thans
beleven; men zocht niet, óf hetgeen vervallen was, zoogoed mogelijk op
te lappen, óf bestaande gebouwen zoo goed en zoo kwaad mogelijk in te
richten tot een doel, waartoe een bouwheer ze oorspronkelijk nooit had
denken te bestemmen; men brak af en bouwde op, 't zij het een poort,
een raadhuis of een kerk gold, en wat men bouwde was hecht en stevig en
geschikt den knagenden tand des tijds te wederstaan, en toch, men was
toen nog altijd oorlogvoerende, terwijl men thans de zegeningen des
vredes geniet. Maar toen ook waren de stadsregeeringen onafhankelijk
in hare bewegingen en de grootsche gedachten, die bij haar oprezen,
konden, bij ruim voorziene kassen, ook in haar volledigen omvang worden
verwezenlijkt, daar noch het belemmerend--zij het ook nuttig--toezicht
van hooger gezag, noch de bemoei- en bedilzucht van medebestuurders
de zuivere ontwikkeling van die gedachten onmogelijk maakten.
Niet alleen bouwde men de Kerk weder op met zulk een wakkeren spoed
dat er op den 10den Mei 1648 weder in kon gepredikt worden, maar zelfs
besloot de Vroedschap een hardsteenen toren aan de westzijde op te
richten, hooger en zwaarder als er eene hier te lande gevonden werd,
een toren, die de Nieuwekerk werkelijk tot een Dom- of Hoofdkerk
maken zou. Met het graven der grondslagen werd in Mei 1646 een
aanvang gemaakt, met het leggen van 't roosterwerk en met het heien
der palen in Augustus begonnen en tot in Juni 1647 voortgegaan,
op den zesden van welke maand de laatste der 4593 zware masten in
den grond geslagen werd. Behalve deze waren er nog 1715 stopmasten
gebezigd. Op den 20sten Juli daaraanvolgende werd door Cornelis Backer,
zoon van den burgemeester Willem Backer, de eerste steen van 't gebouw
gelegd, zuidwaarts naar 't Stadhuis toe en daaronder een geschenk
in goud van f 200.--Nog eenige jaren zette men den arbeid voort, en
reeds was de toren op de helft van de hoogte der Kerk opgetrokken,
toen men den arbeid liet staken. De reden daarvan is nimmer aan
den dag gekomen. Aan geld faalde het niet; sommigen beweren dat
de grondslagen te zwak waren, anderen dat, nu men begonnen was het
nieuwe Raadhuis te bouwen, men niet begeerde, dit gebouw, 't welk het
pronkstuk der stad moest worden, door een zoo reusachtigen toren in
zijne onmiddellijke nabijheid te laten overschreeuwen. Zonder ons te
verdiepen in het opsporen van de redenen, die de leden der Vroedschap
geleid kunnen hebben om hun oorspronkelijk plan te verlaten, willen
wij liever aannemen dat een hooger invloed dan waarvan zij zelven
bewust waren, hen er toe geleid heeft af te zien van een voornemen,
waardoor aan de kerk een meer feodaal en middeleeuwsch karakter zou
zijn geschonken en zij niet meer de vertegenwoordigster der vrije
burgerij zou geweest zijn.
Ééne zaak echter had met reden stof tot gisping kunnen geven; dat
namelijk de Kerk, bij elken herbouw, haar oude en oorspronkelijke
gedaante behield. Zonderling is het, maar zij, die hier te lande
de leer en den eeredienst hervormd hadden, dachten nimmer aan eene
hervorming der kerkgebouwen. Zij kwamen nimmer tot het besef dat,
waar men den hoogsten prijs stelde op de prediking van het Woord,
dat daar de plaats waar dit geschieden moest, ook zoodanig behoorde te
worden ingericht, dat men er overal goed en gemakkelijk die prediking
kon hooren. Men bleef hechten aan het woord "Kerk": men kon zich de
Kerk niet anders voorstellen dan als een gebouw met een toren, dat
schrikkelijk groot, ruim en tochtig wezen en waar een buitengewone
galm in heerschen moest. Gelukkig in zeker opzicht waren zij, die
niet tot de Gereformeerde of Hervormde kerk behoorden. Aan hen was
het niet vergund kerken te hebben maar alleen bedehuizen; hiervan was
het gevolg dat zij wel genoodzaakt waren, in plaats van getorende,
gewelfde, gemarmerde tempels met koren en zijgangen, waarin niet alleen
overal de koude wind den toehoorders om de ooren woei, maar ook de
overtollige ruimte het aan de meesten onder hen onmogelijk maakte den
spreker te verstaan--zich beknopte en toch ruime, goed verlichte, voor
verwarming geschikte, tegen den tocht beschutte lokalen in te richten.
Met dat al, aan ons, die de Nieuwekerk zijn binnengetreden, terwijl
er geen dienst gedaan wordt en die nu onze oogen om ons heen slaan,
doet zij zich nog altijd plechtig, grootsch en indrukwekkend voor. Wij
blijven eene poos onder dien indruk staan, om langzamerhand aan
de merkwaardigheden, die de Kerk bevat, meer in 't bijzonder onze
aandacht te wijden. En dan vestigen wij van zelf 't eerst onze
opmerkzaamheid op den predikstoel, het werk van Albert Vinkebrinck
en een dier wonderen van snijwerk, waar de 17de eeuw zoo hoogen prijs
op stelde. Onderaan zijn, in vier vakken, voor en ter zijde, de vier
Evangelisten afgebeeld. Nevens die historische staan allegorische
figuren: de Sterkte, 't Geloof, de Liefde, de Hoop, de Gerechtigheid
en de Voorzichtigheid. Hooger vertoonen zich de Zeven werken van
Barmhartigheid, geestig vertoond met kleine aardige beeldjes, in diepe
verschieten geplaatst. De leuning is met wingerdbladen doorwerkt,
waarover een dik en bochtig touw is heengeworpen, op 't bedriegelijkst
uit hout gesneden. Het klankbord boven den stoel is met fraai lofwerk
versierd en draagt een toren met verscheidene omgangen, waarop
kleine beeldjes zich als wandelende vertoonen. Dat alles draagt den
stempel van het tijdvak, waarin het vervaardigd werd; uit het geheele
kunststuk spreekt, wat uit alles sprak, dat in die dagen verricht werd:
vlijt, netheid, zorg en taai geduld. Wel heeft het niets dat het hart
aandoet, niets dat een edele, laat staan een geestverheffende gedachte
inboezemt; men moge 't zelfs poppig heeten--doch 't vertoont in 't
groot, wat de pronkvertrekken en kunstladen der deftige burgers uit
die eeuw in 't klein vertoonden, en daarom is het in harmonie met de
hoofdgedachte, die naar ons gevoel het beschouwen van de Nieuwekerk
moet doen oprijzen. Geen marmeren gestoelte voegt bij den eenvoud
van den Hervormden Godsdienst, maar evenmin zou het voegen in een
kerk, door een koopman gesticht, in een kerk, waar zelfs de banken
der Regenten bijna alleen bezeten werden door de zoodanigen, die aan
handel, nering of ambachten, door hen of door hun voorouders gedreven,
het voorrecht verschuldigd waren, die plaatsen der eere te bekleeden.
Ook die plaatsen der eere, onveranderd gebleven zooals zij
oorspronkelijk waren, spreken van dien tijd, toen Kerk en Staat
nog één waren, toen de Overheidspersoon, niet slechts als Christen,
als lidmaat, maar ook dikwijls vooral als Overheidspersoon ter kerke
verscheen; toen van den hoogen kansel herhaaldelijk vermaningen en
bestraffingen klonken, die niet den broeder, niet den medechristen,
golden, maar den Regent, en toen wederkeerig uit de ronde bank
daartegenover de Regent niet zelden met gefronst gelaat, met toorn in
't oog en een krampachtig bijten op de lippen, zat te luisteren naar
de verwijtingen, aan de Wethouderschap gedaan en hij bij zich zelven
den Leeraar een berisping op Burgemeesterskamer, misschien wel eene
schorsing of uitzetting beloofde, ten einde 't hem af te leeren zich
met de politiek van den dag te bemoeien of althans daaromtrent andere
gedachten te durven hebben dan de "Heeren".--In onze dagen, nu Kerk
en Staat gescheiden zijn, nu de leden der Wethouderschap meermalen
niet tot de vroeger heerschende Kerk behooren, nu de Predikanten
geen staatkunde meer op den kansel brengen, nu, zoo al geen zuiver
plichtsbesef, dan toch stellig geen politiek doel de lieden ter kerke
drijft, nu geen maatschappelijke rang of stand in de bedehuizen meer
in aanmerking komt, zijn de Hooge-, Overheids-, Raden-, Commissaris-,
Krijgsraadsbanken enz. een ongerijmdheid geworden en zoo men ze nog
behoudt, het is alleen om door te werken op de ijdelheid van hen,
wien men er eene zitplaats in verkoopt, de kerkelijke kassen te
stijven. Maar zoo men op vele plaatsen hun oorspronkelijken vorm
aanmerkelijk gewijzigd heeft, in die kerken, waarin men, gelijk hier
in de Nieuwe, ze nog in hunne oude gedaante gelaten heeft, blijven
zij dan ook voor ons een luid sprekende overlevering uit die dagen,
toen de man, die uit het midden van die Burgemeestersbank het ruim
beneden hem beheerschte met zijn blik, de oogen der saamgevloeide
schare vooral niet minder trok dan de man, die tegenover hem het
woord Gods stond te verkondigen.
Wij wenden den blik thans van de banken af, zoowel als van het orgel,
't welk op alle groote orgels gelijkt, en vestigen nu onze aandacht
een wijl op het groote glasraam in 't Noorderkruispand. Daar voor 't
minst komt een geschilderd tafereel op voor, dat ons vorstelijke praal
en pracht herinnert; daar zien wij Graaf Willem den Vierden, de stad
met haar driekruisig wapenschild beschenkende. Maar alleen schijnbaar
is hieruit af te leiden, dat de schilderij den algemeenen indruk,
dien de Kerk op ons maakt, zou bederven. Behalve dat het voorgestelde
feit, historisch onwaar zijnde, alleen een oppervlakkige beschouwing
verdient, die geen blijvenden indruk achterlaat, zoo kan het tafereel,
als allegorie aangemerkt, eer getuigen van een hulde door den Landsheer
gebracht aan de Burgerij, die hier bevoorrecht wordt, dan van een hulde
aan den Vorst, die 't voorrecht schenkt. Eene gelijke gedachte moest
de glasschilderij doen ontstaan, die voorheen boven den ingang van
't Zuiderkruispand prijkte en den Aartshertog Maximiliaan voorstelde,
aan de stad vergunnende boven haar wapen de Roomsch-Koninklijke kroon
te voeren. Wij leeren het uit de woorden van het privilege zelf,
dat de Vorst op 11 Februari 1488 (1489) aan Amsterdam schonk. Zoowel
die schenking als eene andere, vijf dagen vroeger gedaan en waarbij
de rechtsban der Stad werd uitgebreid--geschiedde, "overmits die
menickvoudige getrouwe diensten, die de Coopstede en waer vele en
diversche Coopluijden woonden" den Vorst "gedaen had, in diversche
manieren daghelycx deed" en omdat de Stad nog met geen behoorlijk wapen
"geciert" was, terwijl intusschen haar "Poorteren ende inghesetenen
dagelijck, met haren scepen ende goeden, te water ende te lande,
in vele verre ende vreemde Rijcke ende Landen converserende waren
in Coopmanschappen."--Wie ziet hier niet de majesteit des Vorsten,
die afhaalde, die zich--wil men--vernederde tot de machtige poorters
en koopluiden, wier bijstand hij ondervonden had en nog voortdurend
behoefde. Het was op beide glasramen alzoo de Amsterdamsche handelaar,
die den toeschouwer scheen toe te roepen: "zoover hebben wij 't door
zeevaart en nijverheid gebracht, dat wij de Landsheeren genoodzaakt
hebben onze hulp en ondersteuning door schitterende voorrechten
te koopen."
Maar liever dan naar die glasramen keeren wij ons nu Oostwaarts, naar
het hooge koor. Door het prachtige hek van gegoten koper, dat op eene
marmeren borstwering rust en welks zware lijst met het Stadswapen is
versierd, valt het oog op een aanzienlijk praalgraf, hoedanig weinige
Vorsten, ja Koningen, bezitten, en dat de geheele ruimte beslaat, die
in Roomsche kerkkoren, het outer des kerkheiligen met zijn toebehooren
inneemt. 't Is waar, de man, die hier begraven ligt, was gerechtigd
geweest een Hertogskroon te voeren; 't is waar zijn deugden hadden hem,
indien hij in de eerste Christeneeuwen geleefd had, misschien heilig
doen verklaren--en toch, wie aan Michiel Adriaanszoon De Ruijter
denkt, dien zweeft geen beeld voor den geest, dat óf de gouden kroon
eens Hertogs, óf de stralenkroon eens martelaars draagt; maar veeleer
dat van den wakkeren knaap, den zoon van behoeftige ouders, die, de
lijnbaan verlatende om de baan der eere te betreden, als zeeman alle
rangen doorliep en geen anderen roem kende dan dien van God en de
Heeren Staten te dienen; het beeld van den meest nederige, den meest
eenvoudige, meest burgerlijke onder de groote helden van alle tijden,
en tevens, als toonbeeld van moed, van beleid, van volharding, van
vertrouwen op hoogeren bijstand, mede een type der deugden van de oude
Republiek.--Schonken drie Koningen van Europa hem adellijke wapenen,
ridderlijke eeretitels en een vorstenrang, meer gewicht hechtte hij,
hechtten zijne landgenooten aan het Groot-Poorterschap van Amsterdam,
hem door de Wethouderschap verleend. Men raadplege Brandt, die in dezen
eenvoudig uitdrukte, wat een ieder hier te lande dacht en gevoelde. Dat
De Ruijter Vice-Admiraal, Luitenant-Admiraal, Opper-Admiraal werd,
dat hij brieven van adeldom en een Hertogstitel ontving, dat was
zeker veel; maar het waren verhoogingen, die in den gewonen loop
der dingen elkander wel moesten opvolgen;--doch dat De Ruyter 't
Groot-Burgerschap van Amsterdam bekwam, dat zei in de oogen van zijn
levensbeschrijver vrij wat meer,--want, vervolgt hij na 't vermelden
van het feit--"de Admiraal werd daardoor in staat gestelt dat hij in
tijt en wijle tot de hoogste ampten van stadsregeeringe kon worden
gekozen." Een ampt van Stadtsregeeringe! dat beteekende in de oogen
der Amsterdammers nog heel wat anders dan een Vlootvoogds-staf of een
Hertogskroon! En toch, zooverre mocht De Ruijter het niet brengen,
dat hij ooit in Amsterdam zoodanig ambt, zelfs geen Commissariaat van
Kleine Zaken verwierf! Hij verwierf er meer: Hij verwierf er een graf,
en was het wel niet de Stad, waren het de Staten, die aan De Ruijter
dat marmeren gedenkteeken stichtten, het was toch uit aanmerking
van het Burgerschap, door De Ruijter te Amsterdam bekleed dat Hunne
Edelmogenden besloten het lichaam des Helds aldaar ter aarde te doen
bestellen en niet in Rotterdam, dat op die eere had aanspraak gemaakt.
In dat zelfde koor, waar thans door landgenoot en vreemdeling de
graftombe van De Ruyter met eerbied beschouwd wordt, zien wij ook aan
een der zijwanden een ander gedenkteeken ophangen ter nagedachtenis
van Wolter Jan Baron Bentinck, een der helden van de Doggersbank en
aan de gevolgen eener daar bekomen wond op 24 Augustus 1781 overleden;
ook hij in een strijd, meer bijzonder door 't belang van den handel
uitgelokt en tot bescherming van dat belang gevoerd.
En nabij dat koor, aan de Zuidzijde, vinden wij tusschen twee pilaren,
de grafstede van David Sweers, den wakkeren kapitein ter Zee bij
de Admiraliteit van Amsterdam, te vroeg voor het Vaderland, maar
tijdig reeds voor zijn roem, gesneuveld in dien merkwaardigen slag
voor Solebaai, die op 21 Augustus 1673 tegen de Konings-vloten van
Frankrijk en Engeland geleverd werd; gesneuveld, evenals de beiden
vroeger genoemden, op 't bed van eer in de armen der overwinning.
Wenden wij ons van 't koor Noordwaarts af: schuins achter den
predikstoel zien wij het marmeren praalgraf van den Commandeur Jan Van
Galen, den ontembaren schrik der zeeën, den held, wiens reuzenarm daden
verrichtte, die ons de fabelachtige wapenfeiten der Paladijnen uit
de oude ridderromans in 't geheugen roepen, en wiens kloek beleid als
Scheeps- en Vlootvoogd de zege won, waar zijn vlag zich vertoonde. Ook
hij kocht zijn laatste overwinning met zijn bloed, in den zeeslag
bij Livorno, 14 Maart 1653 gestreden. Maar met zwijgend hoofdschudden
gaan wij de volgende graftombe, die van den Admiraal Van Kinsbergen,
aan de Noordwestzijde der Kerk, voorbij; want geene herinneringen,
die den indruk van 't geheel levendig houden, wekt zij, zooals de
gedenkteekenen, die wij straks bezochten, bij ons op. Immers welken
roem zich Van Kinsbergen op zee verworven, welke achting hij als
mensch, als staatsdienaar, als voorstander van letteren, wetenschappen
en kunsten, moge verdiend hebben, op een praalgraf in de Nieuwekerk
had hij geen recht, want op zijne tombe kan niet, als op elke andere,
hier ter eere eens helds gesticht, het dulce et decorum est pro patria
mori gelezen worden. Alleen aan de dapperen, die in dienst van den
Staat en aan de wonden, in diens dienst ontvangen, het leven verloren,
kende 's Lands Regeering eene graftombe toe onder de gewelven harer
kerken:--en welke aanspraak kon hij, de man, die 't grootste deel
zijns levens in vreemden dienst doorbracht en rustig op zijn bed den
adem uitblies, dan maken op een eer, welke aan geen Meppel, aan geen
Aert Van Nes, aan geen Kornelis Tromp te beurt was moge vallen! Al
mogen wij onderstellen, dat Van Kinsbergen te veel vreemdeling in
de geschiedenis zijns eigen Lands geworden was om zich dat alles te
herinneren, toch mogen wij het voor 's mans eer betreuren, dat hij een
lofwaardige, ja in vele opzichten glansrijke loopbaan besloot met eene
daad van ijdelheid, door zich zelven na zijn dood een gedenkteeken
te doen stichten en dat op eene plaats, waar hij niet behoorde.
Maar--daar tegenover het zijne, aan de Zuidwestzijde, daar willen wij
een poos verwijlen bij het eenvoudiger, maar voor 't minst verdiend
gedenkteeken, aan de nagedachtenis van den Amsterdamschen burgerwees
gewijd en zoo wel passend in de Burger-kerk. Kort was de loopbaan
van Van Speyk en zij werd maar door een buitengewoon feit gekenmerkt
en tevens besloten, maar dat feit had, toen het voorviel, eenen
gewichtigen invloed. Het leerde aan den vreemdeling dat de aloude
heldenaard, dien men in de Hollandsche harten waande uitgedoofd,
zich nog krachtvol openbaren kon, ja, den dood boven de schande deed
verkiezen;--en het deed bij den ontmoedigden landgenoot de hoop en
't vertrouwen herleven. De vlag, die op 5 Februari 1831 ten hemel
vloog, was het voorteeken van de glorie, in de tien Augustusdagen
van dat zelfde jaar verworven.
Van Galen, Sweers, De Ruijter, Bentinck, Van Speyk, 't was in
verschillende tijdperken dat zij den dood trotseerden, maar 't was
voor eene zaak: voor de onafhankelijkheid van den Staat, aan welken zij
trouw gezworen hadden en waarvan de vlag hun ten zinnebeeld verstrekte.
De Zuidzijde langs gegaan, komen wij terug naar de plaats, door
ons verlaten, in het kruis der kerk; wij laten eene bank, hier in de
nabijheid, ter zijde schuiven en vestigen de oogen op de zerk No. 231,
die voor ons ligt; die zerk draagt een versleten, nauwelijks leesbaar
opschrift, dat aldus luidt:
Hic Jacet Vondelus
Phoeboe et musis amicus.
dat is al; 't is of het Kerkbestuur zich geschaamd heeft, dat geen
aanzienlijker gedenkteeken de plaats aanwijst, waar het gebeente van
Neerlands hoofddichter rust en dat het daarom zorg heeft willen dragen,
die zerk aan de oogen der bezoekers te onttrekken. Maar, al hadden wij
ook die zerk niet gezien, en al riep ons van gindsche pilaar, van onder
de lijkbus, door 't Genootschap Diligentia Omnia aldaar geplaatst, de
naam van "Vondel" het ons niet toe, wij wisten het, in de Nieuwekerk
slaapt de onovertrefbare Bard, die haar verwoesting door den brand op
zoo treffende wijze had bezongen. En wie meer dan hij was een graf
waardig in die Kerk, door de Aristocratie van den handel gesticht,
en de Aristocratie, die uit den handel was, vertegenwoordigende? Wie
meer dan hij, de zoon des volks, de eenvoudige winkelier, die zijn
genie bij zijne geboorte ontvangen, maar zijn roem aan nauwgezette
studie, aan onverpoosd streven naar kennis, aan gestadige volharding,
te danken had? De Keulenaar, die tevens, ondanks zijne artistieke,
Zuid-Nederlandsche richting, zijne onderworpenheid aan Rome en zijn
eerbied voor 't goddelijk gezag der Vorsten, toch, steeds Hollander
in 't hart en Amsterdammer bovenal, nimmer zweeg, waar het de eer
van Holland en die van de Stad zijner inwoning gold, toch voor de
Amsterdamsche Patriciërs schier gelijken eerbied koesterde als voor
den Paus, toch zelfs den Koning uit het hem zoo dierbare Huis der
Stuarts, toen die zich aan de Republiek vergreep, den krachtigen
banvloek des Dichters naar 't hoofd durfde slingeren? Ja gewis,
de Kerk, die waardig was het stoffelijk overschot te ontvangen van
Neerlands beroemdsten zeeheld, was het ook om het gebeente te bewaren
van Neerlands beroemdsten dichter. En even als De Ruyter, indien
hier de dooden hunne zerken verlieten, door wakkere zeehelden, zoo
ook zou Vondel zich omringd zien door wakkere letterhelden. Immers
in die Nieuwekerk rusten, verstrooid en verspreid, zoo velen, die
met Vondel sieraden waren onzer letterkunde, de meesten evenwel zijn
vrienden en geestverwanten. Daar
Sluimert Baerle neffens Hooft.
Van Baerle, de geleerde, de smaakvolle Latijnsche en Nederduitsche
Zanger, en daarbij jaren lang Vondels medestrijder tegen de
Contra-Remonstrantsche partij; Hooft, de Tacitus van Nederland,
de beste geschiedschrijver zijner eeuw, de beschaafde, fijne,
vernuftige, schrandere Aristocraat, die in den tijd der hevigste
staatsgeschillen elke klip wist te vermijden en, geheel zijn leven
door, zijn invloed wist te bewaren, zoo bij den Prins, wiens gezag
hij vertegenwoordigde en handhaafde, schoon zijn voorliefde niet
zoo bij de Prinsenpartij was, als bij de Amsterdamsche Magistraten,
schoon hij nimmer onder hun getal werd opgenomen. Nog zoo velen,
vrienden, vereerders en beschermers van Vondel vonden daar in de
Nieuwekerk eene laatste rustplaats, en zoo aan hem, aan die allen
een gedenksteen ware opgericht, die Kerk zou aan Westminster of aan
het Pantheon niets te benijden hebben.
En al die groote mannen, wat waren zij? schier zonder uitzondering
zonen van die eeuw, waarin zich de burgers van 't vrijgevochten
Vaderland, den weg ter eere wisten te banen. Geen vorst noch
koningszoon rust hier; de boekdrukker ligt er naast den geneesheer, de
winkelier naast de Stadsregenten, maar die boekdrukker, die geneesheer,
die winkelier hebben zich een roem verworven, die menigen vorstenroem
verdonkert, en die Regenten zelven, zij mogen met luidklinkende titels
van aangekochte of aangeërfde Heerlijkheden pralen, zich met vreemde
ridderteekens omhangen of zelfs geslachtslijsten ontrollen, om een
ware of vermeende adellijke afkomst te bewijzen, de oorsprong van
hun aanzien en gezag ligt alleen in hun poortrecht, als burgers van
Amsterdam, dat hun de bevoegdheid gegeven heeft om op te treden als
handhavers der vrijheden, als verdedigers der onafhankelijkheid, als
bevorderaars van den bloei en de macht der stad hunner inwoning. Dat
poortrecht, gevoegd bij de schatten, die zij of hunne vaderen in den
handel hebben verworven, bracht hen in de Regeering, die Regeering
weder in 't Staatsbestuur en zoo breidde zich hun invloed al verder
en verder uit om overwegend te gelden in al de deelen der wereld.
Zoo hebben wij onze beschouwing volbracht en zoo wij ons vleien het
bewijs geleverd dat de Nieuwekerk als een type van Amsterdam kan
beschouwd worden.
't Is waar, drie malen heeft de Nieuwekerk eene plechtigheid binnen
hare muren zien vieren, oogenschijnlijk bestemd om een anderen indruk
te verwekken, dan die tot nog toe ontvangen werd.--Drie Koningen
zijn er achtereenvolgens gehuldigd met de praal en den luister,
onafscheidelijk van dergelijke plechtigheid. Dan zag men boven
den opgerichten koningstroon het koningswapen blinken van onder het
fluweelen verhemelte: dan zag men de Vertegenwoordigers der Mogendheden
van Europa, in de luistervolle kleeding, passende aan hun rang,
met breede ordelinten, vlammende sterren en schitterend borduursel
overdekt, vereenigd, om getuigen te zijn hoe nu een nieuwe Regeerder
op zou treden in de Vorstenrij, dan zag men de hooge Staatsambtenaren,
de leden der Wetgevende Vergadering, de Hooge Colleges van Staat, de
Staatslichamen, aan wier zorg de belangen van wetenschap en kunst,
van handel en nijverheid en wat niet al meer, waren opgedragen,
in plechtgewaad opgekomen, dan flonkerde het goud en zilver van
de prachtige monteeringen der krijgsoversten en van de zwierige
pronklivreien der hoogere en lagere hofbeambten; dan werd het oog
verblind bovenal door al dat ruischende satijn, door al die wolken
van gaas en zwanendons, door al die festoenen van kostbaar kant
en gebloemte, die pluimen en zijde, door al die puikgesteenten en
paarlen, waarmede het schoon verhoogd werd dier aanzienlijke vrouwen,
met Neerlands nieuwe Koningin aan 't hoofd alhier verschenen, opdat
aan den luister der plechtigheid niets ontbreken zou; dan kondigde
de stem des Wapenkonings van de trappen des troonzetels den volke
aan dat Nederland een nieuwen Koning had verkregen.
Maar wanneer wij, niet tevreden met de beschouwing van de oppervlakte
der dingen, tot de zaak zelve doordringen, wanneer wij die plechtigheid
op zichzelve nemen, in haar zin en strekking, ontdaan van dien
feestelijken tooi, van al wat bloot uiterlijk vertoon en alleen
bestemd is om de zinnen te bedwelmen, wat is dan die beteekenis,
welke die driewerf herhaalde huldiging met zich bracht? Het gold hier
het sluiten van een verbond tusschen den Koning en de Natie, waar
wederkeerig eeden van trouw werden gegeven en ontvangen, en hier zweeft
ons voor den geest het denkbeeld aan een maatschappelijk verdrag,
aan instellingen, verkregen door de toepassing van die begrippen
van vrijheid, verdraagzaamheid en verlichting, die in Nederland het
eerst gepredikt, voorgestaan, verdedigd en gehandhaafd, allengs ook
elders overgeplant en door tijdsverloop ontwikkeld werden. Inderdaad
heeft alzoo die plechtigheid der huldiging zoomin iets, dat ons de
majesteit van het souverein gezag voor oogen roept, als de straks
besproken schenking van het Stadswapen door Graaf Willem IV, of die
van de koningskroon boven dat wapen door Maximiliaan, integendeel
is zij eene erkentenis, door den Vorst gedaan, dat hij voor en met
de Natie regeeren moet, en niet van zijne geboorte alleen, maar ook
van haar, zijn recht tot het opperbestuur ontleenen wil: eene hulde
dus wederom aan dien geest voor onafhankelijkheid, waarvan Amsterdam
aan de Oude Republiek zoo krachtig het voorbeeld had gegeven.