III.

De herbouwde Schouwburg.

Nauwelijks vijf en twintig jaren zijn verloopen, sedert dat wij ons

bezoek aan den Schouwburg brachten; maar als te Amsterdam een gebouw

25 jaren gestaan heeft, dan heeft men tegenwoordig er al genoeg van,

en dan moet het noodwendig veranderd, verfraaid of, liever nog,

geheel hernieuwd worden: adres aan het Pesthuis, dat pas gezet

was of het werd weder elders opnieuw herbouwd, aan de geheel van

gedaante veranderde Beurs, aan het spiksplinternieuwe Stadhuis, aan

het Zeemagazijn, aan de Heiligewegs- en andere stadspoorten, die,

pas gebouwd, weer gesloopt werden, om door fraaiere vervangen te

worden. Neen! men houdt in Amsterdam niet van lapwerk! bevalt iets

niet, dan moet het weg, om voor wat beters plaats te maken, en ieder

gebouw moet zijn eigen en passend karakter hebben. Zoo behoort het

ook en lang moge het zoo duren!

Evenals met zoovele andere gebouwen is het ook met den Schouwburg

gegaan. Zie, zulk een vast tooneel, dat voldeed op den duur

niet langer; altijd op zoo'n troon te kijken, ook al kwam er in

't stuk geen troon te pas, en dat nog wel sedert dat men in Italië

beweegbare schermen was begonnen te maken en zulks te Parijs en elders

was nagevolgd. 't Is waar, men had zinkluiken, om geesten te doen

opkomen, en eene wolk, met het opschrift: Jupiter omnibus idem, om

goden en engelen te doen nederdalen; maar dan was ook het voornaamste

gezegd. En dan was er, wanneer 't vol liep, gebrek aan zitplaatsen,

terwijl fatsoenlijke lieden er voor bedankten om in 't ruim onder 't

gepeupel te staan. Om aan deze en andere bezwaren te gemoet te komen,

vonden Regenten dan ook maar goed, geen halve maatregelen te nemen:

zij smeten 't gansche gebouw onder den voet en op 24 Maart 1663 lei

Mietje Vos, het dochtertje van den dichter, den eersten steen van de

nieuwe stichting. Niets bleef er bewaard van wat er geweest was, dan

alleen de beelden van Melpomené en Thalia, die naast den troon plachten

te staan en nu den voorgrond van het tooneel versieren. En willen

wij 't nieuwe gebouw, nu 't voltooid is ('t heeft f 36,663 gekost:

't getal des Beestes tusschen twee drietjes, zeiden de vrome lui),

niet weder eens gaan bekijken?--Tot uwen dienst; maar dan wachten

wij, zoo 't u hetzelfde is, liever nog eene goede honderd jaren: ik

breng u dan in de zaal op een merkwaardiger tijdsgewricht en ik geef

u meteen een kort overzicht van wat er intusschen met betrekking tot

den Schouwburg is voorgevallen.

Wij verplaatsen ons alzoo naar het jaar 1772 en wel naar Maandag den

11den Mei van dat jaar. Wederom staan wij op de Keizersgracht voor den

ingang, die zijne gedaante nagenoeg behouden heeft, doch Herakliet

en Demokriet zijn van boven de poort verdwenen en de lantaarns

tegen de zijmuren aangebracht. Ook het kantoortje, waar wij onze

lootjes nemen, bevindt zich nog op de oude plaats. Het voorplein

overgaande, bevinden wij ons, evenals voorheen, voor eene tweede

poort, naar welker bovenlijst de beide zooeven genoemde borstbeelden

in 1668 zijn verhuisd. En nu treden wij nogmaals het portaal binnen

en geven links onze plaatsbewijzen aan 't kantoor af. Helaas! geen

verzen hier meer aan de muren; doch daarentegen, in stede van eene,

drie deuren tegenover ons, die naar de zaal geleiden, en links eene

deur en eene trap. Die trap opgaande, komen wij in de Regentenkamer

boven 't portaal, een fraai en ruim vertrek, nog onlangs, in 1765,

rondom vergroot, met kasten voorzien en prachtig beschotwerk, en

van boven koepelsgewijze bepleisterd. De schoorsteenmantel is geheel

naar den nieuwerwetschen smaak opgebouwd en versierd; maar daarbij

zijn ook alweer de twee regels van Vondel verdwenen, en evenzoo is

't het geval met al het beeldwerk, dat vroeger aanwezig was.

Eer wij de Regentenkamer weer verlaten, een enkel woord over de

veranderingen, die de wijze van bestuur heeft ondergaan. Behalve

de Regenten der godshuizen, die niet altijd komediegangers waren

en zeker niet allen verstand van tooneelzaken hadden, waren er

oorspronkelijk ook letterkundigen (of die er voor doorgingen) als Jan

Vos en dergelijken, door Burgemeesteren tot hoofden van den Schouwburg

aangesteld. Doch juist deze lieden, van wier medewerking men zooveel

goeds hoopte, gaven aan alle zijden stof tot beklag. Vondel moest op

zijn ouden dag ondervinden, dat men zijne treurspelen door tooneelisten

van den tweeden en derden rang en met versleten kleeren spelen liet,

en de ernstige lieden riepen wraak over de goddelooze stukken, die

men vertoonde. Dat de klachten niet ongegrond waren, bleek daaruit,

dat in 1672 de Regeering den Schouwburg deed sluiten, die eerst in

1678 weer geopend werd. Maar ook toen ging het in de eerste jaren met

het bestuur daarvan alles behalve vlot: 't eerste jaar vertrouwde men

het aan zes personen, van stadswege aangesteld; maar toen klaagden

de Regenten der godshuizen, dat zij niets te zeggen hadden, waar

't hunne eigen stichting gold, en men gaf hun deel aan 't bestuur,

ja men droeg hun in 1680 het geheele bewind over de ontvangsten en

uitgaven op, waardoor nu op hunne beurt de andere hoofden ontevreden

waren en hun afscheid namen. Maar 't zij dat die van de godshuizen,

nu zij alleen weer meester zijnde, begonnen in te zien, dat zij voor

hunne taak min geschikt waren: of dat die hun te lastig viel, 't zij,

dat zij eene zekere boven eene onzekere rente verkozen, zij verhuurden

in 1681 den Schouwburg voor f 20,000 in 't jaar. De huurders maakten

er echter geene rekening bij; in 1687 verzochten zij vermindering

van den huurprijs tot op f 17,000 en in 't volgende jaar finaal

ontslag. Zoo namen de Regenten der beide godshuizen het bewind weer

tot zich, doch kregen een paar bezoldigde assistenten of directeurs

onder zich, om hun behulpzaam te zijn in het aannemen van stukken en

in de huishoudelijke beschikkingen, en zoo is de toestand nog.

Dat er keuren betreffende den Schouwburg gemaakt zijn, behoef

ik u niet te zeggen: niet alleen ten opzichte der levenmakers en

rustverstoorders, die, als zij 't te grof maken, achteraf gebracht

worden; niet alleen ten opzichte van de acteurs en actrices, die,

als zij hunne verbintenissen niet nakomen, met boete, onthouding

van gage, en, als zij den eerbied te buiten gaan, aan 't publiek

verschuldigd, met een verblijf van soms 24 uren in de kortegaard

gestraft kunnen worden; maar ook ten opzichte der poëten, aan wie het

volstrekt verboden is, ten nadeele van den Schouwburg samen te spannen

(!) Maar bedenk ook, welke voorrechten die heeren genieten. Wanneer

Regenten iemand als Poëet erkennen, dan heeft hij voor een jaar en

zes weken vrijen toegang tot den Schouwburg; en bovendien, als er een

stuk van hem gegeven wordt, krijgt hij, wanneer 't een voorspel in

vijf bedrijven is, zes lootjes, en is 't een nastuk of kluchtspel,

drie. Voorts geschiedt hem nog de eer, dat zijn stuk buiten zijne

kosten gedrukt, maar dan ook uitsluitend en onaantastbaar eigendom

van den geprivilegiëerden schouwburgdrukker wordt. Men ziet, het is

aanlokkelijk genoeg, poëet van den Schouwburg te zijn.

Maar dit tot daaraan toe: wij gaan de trap weder af, en de deur links

binnentredende, nemen wij een kijkje in de woning des kasteleins. Hij,

die thans met deze betrekking begunstigd is, waaraan, behalve

vrije woning, vuur en licht en eenige percenten op 't bespreken der

plaatsen verknocht zijn, is niemand anders dan de beroemde acteur en

plaatsnijder Jan Punt. Kijk! daar hangt zijn portret, in 't karakter

van Achilles, met Griekschen helm en gepoederde pruik, schild en

witte das, rijk versierde tuniek, in den vorm van een hoepelrok en

kanten lubben, sandalen en cabretten handschoenen--keurig uitgevoerd,

niet waar? en daartegenover hangt zijn jong en aardig vrouwtje,

Cornelia Fokke, die de première amoureuse speelt, in 't karakter van

Zaïre, met een tulband en eene stijve panier. Nog andere platen en

vooral vignetten zien wij hier, door de bekwame graveernaald van

Punt vervaardigd, en nog vrij wat meer zou hij u kunnen toonen,

als hij zijne kunstboeken voor u ontsloot. Ook heeft hij bij de

schilderloods, die achter het tooneel aan de noordzijde gebouwd is,

eene rijke verzameling teekeningen en schilderijen. Doch de tijd van de

vertooning begint te naderen en wij willen dan ook maar binnengaan. Van

de drie deuren in 't portaal brengt die aan 't noorden naar de loges

(zooals men tegenwoordig noemt wat men vroeger "kamertjes" of "huisjes"

heette) en de middeldeur naar den bak. Zij, die op de gaanderij of

op de staanplaats moeten wezen, gaan de deur ten zuiden in, doch

als de voorstelling is afgeloopen, verlaten zij den Schouwburg langs

eene trap, die naar een keldergang en zoo in een zijgang voert, welke

laatste op de Prinsegracht uitloopt, wat het gedrang en tevens de vrees

voor zakkenrollers, heel wat vermindert. Dat alles is in 't vorige

jaar zoo geschikt, nadat de zaal vrij wat vertimmering had ondergaan.

Wat ons betreft, wij zullen de deur ingaan, die naar den bak geleidt:

wij hebben daar het beste overzicht van 't geheel.

Zooals gij ziet, er zijn twee rijen, en achter de bovenste eene

gaanderij, waarvan de zitbanken tot aan de zoldering oploopen. In

plaats van het "ruim," waar men vroeger staan moest, hebben wij nu den

"bak," met een aantal ruime zitplaatsen, en de staanplaats is naar

achteren gebracht, tegenover het tooneel en diep onder de loges,

zoodat, al maakt men er wat rumoer, het geluid gedempt wordt en

voor de rest van 't publiek niet hinderlijk is. Heden avond zal

't ons echter in geen geval storen; 't is eene voorstelling met

verhoogde prijzen en de staanplaats wordt niet gebruikt. Het orkest,

dat vroeger ter zijde van het tooneel was, is nu daarvoor gebracht,

en, terwijl het tot voor een paar jaren slechts het middelste gedeelte

daarvan besloeg, beslaat het thans de geheele breedte. En let eens op

die fraaie beelden van Melpomené en Thalia tusschen de Korintische

kolommen van 't portiek, van achteren met pilasters gedekt, en op

de goede uitwerking, die de als wit marmer geschilderde ornamenten

doen tegen den roodgevlekten grond. Gij ziet, dat het gordijn nog

de vereeniging van de Academie met de Oude Kamer herinnert, als

vertoonende den Bijenkorf, omvlochten met den bloeienden egelantier,

daarboven het woord yver, daaronder de regels van Vondel:

De Byen storten hier het eêlste datze lezen,

Om d' ouden stok te voên en d' ouderlooze weezen.

En mij dunkt, op de verlichting valt ook niet aan te merken: vijf

kroonen, die van den boog hangen, ieder met twaalf kaarsen: twaalf

luchters, ieder met drie kaarsen, langs de bovenste loges, en even

zoovele lantarens langs de zijmuren van den bak, om nog niet eens

van het voetlicht te spreken: ik verzeker u, dat kaarsesnuiter en

lampeknecht hunne handen vol hebben.

Maar zie! er begint al vrijwat volks te komen, en uitgelezen gezelschap

daarbij. In de loges, in den bak, tot zelfs op de 12stuiversplaats de

elegantste damestoiletten: altemaal nieuwe voorjaarsmodes en juweelen

bij de vleet. Geen wonder: het Vlaamsche Operagezelschap van Neyts,

dat met verlof van Regenten gedurende den zomer zijne gaven hier

ten toon zal spreiden, geeft heden avond zijne tweede voorstelling,

en zoo het groote ergernis geeft aan de gestrenge voorstanders van

het nationaal tooneel, het lokt den beau monde hierheen.

't Mag nog al toevallig heeten, dat wij hier weder onder de

toeschouwers lieden van denzelfden naam en hetzelfde geslacht

aantreffen als die wij bij de voorstelling van "de Gebroeders"

opmerkten. Die jongeling met zijn bruinen rok, in gindsche loge,

is Joan De Wolff, en heeft, evenals zijn voorzaat, een Joost tot

zwager, wel geen Joost Van Vondel, maar een Joost Van Eik, van de

Heerengracht over de Driekoningenstraat, die met zijne vrouw en drie

kinderen nevens hem zit. Die dikke man vlak boven hen op de gaanderij

is Bram De Haes, kantoorbediende bij Colonius en achterkleinzoon van

den dokter in de Wijk. Vlak bij u in een bak zit Koo Van Lennep,

ook al een afstammeling van die Sara, die gij in 1639 zaagt, en,

nevens hem, Cornelia Bierens, zijne echtgenoote, met hun' zoon en

dochter. Om u nog eenigen der aanwezigen te noemen: die heer, die

daar een bank verder zit, is Govert Lubs, die rijk uitgedoste dames

zijne vrouw en dochter en die jongeling zijn zoon: die vrouw met dat

prachtige garnituur is Mevrouw Teixeira De Mattos, eene vermogende

Portugeesche jodin, en om hare weldadigheid bekend: die heer met zijn

gouden knop aan zijnen rotting is de rijke Waalsche koopman Louis

André, van over de Gouden Ketting; die vrouw in het parelgrijs, de

weduwe Van Oostveen, van de Leliegracht, met hare zoons; die.... doch

genoeg!.... de orkestmeester heeft zijne plaats ingenomen en het

voorstuk, "de kwalijk bewaarde dochter," gaat beginnen.

De opera-buffa is afgespeeld. Het spijt mij, dat u hedenavond de

middelmatige zang en het Vlaamsch accent dier operisten niet bevalt;

zeker hadt gij er meer belang in gesteld, Jan Punt te hooren en den

zeventigjarigen, maar nog altijd voortreffelijken Isaak Duim, en de

uitmuntende tragédienne Cornelia Bouhon, of een blijspel te zien,

waarin Nicolaes Evers in de karakterrollen, Pieter Zuyderhout als

Frontin en Maria De Bruyn als soubrette uitmunt; maar dat kan nu niet,

en ik heb bovendien mijne reden, waarom ik juist den avond van heden

heb uitgekozen, om u hier te brengen.

Ziezoo! de twee eerste bedrijven van Sedaines bevallige opera "de

Deserteur" zijn afgespeeld. Ik hoop, dat gij op de fraaie decoratiën

gelet hebt, waar onze verdienstelijkste schilders aan gearbeid

hebben. Wij hebben nu in het derde bedrijf weer, om te beginnen,

de gevangenis, en dewijl het tooneel donker moet zijn, heeft men de

schuiven voor de smeerkokers tusschen de schermen laten vallen. Ik

hoor reeds menschen klagen, dat die Vlaamsche troep, uit zuinigheid,

een slechter smeersoort gebruikt dan de gewone, en zeker riekt het

alles behalve liefelijk; er is een walm, die iemand tegen de borst

slaat, en Mevrouw Teixeira heeft al driemalen in de vijf minuten

haar kostbaar gouden, met robijnen omzet lodderein-doosje aan den

neus gebracht. Wij willen hopen, dat het ongerief zal ophouden, als,

bij 't vijfde tooneel, de gevangenis in een landschap verandert, en

't weer licht moet worden. Maar zie! merkt gij dat vlammetje wel, dat

daar aan de noordzijde van 't portret schuins boven 't beeld van Thalia

flikkert? Ha! er zijn er meer, die 't merken. Daar stijgen de lieden

rechts en links en overal met bleeke aangezichten van hunne plaatsen

op: daar hoort men hier en daar een kreet van angst; maar zacht! Most,

die voor Montauciel speelt, poogt ons gerust te stellen. Een van

de Regenten heeft een suppoost geroepen, en na ontvangen inlichting

verklaart de man ons uit zijne loge, dat er geen stof tot bezorgdheid

is; en daar komt de Directeur van de stads-gebouwen, Rauws, ons

dezelfde verzekering geven. Een van de vaste tooneelknechts heeft een

bak vol water gehaald, om dien in de smeerkamer over de vlam te gieten;

maar o wee! het ophalen van de schuif heeft lucht in den koker gebracht

en daar slaat de vlam bruisend tegen de zoldering aan! daar heeft zij

reeds het eerste scherm bereikt! Haal neder dat scherm, eer het het

volgende aansteke! "Brand! brand!" klinkt het uit honderden van monden:

geen enkele kreten meer, een algemeen noodgegil doet zich hooren en

ieder is op 't middel bedacht om zich langs den kortsten weg door de

vlucht te redden. De acteurs hebben 't eerst het hazenpad gekozen,

de muzikanten springen uit het orkest op het tooneel, om langs den

uitgang op de Prinsegracht weg te komen, de toeschouwers uit de loges

snellen naar de trap. Op het tooneel woedt de vlam voort. De friezen

en zijschermen branden lichterlaie: daar heeft het vuur de koorden,

waar de lichtkronen aan hangen, aangetast en zij storten, de eene

voor de andere na, brandende naar beneden: daar valt ook het gordijn:

wij zien eene wijl niets anders dan de flikkering daarachter; maar de

verblindende damp dringt tot ons door: hoor dien slag! 't is een der

evenwichten, dat naar beneden stort. En nog een!--nog een!--friezen,

schermen, wolkgevaarten, al wat het vuur bereikt, ploft met donderend

geweld op en door elkander op den vloer.

En toch, op 't gevaar af van verplet te worden, zijn er wakkere

mannen, die zich wagen in dien gloed. De Directeur Rauws, de grijze

tooneelmeester Brinkman, de machinist Teffers en twee der vaste

timmerlieden blijven op het tooneel het woedend element trotseeren en

pogen te redden wat te redden is. Doch weldra zien de beide laatsten

het vruchtelooze in hunner pogingen; zij vluchten en 't gelukt hun

door een open raam in den zijgang te springen, en de Prinsegracht

te bereiken. Maar vergeefs hadden zij, eer zij zich op weg begaven,

de drie anderen zoeken over te halen, van hun ijdel waagstuk af te

zien: het heldhaftige drietal blijft zich in dien laaien vuurgloed,

in die wolken van stikdamp, tot in het uiterste kwijten: eerst over

zeven dagen zal men hunne schier onkenbare overblijfselen van onder

't smeulend puin kunnen opdelven.

Maar om ons heen, in de zaal zelve! De snelle voortgang van den brand,

de drift om het gevaar te ontvlieden, de angstige bezorgdheid, door

echtgenooten, ouders, kinderen, vrienden en verwanten voor elkander

gevoed, alles loopt te zamen, om eene verwarring te weeg te brengen,

die den nood nog vermeerdert. Wijd genoeg is de deur, zoo die uit den

bak als die uit de loges naar buiten geleid; maar de samenpersing van

dien hoop menschen, die gelijktijdig een uitweg zoeken, belemmert den

doortocht: ieder wil de eerste zijn en de eene houdt den ander tegen;

menigeen raakt in 't gedrang onder den voet: anderen vallen duizelend

neder, half gestikt door den ingeademden damp. Sommigen zoeken zich

een uitweg over de staanplaats; doch daar, aan den buitensten uitgang

gekomen, vinden zij dien gesloten en zij moeten op hunne schreden

terugkeeren naar die hel van smook, die zij verlaten hebben, en,

nu de achterste zijnde, achten zij hunne kans op lijfsbehoud nog

verminderd door de gedane poging, om die te verbeteren.

Maar nog erger is het op de bovenste gaanderij gesteld. De deur aldaar,

door welke de toeschouwers gekomen zijn, is gesloten; de deur naar de

Prinsegrachtzijde, langs welke zij 't gebouw verlaten moeten, is nog

niet geopend. Radeloos hollen zij heen en weder en vergeefs pogen zij

de deur op te loopen. Daar trachten sommigen zich in de loges neder

te laten; daar waagt de zwaarlijvige De Haes een sprong naar beneden:

hij valt op de vloertegels in den bak en, helaas! om nimmer weder op

te staan.

Ha! eindelijk hebben zij de deur opengerammeid. Als onzinnigen stormen

zij naar beneden, en meer dan een raakt in 't nederdalen van de been,

en komt dan gekneusd en hinkend op 't portaal.

Maar ook zij, wien 't gelukt is, van verschillende zijden dat portaal

te bereiken, zijn daarom hun leven nog niet zeker. Zoo heftig is het

samenhorten van hen, die hier uit drie deuren komen aanstroomen, dat

ook hier de eene den ander het verder gaan belet. Nog erger! evenals de

opene sluisdeuren door 't geweld van den daarachter tegen op stuwenden

waterstroom, zoo sluiten zich hier achtereenvolgens de beide halve

buitendeuren door 't geweld der golvende menschenstroomen, die er van

achteren tegen worden opgedrongen en die zich zelven alzoo een uitweg

versperren, dien zij zoeken. De ontzetting, de schrik, vermeerderen

met ieder oogenblik, en, ik ijs op het verhaal: bij de ijselijkheid

van hun toestand, voegt zich nog de tegenwoordigheid van booswichten,

die, geen gevaar ontziende, waar zij hunnen rooflust bevredigen kunnen,

als echte duivels, naar deze hel als naar hun element zijn toegesneld

en nu aan weerlooze vrouwen hare versierselen, haren kostbaren tooi van

hoofd en hals afscheuren, of, onder schijn van hulp te willen bieden,

in de woning van den kastelein dringen en zich meester maken van al

wat eenige waarde bezit. [74]

Het aan stukken slaan van het raam aan de noordzijde van 't portaal,

waardoor men naar buiten klautert, en het verminderen hierdoor van

het gedrang heeft ten gevolge, dat de buitendeuren weder open geraken;

dit verschaft eindelijk den uittocht aan de menigte, in het portaal te

zamen gepakt. Maar, zoo verreweg de meesten, zoodra zij het voorplein

bereikt hebben, zich haasten dat oord van schrik te verlaten en hunne

bezorgde huisgenooten gerust te gaan stellen, talrijk is nog het

getal van hen, die hier vertoeven en dooreen dwalen, om de naaste

panden te zoeken, van welke zij gescheiden zijn. Hoe ontzettend is

de vertwijfeling van hen, die vruchteloos om hunne geliefden roepen,

hoe blijde de vreugdekreet van hen, die ze behouden wedervinden!

"Waar is uwe moeder?" vraagt Van Lennep aan zijne kinderen, die hem in

de armen snellen.--"Was zij niet bij u, vader?" klinkt de wedervraag,

die hem door 't hart snijdt.--"Mijn God! uwe moeder!" roept hij:

"eene halve ton voor wie mijne vrouw redt!" schreeuwt hij luide. "Gij,

redt u van hier, ik moet haar wedervinden!" en onder 't geroep van

"Keetje! Keetje!" snelt hij terug naar de plaats des onheils. Hij

dringt binnen, hij klieft de walmende rookwolken door, hij stort zich

in den bak, ja.... daar bij den ingang vindt hij haar, die hij miste,

maar spraak- en roerloos nedergezegen. Hij poogt haar op te heffen:

de leden zijn reeds verstijfd, en terwijl hij in radeloozen angst

haar omhelst, bedwelmt ook hem de stikdamp: morgen zal men beider

samengeklemde lijken terugvinden.

"Waar is Piet?" krijt angstig Mevrouw Van Eik. Zij zelve heeft

een harer kinderen, haar man het andere met zich gered; zij vinden

elkander, zij vindt haren broeder op de straat terug, doch waar is

haar zevenjarige Pieter? Van Eik, even bezorgd als zij, wil zich weder

naar den brandenden Schouwburg begeven, doch zijn zwager De Wolff

houdt hem terug. "Gij moet voor vrouw en kinderen gespaard blijven,"

zegt de edelmoedige jongeling; "maar ik ben een vrijgezel, aan wien

niets gelegen is. Ik zal gaan en zonder hem niet keeren!" En met deze

woorden van Arend Van Aemstel verlaat hij hen: doch beter dan Arend

Van Aemstel, die terugkeerde, maar zonder Gijsbrecht, houdt hij zijn

woord: hij keert niet, en eerst aanstaanden Zondag zal men zijn lijk

en dat van het kind van onder de ingestorte balken halen.

Waarom ben ik niet in staat, bij de namen van die beide slachtoffers

ook den naam te vermelden van dien knecht des Heeren Verhamme, die,

tot hulp zijns meesters, zich in het brandende gebouw waagt en er

den dood vindt? of dien van den knecht van Mevrouw Teixeira, die

tot tweemalen toe het doodsgevaar trotseert ter wille zijner brave

meesteres, en niet terugkeert dan na de overtuiging te hebben, dat

alle verdere nasporing onmogelijk ware. [75] Waarom niet de namen

dier beide timmerlieden, die, gelijk wij straks vermeld hebben,

door de achtergang gevlucht waren, en die gij wellicht van laffe

zelfzucht verdacht hieldt. Neen, na hun leven te hebben gered, willen

zij ook dat van anderen redden. Nauwelijks op straat, zijn zij de

Runstraat omgesneld, naar de Keizersgracht, en zoo weder langs den

vooringang binnen het gebouw. Geen damp, geene benauwdheid schrikt

hen af; zij zoeken het portaal rond, zij vinden nog hier en daar een

bedwelmde of machtelooze liggen, dien zij ophelpen en in veiligheid

brengen: onder hen een Oud-Regent, dien een hunner op de schouders

neemt en naar 't belendende huis van den schepen Hope draagt. Met

het reeds verrichte niet tevreden, keert hij terug, ontsteekt eene

kaars en begeeft zich daarmede in den nu stikdonkeren bak. De hier

heerschende damp doet het licht uitgaan; maar de onverschrokken man

wil zijne taak voortzetten: hij gaat en keert terug, deze reis met

eene lantaarn. Wederom dooft de stiklucht de vlam, nog geeft hij den

moed niet op: ten derdenmale bezoekt hij den bak met zijn brandend

licht, telkens keer op keer roepende: "Is hier nog iemand? dan zal ik

hem helpen." Maar eindelijk hoort hij overal om zich heen de binten

kraken: hij hoort de onzichtbare vlammen langs de zoldering, over de

gaanderijen sissen, schuifelen, gonzen, loeien: de wanden dreigen in

te storten en in spijt van zich zelven is hij gedwongen, die plek,

waar hij geen nut meer stichten kan, te verlaten, en nauw is hij in

het voorportaal gekomen of alles achter hem stort in puin en asch over

den bak dooreen. [76] In minder dan twee uren tijds is de prachtige

Schouwburg met al zijn toestel in rook en vlammen opgegaan. Maar is het

onmogelijk geweest, den voortgang van het vuur daarbinnen te stuiten

en is het zelfs aan den ijver der brandmeesters, straks van overal met

hunne spuiten toegesneld niet mogelijk geweest, tijdig genoeg te komen,

om te beletten, dat de brand ook een paar belendende stallen in asch

lei en eenige der naaste huizen aanstak, toch heeft men te twee uren

's nachts allen verderen voortgang van de vlam gestuit. [77]

Evenals ik u, waarde lezer, den Schouwburg heb binnengeleid, om u

getuige te doen wezen van akelige en hartverscheurende tafereelen,

[78] had ik u aldaar bij de viering van vroolijke en heuglijke feesten

kunnen doen tegenwoordig zijn; doch mijn doel was, u den opgang,

den voortgang en den uitgang van den eersten Schouwburg te schetsen

en dat doel meen ik in deze schets bereikt te hebben. Ik besluit

die met u te doen opmerken, hoe die Schouwburg, die gedeeltelijk

zijn ontstaan te danken had aan eene Vlaamsche Kamer, naar Amsterdam

overgekomen, weder te gronde ging ten gevolge, althans bij gelegenheid,

der overkomst van Vlaamsche operisten. [79]

Vertellingen van vroeger en later tijd · 第 12 / 51 题