Katrijn, die met Diaen ten reie ging, [67]

zij schijnt begrepen te hebben, dat er een tijd voor alles is; althans

op 18 November j.l. heeft zij zich onder 't juk begeven, en wel met

dien deftigen Heer, die achter haar zit, den directeur Hillebrand

Bentes. Vondel heeft, als te verwachten was, een bruiloftslied op hen

gemaakt, en nu komen zij hem hun dank bewijzen, door bij de eerste

vertooning van zijne "Gebroeders" tegenwoordig te zijn. Er behooren

nog twee heeren tot haar gezelschap: de oudste is de geneesheer De

Haes uit de Beverwijk, de ander is haar broeder Joost, de zwager en

boezemvriend van den Drost. Of de Drost zelf zal komen, daar zou

ik schier aan twijfelen. Er is, sedert dat Vondel, nu eene maand

of wat geleden, tot de Roomsche Kerk is overgegaan, wat verkoeling

ontstaan in de vriendschap, die Hooft hem vroeger bewees; niet dat

deze juist zoo streng Gereformeerd is: ik geloof, om de waarheid te

zeggen, dat hij tot geheel geene Kerk behoort; maar hij is afgepast

en voorzichtig in handel en wandel, en een vijand van al wat naar

manifestatie en ostentatie zweemt. Bij hem wordt het hart altijd door

het hoofd beheerscht, bij Vondel regeert het hart het hoofd: en zoo

zullen die twee het op den duur nimmer samen kunnen vinden. Maar wie

in zijne genegenheid voor Vondel onwankelbaar blijft is de grijsaard,

die daar een paar kamertjes verder komt zitten, de geleerde professor

Vossius. Onze dichter heeft hem zijn treurspel opgedragen, en na de

lezing bracht Vossius er zijn oordeel over uit met twee woorden:

scribis aeternitati. [68] Dat lief en tenger meisje, dat met hem

gekomen is, is zijne zeventienjarige dochter Johanna, aan welke hij,

sedert het noodlottig omkomen van hare begaafde zuster Cornelia, [69]

in dubbele mate gehecht is. Arme vader! geen drie maanden zullen er

verloopen zijn, of eene kwaadaardige koorts zal u ook deze telg van

't hart scheuren en van geheel uw eenmaal zoo bloeiend gezin niet

eene enkele overblijven, om u de oogen te sluiten. [70]

Wilt gij nog meer bekenden van onzen puikdichter zien, zoo wend uwe

oogen eens eene verdieping hooger naar het echtpaar, dat in 't vierde

kamertje van het tooneel af gezeten is. De man is de waterschout

Nikolaas Van Buyl, de vrouw is Truitje Roemer Visschersdochter. Zij

had zich nog gevleid, dat hare zuster Tesselschade uit Alkmaar zou

overkomen, maar die keurde het seizoen minder tot reizen geschikt:

de lucht stond naar sneeuw, en als het sneeuwt, is de toegang tusschen

Alkmaar en Haarlem doorgaans belemmerd. Toch heeft de weduwe Crombalgh

zich aanbevolen om bericht, hoe 't stuk voldaan had; want al onderhoudt

Tesseltje voortdurend nauwe betrekking met hooggeplaatste lieden als

Huygens en Hooft, zij vergeet toch haar ouden vriend Vondel niet; en

't zou haar ook kwalijk passen, nu hij haar onlangs zijn "Elektra"

heeft opgedragen en haar geloofsgenoot geworden is bovendien. Zie, de

grijsaard nevens Juffrouw Van Buyl, is haar neef Cornelis Van Campen,

van wien ik u zooeven sprak, en twee plaatsen van hem zit Abraham De

Wees met zijne familie, de boekverkooper op den Middeldam, [71] die

thans bij voorkeur door Vondel met het drukken van diens gedichten

begunstigd wordt, wat hem geen windeieren leit. Op dezelfde rij wijs

ik u een tal van vrienden en verwanten van Vondel, meest buren uit

de Warmoesstraat, maar toch ook van den Nieuwendijk, van 't Rok-in

en elders. Daar hebt gij, om te beginnen, 's mans zwager Hans De

Wolff, die zich de zijde-kramer noemt, ofschoon hij wel handelaar

mag heeten, als men de uitgebreidheid in aanmerking neemt der zaken,

die hij drijft: bij hem zit zijn zoon, die Hans heet als hij, maar

zich liever Joan laat noemen, en diens aanstaande, Cornelia Block, en

daarachter, ja waarlijk, daar houdt onze dichter zelf zich schuil. 't

Is opmerkelijk, hoe de man, die met de pen in de hand zoo stout is

en voor niemand terugdeinst, zich in gezelschap zoo schroomvallig

toont en zich liefst op den achtergrond plaatst. Intusschen, dat

ziet men meer. Zie, daar verder op, nevens hen, die ik noemde, hebt

gij nog drie zijdehandelaars: David Rutgers en Daniël De Neufville,

en den ouden Abraham van Halmael, met zijne dochter Sara en haren

man, Warner Van Lennep, van Emmerik, wien de booze wereld nageeft,

alleen om hare hand te bekomen Mennist geworden te zijn en het

bedrijf van goudsmid opgevat te hebben, tot groote ergernis van

zijne familie. Zijne vrouw is machtig op 't comediespel gesteld:

de tooneelspeler Adam Carelsz. heeft dan ook nog onlangs haar lof

hemelhoog verheven in de opdracht eener bij hem gedrukte vertaling

van Horace, een treurspel van zekeren Corneille, die in Frankrijk

naam begint te maken als tooneeldichter, welke vertaling het werk is

van zekeren Jan De Witt van Dordrecht. De verzen zijn juist niet te

best; maar men zegt, dat de jonkman in andere dingen niet onknap is en

zijn weg wel maken zal. Om tot Juffer Sara terug te keeren, gij ziet,

dat zij hare kinderen vroegtijdig smaak in de kunst wil geven, want

zij heeft hare beide zoontjes, Jacob en Jan, en haar dochter Betje

meegebracht. 't Zal te bezien staan, of zich de liefhebberij in haar

nakroost zal voortplanten. Die brunette daarnevens is Maria Ansloo,

dochter van Jan Claesz. Ansloo, kruidenier op 't Water, en de jonkman

achter haar is haar vrijer, Anselmus Hartsen van den Nieuwendijk. Maar

pas op, daar komen de Regenten van de godshuizen, die 't tevens van

den Schouwburg zijn, hunne plaatsen innemen. Daar hebt gij, van 't

Weeshuis, Nicolaas Van Campen, den bouwmeester, Cornelis Jan Witsen,

Willem Van Loon en Guillaume Lindemone;--van 't Oude-Mannenhuis

Tijmen Jacobsz. Hinlopen, die, evenals zijne geheele talrijke

familie, veel met Vondel opheeft, en hem dikwijls te Eikhof op zijn

buitengoed bij Bussum noodigt; voorts Gijsbert Michielsz. Hoppesack,

Dirk Aertse Koek en Jan Michielsz. Blaeuw. Gerbrand Claesz. Pancras

behoorde ook vroeger tot de weesvaders, maar hij zit nu in hooger

waardigheid--daar komt hij het kamertje binnen, voor Burgemeesteren

bestemd, en met hem zijne ambtgenooten Abraham Boom en ridder Willem

Backer, vanouds begunstigers der Remonstranten en daarom bij Vondel

in goeden reuk. Wat Jan Cornelis Geelvinck betreft, ik geloof niet,

dat wij hem zullen zien; die valt niet erg comedieachtig. De vierde

man in hun kamertje is de Schout, Dr. Jan Ten Grootenhuis: nog altijd

dezelfde, die Vondel er door geholpen heeft, toen deze wegens zijn

Palamedes vervolgd werd en men hem naar den Haag opeischte, om hem

te hangen. En daarachter hen ziet gij het vroolijke gelaat van den

Stads-secretaris Daniël Mostert, Vondels grooten vriend, en die beter

dan eenig tooneelist de kunst verstaat, om 's dichters verzen voor te

dragen, dat zij roeren en treffen. Het Kamertje daarnevens is voor

de Schepenen bestemd. Daar ziet gij Dirk Tholinx, die met de zuster

van Hooft is getrouwd, en Henrick Dircksz. Spieghel, die eerlang

tot hooger waardigheid klimmen zal, en Reinier Joan Huydecoper, die

meer dan iemand er prijs op stelt, als een kunstminnaar erkend en

gevierd te worden. Maar ook de Vroedschap is heden avond niet slecht

vertegenwoordigd: daarover ons zit de grijze Jacob De Graeff, die,

in 1619 uit den Raad gezet, in 1630 daar weder inkwam op den eed,

door hem in 1603 gedaan; wat verder de oud-burgemeester Gerard Schaep,

die op de Bloemmarkt woont, met zijne nog altijd bekoorlijke vrouw,

Maria Spieghel, die als kind op Vondels schoot gezeten heeft, toen

hij nog bij haren oudoom, den beroemden zededichter, verkeerde. Het

verloop der jaren en het veranderen der omstandigheden hebben

een grooten afstand doen geboren worden tusschen de vrouw van den

aanzienlijken Regent en den eenvoudigen winkelier, maar toch betoonen

man en vrouw zich jegens hem minzaam als altijd en schuilt er achter

den eerbiedigen toon der verzen, die Vondel hun toewijdt, toch eene

vroolijke scherts, die van gemeenzaamheid getuigt. Eindelijk wijs ik

u nog Jan Claesz. van Vlooswijck, denzelfden, om wiens benoeming tot

Kapitein bij de schutterij elf jaren geleden zooveel te doen was en

heel wat volks ontschutterd werd. [72] Maar 't zal nu wel haast vier

uren zijn, zoodat wij ook een gemakkelijk plaatsje innemen: het spel

zal wel zoo aanstonds beginnen.

Ja waarlijk! de gordijnen worden over de dwarsstang

heengeslingerd. Nu! wat zegt gij? is 't niet een fraai tooneel,

met zijn prachtigen troon in 't verschiet, tusschen standbeelden

in nissen? Dat borstbeeld boven den troonhemel is dat van Prins

Frederik Hendrik, en hooger nog ziet ge op een schilderij de goden

van den Olympus, en in 't frontespies de Bijkorf. De zijwanden worden

gevormd door uitspringende balkons, met kolommen en pilasters van

Korintische bouworde. 't Is waar, het eene balkon is nu gedekt door

een geschilderd rotsscherm, dat er tegen aangezet is; wat te kennen

geeft, dat de handeling in de open lucht voorvalt; gij moet u alzoo

den troon en al 't getimmerte wegdenken en u voorstellen dat gij in

een bergachtig landschap kijkt. Een weinig verbeelding is er bij

noodig: maar bovendien, Vondel zorgt altijd in zijne stukken, dat

zijn personages aan den toeschouwer eene dichterlijke en toch zeer

juiste en nauwkeurige beschrijving geven van de plaats, waar zij zich

bevinden. Pas op! daar vertoont zich de Hoogepriester Abjathar met

zijne priesters op 't in een rots verkleed balkon; hij wordt ondersteld

nedergedaald te zijn van den bergtop, waar Gabaa gelegen is. Gij zoudt

voorwaar in dien deftigen grijsaard, wiens hoogepriesterlijks kleeding

Vondel zelf tot in de kleinste bijzonderheden heeft voorgeschreven,

den vroolijken offeraar aan de godin Bierana en den god Brandemoris,

Harmen Van Ilt, niet herkennen. Die voor de Rei van Priesteren 't

woord voert, is de letterzetter Frans Schuylingh. En daar treedt van

de andere zijde, zoo 't heet uit de vallei, de bontwerker Jan Lemmers

te voorschijn als Koning David, die den Hoogepriester komt raadplegen

over de middelen, om Gods toorn te verzoenen en de droogte te doen

eindigen. Voor de Levieten, die hem volgen, spreekt Adam Carelsz. van

Zjermesz, dezelfde, die ik u zooeven noemde als uitgever van den

vertaalden Horace--een uitmuntend tooneelspeler. En nu geluisterd....

Het eerste bedrijf is uit. Heerlijke verzen, niet waar? en hoe prachtig

is niet die beschrijving van de driejarige droogte en de daaruit

voortgesproten rampen! En hebben zich die vier zangers, Barend Van

Hoorn, Jacob Willemse, Jan en Jelis Noseman, niet voortreffelijk van

hunne taak gekweten? Ofschoon ik beken, dat ik de Reien liever hoorde

zeggen dan zingen; er gaat met dit laatste te veel van de woorden

verloren. Nu zullen die wraak- en moordlustige Gabaonners optreden,

voorgesteld door Thomas De Keyser, van wien Gansneb Tengnagel zong:

't Cieraad onzer treurtoneelen,

Tomas Keyzer meen ik, die

Ziel en zinnen plagt te streelen,

Ik, als Keyser, naad'ren zie

Die de wereld zoo verbeelde,

Stem noch uytspraaks weerga had,

Zelf ook met zijn wesen speelde,

Als hij maar 't toneel betrad.

Hoor! de Gabaonners zijn verlangend te weten, welk antwoord de Koning

van God ontvangen heeft; doch hunne nieuwsgierigheid wordt maar half

bevredigd. Maar nu komt David zelf uit het heiligdom en meldt hun,

dat Gods toorn alleen te stillen is door verzoening van het kwaad,

aan die van Gabaa door Saul gedaan. Dat is den Gabaonners koren op

hun molen en zij vorderen nu bloed--den dood van Sauls onschuldige

zonen. De Koning is alles behalve geneigd, om hun dien harden eisch

toe te staan; maar de Hoogepriester wijst hem op Gods geopenbaarden

wil, en Benajas--door Paulus Pierson voorgesteld--voegt er politieke

redenen bij.

Nu hebben wij 't derde bedrijf. Daar komen Rispa en Michal, Sauls

weduwe en dochter, in zwart en wit rouwfloers uitgedost. Voor Rispa

had De Bray moeten spelen, die uitmunt in de vrouwenrollen; maar hij

heeft het tooneel verlaten en nu neemt Isaac Verbiest zijne plaats

in. Michal is Jacobus De Villiers: beiden zijn goede tooneelisten; doch

't is te hopen, dat er eens een tijd komt, waarin wij de vrouwen ook

door vrouwen zien vertegenwoordigen. Nu komen die niet anders op het

tooneel dan als er gezongen moet worden; maar in een hoofdrol heeft

tot nog toe geene vrouw zich gewaagd. [73]

Volgt het gevangennemen der zeven gebroeders, voor wie Jan Heerhuyzen

de barbier het woord voert, en de jammerklachten der bedrukte moeders,

die in 't vierde bedrijf tot radeloosheid overslaan, wanneer zij van

David geen genade hebben kunnen verwerven en de zeven gebroeders aan

de Gabaonners overgeleverd en door hen ter strafplaats geleid worden.

De gordijnen worden nu nedergehaald; zeker zal er aan den toestel

veranderd moeten worden. Ik hoor al dat er gesjouwd en getimmerd wordt.

Daar gaat het tooneel weer open; ja, ik dacht wel, dat ons eene

verrassing bereid was: daar hebben wij zoowaar een tusschenspel! Daar

hangen de zeven broeders--net eene galg vol--van Gabaonners,

Staatsjuffers en Levieten omringd. De Keyser zegt er de verzen bij

op, die wij op het aanplakbiljet lazen. Zie! daar treedt eene van

de staatsjuffers voor, om eene weeklacht uit te boezemen. Hoor, hoe

er in de handen geklapt en gejuicht wordt! Ja, zulke vertooningen

kan ons publiek niet buiten:--hoe gruwzamer en hoe akeliger hoe

mooier, en ik ken er zelfs onder de zoogenaamd deftige lieden, die,

wanneer zij hun hart recht uitspreken, zullen bekennen meer vermaak

te scheppen in zulk een poppenspel, dat eigenlijk bij Lingelbach in

't Doolhof thuis behoorde, dan in 't aanhooren der fraaie verzen van

onzen puikdichter. Maar ik merk, dat gij niet van dat gevoelen zijt,

gij wordt bleek: dat schouwspel maakt u wee en gij verlangt naar

frissche lucht. Goed! dan zullen wij de rest maar voor gezien houden

en zoowel den Schouwburg als het jaar 1639 verlaten.

Vertellingen van vroeger en later tijd · 第 11 / 51 题