NAAR EEN BETER VADERLAND.

Een helder licht van kaarsvlammen straalde op een avond in April van

het jaar 1528 uit de vensters van Pirkheimers huis. De raadsheer,

die toen weinig last van het podagra had, had drie van de vrienden,

die hem nog waren overgebleven, bij zich genoodigd om met hem te eten

en vroolijk te zijn.

Dürer was er niet bij, zooals in den laatsten tijd meermalen

gebeurde en toen men naar hem informeerde, antwoordde Pirkheimer

met bedenkelijk gelaat: "Wij zullen ons er aan moeten gewennen,

zijn gezelschap dikwijls te ontberen. Hij is in den laatsten tijd

zeer zwak en sukkelend."

"Was hij maar niet naar de Nederlanden gegaan!" sprak Holzschuher,

die tot de gasten behoorde: "Sedert zijn terugkomst is hij zoo

veranderd. Ik schrok bepaald, toen ik hem terug zag. Hij was zoo

mager geworden en zijn mannelijke schoonheid was verdwenen! Het is

wonderlijk: om de pest te ontvluchten, ging hij uit Neurenberg en

nu heeft hij uit Nederland een krank lichaam meegebracht. Die tocht

door de sneeuw om den walvisch te zien, het ongeval, dat hem toen op

het water is overkomen, de ongewone levenswijze in een vreemd land,

die onophoudelijke eerbewijzen, die in maaltijden en groote feesten

bestonden, zijn verderfelijk voor zijn gezondheid geweest. Ik vrees,

ik vrees, dat wij hem niet lang meer zullen mogen behouden."

"O, zeg dat niet!" riep Pirkheimer verschrikt uit. "Ik kan het niet

aanhooren! Ik kan mij het leven niet voorstellen zonder hem! Niemand

kent hem zooals ik hem ken, niemand kan aan hem dan ook meer verliezen

dan ik. Ik was het volkomen eens met den Magister Philippus Melanchton,

toen hij bij zijn laatste verblijf hier in de stad, zei: "Albrecht

Dürer is als kunstenaar ongeëvenaard, maar toch is dat niet het meest

in hem te bewonderen: nog meer dan zijn geest en hand waardeer ik

zijn hart!"

"Hij heeft niet te veel gezegd," zei Löffelholz. "Albrecht Dürer is

de uitstekendste man van onzen tijd. Is er een deugd, die hij niet

bezit? Maar laten we ons nu nog niet al te ongerust maken; hij is nog

geen zevenenvijftig jaar en misschien kan de natuur de ongesteldheid

nog overwinnen."

"God geve het!" zuchtte Pirkheimer en hij bracht het gesprek op iets

anders over.

Zwak en moede lag Dürer te bed. Den vorigen avond was hij nog op

geweest en had aan zijn boek geschreven; doch den volgenden ochtend

had hij geen lust om op te staan. Hij had 's nachts bijna geen oog

toegedaan en voelde zich afgetobd.

Het was stil in de kamer; aan het bed van den lijder zat Vrouwe

Agnes. Met op de borst gevouwen handen lag Dürer aandachtig te

luisteren naar hetgeen zijn vrouw uit Luthers bijbel voorlas; het

was het lijden des Verlossers naar het Evangelie van Johannes.

Daarna sprak hij zacht: "Dat heeft mij goed gedaan. O, welk een harde

sponde heeft men onzen Verlosser bereid en ik lig zoo zacht! Hoe

werd Zijn marteling ten doode door hoon en schimp verzwaard en aan

mijn legerstede zit een engel der vertroosting! Wel lijd ik pijn;

maar wat zijn mijn smarten vergeleken bij de zijne!"

Vrouwe Agnes veegde zijn klam voorhoofd af en drukte zachtkens een

kus er op. Toen vraagde zij hem of hij niet eens van den verkwikkenden

drank, dien zij voor hem had klaar gemaakt, wilde drinken.

Dürer knikte en bevochtigde zijn lippen met het lavende vocht; toen

zuchtte hij: "Waarom komt de geneesheer toch niet?"

Vrouwe Agnes zeide, dat hij van niets wist, maar dat zij dadelijk om

hem zou sturen.

Spoedig daarop verscheen hij; hij voelde den kranke den pols en zag

hem bezorgd aan: het waren weer de afwisselende koortsen, die hem

jaren lang hadden geplaagd, en de milt was meer dan ooit gezwollen.

De geneesheer schreef medicijnen voor, die de meid dadelijk uit de

apotheek moest halen.

Die drank deed Dürer goed, hij voelde zich minder benauwd en tegen

den avond ging de koorts af, hoewel die gewoonlijk tegen dien tijd

toeneemt. Hij keerde zich naar den muur en sliep in.

Vier uur lag hij stil en ademde diep en geregeld; toen richtte hij

zich plotseling op en sprak met een bijzonderen klank in zijn stem:

"Het is morgen goede Vrijdag--de heerlijke Rafael is op goeden

Vrijdag gestorven."

Vrouwe Agnes schrok bij deze woorden en trachtte hem te kalmeeren,

doch Dürer vraagde, alsof hij niets daarvan hoorde: "Hoe lang rust

hij reeds in het graf?"

"Acht jaren," antwoordde Vrouwe Agnes aarzelend. "Hij stierf in het

jaar 1520."

"Acht jaren," fluisterde Dürer. "Hoe vroeg moest die heerlijke

kunstenaar van de aarde scheiden! Gods wegen zijn dikwijls zeer

wonderlijk!"

Toen ging hij weer liggen, sloot de oogen en sliep na eenige

oogenblikken weer in.

Vrouwe Agnes bleef dien geheelen nacht op en was dankbaar, toen het

eerste morgenrood door de vensters naar binnen drong. Zij verkoelde

het gelaat van haar man met frisch water, hetgeen hem goed deed en

waarvoor hij zijn trouwe verpleegster hartelijk dankte, als ware

het een groote dienst geweest en zooals hij altijd voor het kleinste

hulpbetoon deed. Tegen negen uur begonnen de klokken in de stad te

luiden. Eensklaps riep de kranke luid: "Op dit uur hebben zij Hem

aan het kruis genageld!

"Ach Heer Jezus, zie mij aan met denzelfden blik, waarmee gij den

boetvaardigen boosdoener hebt aangezien! Want ik belijd u berouwvol

al de zonden, die ik in mijn geheele leven heb bedreven."

Hij richtte zich plotseling op en zijn oogen zagen woest de kamer

rond, zoodat Vrouwe Agnes met doodelijken schrik den beangstigden

man in haar armen nam.

"Wat overkomt mij!" riep hij met een holle stem, terwijl hij zijn

hand op zijn hart drukte. "Ik sterf! Heer Jezus, help mij; Heer Jezus,

erbarm U mijner!"

In vreeselijken angst riep Vrouwe Agnes hem bij zijn naam--hij hoorde

het niet, zijn ziel voer reeds op tot Hem, dien hij van ganscher

harte had bemind en dien hij uit een vroom gemoed met zijn kunst

zoowel als met zijn gansche leven had gediend. ----

De stad Neurenberg kon het niet gelooven, dat de man, waarop zij

bovenal trotsch was, was heengegaan.

Allen treurden en Wilibald Pirkheimer, die spoedig was geroepen,

zonk bij het sterfbed van zijn vriend, als vernietigd en gebroken,

op de knieën neder, alsof hij met hem wilde sterven. Menigeen der

zijnen had hij naar het graf gebracht, doch nooit had hij zooveel

smart gevoeld als nu. Hij was niet van deze gewijde plek weg te krijgen

en het pijnigde hem bovenal, dat hij in de laatste oogenblikken niet

tegenwoordig was geweest, om zijn vriend de oogen toe te drukken. Hij

wrong zijn handen, schreide als een kind en jammerde:

"O onuitsprekelijk lijden!--hij is heengegaan, voor immer, hij,

die ik met mijn gansche hart liefhad en die deze liefde verdiende

door zijn tallooze deugden en zijn bijzondere rechtschapenheid; hij,

die als een goede engel mij ter zijde stond en mij den weg wees,

dien ik moest gaan. Hij is heengegaan voor goed--mijn Albrecht! O,

onverbiddelijk noodlot; o, onbarmhartige, wreede dood! Hij, die als

een heilige onder ons verkeerde, is van ons weggerukt, terwijl zoovele

onnutte en onbeteekenende menschen blijvend geluk en een lang leven

genieten! Hij is heengegaan, en ik moet nog hier beneden zijn!"--

De gewoonte van dien tijd bracht mede, dat de dooden den dag na het

overlijden werden begraven, doch bij Dürer moest men met dat gebruik

breken. Den 6den April was hij gestorven en den 8sten lag hij nog

op het paradebed, omdat de aandrang van menschen, die nog eenmaal

het stoffelijk overschot van den grooten meester wilden zien, zoo

groot was.

Daar lag hij in een zwarte kist, door frisch groen omgeven, als een

beeld van hemelschen vrede; en het licht der twaalf kaarsen, die

op hooge kandelaars tusschen laurier- en mirthestruiken brandden,

wierp een glans van verheerlijking op het edele gelaat.

Aan het hoofdeinde stonden de prior van het Augustijnerklooster

Volbrecht en de proost van de St. Sebalduskerk, die om beurten de

gebeden voor de overledenen uitspraken, terwijl aan het voeteneinde

een koorknaap het kruisbeeld omhoog hield.

Daarna hieven de Meesterzangers, met Hans Sachs aan het hoofd,

een ernstig, plechtig gezang aan; de kist werd gesloten, en in

een onafzienbare reeks bewoog zich de lijkstoet, onder algemeen

klokgelui, naar het Johanneskerkhof, waar de grafkelder der familie

Frey was geopend om in zich op te nemen wat sterfelijk was aan dezen

onsterfelijke.

Door smart en ellende overmeesterd zat Vrouwe Agnes in het verlaten

huis. Zij was als een schaduw geworden en begeerde te sterven en bij

haar echtgenoot in het graf te rusten. Zij had van alle zijden veel

liefde en deelneming ondervonden en men had haar duidelijk bewezen

hoezeer iedereen met haar mede leed.

Op zekeren morgen trad de heer Eobanus Hesz, die den grooten meester

in een lied had verheerlijkt en een vriend van Luther uit Erfurt was,

bij haar binnen.

Hij nam een brief uit zijn zak en zeide: "Zie, geachte Vrouwe, hier

heb ik iets wat u in uw diepe, groote smart tot troost moge zijn. Het

is een antwoord van Doctor Maarten Luther op den lijkzang, dien ik hem

had toegezonden en waarin met betrekking op uw overleden echtgenoot,

het volgende staat: Het is niet meer dan billijk dien vromen,

uitstekenden man te betreuren: maar gij moogt hem gelukkig noemen,

omdat Christus Zijn licht in zijn hart heeft doen schijnen en hem op

het juiste oogenblik uit dezen stormachtigen tijd, die spoedig nog

stormachtiger zal worden, heeft weggenomen, opdat hij, die waardig

was het beste te zien, niet gedwongen zou geweest zijn, het ergste

te beleven. Zoo moge bij dan in vrede rusten bij zijn vaderen. Amen."

"Ween en klaag dus niet meer, zeer geachte Vrouwe--Doctor Maarten

heeft het ook hier bij het rechte eind! God had zijn ziel lief,

daarom nam Hij hem spoedig weg uit dit treurige leven."

Albrecht Dürer: Een levensbeeld · 第 69 / 70 题