"En waar gaat gij naar toe?"
"De weg wordt mij aangewezen door een wensch, dien ik al lang heb
gekoesterd; ik wil naar de Nederlanden tot den nieuwen keizer gaan,
om mij in zijn bescherming aan te bevelen en van hem te verkrijgen,
hetgeen mij door den dood van keizer Maximiliaan is ontgaan; het
loon voor mijn werk tot een bedrag van 200 gulden en de verzekering,
dat het jaargeld, hetwelk de gestorven keizer mij had toegestaan,
mij steeds zal worden uitgekeerd. De nieuw verkozene is nu op
reis in de Nederlanden, om vandaar voor de kroning naar Aken te
gaan. Tegelijkertijd wilde ik een groet brengen aan de kunstbroeders
in de Nederlanden en van hun kunstwerken genieten. Ik hoop ook vele
mijner werken aan den man te brengen, om daardoor de reiskosten te
kunnen betalen en door menig geschenk hoop ik mij beschermers en
pleitbezorgers te verzekeren."
"Nu, God zij met u, mijn lieve vriend," sprak Pirkheimer bewogen,
"en Hij vergunne ons, nadat de pest is overwonnen, elkaar in welstand
terug te zien!"
Dürer en Vrouwe Agnes gaven hem wederkeerig hun heilbeden mede en
nadat de keizerlijke raadsheer was vertrokken, ging Agnes voort met
de toebereidselen voor de reis.
Dezen keer wilde Dürer zijn vrouw niet alleen achterlaten en zij
ging gaarne met hem mee, want zij voelde een buitengewonen angst voor
de pest.
Den volgenden morgen--het was de 12de Juli 1520--hield een reiskoets
voor Dürers huis stil en het echtpaar, benevens hun meid Susanna,
steeg er in.
In snellen draf ging het naar de Tiergärtnerpoort, om zoo gauw
mogelijk uit de verpeste lucht te komen, en men ademde vrijer,
toen de op grooten afstand zichtbare vesting van Neurenberg uit het
gezicht verdween.
Eerst reed men naar Bamberg. Van den bisschop aldaar hoopte Dürer een
vrijbrief te veroveren, om bevrijd te zijn van de lastige afpersingen
en de groote uitgaven aan de tollen.
Een groote afbeelding der Madonna, de houtsneden uit de Openbaring
van Johannes, het leven van Maria en verscheidene kopergravuren,
die hij als geschenk aanbood, misten dan ook op den hoogwaarden heer
hun uitwerking niet: Dürer kreeg, tegen betaling van een gulden,
niet alleen een bewijs, dat hij ontslagen was van alle tolgelden,
doch de bisschop stelde hem ook vrij van het gelag in de herbergen,
dat een gulden bedroeg.
Hier ging de koetsier uit Neurenberg weer terug en gingen de reizigers
in een schip om tot Mainz te varen.
De vrijbrief beantwoordde aan het doel: ongemoeid en zonder betalen
kon men van de eene plaats naar de andere gaan. Tot Frankfort alleen
had men zesentwintig tollen te passeeren, en als Dürer, zooals later
op den Rijn, bij elken tol twee gulden had moeten betalen, zou het
zijn beurs al heel slecht zijn bekomen.
In Frankfort had men een kort oponthoud. Jacob Heller, voor wien Dürer
vroeger het groote altaarstuk had geschilderd, wilde den vereerden
kunstenaar niet zoo spoedig laten vertrekken en schonk hem den eerewijn
in de herberg.
Nog langer duurde het oponthoud te Mainz, waar een bepaalde wedijver
ontstond, om Dürer met eerbewijzen te overladen en het gelukte hem
pas den 23sten Juli verder te gaan en op een schip den Rijn af naar
Keulen te reizen.
Daar had een vroolijk wederzien plaats met zijn neef Nicolaas, den
zoon van zijns vaders broeder, die vroeger als goudsmid te Neurenberg
was gevestigd geweest en later naar Keulen was verhuisd. Dürer moest
evenwel zijn tijd verdeelen tusschen dit familielid en den heer
Hieronymus Fugger uit Augsburg, die hier vertoefde en den kunstenaar
met vriendschapsbewijzen overlaadde.
Verder ging de reis weer met koets en paarden naar Antwerpen, waar
men den 2den Augustus goed en wel aankwam.
Welk een nieuwe wereld opende zich hier voor Dürers blikken, die
nooit rust vonden. Dat mastenwoud in de haven der Schelde, dat
bonte, drukke gewemel aan den oever! Het boeide hem zoo, dat hij
snel papier en potlood greep om dit tooneel mee naar huis te kunnen
nemen. Spoedig had men een herberg gevonden. De waard Jobst Plankfeldt
was een aangename, goedhartige man en zijn vrouw was even rond als zij
gedienstig was. Na enkele dagen voelden de vreemdelingen zich daar
geheel thuis en vooral de vrouwen konden het best samen vinden. Zij
zaten op een avond gezellig bij elkaar te babbelen aan het avondeten,
toen de waardin sprak: "Wat is uw echtgenoot toch een wereldberoemd
man! Dat zult gij hier in den vreemde eerst recht ondervinden."
Vrouwe Agnes voelde zich gevleid en zei glimlachend. "Ik verheug mij
met hem in de eer, die men hem hier van alle zijden bewijst en vooral,
omdat hier in den beker der vreugde geen bitteren droppel van nijd
of afgunst wordt gemengd, zooals dat te Venetië gebeurde. Iedereen
komt hem met liefde en oprechte bewondering tegemoet. En toch zou ik
die beroemdheid bijna betreuren, want die berooft mij totaal van zijn
gezelschap, zoo dat ik soms in eigen oogen een arme, verlaten weduwe
ben. Als ik u niet had, zou het voor mij aangenamer zijn geweest om
thuis te blijven."
"Gij moet niet ontevreden en onbillijk zijn, Vrouwe Dürer,"
knorde de waardin. "Zijt gij dan niet zelf tegenwoordig geweest
bij het feest, dat onze schilders uw echtgenoot in hun gildekamer
hebben aangeboden? En wie weet, hoeveel eerbewijzen nog voor u zijn
weggelegd!" Het was werkelijk een prachtig feest geweest, dat het
Antwerpsche schildersgild den Neurenberger meester had gegeven. Geheel
onder den indruk daarvan was Dürer thuisgekomen en hij had het volgende
in het dagboek zijner reis geschreven:
"Des Zondags, op St. Oswaldsdag, noodigden de schilders mij, mijn
vrouw en de meid uit om in hun kamer te komen. Zij hadden overal
zilver vaatwerk en veel pracht aangebracht en voor overheerlijke
spijzen gezorgd. Hun vrouwen waren ook tegenwoordig en toen men mij
naar tafel geleidde, stonden allen aan beide zijden geschaard, alsof ik
een vorst was. Er waren zeer aanzienlijke personen onder hen, mannen,
die diep eerbiedig voor mij bogen en zeiden, dat zij zooveel in hun
vermogen was, wilden doen om het mij aangenaam te maken. En toen ik was
aangezeten, kwam de bode van den Raad van Antwerpen met twee knechts,
die mij uit naam van de raadsheeren twee kannen wijn aanboden; zij
lieten mij zeggen, dat zij mij hiermee eer wilden bewijzen en hoopten,
dat het mij aangenaam zou zijn. Ik betuigde hen mijn hartelijken dank
en bood mijn diensten aan. En toen wij langen tijd vroolijk bij elkaar
hadden gezeten en het laat in den nacht was geworden, deden zij ons
de eer ons met fakkels naar huis te begeleiden en verzochten ons hun
diensten te willen aannemen, want zij wilden mij gaarne in alles, wat
mij genoegen kon doen, ter wille zijn. Ik dankte hen en ging naar bed."
In Antwerpen was veel te zien. In de eerste plaats maakte de
schilderkunst aanspraak op Dürers belangstelling.
In Quinten Metsys leerde hij een kunstenaar, voor wien hij het hoofd
moest ontblooten, kennen. Bijzonder genot verschafte hem het arsenaal,
waar in de groote zaal de kunstenaars bezig waren de reusachtige
triomfbogen, die dienst moesten doen bij den feestelijken intocht
van Keizer Karel op den 25sten September, te schilderen. Vierhonderd
bogen, elk veertig voet breed en twee verdiepingen hoog, zouden op
straat worden opgericht--een reuzenwerk, wel waard te worden bewonderd.
Daarbij ontbrak het Dürer niet aan uitnoodigingen om zelf te
schilderen, want de velen, die hem met hun eerbewijzen overlaadden,
wilden ook gaarne iets van zijn hand tot aandenken hebben, en daarom
was hij wel verplicht nu en dan een uurtje er af te nemen, om dezen
plicht der dankbaarheid te vervullen.
Vooral voelde hij zich hiertoe gedrongen tegenover den man, op wiens
persoonlijke kennismaking hij zich in het bijzonder had verheugd,
Erasmus van Rotterdam, den grooten geleerde en het orakel van zijn
tijd, tot wien de geheele beschaafde wereld met onbeperkt vertrouwen
opzag en van wien men hoopte, dat hij in zake Luther, het gewicht
van zijn invloed in de weegschaal zou werpen.
De beide groote mannen behandelden elkaar bij hun ontmoeting wederzijds
met den eerbied, die elk toekwam en zij voelden zich sterk tot
elkaar aangetrokken. Uit dankbaarheid voor het geschenk van Erasmus,
bestaande uit een Spaansch manteltje en verscheidene teekeningen,
schilderde Dürer het portret van den geleerde op meesterlijke wijze,
waarvan hij later een copie meenam om op koper te graveeren.
Het kostte hem moeite om afscheid te nemen van Antwerpen, waar hij
zooveel liefde en eer had genoten, maar het was zijn plan om verder
naar Brussel te gaan.
Op den 16den Augustus aanvaardde hij de reis in gezelschap van den
Genuees Tomaso Bombelli, een der rijkste kooplui in zijde van Antwerpen
en tegelijkertijd penningmeester der Landvoogdes der Nederlanden, de
Aartshertogin Margaretha, die den meester evenals andere buitenlanders
met eerbewijzen had overladen.
In Brussel werd hij aangenaam verrast, toen hij drie Neurenberger
heeren onverwacht op straat ontmoette; het waren de raadsheeren: Hans
Ebner, Leonard Groland en Nicolaas Haller, die, als afgezanten van
den Raad, de rijksinsignes voor de kroning moesten overbrengen. De
heeren wilden ook van hunnentwege hun beroemden stadgenoot een
onderscheiding bewijzen en namen zijn onderhoud geheel voor hun
rekening. Het was echter niet noodig hem daar bekend te doen worden,
want in Brussel herhaalden zich dezelfde tooneelen als te Antwerpen
en het kostte Vrouwe Agnes menigen zucht zich steeds zoo eenzaam en
verlaten te gevoelen.
Voor den kunstenaar daarentegen waren het dagen van het hoogste genot;
zijn oog, oor en hart genoten oneindig. Ten laatste was het hem ook
nog vergund bij de Landvoogdes te worden toegelaten; zij was een
fijnbeschaafde, met de kunst dwepende vrouw, die hem ook beloofde
zijn voorspraak bij Koning Karel te zullen zijn.
Den 2den September keerde hij uiterst voldaan naar Antwerpen terug,
om daar den keizer, af te wachten, voor wiens ontvangst alles in rep en
roer was en vol ijver om de stad in een tooverpaleis te herscheppen. De
keizerlijke stoet naderde langzaam de poort, de lucht weergalmde van
de juichkreten der dicht op elkaar gedrongen, geestdriftvolle menigte,
maar de jonge keizer scheen weinig oog te hebben voor al die pracht
en heerlijkheid, en menigeen, die wist welke verbazende onkosten men
had gemaakt, schudde wrevelig het hoofd.
Van Antwerpen ging de keizer verder naar Aken voor de kroning en Dürer
volgde hem naar die stad, omdat hij te Antwerpen geen gelegenheid had
gehad om hem te naderen. Te Aken ontmoette hij weer de Neurenberger
gezanten, die hem in hun kring opnamen en alle onkosten voor zijn
onderhoud betaalden, waarvoor hij hun zooals vroeger met zijn kunst
zijn dankbaarheid betuigde.
Den 23sten October had de kroning plaats. Op den avond van dien dag
schreef Dürer in zijn boek: "Heden zag ik zooveel pracht en praal,
als geen sterveling ooit schooner zag."
Was het in Antwerpen hem reeds onmogelijk geweest zijn verzoek bij
den keizer in te dienen, te Aken viel er in 't geheel niet aan te
denken en er bleef dus niet anders over dan den vorst naar Keulen
te volgen. Daar eindelijk op den 12den November bereikte hij met
veel moeite zijn doel, tenminste in zoover, dat het uitbetalen der
lijfrente hem werd verzekerd--maar van de andere verplichtingen wilde
Keizer Karel niets hooren.
Verheugd, dat hij tenminste in hoofdzaak was geslaagd, keerde hij
van Keulen terug, om weer te gaan naar de Nederlanden, waar hij den
winter wilde doorbrengen.
Den 27sten November was hij weer in Antwerpen bij Agnes, wier
vreugde over het weerzien eenigszins werd vergald door het ongeluk,
dat haar onlangs in de Lievevrouwekerk op St. Maarten was overkomen,
toen een dief haar tasch met twee gulden en verscheidene sleutels
had losgesneden en gestolen.
Dit verlies bezorgde Dürer ook wel eenige spijt, doch hij troostte
zich, toen iets anders zijn aandacht in beslag nam en wel, de tijding,
dat de zee bij Middelburg een reusachtigen walvisch op het droge
had aangespoeld. Hij liet zich noch door de winterkou, noch door den
afstand weerhouden om dit wonder der natuur te gaan zien. Den 7den
December ondernam hij met eenige kennissen te paard den tocht naar
Middelburg en hij kwam pas den 14den terug.
Vrouwe Agnes ontving hem met vreugde, want zij was bang geweest,
dat het gure weer haar man kwaad zou doen.
"Ja, gij, kunt nu wel blij zijn," sprak hij, terwijl hij haar aan
zijn hart drukte, "want gij hebt uw man weer terug, maar ik heb weinig
voldoening van de reis, want het wonder heb ik niet mogen aanschouwen,
omdat de zee het weer had teruggehaald en daarbij scheelde het bitter
weinig of ik had er het leven bij ingeschoten."
En nu vertelde hij aan zijn ontstelde vrouw, hoe zijn schip tegen
een ander was aangevaren en daardoor beschadigd was geworden,
waarna het zonder anker de zee was ingedreven en daar zoo lang had
rondgezwalkt, dat de bemanning reeds alle hoop had opgegeven en hun
zielen in Gods handen had bevolen, totdat de hemel genadig hulp in den
hoogsten nood had gezonden. Nu begon te Antwerpen het oude leventje
weer. Indien hij gelegenheid had, verkocht hij zijn schilderijen,
om voor de opbrengst allerlei voorwerpen, die hij gaarne in zijn
bezit had, of waarmee hij bij zijn thuiskomst anderen een genoegen
wilde bereiden, te koopen; nog meer gebeurde het, dat hij zijn werk
weg gaf om ondervonden vriendelijkheid ruimschoots te vergelden of
voorkomend anderen pleizier te doen.
Natuurlijk namen zijn vereerders zijn tijd weer zeer in beslag. Een
paar dagen na vastenavond schreef hij in zijn dagboek: "Eergisteren had
ik een uitnoodiging om met mijn vrouw de gast van het goudsmidsgild te
zijn. Bij die gelegenheid leerde ik veel wakkere mannen kennen en werd
ons een heerlijke maaltijd bereid, terwijl iedereen om 't hardst mij
eer bewees. Des avonds was ik bij den ouden schout genoodigd, waar ik
ook rijkelijk werd onthaald en met veel eerbewijzen overladen. Vele
bijzondere maskers en costuums lieten zich dien avond zien en over
het algemeen was alles prachtig ingericht. 's Maandagsavonds was ik
uitgenoodigd bij den heer Lopez op een groot festijn, dat tot twee
uur duurde en bijzonder kostbaar was. Van den heer Lorenz Stark
kreeg ik een Spaanschen pels ten geschenke. Ook op dit feest zag
men veel schitterende gecostumeerden en gemaskerden, vooral de heer
Tomaso Bombelli."
Eindelijk kreeg meester Dürer toch wel wat te veel van het goede dezer
aarde en kwam de gedachte aan terugkeeren naar huis in zijn hart op,
te meer toen hij voelde, dat zijn gezondheid niet meer zoo goed was
als vroeger en de eene stuiver na den anderen in de apotheek verzeilde.
Om niet al te veel met bagage te zijn belast, stuurde hij den
19den Maart, toen er zich een gelegenheid aanbood, een groot deel
der verkregen schatten vooruit en toen kon men eens goed zien, aan
hoeveel vrienden de goedhartige, milde man had gedacht. Niet alleen
aan zijn familieleden en vrienden zond hij een geschenk, ook anderen,
die hem op de een of andere wijze vriendelijkheid hadden bewezen,
vergat hij in den vreemde niet; en Vrouwe Agnes, die berekende hoe
hoog de uitgegeven som beliep, vond het bijna al te veel.
Nu had hij evenwel de groote steden Brugge en Gent nog niet gezien en
men zeide hem, dat het toch al te jammer zou zijn, indien hij in deze
middelpunten der kunst, waar hij nu zoo dicht bij was, niet eenige
weken vertoefde.
Ook hier was zijn roem hem reeds vooruitgegaan; ook hier ontving men
hem met bijzondere eerbewijzen. Ofschoon verheugd over al het genot,
dat hij had gesmaakt, keerde hij in eenigszins gedrukte stemming
naar Antwerpen terug. Hij wist zelf niet, wat hem scheelde, maar
het eten smaakte hem niet, zijn hoofd was zwaar en vermoeid en zijn
voeten weigerden bijna hem te dragen. De geneesheer, die op verzoek
van zijn bezorgde vrouw, verscheen, meende dat hij zware koorts zou
krijgen en beval vóór alles volkomen rust aan.
Den volgenden morgen kwam Vrouwe Agnes doodsbleek bij de waardin
binnenloopen en riep: "Help mij--mijn man, mijn man!"
De waard en waardin gingen terstond met haar mee en vonden Dürer,
bleek en met gesloten oogen, in bed liggen. Zij dachten, dat hij dood
was. Het was echter slechts een langdurige bezwijming, waaruit het
den dokter gelukte hem weer bij te brengen. Doch de koorts wilde niet
wijken en nam integendeel steeds in hevigheid toe, zoodat Vrouwe Agnes
in den angst haars harten niet wist wat te beginnen. "Ach, dat wij
nu juist hier in den vreemde moeten zijn!" jammerde zij. "Gave God,
dat wij toch reeds thuis waren!"
Er volgden moeilijke dagen en weken, voordat de beangstigde vrouw
kon herademen en innig dankbaar drukte zij den waard en zijn vrouw
de hand voor de groote liefde, waarmee zij haar hadden bijgestaan,
alsof zij een lid der familie was geweest.