Wederom was de ruiter op het vale paard de poort van Neurenberg
binnengereden, wederom woedde de pest in de stad.
Op straat heerschte doodsche stilte, overal was de werkkracht
verlamd, slechts de doodgravers hadden werk in het zweet huns
aanschijns. Geheele families stierven uit, geheele huizen werden
ontvolkt. Hoe grooter de angst en ontzetting werd, des te grooter
buit behaalde de pest en in de harten der menschen doodde de vrees
alle liefde: ieder dacht slechts aan zich zelf en liet de overigen
aan hun lot over.
Op zekeren morgen kwam bij Albrecht Dürer Wilibald Pirkheimer
in reisgewaad. "Ik kom u vaarwel zeggen," sprak hij reeds op den
drempel. "Te Neurenhof op het landgoed van mijn schoonvader is de
lucht onbesmet; daar ben ik van plan te blijven totdat de ziekte
is geweken.--Doch, ik zie dat gij ook op reis gaat?" vraagde hij,
toen hij de kist zag, die Vrouwe Agnes juist bezig was te pakken.