VI.

Laat in den nacht kwamen Edrik, Osrik en Nils te Groendal aan. Zij

waren door en door nat, en vermoeid van het snelle loopen op

den moerassigen grond. Men had hunne afwezigheid bij het feest

ternauwernood opgemerkt. De mannen van rang lagen op den vloer van de

hal te slapen, de vrouwen waren in haar vertrekken en den dienaars

en soldaten waren plaatsen aangewezen in de schuren. Sommigen, die

wacht moesten houden, lagen in hun mantels gewikkeld in de open lucht

en gaven niet om koude of vochtigheid.

Voorzichtig over de slapende krijgslieden heenstappende, bereikten

de knapen eindelijk de groote hal. Bij het licht van het vuur zocht

Edrik zijn vriend Thorward op, en begon hem te schudden, totdat hij

er in slaagde hem te wekken.

"Thorward!" riep hij, "word dan toch wakker en sta op. De heidenen

willen ons overvallen. De Nornen hebben hen daartoe aangezet!"

"Wat is er aan de hand?"

"Ik ben het, Edrik!--Thorward, Thorward, sta dan toch op!"

"Heb ik niet de waarheid gesproken, toen ik zei: onkruid vergaat

niet. Daar zijt ge al weer terug. Uw vader zal boos op je zijn!"

"Dat komt er nu niet op aan. Sta op, en ga met mij mee!"

Eindelijk stond Thorward op en volgde Edrik. Deze verzocht hem even

te wachten en trad het vertrek binnen, waar zijn vader sliep.

"Wie durft hier binnen te dringen?" riep Sigvald. "Wat, Edrik!--Waar

hebt gij gezeten?"

"Vader, sta op en wapen u spoedig! Laat ons Leif en Eirik ook wekken;

de vijand is nabij. Wapen u, vader!"

"Waarom moet ik mij wapenen? Waar zijt gij geweest?"

"Als wij allen bij elkander zijn, zal ik u alles vertellen. Waar is

Eirik?--Waar is Leif?"

Onder het praten was Sigvald reeds bezig met zich te wapenen, waarbij

zijn vrouw hem hielp. Zij was blijde dat haar lieveling weer terug was.

Edrik's moeder vertelde hem, waar de oude Eirik lag en waar hij Leif

kon vinden, en hij maakte hen beiden wakker. Toen bracht hij hen met

Thorward bij zijn vader, en verhaalde aldus:

"Ik wilde eens zien hoe de priesters in den heidenschen tempel

hun antwoorden voor het volk gereed maken. Wij, Osrik Nils en ik,

kropen in het tempelhuis achter het boschje van Baldur. Wij vonden

de priesters druk bezig met toebereidselen te maken. Zij goten een

vloeistof in een metalen schotel, die in de holte van den offersteen

paste. Toen haalden zij drie vrouwen in sneeuwwitte mantels gekleed,

en vertelden haar wat zij zeggen moesten, om te maken dat de zoon van

Thassi, mijn vader en graaf Eirik, Leif en Thorward zou aanvallen. Het

begon te regenen en Ingvar kwam binnen met drie vrienden hij deed

drie vragen. Wij hebben ons toen hierheen gehaast, om u in tijds

te waarschuwen; zij kunnen dadelijk hier zijn. Maar maak de anderen

niet wakker; dat zou Ingvar bemerken en gij zoudt hem niet vangen,

en dat zou jammer zijn. Zij denken u onvoorbereid te overvallen,

maar ik wist wel beter! Nu zal ik hun toonen, welke goden de beste

zijn! Dezen weg uit, vader!"

En de knaap geleidde de mannen uit de hal in de vallei, die zij door

moesten trekken om Reikiavik te bereiken. Op ongeveer de helft van

den weg stond een boschje denneboomen. Zij besloten hier stil te

houden en den vijand af te wachten.

Zij waren daar nog geen half uur geweest toen Ingvar, zoon van Thassi,

de plaats naderde en spoedig zoo dicht bij kwam dat zij hem hadden

kunnen aanspreken. Bij Ingvar waren nog drie mannen, zoodat de krachten

der beide partijen vrij wel gelijk stonden.

Sigvald zag dat hun aantal niet groot was; hij kwam van onder de

boomen te voorschijn en trad de nieuw aangekomenen in den weg. Doch

hij bemerkte weldra dat hij hierin niet voorzichtig had gehandeld,

want in de morgenschemering zag hij in de verte de punten van wapens

glinsteren.

"Spoedig Edrik! maak de anderen wakker en breng ze hier, terwijl ik

deze lieden aan de praat houd!"

Edrik liep zoo snel hij kon naar huis terug, waar hij allen in groote

opgewondenheid vond. Freydisa had van Edrik's moeder vernomen wat

er aan de hand was, en had de krijgslieden gewekt, zoodat hij allen

gereed vond om den vijand aan te vallen.

Intusschen stond graaf Eirik met zijn zoons en met Thorward midden

op het pad en Sigvald sprak:

"Ik zal maar niet vragen, wat gij komt doen. Ik weet dat gij u op

mij wilt wreken. Welnu, wreekt u! Hier zijn wij!"

Ingvar sprak geen woord, maar hij trad voorwaarts en deed een slag

naar het hoofd van Sigvald. Doch deze was zeer sterk, en bekwaam in

het hanteeren der wapenen. Voor dat de slag kon neervallen, weerde

hij dien af met zijn strijdbijl, sprong toen ter zijde en hieuw met

zijn bijl naar Ingvar. De bijl spleet de ringen van diens helm en

trof hem in de wang, zoodat hij bewusteloos op den grond viel.

Thorward, Leif en Eirik maakten insgelijks korte metten met de anderen;

zij waren allen beproefde krijgers en hoewel hunne tegenstanders niet

te verachten waren, was de overwinning toch spoedig beslist.

Doch nu konden de vrienden zich van de talrijkheid van den naderenden

vijand overtuigen. Zij trokken zich daarom terug onder de boomen en

rug aan rug staande verdedigden zij zich tegen de overmacht.

Ongeveer twintig vrienden en bondgenooten van Thassi waren er; zij

kwamen om zijn verbanning en den val van Ingvar te wreken. Zij waren

er echter niet tijdig genoeg, want spoedig was het hun beurt om zich

te verdedigen. Sigvald's volgelingen en gasten, ongeveer honderd man,

aangevoerd door Thorfinn, kwamen de vrienden ontzetten; kleine Edrik

diende hun als gids.

Ingvar's vrienden trachtten te ontvluchten, maar Thorward trad met

Eirik en zijn zonen uit het bosch te voorschijn en sneed hun den weg

af, totdat hun vrienden nabij genoeg waren om van hun strijdbijlen

gebruik te maken. Slechts drie ontkwamen om het lot der anderen te

vertellen; vier werden gevangen genomen en de anderen werden gedood.

Het gedrag van kleinen Edrik bij deze gelegenheid dwong de goedkeuring

af van al de bewoners van het eiland. Niettegenstaande zijn jeugd,

werd hij in zijns vaders bende opgenomen, toen zij naar Groendal

terugkeerden.

Den volgenden morgen zouden de opperhoofden samenkomen om te

beraadslagen wat het beste zou zijn voor IJsland, òf om den

christelijken godsdienst tot heerschende te maken, òf om den

heidenschen priesters toe te staan hun godsdienstplechtigheden te

verrichten.

Als de oudste der opperhoofden legde Eirik het eerst zijn meening

bloot. Volgens hem had iedereen het recht zijn eigen inzichten te

volgen, en kwam het er niet op aan of hij in Christus of in Thor

geloofde, zoo lang hij slechts zijn plicht deed.

"Ik ben van den ouden tijd, ik zou niet passen in een wereld van

nieuwe denkbeelden. Ik ben een kind van Odin! Mijn hoofd is grijs. Ik

zag reeds meer dan zestig winters. Mijn hart begint te verlangen naar

het eind, om zich bij de dapperen daarboven te voegen, doch mijn hart

veracht den kalmen dood van een Christen. Ik wil in den slag vallen;

mijn lichaam en mijn wapenrusting zullen in een hoogen grafheuvel

begraven liggen, want ik blijf trouw aan den god mijner vaderen!"

Een donderende toejuiching der heidensche krijgslieden volgde op

deze rede, maar werd verdoofd door een geraas, dat den grond deed

schudden. Met een hevig gekraak schoot uit den top van een nabijgelegen

heuvel een dikke rookkolom naar boven, met zooveel kracht dat stukken

rots, groote blokken lava en een massa steenen omhoog vlogen. De

gloeiende lava op den grond kleurde den rookwolk met een rooden gloed,

zoodat het scheen alsof een groote vuurkolom omhoog steeg. Langs alle

kanten stroomde de lava van den heuvel langzaam voort naar de plaats

waar de "Ting" bijeen was.

"Nu zullen wij ons geloof eens op de proef stellen," zei de oude

Eirik. "Ik blijf hier. Als Odin zijn krijgers noodig heeft, zijn wij

bereid, doch als de God der Christenen zijn volgelingen wil redden,

laat hem dan nu zijn macht toonen!"

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken of de lava begon langzamer

te vloeien. De koude noordoosten wind verstijfde den stroom. Sommigen

uit het volk namen verschrikt de vlucht, maar de meesten bleven om

te zien hoe alles zou afloopen.

Graaf Eirik stond trotsch op zijn steen en riep uit:

"Vrienden! Het is duidelijk dat Odin en Thor den storm hebben

tegengehouden, omdat zij hun aanbidders wilden sparen, doch zij zijn

zeer vertoornd, anders zou dit wonder niet geschied zijn."

"Als dat het geval is," riep Yalto, "waren de goden dan boos, toen er

zestig jaar geleden niet anders dan aanbidders van Thor en Odin op

het eiland woonden, en toen toch was de lava, waarop wij nu staan,

een gloeiende zee! Neen, vrienden! ik lees de boodschap aldus: "God

is liefde, en hij wil niet dat ook maar een enkel Heiden verloren ga!""

Toen sprak Gizur: "Deze vreeselijke openbaringen van God's almacht

worden door de aanbidders van Odin gebruikt om de minder verstandigen

te bedriegen. Ik beroep mij op de knapen; zij hebben in den tempel van

Baldur de bedriegerijen der heidensche priesters gezien. Zij zagen

hoe de vrouwen, gekleed als godinnen, voorbereid werden om hun rol

te spelen; maar dit is geen bedriegerij, wij hebben niets gedaan om

deze verschrikkelijke gebeurtenis te veroorzaken. Onze God is geen

God des toorns, maar een God der liefde!"

Zelfs die Heidenen, die in dit alles niets dan toeval zagen, waren

getroffen door Gizur's woorden.

Na een stormachtige bijeenkomst gaven de afgevaardigden der twaalf

afdeelingen van het eiland hun toestemming om in elke afdeeling een

christenkerk te bouwen, waarna de vergadering uiteen ging om bij

Sigvald het middagmaal te gebruiken. Daar gekomen bevond men dat

de vier gevangenen, die men in het gevecht gemaakt had, nergens te

vinden waren. Zij waren dus ontvlucht.

Ongeveer een maand later werd te Reikiavik een dubbel huwelijk

gesloten. Thorfinn en Leif hadden de twee zusters Guthrida en Hallfrida

naar het altaar geleid. Nooit werd er, vóór of na dien tijd, vroolijker

bruiloft op IJsland gevierd. Iedereen was verheugd, behalve Freydisa,

die een weinig jaloersch scheen te zijn, dat een ander huwelijk het

hare in de schaduw stelde.

Groote feesten werden er gegeven. Voor Leif en zijn bruid was

te Helgastad een huis in orde gebracht, terwijl voor Thorfinn en

Hallfrida een dergelijke woning was gereed gemaakt te Drakenness. Het

schijnt dat Freydisa niet kon velen dat Thorfinn en zijn vrouw op

grootscher voet leefden dan zij zelve. Zij legde op dit punt een

groote gevoeligheid aan den dag, die een verkoeling tusschen Thorfinn

en Thorward ten gevolge had. Dit moet men wel in het oog houden om

de volgende gebeurtenissen te kunnen begrijpen, als ook dat Thassi's

familie van Noorweegsche afkomst was.

Zoodra de feestelijkheden afgeloopen waren, gingen de jongens

te Groendal toebereidselen maken voor den naderenden winter. De

sneeuwschoenen en de sleden werden te voorschijn gehaald, en er

werden maatregelen genomen om vooral van de berenjacht te genieten,

hoewel die in 't algemeen voor jongens gevaarlijk werd geacht.

Niets vonden zij aangenamer dan om naar de bosschen van Krakenness te

gaan om dennetakken te halen, om de groote hal te versieren voor het

Joelfeest. Dit feest wordt nog in het noorden gevierd, zonder eenige

poging om het onder den naam Kerstmis te vermommen.

De drie knapen voerden een druk gesprek, terwijl zij over de sneeuw

met hun sleden op weg waren naar Krakenness. Achter hen kwam een

boerenslede om de takken op te leggen. De jongens konden veilig op hun

kleine IJslandsche pony's vertrouwen, totdat de sneeuw dikker begon te

vallen en zij dus hun aandacht meer aan den weg moesten wijden. Zij

matigden hun vaart, maar toch gleden de sleden gelijk voort, totdat

die van Nils plotseling wegzonk. Het kleine paard viel op zijde en

Nils verdween in een hol, dat gedeeltelijk tegen den wind beschut,

niet geheel en al was volgesneeuwd. Door deze losse sneeuw rolde de

kleine Noorman heen, totdat hij op iets warms en zachts stuitte. Het

paard schrikte hevig en rende, met de slede achter zich, van waar

het gekomen was. De andere paarden schenen eveneens door den schrik

bevangen te zijn, want zij volgden zoo snel als zij maar konden.

Zoodra zij bemerkten dat de paarden niet meer te regeeren waren,

sprongen de knapen uit de sleden op de sneeuw. Hun kleeding van

zeehondenvel beschermde hen toch tegen koude en vochtigheid.

Nils bevond zich in een neteligen toestand. Toen namelijk de zachte en

harige massa, waarop hij gevallen was, zich begon te bewegen, kwam hij

tot de ontdekking dat hij op een slapenden beer was neergekomen. Hoewel

hij, toen hij dicht bij het nieuw ontdekte land was, den wensch had

geuit om eens op de berenjacht te kunnen gaan, herhaalde hij dien

wensch nu toch niet. Nu had hij een beer, maar hij kon de onaangename

gedachte niet bedwingen dat hij den beer niet had, maar de beer hem.

Hij herstelde zich echter spoedig van den schrik en sprong het hol

uit. Hij liep zoo snel hij kon naar den naastbijstaanden boom, en

klom met groote vlugheid naar boven. Maar de beer gaf hem in vlugheid

niets toe en in de klimkunst kwam de knaap met zijn viervoetigen

vijand niet in vergelijking. Gelukkig was hij hem echter vooruit en

maakte van dit voordeel een goed gebruik.

Elke knaap was voorzien van een kleine, scherpe bijl, die hij los in

den gordel droeg en welke diende om de takken af te slaan. Bovendien

hadden zij ook elk een jachtspeer, zooals die gewoonlijk door de

vrijen gedragen werd, maar hun speren waren lichter dan die der mannen.

Toen Nils in den boom klom, liet hij zijn speer vallen. De beer hield

stil en scheen eerst eens goed te willen onderzoeken wat het was,

voordat hij zich verder waagde. Dit gaf Nils meer tijd en toen hij

zoo hoog mogelijk in den boom was geklommen, nam hij zijn bijl in de

hand, en zijn voeten zooveel mogelijk terug trekkend, boog hij zich

voorover om den beer af te wachten. Al dien tijd door riep hij tot

zijn vrienden: "Helpt! Edrik, Osrik, helpt!"

De beer klom bedaard verder, zonder zich veel te haasten maar met een

blik alsof hij zeggen wilde, dat hij zeker was van zijn prooi. Nils

wachtte totdat een klauw van het monster binnen zijn bereik was,

en gaf er toen met zijn scherp wapen zulk een slag op, dat hij den

poot bijna van het lichaam scheidde.

Doch de beer achtte het beneden zich om te toonen, dat hij pijn had;

hij steunde nu op zijn anderen poot en klom een weinig hooger in

den boom, die nu onder zijn gewicht begon te buigen. Dit maakte den

beer voorzichtig en daardoor kreeg Nils den tijd om ook den anderen

klauw een slag toe te brengen. De tweede slag was echter veel zwakker

dan de eerste, en hoewel hij tot op het been trof, verlamde hij het

monster niet. Stellig had de knaap het leven er bij ingeschoten als

de anderen hem niet waren komen helpen.

Zij kwamen alleen, want de boer was bezig met zijn verschrikt paard

de pooten bij elkaar te binden. Hij wist dat zijn paard noodzakelijk

was om de jongens naar huis te brengen.

Edrik en Osrik konden niet snel voortkomen; hun sneeuwschoenen

lagen in de sleden, waarmee de paarden op hol waren gegaan,

en zij zonken daardoor zoo diep in de sneeuw, dat zij bijna niet

voortkonden. Gelukkig hadden zij hun speren vastgehouden, toen zij

uit de slede sprongen; bovendien staken de bijlen in de gordels,

zoodat zij geheel gewapend waren.

Edrik bereikte den boom het eerst; hij hield zijn speer in de

rechterhand, sloeg zijn beenen om den stam en werkte zich zoo met

behulp van zijn vrije hand naar boven. Zoodra hij dichtbij genoeg

was, stak bij de speer zoover hij kon in de zijde van het monster,

maar daar hij zich moest vasthouden, had hij geen kracht genoeg om

den stoot doodelijk te maken.

De beer begon snel naar beneden te klimmen, doch daar trof hij Osrik

aan, dien hij te gemoet ging op de achterpooten loopend, met de

voorpooten uitgestrekt, alsof hij den knaap wilde omhelzen. Osrik gaf

hem een flinken stoot met de speer, maar bruin, woedend van pijn, rende

voort. Osrik ontweek hem en sprong achter den boom. De beer liet zich

op zijn vier pooten zakken en toen Edrik hem onder zich zag, sprong

hij hem, zonder zich een oogenblik te bedenken, boven op den rug.

Bruin brulde het uit, draaide den kop om, liet zijn vreeselijke

tanden zien en trachtte zijn vijand te grijpen. Maar Edrik bleef

stevig zitten, greep zijn bijl en sloeg met een flinken slag den

ruggegraat van het monster doormidden.

Juist toen hij dood neerviel, kwam de boer om de knapen te helpen,

die zoo goed getoond hadden dat zij het zonder hulp wel afkonden. Hij

was verbaasd dat zulk een groote beer door drie knapen gedood was.

"Edrik heeft hem gedood. Hoe krijgen wij hem nu naar huis?" zei Osrik.

"Ik weet het waarlijk niet; hij is te zwaar voor de slede. Bovendien

maakt alleen de lucht van het dier het paard dol."

Intusschen was Nils uit zijn boom geklommen.

"Hoor eens, Finn Glaffson!" zeide hij, "rijd terug naar Groendal en

breng den graaf met zijn gasten hier om den beer te zien. Gij kunt

er zeker van zijn dat gij ze allen op den weg zult aantreffen, want

onze paarden zijn stellig regelrecht naar Groendal gerend!"

Na een korte beraadslaging kwam men tot het besluit dat dit het beste

zou zijn, en dat de jongens zouden achterblijven om te maken dat de

wolven zich niet aan den beer te goed deden.

"Nu hebben wij het recht om de huid van den beer op onze schilden te

dragen," zei Edrik, toen de boer vertrokken was.

"Neen, Edrik! gij alleen hebt het recht daartoe, want gij hebt den

beer gedood," antwoordde Osrik.

"Geef mij maar liever de eer," riep Nils, "want als ik niet op hem

gevallen was, zouden wij zonder beer het bosch verlaten hebben."

"Dat is waar," zei Edrik, "en ik geloof dat wij het beste zullen doen

met den prijs te verdeelen; de huid zal wel groot genoeg zijn!"

Edrik, de Noorman · 第 7 / 15 题