Het ijs lag op de kust voor Reikiavik aan het eind van den zomer,
en spoedig zou het weer winter zijn en de lange dagen gevolgd worden
door lange nachten.
Op den laatsten dag van September verschenen drie sterk gebouwde
schepen van metalen platen voorzien, om weerstand te kunnen bieden
aan het ijs. Zij waren met krijgslieden bemand, zooals bleek uit de
schilden aan de zijden van de vaartuigen. Het waren de Sleipner,
de Rolf Krake en de Nagelfari, die den ouden Eirik naar de stad
Reikiavik brachten.
Toen de schepen de haven van Reikiavik inzeilden, was Eirik, de Roode,
verwonderd over het vroolijk geluid der kerkklokken, die de Christenen
riepen tot aanbidding van den God des vredes. In den korten tijd van
twee maanden hadden de priesters wonderen verricht. Wel is waar was
de kerk weinig meer dan een groote schuur, maar toch was het een kerk
en er was overvloed van altaarstukken en zilveren vaatwerk.
"Wat nu!" riep hij uit. "Wat is er te doen daar ginds? Het is een
zonderlinge muziek. Kijkt eens naar den hond; hij is ook verwonderd
en zou zijn ooren opsteken als zij niet te zwaar waren. Hoort hem
eens blaffen!"
Eenige der inwoners, die het Christendom nog niet omhelsd hadden,
waren bezig hun booten op het strand te trekken. Sommigen verstelden
netten, doch toen de drakenschepen in 't gezicht kwamen, lieten
allen hun bezigheden varen en haastten zich naar den inham der baai,
waarheen de schepen koers zetten.
Onder hen, die zelfs uit de kerk wegbleven, waren Sigvald, Thorfrida
en Freydisa met haar echtgenoot Thorward; zij keerden haastig terug
om de bezoekers te verwelkomen.
De oude man, die als een standbeeld aan den stuurriem van de Nagelfari
stond, werd door Sigvald als zijn vader herkend. Hij ijlde naar het
strand om een boot te water te laten, ten einde de eerste te zijn,
die hem begroette. Maar zijn vrouw volgde hem en zij bereikten het
kleine vaartuig te gelijk. Ook Thorward en zijn vrouw Freydisa bleven
niet achter.
"Nu, Sigvald!" zeide zijn vrouw, "het is geen schande, als uw boot
geroeid wordt door uw vrouw en uw vriend, en als zijn vrouw ook een
riem ter hand wil nemen, des te beter. Daar komt Oleg Arfordson met
Brenda; laten zij ons helpen. De drakenschepen komen reeds nader. Het
zou schande zijn als zij landden, voordat wij uw vader begroet hadden!"
Een paar riemslagen brachten hen op zijde van de Nagelfari en de
krijgsman was geroerd over hun kinderliefde. De lange riemen, waarmee
het drakenschip werd voortgestuwd, werden ingenomen, het zeil werd
neergehaald en spoedig waren allen uit de boot aan boord.
"Welkom in Reikiavik, mijn vader!" riep Sigvald. "O, allen zullen zich
verheugen, dat zij u terugzien. Gij zijt opnieuw jong geworden, vader!"
"Neen, Sigvald! niemand wordt jong opnieuw, doch wij weten dat een
IJslandsche winter sterk en krachtig is tot op het einde."
"Ja, dat zal het zijn.--Welk nieuws brengt ge?"
"Een heel zonderling nieuws. Byarn heeft een land gevonden, dichter
bij de ondergaande zon dan Groenland en waar overvloed heerscht. Kijk
eens naar dien baal wol daar. Dat is een jonge hond uit dat land;
uw zoon heeft hem meegebracht,"
Edrik lag in de armen zijner moeder en in de vreugde over het
wederzien, had hij Njord geheel vergeten, die nu al waggelend en
snuffelend kwam aankopen om zijn jongen meester te zoeken.
Het nieuws van Byarn's ontdekking verbreidde zich spoedig, en weldra
was de hal van het kleine raadhuis te Reikiavik vol nieuwsgierigen.
Toen allen verzameld waren, sprak Eirik, de Roode, als de oudste van
de opperhoofden, in wier handen het burgerlijk bestuur van IJsland
berustte, de vergadering in een korte rede toe, en deelde haar het
nieuws van Byarn's ontdekking mede. Eirik vertelde ook den mannen
van IJsland, welke aardige honden er in dit New-Foundland gevonden
werden, en als een bewijs daarvan verzocht hij zijn kleinzoon om den
vergaderden Njord te laten zien. Verder weidde hij uit over de herten,
die hij als zeer zachtmoedig beschreef. Nu gaf hij Byarn het woord
om zijn geschiedenis zelf te vertellen.
Met al de rondheid van een zeeman wierp Byarn de verdienste van de
ontdekking ver van zich af en op Edrik. Hij vertelde dat de tocht,
voor zoover hij er in betrokken was, een mislukking was geweest. Hij
was van den weg afgedwaald, had Leif uit het oog verloren en in den
blinde voorwaarts sturend, had hij dit nieuwe land gevonden, dat hij
eerst voor Groenland had aangezien.
Byarns bescheiden taal oogstte bijval in en aller oogen wendden zich
naar kleinen Edrik, die met een troep knapen bij de deur stond, en
hun vertelde van den grooten haai, wat den knapen veel belangstelling
scheen in te boezemen.
Toen sprak de oude priester de vergadering aldus aan:
"Lieve vrienden, Christenen! en ook gij die het licht nog niet
ontvangen hebt, gij hebt gehoord wat Byarn daar gezegd heeft van die
westelijke landen. Ik zie daarin een reden om ons te verheugen; ik
hoop dat daardoor nieuwe velden voor ons zullen geopend worden, waar
wij de liefde en de kennis van Christus zullen kunnen verspreiden."
Toen stond Eirik, de Roode, op en zeide:
"Goede priester! Uw woorden zijn zachtmoedig en uw hart is
rechtvaardig, daar ben ik zeker van. Maar er zijn velen, die geleefd
hebben en gestorven zijn in het oude geloof aan Odin. Het is zoo
innig met ons geliefd Noorden verbonden, dat het ons toeschijnt, dat
als wij het eene loslaten, wij ook het andere zullen verliezen. Het
komt mij voor, dat uwe Christelijke leerstellingen niet voor ons
Noorden geschikt zijn. Zij zijn te week en te zacht. Wij zijn hard
als ijs, vast als de rots! Uw godsdienst leert zachtmoedigheid, vrede,
vergiffenis en liefde. Wij mogen een vijand na zijn dood vergiffenis
schenken, maar eerder niet! Als wij dat deden zouden wij onze gezinnen
en onze woonplaatsen aan onze vijanden overleveren. Hoe kan een profeet
uit het zuiden, onder een warmen hemel geboren, oordeelen over ons,
in ijs en stormwind opgebracht, als de Noordsche pijnboom. Neen,
priester! ik gevoel veel eerbied voor u, maar ik zal nooit het geloof
van Odin voor het uwe verlaten!"
De Heidenen, die tegenwoordig waren, juichten de rede van Eirik toe;
maar van weerskanten werd er in 't geheel niet aan gedacht naar de
wapenen te grijpen. Ook Freydisa keek, alsof zij het meer met Eirik
eens was dan met den Christenpriester en gaf den ouden krijgsman
een blik van instemming. Vervolgens deden eenigen Byarn allerlei
vragen over zijn tocht, waarna Leif Eirikson opstond en zijn vader
aldus aansprak:
"Waarde vader, edele Eirik Thorwaldson! Ik zou gaarne mijn geluk op
die verre kusten willen beproeven. Heb ik uw volle toestemming om
het avontuur te wagen?"
"Zeker, mijn jongen! Ik geef u mijn volle toestemming, en ik denk dat
ik met u mee zal gaan. Byarn zal ons dan den weg wijzen, natuurlijk
als hij dat wil"
"Dank u, Eirik Thorwaldson!" zei Byarn, "maar ik verzoek u mij daarvan
te verschoonen. Ik heb den volgenden zomer noodig om mijn huis te
herstellen en ik zal Sigvald Eirikson vragen mij van paarden te
voorzien. Binnen twee of drie dagen rijd ik heen. Ik verlang er naar
om den winter en den blijden IJslandschen zomer in mijn eigen woning
door te brengen. Natuurlijk ben ik bereid u alle hulp te verleenen,
waartoe ik in staat ben, maar ik weet waarlijk niets meer dan dat ik
door de mist mijn berekening miste en verdwaalde."
"Wel Byarn! wij leven in een vrij land. Gij kunt doen wat gij wilt;
maar wilt gij mij dan uw schip verkoopen?"
"Zooals gij dat wilt, graaf Eirik! Gij zult niet te weinig geven,
noch ik te veel vragen. Het schip is dus het uwe. Vergeet niet,
graaf! op reis eenige raven mee te nemen; zij zijn de zekerste gidsen".
De prijs voor het schip werd vastgesteld, en de geheele vergadering
verliet de hal en ging in optocht naar het strand. Eirik en Byarn,
met twee voorname hoofden, gingen in een boot aan boord, vergezeld
door twaalf beproefde vrienden, die als getuigen moesten dienen. In
het bijzijn van allen nam Byarn den stuurriem in de hand en gaf de
greep plechtig aan Eirik over met de woorden:
"Neem dit schip met mast en zeil en riemen, juist zooals het is, zonder
dat gij verder eenig recht op mij hebt, als gij soms teleurgesteld
mocht worden. Ik neem in betaling aan drie honderd marken in goud,
in waarde gelijkstaande met vijftienduizend ellen van het beste
Wadmal laken."
"Ik neem uw schip," zei Eirik, "zooals het is. Ik zal niet tot u
komen om een gebrek te laten herstellen, noch u ooit meer betalen."
Nu dronken zij samen wijn en voordat zij aan land gingen, sneed
Byarn een eind van een der touwen af en stelde dit Eirik ter hand,
die toen Byarn een half el blauw laken ten geschenke gaf.
Dit bevestigde den koop evengoed, als al het geschrijf van den
tegenwoordigen tijd.
De twee herten, die nog in leven waren, werden aan land gebracht en
Sigvald noodigde allen uit bij hem het middagmaal te gebruiken en
den nacht in zijne woning te Groendal door te brengen. Met gejuich
werd dit gastvrij aanbod aangenomen. De knechten deden hun best om
hun meester genoegen te doen en de oude graaf was zoo opgeruimd,
dat zijn vroolijkheid al de anderen scheen aan te steken.
Zooals wij reeds gezegd hebben waren er onder de gasten meer zonen
van Odin dan Christenen. De voornaamste leider der Christenen, die,
zooals wij vroeger verteld hebben, op het tweede schip door Leif in
de haven gebracht waren, heette Yalto, die door de priesters van Odin
verbannen was. De tweede was bekend als Gizur, en werd de "Witte"
genoemd, niet alleen om de kleur van zijn baard, maar ook omdat al
zijn daden rein waren.
Deze mannen worden genoemd als de eerste invoerders van het Christendom
op het eiland. Daar er zooveel Heidenen op het eiland waren, was het
onmogelijk al de Heidensche gewoonten af te schaffen. Zij poogden
de heidensche feesten te herscheppen in Christelijke plechtigheden;
Paschen, Kerstmis en zoo meer, zijn de Christelijke vormen van oude
Heidensche feesten.
Er waren verscheidene Heidensche tempels op IJsland en een daarvan
bevond zich op een afstand van ongeveer een uur van Groendal. Op den
morgen na het feest bij Sigvald, ging een aantal Heidenen daarheen
om de schikgodinnen, het Verleden, het Tegenwoordige en de Toekomst
(Urder, Verdandi en Skuld) te vragen, wat zij doen moesten om de
gunst der goden te winnen. Onder hen bevond zich ook Ingvar, zoon van
Thassi, die, zooals de lezer zich herinneren zal, getracht had Leif
te dooden. Thassi was door de groote vergadering, de Ting, verbannen
en had IJsland moeten verlaten. Zijn zoon, vast besloten om wraak te
nemen, had het plan opgevat om Thorward een strik te spannen, Leif
Eirikson te dooden, en kleinen Edrik te stelen, en daar het bezoek
van den ouden Eirik hun allen zooveel vreugde gaf, had hij besloten
dat ook de oude krijgsman als slachtoffer zou vallen.
Natuurlijk bleef Ingvar ver van Sigvalds hal, maar hij had te Reikiavik
vrienden, op wie hij zich kon verlaten. Daar ging hij heen en hij
bleef bij hen tot op den morgen van het feest, waarop al de Heidenen
zich naar den ouden tempel en de Christenen zich naar de kerk zouden
begeven.
De tempel was een schoon gebouw, waarin de beelden der goden bewaard
werden. Buiten stonden de groote offersteenen, zooals die in Noorwegen
nog hier en daar gevonden worden.
Ingvar gordde zijn wapenrusting aan en zette den helm op met de
arendsvleugels, die hem als een zoon van Odin deden kennen, nam zwaard
en dolk, en met zijn strijdbijl op den schouder, ging hij op vóór
de anderen naar den tempel, om eer te bewijzen aan Thor, den god,
dien hij het liefst had. Zij, bij wie Ingvar zijn intrek genomen had,
gingen in hun gastvrijheid zoo ver, dat zij beloofden met hem naar den
tempel te gaan en deel te nemen aan al zijn avonturen. Zij volgden
hem eveneens gewapend, en bereikten den ingang van het boschje,
waarin de tempel lag.
Doch er stak een hevige storm op, met hagel en donder, terwijl de
bliksemstralen den omtrek verlichtten. Daarbij viel de regen neer
als een zondvloed.
Ingvar en zijn vrienden waren niet bang voor het onweer, maar zij
wilden toch liever hun maliënkolders niet door het water laten
roesten. Zij poogden ze droog te houden en zochten dus zoo spoedig
mogelijk een schuilplaats in den tempel.
Het was pikdonker toen zij ten laatste de breede deur bereikten:
een lichtstraal toonde hun aan waar zij zich bevonden, maar toen zij
binnengetreden waren, bevonden zij zich weer in de diepste duisternis.
"Wat is het donker!" zei Ingvar, "ik kan geen hand voor oogen zien. Als
het mij niet om wraak te doen was, dan zou het mij bijna spijten de
stad verlaten te hebben, doch als ik denk aan alles wat Thassi te
lijden heeft in zijn verbanning, dan voel ik mij sterk om alles te
doorstaan. Bij Thor! was wat dat!"
Een hevige bliksemstraal scheen de zoldering, den vloer en de muren
van de ruime hal in vuur te zetten. Bij het felle licht kon men
drie groote steenen onderscheiden, die tegen den westelijken muur
stonden. De vrienden hadden deze steenen dikwijls gezien, maar nu
zagen zij op elken steen een vrouwelijke gestalte, in een vlekkeloos
wit kleed. Elk van hen hield een spinnewiel in de hand. De eene wees
met haar spinnewiel recht voor zich uit; de middelste scheen bezig
te zijn met garen op te winden, en het spinnewiel van de derde was
reeds vol, terwijl zij er mee achter zich wees.
"De nornen (schikgodinnen) in eigen persoon," riep Ingvar uit,
volstrekt niet van zijn stuk gebracht. "Gevreesde zusters! ik wil
mijn leven en al wat ik bezit opofferen voor de wraak! Zeg wat ik
doen moet!"
Terwijl Ingvar en zijn drie metgezellen naar de vrouwen staarden,
zagen zij dat de lippen van haar, die met het spinnewiel achter zich
wees, zich langzaam bewogen. Zij zong met heldere stem het volgende:
"In ballingschap heeft er uw vader geleden.
Zijn vlucht en zijn smarten behooren 't Verleden:
Als balling heeft Thassi het langste geleefd,
Eens komt de tijd weer, dat iedereen beeft."
"Gevreesde Urder! ik dank u! Nu, Verdandi, ik vraag u hoe ik handelen
moet?"
Toen zong de middelste maagd, steeds voortgaande met haar garen op
te winden, op de maat der beweging:
"Is 't u om wraak te doen, rijd moedig voorwaarts dan,
Uw vijanden zijn daar, versla ze als een man;
Zij zijn reeds in uw macht, dat is 't, wat 'k zeggen kan."
"Voor dit antwoord offer ik u een gouden armband dikker dan mijn
arm! Maar nu zal ik Skuld nog een vraag doen. Zal het mij gelukken
om Leif, Thorward, Eirik en den knaap te verslaan?"
Toen antwoordde de derde norn met haar spinnewiel voor zich uit
wijzende:
"De toekomst is donker, in duisternis gehuld;
Ik ken uw plan om wraak, ik zie het niet vervuld;
Rijd moedig voorwaarts maar, doch steeds op rechte paân:
De morgen brengt zoo licht u ongeluk nog aan."
"Ha!" riep Ingvar uit, "treft dat ongeluk mij of mijn vijanden? Ik zal
het laatste gelooven, want dat past bij 't geen de andere nornen gezegd
hebben. Ik leg hier aan uw voeten drie gouden armbanden; als ik slaag,
kom ik morgen terug met den armband, dien ik Verdandi beloofd heb."
Het spookachtig licht, dat op den altaarsteen brandde, ging uit en er
heerschte een diepe duisternis. Plotseling verlichtte een bliksemstraal
de hal, en daarbij konden de toeschouwers zien dat de steenen ledig
waren--doch ook de armbanden waren verdwenen!