bewezen worden, maar in twintig percent van oude gevallen van syphilis
is het gewoonlijk onmogelijk sporen te vinden van de ziekten of
een geschiedenis ervan te verkrijgen. Crocker vond, dat hij maar
in tachtig percent van absoluut zekere syphilitische huidziekten
een geschiedenis kon verkrijgen van syphilitische infectie, en Mott
vond precies hetzelfde percentage in absoluut zekere syphilitische
hersenveranderingen; Mott meent (bv. "Syphilis in Relation to the
Nervous System", British Medical Journal, January 4, 1908), dat
syphilis de essentieele oorzaak is van algemeene paralyse en van tabes.
[225] Andry, La Semaine Médicale, 26 Juni, 1907. Als Europeanen
syphilis overbrengen naar landen, die bewoond worden door menschen
van een lager ras, dan zijn de resultaten dikwijls zeer veel erger
dan bovengenoemde. Zoo vond Lambkin, als resultaat van een speciale
zending, om onderzoek te doen naar de syphilis in Uganda, dat in
sommige districten wel negentig percent van de menschen aan syphilis
lijden en dat vijftig tot zestig percent van de kindersterfte het
gevolg is van deze oorzaak. Uganda wordt bewoond door de Baganda,
een stam, intelligent, krachtig en goed georganiseerd, totdat zij
door de syphilis in het volle genot kwamen van de beschaving en van
het Christendom; dit laatste is (zooals Lambkin zegt) in hooge mate
de oorzaak geweest van het verspreiden van de ziekte, doordat het
maatschappelijke gewoonten omverwerpt en de vrouwen vrij maakt. Het
Christendom is machtig genoeg om een oude moraal omver te werpen,
maar niet machtig genoeg om een nieuwe op te bouwen (British Medical
Journal, October 3, 1908, p. 1037).
[226] Zelfs binnen de grenzen van het Engelsche leger vindt men in
Indië (H. C. French, Syphilis in the Army, 1907), dat venerische
ziekten tienmaal meer voorkomen onder Engelsche troepen dan onder de
troepen, die door inboorlingen gevormd worden. Als men de uit de volken
zelf voortkomende legers niet mederekent, blijkt uit statistieken van
ziekenhuizen en sterftetabellen, dat de Vereenigde Staten verreweg
bovenaan staan, wat het veel voorkomen van venerische ziekten betreft;
ze worden gevolgd door Engeland, dan Frankrijk en Oostenrijk, Rusland
en Duitschland.
[227] Er bestaat geen strijd over den ouderdom van de gonorrhoe in de
oude wereld, zooals over de syphilis. Ongetwijfeld was de ziekte al
heel vroeg bekend. Zelfs Esar Haddon, de bekende koning van Assyrië,
over wien in het Oude Testament gesproken wordt, werd door de priesters
behandeld voor een kwaal, die, naar beschreven wordt in de op steenen
geschreven mededeelingen van dien tijd, alleen gonorrhoe kan geweest
zijn. Deze ziekte was ook bekend aan de oude Egyptenaren, en kwam
blijkbaar veel voor, want zij vermeldden allerlei voorschriften voor
de behandeling ervan. (Oefele, "Gonorrhoe 1350 vor Christi Geburt",
Monatshefte für Praktische Dermatologie, 1899, p. 260).
[228] Zie: Memorandum by Sydney Stephenson, Report of Ophthalmia
Neonatorum Committee, British Medical Journal, May 8, 1909.
[229] Het veelvuldig verspreid zijn van deze droeve gevolgen der
gonorrhoe wordt b.v. in een uitgebreide verhandeling van Taylor,
American Journal Obstetrics, January 1, 1908 uiteengezet.
[230] Neisser vermeldt cijfers, die betrekking hebben op het veel
voorkomen van de gonorrhoe in Duitschland, Senator en Kaminer, Health
and Disease in Relation to Marriage, deel II, p. 486-492.
[231] Lancet, September 23, 1882. Wat vrouwen aangaat, heeft
Dr. Francis Ivens (British Medical Journal, Juni 19, 1909) in Liverpool
gevonden, dat 14 percent van de gynaecologische gevallen blijk gaven
van de aanwezigheid van gonorrhoe. De patienten waren gewoonlijk arme
fatsoenlijke getrouwde vrouwen. Waarschijnlijk is het aantal zoo groot,
doordat Liverpool een drukke zeehaven is, maar het is minder dan de
taxatie van Sänger op 18 percent.
[232] E. H. Grandin, Medical Record, May 26, 1906.
[233] E. W. Cushing, "Sociological Aspects of Gonorrhoea", Transactions
American Gynecological Society, vol. XXII, 1897.
[234] Alleen in heel kleine gemeenschappen, geregeerd door een
autocratische macht met absolute autoriteit om toestanden te
controleeren en menschen van beide seksen te onderzoeken, heeft
reglementeering eenig effect. Dit wordt door Dr. W. E. Harwood
aangetoond, die het systeem beschrijft, dat hij organiseerde in
de mijnen van de Minnesota Iron Company (Journal American Medical
Association, December 22, 1906). De vrouwen in de bordeelen op het
grondgebied van deze onderneming waren van den laagsten stand, en
er heerschte veel ziekte. Zorgvuldig onderzoek van de vrouwen werd
ingesteld, en contrôle op de mannen, die, zoodra zij ziek werden,
verplicht waren te zeggen, door welke vrouw zij geïnfecteerd waren
geworden. De vrouw moest de rekening van den dokter betalen van
den man, dien zij geïnfecteerd had, en zelfs zijn onderhoud, als
hij voor zijn werk ongeschikt was, en de vrouwen werden gedwongen
een fonds te onderhouden voor haar eigen verplegingskosten, als die
noodig waren. Op deze wijze werden venerische ziekten, hoewel ze niet
geheel uitgeroeid werden, toch aanmerkelijk verminderd.
[235] Een duidelijke en begrijpelijke uiteenzetting van den
tegenwoordigen stand van zaken wordt door Iwan Bloch gegeven, Das
Sexualleben unserer Zeit, hoofdst. XIII-XV. Hoezeer het systeem
van politieregeling zonder resultaat is, zelfs in Duitschland,
waar inmenging van de politie in zoo hooge mate verdragen wordt,
kan duidelijk blijken uit het geval van Mannheim. Hier is de
reglementeering van de prostitutie zeer streng en grondig; toch toonde
een nauwkeurig onderzoek van de dokters van Mannheim (waarvan er twee
en negentig in bijzonderheden gaande verslagen inzonden), in 1905 aan,
dat van de zes honderd gevallen van venerische ziekten bij mannen,
bijna de helft opgedaan was bij prostituées. Ongeveer de helft van
de overige gevallen van infectie, (bijna een kwart van het geheel)
had plaats gevonden door kellnerinnen en buffetjuffrouwen; dan volgden
dienstmeisjes (Lion en Loeb, in Sexualpädagogik, the Proceedings of the
Third German Congress for Combating Venereal Diseases, 1907, p. 295).
[236] Een zesde, minder talrijke klasse zou men hier aan toe kunnen
voegen van de jonge meisjes, dikwijls niet meer dan kinderen, die
verkracht zijn door mannen, die meenen, dat omgang met een maagd een
geneesmiddel is voor hardnekkige venerische ziekte. In Amerika wordt
dit dikwijls geloofd door Italianen, Chineezen, negers, enz. W. Travis
Gibb, de medicus, die de onderzoekingen doet voor de New Yorksche
maatschappij ter voorkoming van wreedheid aan kinderen, heeft meer dan
900 kinderen, die verkracht waren, onderzocht (maar een klein aantal
van de gevallen, die werkelijk voorkomen, zegt hij), en vindt, dat
dertien percent venerische ziekten hebben. Een tamelijk groot aantal
van deze gevallen, onder meisjes van twaalf tot zestien jaar zijn,
naar hij zegt, gewillige slachtoffers. Ook Dr. Flora Pollack, van de
polikliniek van het Johns Hopkins Hospital, taxeert, dat in Baltimore
alleen van 800 tot 1.000 kinderen tusschen den leeftijd van een en
vijftien ieder jaar met venerische ziekten worden geïnfecteerd. Het
grootste aantal, vindt zij, is op den leeftijd van zes, en de
voornaamste oorzaak schijnt te zijn, niet wellust, maar bijgeloof.
[237] Voor een bespreking van de geërfde syphilis zie men b.v. Clement
Lucas, Lancet, February 1, 1908.
[238] Veel kwaad is in sommige landen gedaan door de dwaze en verkeerde
gewoonte van genootschappen en ziektekassen om geen notitie te nemen
van venerische ziekten, en geen vrije medische hulp te verschaffen
of ziekte-toelage aan die leden, die er aan lijden. Deze gewoonte
heerschte bv. in Weenen tot 1907, toen er een meer humane en verlichte
gedragslijn ingevoerd werd, en venerische ziekten op hetzelfde niveau
geplaatst werden als andere ziekten.
[239] Actieve maatregelen tegen de venerische ziekten werden in
Zweden ingevoerd in het begin van de vorige eeuw; ook verplichte en
kostelooze behandeling. Verplichte aangifte werd vele jaren geleden
in Noorwegen ingevoerd, en in 1907 verminderde het aantal gevallen
van venerische ziekten zeer; er is verplichte behandeling.
[240] Zie bv. Morrow, Social Diseases and Marriage, hoofdst. XXXVII.
[241] Een commissie van de Medical Society van New-York, in 1902
benoemd om deze kwestie te overwegen, bracht rapport uit ten gunste van
de aangifte zonder namen en adressen te geven, en Dr. C. R. Drysdale,
die een werkzaam aandeel nam in de Internationale Conferentie in
Brussel van 1899 raadde een dergelijk plan aan voor Engeland, British
Medical Journal, Februari 3, 1900.
[242] Zoo werd in München, in 1908 een man, die een dienstmeisje met
gonorrhoe geïnfecteerd had, om deze reden voor tien maanden naar de
gevangenis gezonden. De stand der meeningen in Duitschland tegenwoordig
over dit onderwerp wordt geresumeerd door Bloch, Sexualleben unserer
Zeit, p. 424.
[243] A. Després, La Prostitution à Paris, p. 191.
[244] F. Aurientis, Etude Médico-légale sur la jurisprudence actuelle
à propos de la Transmission des Maladies Venériennes, Thèse de Paris,
1906.
[245] In Engeland kan tegenwoordig "een echtgenoot, die willens
en wetens zijn vrouw infecteert met een venerische ziekte, niet
strafrechterlijk veroordeeld worden, nòch wegens aanranding, nòch
wegens het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel" (N. Geary, The
Law of Marriage, p. 479). Dit werd besloten in 1888, in het geval
van R. v. Clarence, door negen tegen vier rechters (Court for the
Consideration of Crown Cases Reserved).
[246] Het moderne democratische gevoel kant zich er tegen, dat
een prostituée opgesloten zou kunnen worden, alleen omdat zij ziek
is. Maar er kan niet de minste redelijke twijfel aan zijn, dat, als
een geïnfecteerde prostituée een ander persoon infecteert, en niet
in staat is de zeer hooge schadevergoedingen te betalen, die in zulk
een geval gevraagd moesten worden, zij opgesloten behoorde te worden
en aan een behandeling onderworpen. Dat is noodig in het belang van
de gemeenschap. Maar faciliteiten voor medische behandeling zijn ook
noodig, om te voorkomen dat er een premie gesteld wordt op het begaan
van de overtreding, die kostelooze behandeling en onderhoud voor een
prostituée zonder middelen ten gevolge zou hebben.
[247] Er is echter door het Parijsche Hof van Appel beslist, dat, als
een man trouwt, als hij weet, dat hij lijdende is aan een venerische
ziekte en die ziekte op zijn vrouw overbrengt, dit een voldoende
oorzaak is voor echtscheiding (Semaine Médicale, Mei, 1896).
[248] Het groote boekdeel, getiteld Sexualpädagogik, dat de
verhandelingen van het derde van deze congressen bevat, gaat nauwelijks
in op het speciale onderwerp der venerische ziekten, en is gewijd aan
de kwesties, die zich bezig houden met de algemeene sexueele opvoeding
van jonge menschen, die, zooals vele van de sprekers hebben staande
gehouden, beginnen moet met het kind aan den schoot van zijn moeder.
[249] "Werklieden, soldaten, en zoo voort", merkt Neisser op (Senator
en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, vol. II,
p. 485) "kunnen gemakkelijker meisjes van hun eigen stand vinden, die
geen prostituée zijn, en toch bereid met hen in liefdesbetrekkingen
te treden, die uitloopen op sexueelen omgang, en daarom zijn zij
minder blootgesteld aan het gevaar van infectie, dan zij, die bijna
uitsluitend hun toevlucht moeten nemen tot prostituées". (Zie ook
Bloch, Sexualleben unserer Zeit, p. 437).
[250] De aard van zulke lezingen en hoever zij gaan moeten, wordt
volkomen beschreven in de Verhandelingen van het Derde Congres van
het Duitsche Genootschap ter Bestrijding van Venerische Ziekten,
Sexualpädagogik, 1907.
[251] Ik laat buiten beschouwing, als buiten het bestek van dit werk,
de hulpmiddelen, die bij het onderdrukken van venerische ziekten
geleverd worden door de veelbelovende nieuwe methoden, die men eerst
nu begint te begrijpen. (Zie, b.v. Metchnikoff, The New Hygiene, 1906).
[252] Max von Niessen, "Herr Doktor, darf ich heiraten?" Mutterschutz,
1906, p. 352.
[253] B.v., E. Belfort Bax, Outspoken Essays, p. 6.
[254] Zulke redenen staan in verband met het welvaren van de
gemeenschap. "Alle immoreele daden leiden tot ongeluk van de
gemeenschap, alle moreele daden tot geluk van de gemeenschap", zooals
Prof. A. Mathews opmerkt, "Science and Morality", Popular Science
Monthly, March, 1909.
[255] Zie Westermarck, Origin and Development of the Moral Ideas,
deel I, blz. 386-390, 522.
[256] Westermarck, Origin and Development of the Moral Ideas, blz. 9,
159; ook het geheele hoofdstuk VII. Daden, die in overeenstemming zijn
met de gewoonte geven aanleiding tot de algemeene goedkeuring; daden,
die niet in overeenstemming zijn met de gewoonte, geven aanleiding
tot algemeene afkeuring, en Westermarck komt met machtige argumenten
om te bewijzen, dat die goedkeuring en die afkeuring de grondslag
zijn van moreele oordeelvellingen.
[257] Dit wordt ook door rechtsgeleerden (bv. E. A. Schroeder, Das
Recht in der Geschlechtlichen Ordnung, blz. 5) erkend.
[258] W. G. Sumner, (Folkways, p. 418) acht het zelfs wenschelijk
den vorm van het woord te veranderen om den nadruk te leggen op de
werkelijke en fundamenteele beteekenis van de moraal, en hij stelt het
woord mores voor, om aan te duiden "populaire gewoonten en tradities,
die leiden tot maatschappelijke hervorming". "Immoreel", zegt hij,
"beteekent nooit iets anders dan tegengesteld aan de mores van tijd
en plaats". Het is echter nergens voor noodig het goede oude woord
"moraal" af te schaffen of er iets aan toe te voegen, zoolang wij
ons duidelijk voor oogen stellen dat, aan den praktischen kant,
het in zijn wezen beteekent gewoonte.
[259] Westermarck, op. cit., deel I, blz. 19.
[260] Zie bv. "Exogamie and the Mating of Cousins", in Essays Presented
to E. B. Tylor, 1907, p. 53. "In het primitieve leven vinden wij
veelal een naïef verlangen om, als het ware, de natuur te helpen, in
het bekrachtigen van wat normaal is, om dan later de gevonden regels
te bevestigen door den categorischen eisch van recht en gewoonte en
wet. De neiging bestaat nog in onze beschaafde gemeenschappen en is als
vereering van het normale dikwijls een doodsvijand van het abnormale
en excentrieke, en verlamt maar al te dikwijls de originaliteit".
[261] De geest van het Christendom, zooals hij geïllustreerd is door
Paulus, in een van zijn brieven, was uit Romeinsch oogpunt, naar
Dill opmerkt (Roman Society, p. 11), "een afstand doen niet alleen
van het burgerschap, maar van al de met moeite verkregen vruchten
van beschaving en maatschappelijk leven".
[262] Zoo is het, dat, zooals Lecky in zijn History of European
Morals zeide, "van alle afdeelingen van de zedenleer de kwesties over
verhoudingen van de seksen en de juiste positie van de vrouw degene
zijn, over welker toekomst de grootste onzekerheid bestaat". Misschien
is er eenige vooruitgang gekomen sinds deze woorden geschreven werden,
maar ze gelden toch nog voor de meerderheid der menschen.
[263] Aangaande het economisch huwelijk als een overblijfsel zie men
b.v. Bloch, The Sexual Life of Our Time, p. 212.
[264] Senancour, De l'Amour, deel II, p, 233. De schrijver van The
Question of English Divorce schrijft het ontbreken van een algemeene
afkeer voor sexueele vrijheid toe aan de dwaze starheid van de wet.
[265] Bruno Meyer, "Etwas von Positiver Sexualreform", Sexual-Probleme,
Nov. 1908.
[266] Elsie Clews Parsons, The Family, p. 351. Dr. Parsons beschouwt
zulke verbintenissen terecht als een maatschappelijk kwaad als zij
de ontwikkeling tegengaan van de persoonlijkheid.
[267] Vergelijk ook Rudeck, Geschichte der öffentlichen Sittlichkeit
in Deutschland, 1897, blz. 146 et seq.
[268] Voor bewijsmateriaal aangaande de algemeene afwezigheid van
het celibaat bij natuurvolken, zie men b.v. Westermarck, History of
Human Marriage hoofdstuk VII.
[269] Er zijn b.v. twee millioen ongetrouwde vrouwen in Frankrijk,
terwijl in België dertig percent van de vrouwen en in Duitschland
soms zelfs vijftig percent ongetrouwd zijn.
[270] Zulk een positie zou biologisch niet onredelijk zijn, gezien
de in hooge mate overwegende rol, die door de vrouw gespeeld wordt
bij het sexueele proces, dat het behoud van het ras verzekert. "Als
het sexueele instinct alleen maar van zijn physieke zijde beschouwd
wordt", zegt D. W. H. Busch (Das Geschlechtsleben des Weibes, 1839,
deel I, p. 201), "kan de vrouw niet beschouwd worden als het eigendom
van den man, maar met gelijk en grooter recht kan de man beschouwd
worden als het eigendom van de vrouw".
[271] Herodotus, deel I, hoofdst. CLXXIII.
[272] Dat macht en familiebetrekking geheel verschillende dingen zijn,
werd vele jaren geleden aangetoond door L. von Dargun, Mutterrecht
und Vaterrecht, 1892. Westermarck (Origin and Development of the Moral
Ideas, deel I, p. 655), die geneigd is te denken, dat Steinmetz niet
uitsluitend bewezen heeft, dat moederafstamming minder gezag in zich
sluit van den echtgenoot over de vrouw, maakt de belangrijke opmerking,
dat het gezag van den echtgenoot schade ondervindt als hij te midden
van de familieleden van zijn vrouw leeft.
[273] Robertson Smith, Kinship and Marriage in Early Arabia;
J. G. Frazer heeft er op gewezen, (Academy, March 27, 1886), dat
de gedeeltelijk Semitische volken van den Noordelijken grens van
Abyssinië, die niet onderworpen zijn aan het revolutionaire proces
van den Islam, een systeem onderhouden, dat precies gelijkt op het
beena huwelijk, zoowel als sommige sporen van het tegenovergestelde
systeem, door Robertson Smith genaamd het ba'al huwelijk, waarbij de
vrouw door koop verkregen wordt en een deel van den eigendom wordt.
[274] Spencer en Gillen, Northern Tribes of Central Australia, p. 356.
[275] Rhys en Brynmor-Jones, The Welsh People, blz. 55-6; vergelijk
Rhys, Celtic Heathendom, p. 93.
[276] Rhys en Brynmor-Jones, op. cit., blz. 214.
[277] Crawley (The Mystic Rose, blz. 41 et seq.).
[278] Revillout, "La Femme dans l'Antiquité", Journal Asiatique, 906,
deel VII p. 57. Zie ook Victor Marx, Beiträge zur Assyriologie, 1899,
Bd. IV, Heft 1.
[279] Donaldson, Woman, blz. 196, 241 et seq. Nietzold, (Die Ehe in
"Ägypten", p. 17), meent, dat het gezegde van Diodorus, dat geen
kinderen onwettig waren, nadere toelichting behoeft, maar dat het
onwettige kind in Egypte geen maatschappelijk nadeel ondervond.
[280] Amélineau, La Morale Egyptienne, p. 194; Hobhouse, Morals in
Evolution, deel I, p. 187; Flinders Petrie, Religion and Conscience
in Ancient Egypt blz. 131 et seq.
[281] Maine, Ancient Law, hoofdst. V.
[282] Donaldson, Woman, blz. 109, 120.
[283] Mercator, IV, 5.
[284] Digest XLVIII, 13, 5.
[285] Hobhouse, Morals in Evolution, deel I, p. 213.
[286] Voor een verslag van het werk van sommige van de minder bekende
van deze pioniers, zie men een serie artikelen door Harriet McIlquham
in de Westminster Review, vooral Nov. 1898 en Nov. 1903.
[287] De invloed van het Christendom op de positie der vrouwen is in
den breede besproken door Lecky, History of European Morals, deel II,
blz. 316 et seq., en nu onlangs door Donaldson, Woman, Bk. III.
[288] Migne, Patrologia, deel CLVIII, p. 686.
[289] Rasmussen (People of the Polar North, p. 56), beschrijft een
verwoeden twist tusschen een man en vrouw, die elkaar om de beurt
tegen den grond sloegen. "Een poosje later, toen ik naar binnen keek,
lagen ze liefderijk te slapen, met hun armen om elkaar heen".
[290] Hobhouse, Morals in Evolution, deel II, p. 367. Dr. Stöcker
wijst, in Die Liebe und die Frauen ook met nadruk op de beteekenis
van dezen factor van persoonlijke verantwoordelijkheid.
[291] Vooral Olive Schreiner heeft den nadruk gelegd op de
verkeerdheden van het parasitisme voor vrouwen. "De toegenomen weelde
van den man", merkt zij op ("The Woman's Movement of Our Day",
Harper's Bazaar, Jan. 1902) "behoeft aan de vrouw, aan wie hij ze
besteedt, niet meer ten goede te komen, dan de meerdere rijkdom van
zijn meesteres geestelijk of lichamelijk ten goede komt aan een poedel,
die nu van haar een donsen kussen kan krijgen in plaats van een veeren,
en een kippetje in plaats van rundvleesch". Olive Schreiner meent, dat
het vrouwelijk parasitisme een gevaar is, dat tegenwoordig werkelijk
de maatschappij bedreigt, en dat, als het niet afgewend wordt "de
geheele vrouwelijkheid in beschaafde maatschappijen in een toestand
van meer of minder absolute afhankelijkheid moet verzinken".
[292] In Rome en Japan heeft, zooals Hobhouse opmerkt (op. cit., deel
I, blz. 169, 176) het patriarchale systeem zijn volste uitbreiding
bereikt, en toch hebben de wetten van deze beide landen den man in een
positie geplaatst van praktische onderworpenheid aan een rijke vrouw.
[293] Herodotus, Bk. II, hoofdst. XXXV. Herodotus merkte op, dat het de
vrouw was en niet de man, op wie de verantwoordelijkheid rustte van het
onderhouden van oude bejaarde ouders. Dat alleen al sloot in zich een
hooge economische positie van de vrouwen. Het is niet te verwonderen,
dat het aan sommige waarnemers, zooals aan Diodorus Siculus toescheen,
dat de Egyptische vrouw de meesteres was van haar man.
[294] Hobhouse (loc. cit.), Hale, en ook Grosse meenen, dat een
goede economische positie van een volk in zich sluit een hooge
positie van de vrouw. Westermarck (Moral Ideas, deel I, p. 661)
meent hier in overeenstemming met Olive Schreiner, dat deze opgave
niet zonder wijziging kan aangenomen worden, hoewel hij het met haar
eens is, dat de landbouw een goede uitwerking heeft op de positie der
vrouw, omdat zij er zelf een werkdadig aandeel in neemt. Een goede
economische positie heeft geen werkelijk effect in het verbeteren van
de positie der vrouw, tenzij de vrouwen zelf er een werkzaam en niet
een parasiet-achtig aandeel in hebben.
[295] Westermarck (Moral Ideas, deel I, hoofdst. XXXVI, deel II, p. 29)
verwijst herhaaldelijk naar de eigendoms- en andere privileges, die
de vrouwen bij natuurvolken hebben en die op een eenigszins hooger
beschavingsniveau veelal verdwijnen.
[296] De geleidelijke toename van het aantal vrouwen onder de Engelsche
werklieden in de machine-industrie begon in 1851. Er zijn nu, naar
men taxeert, drie en een half millioen vrouwen aan het werk in de
industrieele beroepen, behalve een half millioen dienstboden. (Voor
bijzonderheden zie men, James Haslam, in een serie bladen van de
Englishwoman, 1909).
[297] Zie b.v., J. A. Hobson, The Evolution of Modern Capitalism,
tweede uitgave, 1907, hoofdst. XII, "Women in Modern Industry."
[298] Hobhouse, op. cit., deel I, p. 228.
[299] Fielding, Tom Jones, Boek III, hoofdst. VII.
[300] Zelfs de kerk nam ten slotte deze toewijzing van de
verantwoordelijkheid aan, en "de sollicitatie", d.i. de zonde van een
biechtvader, die zijn vrouwelijke boeteling verleidt, wordt steeds
behandeld als uitsluitend de zonde van den biechtvader.
[301] Adolf Gerson, Sexual-Probleme, Sept. 1908, p. 547.
[302] Er is reeds vroeger verwezen naar de ongelukkige resultaten,
die het gevolg kunnen zijn van de onwetendheid van de mannen, en het
zal weer noodig zijn in het elfde hoofdstuk van dit werk.
[303] Pepys, Diary, uitg. Wheatley, deel VII, p. 10.
[304] Lombroso en Ferrero, La Donna Delinquente.
[305] Gury, Théologie Morale, art. 381.
[306] "De mannen zullen niet leeren wat de vrouwen zijn", merkt
Rosa Mayreder op (Zur Kritik der Weiblichkeit, p. 199), "voordat zij
opgehouden hebben ze voor te schrijven, wat ze behooren te zijn".
[307] Het is b.v. uiteengezet door Professor Wahrmund in Ehe und
Eherecht, 1908. Ik behoef ternauwernood opnieuw te verwijzen naar de
geschriften van Ellen Key, waarvan men bijna zeggen kan dat ze een
nieuw tijdperk openen, vooral (in de Duitsche vertaling) Ueber Liebe
und Ehe (ook in het Fransch vertaald), en (in de Engelsche vertaling,
Putnam, 1909), het waardevolle, hoewel minder belangrijke werk,
De eeuw van het kind. Zie ook Edward Carpenter, Als de menschen rijp
worden voor de liefde; Forel, De sexueele kwestie (Engelsche vertaling,
verkort, The Sexual Question, Rebman, 1908); Bloch, Het sexueele leven
van onzen tijd, Rebman, 1908; Helene Stöcker, De liefde en de vrouwen,
1906; en Paul Lapie, De vrouw in het gezin, 1908.
[308] Rosenthal, uit Breslau, gaat zoo ver, dat hij van juridische
zijde beweert ("Grundfragen des Eheproblems", Die Neue Generation,
Dec., 1908), dat de bedoeling van de voortplanting voor het begrip
van wettig huwelijk essentieel is.
[309] J. A. Godfrey, Science of Sex, p. 119.
[310] E. D. Cope, "The Marriage Problem", Open Court, Nov., 1888.
[311] Zie boven, p. 359.
[312] Wächter, Ehescheidungen, blz. 95 et seq.; Esmein, Marriage
en Droit Canonique, deel I, p. 6; Howard, History of Matrimonial
Institutions, deel II, p. 15. Howard meent (in overeenstemming met
Lecky), dat van de vrijheid tot echtscheiden alleen misbruik gemaakt
werd door een klein deel van de Romeinsche bevolking, en dat zulk
een misstand, voor zoover hij bestond, niet de oorzaak was van
achteruitgang van de moraal in Rome.
[313] De meeningen van de Christelijke Kerkvaders waren zeer
afwisselend, en ze wisten soms zelf niet, wat ze meenden; zie bv. de
meeningen, verzameld door Cranmer en opgesomd door Burnet, History
of Reformation (ed. Nares), deel II, p. 91.
[314] Constantijn, de eerste Christelijke Keizer, stelde een streng
en eigenaardige wet op de echtscheiding voor (die een vrouw toestond
echtscheiding te verkrijgen van haar man, alleen als hij een moordenaar
was, iemand vergiftigd had, of een grafschenner was), maar deze wet kon
niet staande gehouden worden. Dus beval Anastasius in 497 echtscheiding
met wederzijdsch goedvinden. Dit werd afgeschaft door Justinianus,
die alleen echtscheiding toestond bij verschillende gespecificeerde
oorzaken, daaronder echtbreuk van den man. Deze beperkingen bleken
echter niet houdbaar, en de opvolger en neef van Justinianus, Justinus,
herstelde weer de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden. Ten
slotte, in 870, kwam Leo de wijsgeer weer terug op het voorstel van
Justinianus (zie b.v. Smith and Cheetham, Dictionary of Christian
Antiquities, arts. "Adultery" en "Marriage").
[315] Het element van eerbied in de houding van de Germanen
in den eersten tijd jegens vrouwen en de voorrechten, die zelfs
getrouwde vrouwen hadden, schijnen, voor zoover als Tacitus als een
betrouwbaar gids beschouwd kan worden, de overgebleven sporen te
zijn van een vroeger maatschappelijk stadium op een meer matriarchale
basis. Zij zijn zeer duidelijk zichtbaar bij het begin van de Duitsche
geschiedenis. Van den beginne echter waren, hoewel echtscheiding met
wederzijdsch goedvinden mogelijk schijnt geweest te zijn, de Duitsche
zeden zonder erbarmen voor de getrouwde vrouw, die ontrouw was, of
onvruchtbaar, of die op andere wijze aanstoot gaf, hoewel het eenigen
tijd lang na het invoeren van het Christendom voor den Duitschen
echtgenoot geen misdaad was echtbreuk te plegen. (Westermarck, Origin
of the Moral Ideas, deel II, p. 453).
[316] "Deze vorm van huwelijk", zegt Hobhouse (op. cit., deel I,
p. 156), "staat in nauw verband met de uitbreiding van de rechten
van den man". Vergelijk Howard, op. cit., deel I, p. 231. De zeer
lage plaats van de Duitsche vrouw in de middeleeuwen wordt duidelijk
gemaakt door Hagelstange, Süddeutsches Bauernleben im Mittelalter,
1898, blz. 70 et seq.
[317] Howard, op. cit., deel I, p. 259; Smith and Cheetham, Dictionary
of Christian Antiquities, art. Arrhae. Het schijnt echter dat de
"bruidkoop", waarvan Tacitus spreekt, niet strikt de verkoop was van
een stuk vee of van een slavinnetje, maar de verkoop van de mund
of het recht van bescherming over het meisje. Het is waar, dat de
beteekenis misschien niet altijd duidelijk is geweest aan hen, die deel
namen aan de handeling. Evenzoo was de Angelsaksische verloving niet
zoozeer een betalen van den prijs van de bruid aan haar verwanten,
hoewel zij natuurlijk een voordeeltje uit de handeling konden slaan,
als wel een verbond, dat fatsoenlijke behandeling van de vrouw als
vrouw en weduwe eischte. Herinneringen hieraan, merken Pollock en
Maitland op (op. cit., deel II, p. 364), kan men vinden in "die
merkwaardige rommelkamer voor antiquiteiten, het huwelijksritueel
van de Engelsche kerk".
[318] J. Wickham Legg, Ecclesiological Essays, p. 189. We mogen er aan
toevoegen dat het denkbeeld van de onderwerping van de vrouw aan den
man in een tamelijk vroeg stadium in de Christelijke kerk voor den
dag kwam, en ongetwijfeld onafhankelijk van Germaansche invloeden;
de heilige Augustinus zeide (Sermo XXXVII, cap. VI) dat een goede
mater familias zich niet moest schamen zich de dienstmaagd van haar
man te noemen (ancilla).
[319] Zie b.v. L. Gautier, La Chevalerie hoofdst. IX.
[320] Howard, op. cit., deel I, blz. 278-281, 386. De Arrha kwam te
voorschijn in de Romeinsche wet in de zesde eeuw.
[321] Howard, op. cit., deel I, blz. 293 et seq.; Smith and Cheetham,
Dictionary of Christian Antiquities, art. "Contract of Marriage".
[322] Alle latere veranderingen in het Katholieke canonieke recht
hebben het huwelijk alleen nog maar enger gemaakt en nog verder van
de praktijk van de wereld afgebracht. Bij een decreet van den paus
van 1907, wordt verklaard, dat burgerlijke huwelijken en huwelijken
op niet-katholieke plaatsen van eeredienst niet alleen zondig zijn
en onwettig (wat ze tevoren ook al waren), maar van nul en geenerlei
waarde.
[323] E. S. P. Haynes, Our Divorce Law, p. 3.
[324] Het was het Concilie van Trente, in de zesde eeuw, dat de
kerkelijke riten maakte tot een essentieel punt voor een bindend
huwelijk; maar zelfs toen stemden zes en vijftig prelaten tegen
die beslissing.
[325] Esmen, op. cit., deel I, p. 91.
[326] Soms zegt men, dat de Katholieke kerk de verkeerdheden van haar
leer van de onontbindbaarheid van het huwelijk matigt door een aantal
beletselen voor het huwelijk aan te nemen, terwijl ze vrije speelruimte
laat aan hen, die vrijstelling van het huwelijk willen hebben. Dit
schijnt echter nauwelijks het geval te zijn. Dr. P. J. Hayes, die
als kanselier van de Katholieke aartsdiocese van New-York met gezag
spreekt, zegt ("Impediments to Marriage in the Catholic Church", North
American Review, Mei 1905), dat zelfs in een zoo moderne en gemengde
gemeenschap als deze er maar weinig aanvragen zijn om dispensatie ten
gevolge van beletsels; er zijn per jaar 15.000 Katholieke huwelijken in
de stad New-York, maar alleen bij vijf per jaar wordt er navraag naar
gedaan of ze wel geldig zijn, en dan voornamelijk op grond van bigamie.
[327] De Canonisten, zeggen Pollock en Maitland (loc. cit.), "hebben
een willekeurige chaos gemaakt van de huwelijkswet". "Zelden",
zegt Howard (op. cit., deel I, p. 340), "hebben theorie en fijne
haarkloverijen verderfelijker gevolgen gehad in het practische leven
dan toen ze het onderscheid tusschen sponsalia de praesenti en de
futuro vaststelden".
[328] Howard, op. cit., deel I, p. 386 et seq. Over het geheel was
echter de meening van Luther, dat het huwelijk, hoewel heilig en
geheimzinnig, geen sacrament is; zijn verschillende gezegden over
de zaak zijn te zamen gebracht door Strumpff, Luther über die Ehe,
blz. 204-214.
[329] Howard, op. cit., deel II, p. 61 et seq.
[330] Waarschijnlijk bleef, als een resultaat van de eenigszins
verwarde en onsamenhangende houding van de Hervormers, de canonieke wet
in Protestantsche landen inderdaad langer van kracht dan in Katholieke
landen; vooral in Frankrijk is ze ingrijpender veranderd. (Esmein,
op. cit., deel I, p. 33).
[331] De opvatting der kwakers over het huwelijk is nog heden van
machtigen invloed. "Waarom", zegt Mrs. Besant (Marriage, p. 19),
"zouden we niet wat van de kwakers overnemen, en voor de tegenwoordige
wettige vormen van het huwelijk een eenvoudige verklaring, in het
openbaar gedaan, in de plaats stellen?"
[332] Howard, op. cit., deel II, p. 456. De werkelijke praktijk
in Pennsylvanië schijnt echter weinig te verschillen van die in de
andere Staten.
[333] Howard, op. cit., deel II, p. 109. "Het is werkelijk
verwonderlijk", merkt Howard op, "dat een groote natie, die zich
beroemt op liefde voor gelijkheid en maatschappelijke vrijheid,
volle vijf generaties lang een hatelijke verdraagzaamheid toelaat,
eer dan zich vrij en moedig te bevrijden van de banden van een
kerkelijke traditie".
[334] "Het gedwongen voortzetten van een ongelukkige vereeniging is
misschien het immoreelste ding, dat een beschaafde maatschappij ooit
gezien, nog veel minder aangemoedigd heeft", zegt Godfrey (Science
of Sex, p. 123). "Het moreele van een vereeniging hangt af van het
wederzijdsch verlangen, en een vereeniging, die door een andere oorzaak
wordt voorgeschreven, ligt buiten de beschaving, hoezeer de gewoonte
ze moge erkennen, of de godsdienst en de wet ze moge goedkeuren".
[335] Echtbreuk wordt in de meeste wilde en barbaarsche maatschappijen,
zooals Westermarck zegt, beschouwd als "een onwettig zich toeëigenen
van de rechten, die de echtgenoot uitsluitend verkregen heeft door
den koop van zijn vrouw, als een vergrijp tegen den eigendom"; de
verleider wordt daarom gestraft als een dief, met boete, verminking,
zelfs dood (Origin of the Moral Ideas, deel II blz. 447 et seq.; id.,
History of Human Marriage, p. 121). Bij sommige volken wordt alleen
de verleider en niet de vrouw gestraft.
[336] Er wordt soms gezegd ter verdediging van de eischen tot
schadevergoeding voor het verleiden van een getrouwde vrouw, dat
vrouwen dikwijls zwak zijn en niet in staat weerstand te bieden aan
toenadering van een man, zoodat de wet zwaar zou moeten drukken
op den man, die zich die zwakheid ten nutte maakt. Dit argument
schijnt wat verouderd. De wet begint de verantwoordelijkheid zelfs
van de getrouwde vrouwen in andere opzichten aan te nemen, en kan
wel nauwelijks weigeren ze ook aan te nemen voor het controleeren
van haar eigen persoon. Bovendien, als het zoo natuurlijk is voor de
vrouw om te zwichten, dan is het nauwelijks rechtmatig den man te
straffen, met wien zij die natuurlijke daad gedaan heeft. Er moet
verder gezegd worden, dat, als de echtbreuk van een vrouw alleen
maar een onverantwoordelijke vrouwelijke zwakheid is, dat dan
een zeer ongepaste ruwheid haar wordt aangedaan door het openlijk
eischen van schadevergoeding van haar minnaar. Als we werkelijk dit
argument aannemen, dan moeten we de middeleeuwsche kuischheidsgordel
weer invoeren.
[337] Howard, op. cit., deel II, p. 114.
[338] Deze regel is in Engeland geenszins een doode letter. Zoo bracht
in 1907 een vrouw, die haar huis had verlaten, terwijl ze een brief
achterliet waarin ze zeide, dat haar man niet de vader van haar kind
was, daarna een aanklacht uit wegens echtbreuk en omdat de man zich
niet verdedigde, werd haar die toegestaan. Maar, daar de advocaat van
de kroon (King's Proctor) de feiten vernomen had, werd het vonnis
vernietigd. Toen diende de man een aanklacht in tot echtscheiding,
kon die echter niet verkrijgen daar hij reeds had toegegeven dat hij
echtbreuk begaan had, door zich in het vorige geval niet te doen
verdedigen. Hij bracht de zaak voor het hof van appèl maar zijn
verzoek werd niet ingewilligd, daar het hof van meening was, dat
"het verleenen van steun in zulk een geval niet was in het belang
van de algemeene moraal". De veiligste weg in Engeland om wat wettig
"huwelijk" genoemd wordt absoluut onontbindbaar te maken, is dat
beide partijen echtbreuk begaan.
[339] Magnus Hirschfeld, Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Oct. 1908.
[340] H. Adner, "Die Richterliche Beurteilung der "Zerrütteten" Ehe",
Geschlecht und Gesellschaft, Band II, Deel 8.
[341] Gross-Hoffinger, Die Schicksale der Frauen und die Prostitution,
1847; Bloch geeft een volledige opsomming van de resultaten van dit
onderzoek in een Appendix bij hoofdstuk X van zijn Sexual Life of
Our Time.
[342] De echtscheiding in de Vereenigde Staten wordt in den breede
besproken door Howard, op. cit., deel III.
[343] H. Münsterberg, The Americans, p. 575. Evenzoo meent Dr. Felix
Adler, in een studie over "The Ethics of Divorce" (The Ethical Record,
1890, p. 200), hoewel hij zelf geen voorstander van echtscheiding is,
dat de eerste oorzaak voor het veel voorkomen van de echtscheiding
in de Vereenigde Staten is de hooge positie der vrouwen.
[344] In een belangwekkend artikel, met gevallen ter illustratie,
over "Het Neurologische Element in den huwelijksafkeer" (Journal of
Nervous and Mental Diseases, Sept. 1892) verwijst Smith Baker naar
de gevallen waarin "een man hoe langer hoe meer antipathie tegen
zijn vrouw begint te gevoelen, als hij haar naar verhouding minder
ontwikkelde persoonlijkheid leert kennen. Terwijl hij misschien
trouwde, voordat hij juist had leeren oordeelen over karakter en de
neigingen daarvan, komt hij tot besef van het feit, dat hij in eere
verplicht is zijn geheele physiologische leven te leven, niet met een
werkelijke gezellin, maar met een surrogaat." De gevallen zijn nog
talrijker, merkt dezelfde schrijver op, waarin de sexueele begeerte
van de vrouw zich niet openbaart, behalve als resultaat van opvoeding
en oefening. "Deze soort van natuurlijk-onnatuurlijken toestand is de
bron van veel teleurstelling, en van intens lijden van de zijde van de
vrouw evenzeer als van ontevredenheid in de familie". Toch zijn zulke
oorzaken van echtscheiding veel te samengesteld om in wetboeken vermeld
te worden, en veel te intiem om in gerechtshoven bepleit te worden.
[345] Tien jaar geleden, misschien nu nog wel, kwamen de Vereenigde
Staten als de vierde wat de veelvuldigheid van echtscheiding aangaat,
na Japan, Denemarken, en Zwitserland.
[346] Lecky, de historieschrijver over de Europeesche moraal, heeft
gewezen (Democracy and Liberty, deel II, p. 172) op de nauwe betrekking
in het algemeen tusschen het gemak van de echtscheiding en een hoogen
standaard van de sexueele moraal.
[347] Zoo b.v., Hobhouse, Morals in Evolution, deel I, p. 237.
[348] In Engeland werd deze stap gedaan onder de regeering van Hendrik
VII, toen het gedwongen huwen van vrouwen tegen haar wil bij de wet
verboden werd (3 Henry VII, c. 2). Zelfs al in het midden van de
zeventiende eeuw moest de kwestie van het gedwongen huwelijk weer
behandeld worden (Inderwick, Interregnum, blz. 40 et seq.).
[349] Woods Hutchinson (Contemporary Review, Sept., 1905)
beweert, dat als epilepsie, krankzinnigheid, moreele perversie,
gewoonte-dronkenschap, of misdadig gedrag van eenigerlei soort
voorkomt, de echtscheiding, ter wille van het komend geslacht, niet
alleen toegestaan moest zijn, maar verplichtend. Echtscheiding alleen
zou echter niet voldoende zijn om het gewenschte doel te bereiken.
[350] Evenzoo schrijft in Duitschland Wanda von Sacher-Masoch, die
wat haar eigen karaktergebreken ook mogen geweest zijn, veel door
het huwelijk geleden had, aan het eind van Meine Lebensbeichte, dat
"zoolang de vrouwen den moed niet hebben, zonder tusschenkomst van
den Staat of tusschenkomst van de kerk verhoudingen te regelen, die
haarzelf alleen aangaan, zullen zij niet vrij zijn". In plaats van
dit oude, vervallen huwelijkssysteem, dat zoo tegenovergesteld is aan
onze moderne gedachten en gevoelens, wilde zij persoonlijke contracten
hebben, gemaakt door een advocaat. In Engeland schreef al veel vroeger
Charles Kingsley, een vurig voorstander van de vrouwenbeweging, wiens
gevoel voor de vrouwen bijna tot vereering steeg, aan J. S. Mill:
"Er kan nooit iets goeds komen voor de vrouwen, eer het laatste
overblijfsel van de canonieke wet door de beschaving ter zijde is
gesteld".
[351] "Er is nooit vuiler instelling uitgevonden", verklaarde Auberon
Herbert vele jaren geleden, en daarmee drukte hij een gevoelen uit,
dat later zeer gewoon is geworden; "en het bestaan ervan sleept zich,
tot onze groote schande voort, omdat we niet den moed hebben om vrijuit
te zeggen, dat de sexueele verhoudingen van man en vrouw, of van hen,
die samen leven, hen zelf aangaan, en dat ze niet de glurende, gretige,
zelfgenoegzame, en ontzettend onware buitenwereld aangaan".
[352] Hobhouse, op. cit., deel I, p. 237.
[353] Dezelfde opvatting van het huwelijk als een contract blijft
nog tot op zekere hoogte ook in de Vereenigde Staten bestaan, waar
ze heen gebracht was door de eerste Protestanten en Puriteinen. De
Staten geven gewoonlijk geen definitie van het huwelijk, maar, naar
Howard zegt (op. cit., deel II, p. 395), "inderdaad wordt het huwelijk
behandeld als een verhouding, die zoowel iets heeft van den aard van
een toestand als van een contract".
[354] Dit gezichtspunt is grondig uiteengezet door Paul en Victor
Margueritte, Quelques Idées.
[355] Ik wil opmerken, dat dit vele jaren geleden door C. G. Garrison
aangetoond werd, die de gevolgen hiervan besprak in zijn "Limits of
Divorce", Contemporary Review, Feb., 1894. "We kunnen veilig zeggen",
besluit hij, "dat het huwelijk in geen opzicht op een contract gelijkt,
noch in vorm, noch als geneesmiddel, handelwijze of in resultaat;
maar dat het in al deze opzichten integendeel de rechten, van de
personen, die het aangaat, verkort". Het huwelijk is geen contract,
maar een wijze van zich gedragen.
[356] Zie b.v. P. en V. Margueritte, op. cit.
[357] Zooals aangehaald door Howard, op. cit., deel II, p. 29.
[358] Evenzoo merkt Ellen Key (Ueber Liebe und Ehe, p. 343) op,
dat te spreken over "den plicht van levenslange trouw" in veel
opzichten hetzelfde is, als te spreken van "den plicht van levenslange
gezondheid". Een mensch kan zijn best doen om zijn leven of zijn
liefde te bewaren; hij kan dit niet onvoorwaardelijk op zich nemen.
[359] Hobhouse, op. cit., deel I, blz. 159, 237-9; vergelijk P. en
V. Margueritte, Quelques Idées.
[360] "Echtscheiding", zooals Garrison zegt ("Limits of Divorce",
Contemporary Review, Febr. 1894), "is de rechterlijke mededeeling,
dat een gedrag, hetwelk eens dat van een huwelijk was in aard en doel,
deze eigenschappen verloren heeft... Echtscheiding is een feitelijk
iets, en niet een vrijheid om een belofte te breken".
[361] Zie boven, p. 325.
[362] Het is noodig geweest de voortplanting in het eerste hoofdstuk
van dit werk te bespreken, en het zal weer noodig zijn in het laatste
hoofdstuk. Hier hebben wij alleen te maken met de voortplanting als
een element van het huwelijk.
[363] Nietzold, Die Ehe in Aegypten zur Ptolemäisch-römischen Zeit,
1903, p. 3. Deze band verzekerde ook rechten aan de kinderen, die
tijdens het bestaan ervan geboren werden.
[364] Zie bv. Ellen Key, Moeder en Kind, p. 21. De noodzakelijkheid
tot het combineeren van grooter vrijheid van sexueele verhoudingen
met grootere gestrengheid van ouderlijke verhoudingen werd in een
vroeger tijd duidelijk erkend door een andere bekwame schrijfster,
Miss J. H. Clapperton, in haar beroemd boek Scientific Meliorism,
uitgegeven in 1885 "Wettelijke veranderingen", schreef zij (p. 320),
"zijn noodig in twee richtingen, en wel in de richting van grooter
vrijheid van huwelijk en grooter preciesheid, wat het ouderschap
aangaat. De huwelijksvereeniging is in haar wezen een persoonlijke
zaak, waarmee de maatschappij niet geroepen is zich te bemoeien en
waartoe ze ook geen recht heeft. De geboorte van een kind daarentegen
is een openbare gebeurtenis. Ze raakt de belangen van de geheele
natie."
[365] Ellen Key, Liefde en Huwelijk, p. 168; vergelijk van dezelfde
schrijfster De Eeuw van het Kind.
[366] In Duitschland alleen worden ieder jaar 100.000 "onwettige"
kinderen geboren, en het aantal neemt snel toe; in Engeland is het
maar 40.000 per jaar, daar het sterke vooroordeel, dat dikwijls
bestaat tegen zulke geboorten in Engeland (zooals ook in Frankrijk)
aanleiding geeft tot het in wijden kring toepassen van middelen ter
voorkoming van de conceptie.
[367] "Waar zijn werkelijk monogamisten te vinden?" vroeg Schopenhauer
in zijn verhandeling "Ueber die Weiber". En James Hinton was gewoon
te zeggen: "Wat is de bedoeling van het in stand houden van de
monogamie? Is er eenige kans om ze te krijgen, zou ik wel eens willen
weten? Noemt gij het Engelsche leven monogaam?"
[368] "Bijna overal", zegt Westermarck van de polygynie (die hij in den
breede bespreekt in de hoofdstukken XX-XXII van zijn History of Human
Marriage) "is ze beperkt tot het kleinste gedeelte van de menschen en
het grootste deel is monogaam". Maurice Gregory (Contemporary Review,
Sept. 1906) geeft statistieken, die aantoonen, dat er bijna overal
een neiging tot gelijkheid in aantal van de geslachten te vinden is.
[369] In een polygaam land is een man natuurlijk door zijn
verplichtingen evenzeer gebonden aan zijn tweede vrouw, als aan zijn
eerste. Bij ons wordt de tweede vrouw onteerd door den naam maitres,
en hoe slechter de man haar en haar kinderen behandelt, des te meer
wordt zijn moraal goedgekeurd, evenals de Katholieke kerk, toen ze
trachtte het coelibaat onder de geestelijkheid in te stellen, meer
goedkeuring had voor den priester, die onwettige verhoudingen had met
vrouwen, dan den priester, die fatsoenlijk en openlijk trouwde. Als
zijn verwaarloozing er de maitres van een getrouwd man toe brengt haar
verhouding tot hem bekend te maken, dan heeft de man recht haar te
vervolgen, en zijn advocaat zal, van de algemeene sympathie verzekerd,
voor het gerechtshof zeggen, dat "deze vrouw zoo slecht is geweest
van te schrijven aan de vrouw van den klager!"
[370] Howard, in zijn oordeelkundige History of Matrimonial
Institutions (deel II, blz. 96 et seq.), kan niet nalaten de aandacht
te vestigen op den bijna krankzinnig opgewonden aard van de taal,
die in Engeland nog maar weinige jaren geleden gebruikt werd door
hen, die waren tègen het huwelijk met de zuster van de overledene
vrouw, en hij stelt die tegenover de meer redelijke houding van de
Katholieke kerk. "Er zijn voorbeelden gegeven", merkt hij op, "van de
moreele anarchie, die zulke huwelijken moeten te voorschijn roepen,
en die zijn door opmerkers uit Amerika, uit de koloniën en van het
vasteland gelezen met een ongerustheid, die niet onvermengd was met
tegenzin, en het zijn werkelijk merkwaardige illustraties van het
uiterst insulair karakter van den Engelschen geest". Nog in A.D. 1908
werd er een wetsontwerp gebracht in het House of Lords, hetwelk
voorstelde, dat verlating zonder oorzaak twee jaren lang een reden
zou zijn tot echtscheiding, een redelijke en menschelijke maatregel,
die als wet geldt in de meeste deelen van de beschaafde wereld. De
Lord Kanselier (Lord Loreburn), een liberaal, en een verlicht en
scherpzinnig leider in de sfeer van de politiek, verklaarde, dat
zulk een voorstel "absoluut onmogelijk" was. Het Huis verwierp het
voorstel met 61 tegen 2 stemmen. Zelfs de huwelijksbesluiten van
het concilie van Trente werden niet door zulk een overweldigende
meerderheid aangenomen. Inzake de huwelijkswetgeving is Engeland nog
nauwelijks ontwassen aan de Middeleeuwen.
[371] Quaestionum Convivalium, lib. III, quaestio 6.
[372] E. D. Cope, "The Marriage Problem" Open Court, Nov. 1888.
[373] Columbusmeeting van de American Medical Association, 1900.
[374] Ellen Key, Ueber Liebe und Ehe, p. 24.
[375] In een bewonderenswaardig artikel over Friedrich Schlegel's
Lucinde (Mutterschutz, 1906, Heft 5) beschouwt Heinrich Meyer-Benfey,
die er op wijst, dat de Katholieke opvatting van het huwelijk liefde
toestond, maar ze niet verhief, Lucinde, met hare gebreken, als de
eerste uitdrukking van de eenheid van de zinnen en de ziel, en, als
zoodanig als de basis van de nieuwe zedeleer der liefde. We moeten er
echter bijvoegen, dat vier honderd jaar geleden Pontano deze zelfde
eenheid der liefde veel krachtiger en veel gezonder uitgesproken had
dan Schlegel, hoewel het Latijnsche vers, frisch en vol leven als
het is, zonder invloed bleef. Pontano's Carmina, met de "De Amore
Conjugali", zijn eindelijk door Soldati in een schooluitgave herdrukt.
[376] Van de dertiende tot de zeventiende eeuw was Ovidius inderdaad
de meest populaire en invloedrijkste van de klassieke dichters. Zijn
werken speelden een groote rol bij het vormen van de literatuur
van de Renaissance, niet het minst in Engeland, waar Marlowe zijn
Amores vertaalde, en Shakespeare, tijdens de eerste jaren van zijn
literaire werkzaamheid, hem veel verschuldigd was (zie bv. Sidney Lee,
"Ovid and Shakespeare's Sonnets", Quarterly Review, April 1909).
[377] Dit is reeds in hoofdstuk II besproken.
[378] Op den leeftijd van vijf en twintig jaar, naar G. Hirth opmerkt
(Wege zur Heimat, p. 541) heeft een energiek en sexueel aangelegd
man in een groote stad meestal al verhoudingen gehad met ongeveer
vijf en twintig vrouwen, misschien al wel met vijftig, terwijl een
wel opgevoede en beschaafde vrouw op dien leeftijd eerst begint de
langzaam zich opeenhoopende opwindingen van de sekse te realiseeren.
[379] In zijn studie over "Conjugal Aversion" (Journal Nervous and
Mental Disease, Sept., 1892) wijst Smith Baker op de waarde van
voldoende sexueele kennis voor het huwelijk voor het verminderen van
de gevaren voor zulk een aversie.
[380] "Het mag tot eer van de mannen gezegd worden", merkt Adler naar
waarheid op, (op. cit., p. 182), "dat het misschien niet dikwijls
hun bewuste brutaliteit is, die in deze zaak het kwaad sticht,
maar alleen gebrek aan handigheid en gebrek aan begrijpen. De man,
die niet speciaal door de natuur en door de ondervinding begaafd is
voor den psychischen omgang met vrouwen, zal waarschijnlijk niet,
door zijn vroegeren omgang met Venus vulgivaga, eenige nuttige kennis
mee ten huwelijk brengen, hetzij psychisch of physiek".
[381] "Den eersten nacht", schrijft een correspondent over zijn
huwelijk, "vond zij de daad zeer pijnlijk en was zij verschrikt
en verwonderd over de grootte van mijn penis, en daarover, dat ik
zoo plotseling op haar af kwam. Wij hadden vóór het huwelijk zeer
openlijk over sexueele zaken gesproken, en het kwam nooit bij mij op,
dat ze de bijzonderheden van de daad niet kende. Ik dacht, dat het
haar zou hinderen over deze zaken te spreken; maar ik zie nu in,
dat ik haar de dingen had moeten uitleggen. Vóór ik trouwde was ik
tot de conclusie gekomen, dat de eerbied, die men aan zijn vrouw
verschuldigd is, niet vereenigbaar was met een wijze van spreken,
die indecent zou kunnen schijnen, en ook had ik besloten niet tot
haar te spreken over wat ik toen meende, dat vuile dingen waren,
zelfs over het naakt zijn, en haar naakt te hebben. Ik was inderdaad
het slachtoffer van onware ingetogenheid; het was een kunstmatige
reactie op het leven, dat ik vóór mijn huwelijk geleid had. Nu
schijnt het mij natuurlijk toe, dat als men een vrouw liefheeft,
men met haar doet wat in u of in haar opkomt. Als ik het niet als
een fout gevoeld had zulke daden tusschen ons aan te moedigen, dan
zou er zich tusschen ons een sexueele sympathie hebben kunnen vormen,
die mij nauwer aan haar zou verbonden hebben".
[382] Montaigne, Essais, boek III, hoofdstuk V. Het is een feit
van beteekenis, dat zelfs in de kwestie van inlichting, vrouwen,
niettegenstaande veel onwetendheid en onervarenheid, dikwijls beter
toegerust zijn voor het huwelijk dan mannen. Naar Fürbringer opmerkt
(Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel
I, p. 212), hoewel de vrouw gewoonlijk kuischer is bij het huwelijk
dan de man, "is zij toch gewoonlijk beter ingelicht in zaken, die
tot den huwelijkschen staat behooren, niettegenstaande nu en dan
voorkomende verwondering wekkende bekentenissen."
[383] Een fijnvoelend man schrijft in een brief over zijn vrouw:
"Zij verliest nooit haar gevoel van eigenwaarde, noch mijn respect
voor haar, eenvoudig omdat wij wanhopig op elkander verliefd zijn,
en alles, wat wij beiden doen--en wat menige prostituée weigeren
zou--voor ons slechts de altijd nieuwe poging is om onzen hartstocht
in handelingen om te zetten. Nu eerst begrijp ik, wat de woorden
"den reine is alles rein" beteekenen, en dat hij, die liefheeft, zich
over geen koenheid te schamen heeft. Ik heb het altijd gevoeld, dat
haar lief te hebben beteekent een emancipatie tot het hoogere". Het
is duidelijk, dat alleen het innemen van zulk een houding, het voor
een kuische vrouw mogelijk maakt, hartstochtelijk te zijn.
[384] "Werkelijk verstaan te worden" naar Rafford Pyke terecht zegt,
"te zeggen wat zij wil, haar innigste gedachten op haar eigene wijze
te uiten, de traditioneele conventies, die haar hinderen en drukken
op zij te schuiven iemand bij zich te hebben, met wien ze volkomen
vrij kan zijn, en toch te weten, dat geen syllabe van wat zij zegt
verkeerd uitgelegd of verkeerd begrepen zal worden, maar eer juist
begrepen, zooals zij het alles voelt--hoe wonderheerlijk is dit voor
iedere vrouw, en hoe weinig mannen zijn er, die het haar kunnen geven!"
[385] In de jongste tijden is ze besproken geworden in verband met
het veel voorkomen van spontane nachtelijke emissies.
[386] Naar Zenobia's gewoonte verwijst Gibbon Decline and Fall,
ed. Bury. dl. I, p. 302. De beslissing van de Koningin van Arragon
wordt vermeld door een jurist uit Montpellier, Nicolas Bohier (Boerius)
in zijn Decisiones, etc., ed. van 1579, p. 563; er wordt door Montaigne
naar verwezen in zijn Essais, Bk. III, hoofdst. V.
[387] Haller, Elementa Physiologiae, 1779, deel III, p. 57.
[388] Hammond, Sexual Impotence, p. 129.
[389] Fürbringer, Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation
to Marriage, deel I, p. 221.
[390] Forel, Die Sexuelle Frage, p. 80.
[391] Guyot, Bréviaire de l'Amour Expérimental, p. 144.
[392] Erb, Ziemssen's Handbuch, Band XI, II, p. 148. Guttceit
beschouwde het ook zoo, dat de zeer ruime variaties, die gevonden
worden, aangeboren en natuurlijk zijn. We kunnen er aan toevoegen, dat
sommigen meenen, dat er rasverschillen zijn. Zoo is er geconstateerd,
dat de aanleg van de Engelschen gering is, en die van de Franschen
(vooral uit Provence, Languedoc, en Gascogne) groot, terwijl
Loewenfeld meent, dat het Germaansche ras het Fransche overtreft in
geschiktheid tot het veelvuldig herhalen van de geslachtsdaad. Het
is waarschijnlijk, dat deze meeningen niet veel waarde hebben, en
dat de voornaamste verschillen eerder individueel zijn dan dat ze
tot het ras behooren.
[393] Ribbing, L'Hygiène Sexuelle, p. 75. Kisch spreekt dezelfde
opinie uit in zijn Sexual Life of Woman.
[394] Mohammed, die dikwijls égards voor vrouwen vertoonde,
die zeer zeldzaam zijn bij de stichters van godsdiensten, is een
uitzondering. Zijn voorschrift van eens per week was het recht van
de vrouw, geheel onafhankelijk van het aantal vrouwen, dat een man
zou kunnen hebben.
[395] Hoe broos de aanspraak is van de "huwelijksrechten" kan
voldoende blijken uit het feit, dat velen het er nu voor houden dat
het woord "huwelijksrechten" zelf op een schrijffout berust, terwijl
men voor "rights" (rechten) het evenzoo klinkende woord "rites"
(riten) had moeten schrijven (zie Notes and Queries, 16 Mei 1891,
6 Mei 1899). Deze uitleg, moeten we er aan toevoegen, heeft alleen
betrekking op den geijkten term, want er kan geen twijfel aan zijn,
dat het denkbeeld, dat er aan ten grondslag ligt, zijn bestaan heeft,
geheel onafhankelijk van het woord.
[396] "In de meeste huwelijken die niet gelukkig zijn", zegt
Rafford Pyke in zijn interessant geschrift over "Husbands and Wives"
(Cosmopolitan, 1902), "is het eer de vrouw dan de man, die de meeste
malen teleurgesteld is".
[397] Het wordt echter door erotische schrijvers wel erkend, dat
vrouwen soms een tamelijk actieve rol spelen. Zoo zegt Vatsyayana,
dat de vrouw soms de positie van den man inneemt, en met bloemen
in heur haar en met glimlachen en zuchten en met gebogen hoofd, hem
liefkoozend en haar borsten tegen hem aandrukkende, zegt: "Je bent mijn
veroveraar geweest; het is nu mijn beurt je om genade te doen smeeken".
[398] Zoo wordt, volgens Zache, onder de Swahili op den derden dag na
het huwelijk den bruidegom door de zede toegestaan om de defloratie
te voltooien, Zeitschrift für Ethnologie, 1899, II-III, p. 84.
[399] De l'Amour, deel II, blz. 57.
[400] Robert Michels, "Brautstandsmoral", Geschlecht und Gesellschaft,
Jahrgang I, Heft 12.
[401] Hier is b.v. op gewezen door Rutgers, "Sexuelle Differenzierung",
Die Neue Generation, Dec., 1908.
[402] Zoo zegt Rasmussen, dat onder de Eskimo's, die nu en dan van
vrouwen verwisselen, "een man gewoonlijk ontdekt dat zijn eigen vrouw,
ondanks alles, de beste is".
[403] "Ik heb altijd gemeend met den nu overleden Professor Laycock",
merkt Clouston, (Hygiene of Mind, p. 214) "die een zeer fijn opmerker
van de menschelijke natuur was, dat een getrouwd paar niet altijd
samen behoeft te zijn om gelukkig te zijn, en dat in werkelijkheid
tamelijk lange tijden van afwezigheid en scheidingen leiden kunnen
tot een eindelijke en nauwere vereeniging". Dat het lang stand houden
van den hartstocht alleen bestaanbaar is met afwezigheid behoeft wel
nauwelijks gezegd te worden; zooals Mary Wollstonecraft lang geleden
gezegd heeft (Rights of Woman, original ed., p. 61), alleen bij
afwezigheid of in het ongeluk is de hartstocht duurzaam. We kunnen er
echter bij voegen, dat zij in haar liefdesbrieven aan Imlay schreef:
"Ik heb altijd gezegd, dat twee menschen, die te zamen willen leven,
niet lang gescheiden moeten wezen".
[404] "Uit een ruim gezichtspunt beschouwd", zeide Arnold L. Gesell,
in zijn belangwekkende studie over "Jealousy" (American Journal
of Psychology, Oct. 1906), schijnt jaloezie een zoo noodzakelijk
begeleidingsverschijnsel van het biologisch gedrag, midden in den
concurrentiestrijd, dat men geneigd is ze genetisch als een van
de oudste gemoedsbewegingen te beschouwen, die bijna synoniem is
met den wensch om te leven, en ze bijna niet minder fundamenteel te
maken dan vrees of toorn. Waarlijk, jaloezie gaat gemakkelijk over in
toorn, en ze is zelf een soort van vrees.... In maatschappelijkheid
en wederzijdsche hulp zien we de keerzijde van de medaille; maar de
jaloezie, hoe tegenmaatschappelijk ze ook mag zijn, behoudt een functie
in de zoölogische anatomie: b.v. om het individu in bescherming te
nemen tegen de groep. Het is het groote verbeteringsmiddel van de
natuur tegenover de zuiver maatschappelijke gevoelens.
[405] Vele voorbeelden hiervan vindt men bij Gesell in zijn studie over
"Jealousy".
[406] Jaloezie is soms bij lagere rassen vermomd of gewijzigd door
gewoonten van den stam. Zoo zegt Rasmussen (People of the Polar North,
blz. 65), als hij verwijst naar het verwisselen door de Eskimo's
van hun vrouwen: "Een man heeft me eens verteld, dat hij zijn vrouw
alleen sloeg, als ze geen andere mannen wilde ontvangen. Zij wilde
met niemand iets te doen hebben dan met hem--en dat was haar eenige
gebrek!" Rasmussen toont ergens anders aan, dat de Eskimo's in staat
zijn tot groote jaloezie.
[407] Zie b.v. Moll, Sexualleben des Kindes, blz. 158; vergelijk van
Gesell "Study of Jealousy".
[408] Jaloezie is bij dronkaards een algemeen bekend
verschijnsel. Naar K. Birnbaum aantoont ("Das Sexualleben der
Alkoholisten", Sexual-Probleme, Jan. 1909), is deze jaloezie in de
meeste gevallen min of meer gegrond, want de vrouw, die genoeg heeft
van haar man, zoekt natuurlijk elders sympathie en gezelschap. Toch
gaat de jaloezie der drankzuchtigen veel verder dan haar basis, de
feitelijke aanleiding er toe, en hangt samen met waandenkbeelden
en hallucinaties. (Zie b.v. G. Dumas, "La Logique d'un Dément",
Revue Philosophique, Febr. 1908; ook Stefanowski, "Morbid Jealousy",
Alienist and Neurologist, Juli 1893).
[409] Ellen Key, Over liefde en huwelijk, blz. 335.
[410] Schrempf wijst er op ("Von Stella zu Klärchen", Mutterschutz,
1906, afl. 7, p. 264), dat Goethe in Egmont getracht heeft aan te
toonen, dat een vrouw teruggestooten wordt door de liefde van een man,
die niets anders kent dan zijn liefde voor haar, en dat het voor haar
gemakkelijk is zich te wijden aan den man, wiens plannen liggen in de
grootere wereld buiten haar. Er is een diepe waarheid in deze wijze
van zien.
[411] Eene bespreking over "Platonische vriendschap" van deze
soort door verschillende auteurs, meest vrouwen, wier opinies bijna
gelijkelijk verdeeld waren, kan men, bij voorbeeld, vinden in de
Lady's Realm, Maart, 1900.
[412] Er zijn ongetwijfeld belangrijke uitzonderingen. Zoo was de
beroemde vriendschap van Mérimée met Mlle. Jenny Dacquin, die vervat
is in de Lettres à une Inconnue misschien volkomen Platonisch aan
den kant van Mérimée, terwijl Mlle. Dacquin zich aan die houding
aanpaste. Vergelijk A. Lefebvre, La Célèbre Inconnue de Mérimée, 1908.
[413] De minnebrieven van al deze beroemde personen zijn
uitgegeven. Rosa Mayreder (Zur Kritik der Weiblichkeit, blz. 229 et
seq.) bespreekt de nederige en absolute wijze, waarop zelfs mannen
van het meest mannelijke en heerschzuchtige genie zich overgeven aan
de inspiratie van de geliefde vrouw. Het geval van de Brownings, die
genoemd zijn "de held en de heldin van de mooiste liefdesgeschiedenis,
die de wereld kent", is vooral bekend; (Ellen Key heeft in Menschen
over de Brownings geschreven uit dit gezichtspunt, en we kunnen
verwijzen naar een artikel over de minnebrieven van de Brownings in
de Edinburgh Review, April, 1899). Het is nauwelijks noodig te zeggen,
dat een erotische verhouding van veel belang kan zijn voor personen van
groote intellectueele bekwaamheid, zelfs als de uitslag niet gelukkig
is; van Mary Wollstonecraft, een van de op intellectueel gebied meest
beroemde vrouwen kan gezegd worden, dat de brieven, die haar liefde
bevatten voor den onwaardigen Imlay, tot de meest hartstochtelijke
en pathetische minnebrieven behooren, die er in het Engelsch bestaan.
[414] Spencer and Gillen, Northern Tribes of Central Australia, p. 330.
[415] Académie de médecine de Paris, 31 Maart 1908.
[416] The Origin and Development of the Moral Ideas, deel II, blz. 405.
[417] Population and Progress, p. 41.
[418] Vergelijk Reibmayr, Entwicklungsgeschichte des Talentes und
Genies, Bd. II, p. 31.
[419] "De schuld, die we hebben aan hen, die vóór ons gekomen zijn,
kunnen we alleen maar terugbetalen aan hen, die na ons komen", zegt
Haycraft (Darwinism and Race Progress, p. 106).
[420] Mardrus, Les Mille Nuits, dl. XVI, p. 158.
[421] Sidney Webb, Popular Science Monthly, 1906, p. 526 (vroeger
gepubliceerd in de London Times, Oct. 11, 16, 1906). In hoofdstuk IX
van dit werk hebben we reeds de beteekenis moeten bespreken van het
woord "zedelijkheid".
[422] Zoo was in Parijs, in 1906, in de rijke wijken, het
geboortecijfer op de 1000 inwoners 19.09; in welgestelde wijken 22.51;
en in arme wijken 29.70. Hier zien we, dat, terwijl het geboortecijfer
valt en stijgt met de maatschappelijke klasse, het geboortecijfer
zelfs onder de arme en minst beperkte klasse nog maar weinig hooger is
dan het algemeen gemiddelde voor Engeland, waar voorbehoedmiddelen in
zeer ruimen kring verspreid zijn, en zeer aanmerkelijk lager dan het
gemiddelde (dat nu snel daalt) in Duitschland. Het blijkt duidelijk,
dat er onder de arme klassen een neiging is om in deze zaak met de
hoogere klassen gelijk te komen.
[423] Ik heb deze punten meer in bijzonderheden ontwikkeld in twee
artikelen in het Independent Review, November 1913 en April 1914. Zie
ook Bushee, "The Declining Birthrate and Its Causes", Popular Science
Monthly, Aug. 1913.
[424] Francis Place, Illustrations and Proofs of the Principle of
Population, 1882, p. 165.
[425] Zie b.v. een belangrijk hoofdstuk in het Sexualleben und
Nervenleiden van Löwenfeld, een van de meest oordeelkundige
autoriteiten op het gebied der sexueele pathologie. Vijf en
twintig jaar geleden werd, zooals velen zich zullen herinneren,
den student in de medicijnen gewoonlijk geleerd, dat het gebruik
van voorbehoedmiddelen bij het verkeer leidde tot allerlei
ernstige nadeelen. Toen schijnen echter roekelooze en ongewenschte
voorbehoedmiddelen meer voorgekomen te zijn dan tegenwoordig.
[426] Michael Ryan, Philosophy of Marriage, p. 9. Het in staat
stellen van de "behoudende kracht van den Schepper" om zich uit te
strekken tot de myriaden spermatozoën, die zelfs één man in zijn leven
afscheidt, zou een wereld vol vrouwen noodig maken, terwijl het hiermee
overeenkomende probleem wat een vrouw aangaat, heelemaal te moeilijk
is om te verwezenlijken. Het proces, waardoor het leven opgebouwd
wordt, wel verre van een proces te zijn van algemeen behoud, is een
proces geweest van strenge keuze en groote vernieling; het proces,
dat in de beschaafde wereld wordt uitgevoerd, bestaat in het maken
van dit blinde proces tot een door het verstand bestuurde daad.
[427] Zoo werd in België, in 1898 (Sexual-Probleme, Febr. 1909, p. 136)
een dokter (Dr. Mascaux), die op den voorgrond was getreden bij het
bevorderen van de kennis van voorbehoedmiddelen voor de conceptie,
veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voor "een misdrijf
tegen de zeden!" In zulk een geval, zegt Dr. Helene Stöcker (Die
Neue Generation, Jan., 1909, p. 7), is "zeden" een andere naam voor
onwetendheid, verlegenheid, huichelachtigheid, preutschheid, ruwheid,
en gebrek aan geweten. Wij moeten echter in herinnering houden, als
uitleg van dit onbillijke oordeel, dat eenige jaren lang de clericale
partij in België den boventoon heeft gevoerd.
[428] Tegen het gebruik van de condom is ingebracht, dat hij niet
gebruikt kan worden door de allerarmsten om de kosten, maar Hans Ferdy
toont in een in bijzonderheden gaand geschrift aan (Sexual-Probleme,
Dec. 1908), dat het gebruik van den condom gebracht kan worden binnen
het bereik van de allerarmsten, als men er maar voor zorgt hem in water
te bewaren, als hij niet gebruikt wordt. Nyström, (Sexual-Probleme,
Nov. 1908, p. 736) heeft een blaadje uitgegeven ten bate van zijn
patiënten en anderen, waarin hij den condom aanbeveelt, en uitlegt
hoe hij gebruikt moet worden.
[429] Zoo besluit Kisch, in zijn Sexual Life of Woman, nadat hij de
verschillende voorbehoedmiddelen voluit besproken heeft, ten gunste van
den condom. Fürbringer komt ook (Senator en Kaminer, Health and Disease
in Relation to Marriage, dl. I, blz. 232 et seq.) tot het besluit, dat
de condom "betrekkelijk het meest volmaakte voorbehoedmiddel tegen de
conceptie is". Forel (Die Sexuelle Frage, p.p. 457 et seq.) bespreekt
de kwestie ook in den breede; ieder bezwaar, dat er gemaakt wordt
tegen den condom, voegt Forel erbij (p. 544), berust op het feit, dat
wij er niet aan gewend zijn; "een bril is niet speciaal æsthetisch,
maar de poëzie van het leven heeft niet buitengewoon veel te lijden
door het gebruik ervan, en in vele gevallen, kan men er niet buiten".
[430] L'Avortement, p. 43.
[431] Er zijn in de Romeinsche wet en de Romeinsche gewoonte eenige
punten van kwestie aangaande de afdrijving; zij worden besproken in
het belangrijke werk van Balestrini, Aborto. blz. 30 et seq.
[432] Augustinus, De Civitate Dei, Boek XXII, hoofdstuk XIII.
[433] De ontwikkeling van de publieke opinie en van de wet aangaande
de afdrijving is nagespoord door Eugène Bausset, L'Avortement
Criminel, Thèse de Paris, 1907. Voor een overzicht van de gebruiken
van verschillende volken met betrekking tot de afdrijving zie men
W. G. Sumner, Folkways, hoofdst. VIII.
[434] Die Neue Generation, Mei 1908, p. 192. We mogen hieraan
toevoegen, dat in Engeland het opleggen van straf op de afdrijving,
als ze plaats vindt in de eerste maanden der zwangerschap (voordat er
"leven" is), enkel een moderne nieuwigheid is.
[435] Zelfs Balestrini, die tegen het straffen van afdrijving is, is er
geen voorstander van. "Overal, waar afdrijving een maatschappelijke
gewoonte wordt", merkt hij op (op. cit., p. 191), "daar is ze de
uiterlijke verschijning van den achteruitgang van een volk, en veel
te diep geworteld door de enkele poging de uiterlijke verschijning
te onderdrukken".
[436] Vergelijk Ellen Key, Eeuw van het Kind, hoofdst. I. Hirth
(Wege zum Heimat, p. 526) is er ook tegen afdrijving aan te moedigen,
hoewel hij feitelijk niet de zwangere vrouw zou willen straffen,
die miskraam opwekt. Ik wil speciaal de aandacht vestigen op een
kundig en overtuigend artikel van Anna Pappritz ("Die Vernichtung
des keimenden Lebens", Sexual-Probleme, Juli, 1909), die beweert,
dat de vrouw niet de eenige beschermster is van het embryo, dat zij
draagt, en dat het niet in het belang is van de maatschappij en zelfs
niet in haar eigen belang, als zij vrij zou zijn het naar believen te
vernietigen. Anna Pappritz geeft toe, dat de tegenwoordige barbaarsche
wetten met betrekking tot de afdrijving gewijzigd moeten worden,
maar zij staat er op, dat ze niet moeten worden afgeschaft. Zij
stelt voor (1) een zeer verminderde straf op de afdrijving; (2)
deze straf uit te strekken tot den getrouwden of ongetrouwden vader
(een maatregel, die in Noorwegen reeds in praktijk wordt gebracht,
zoowel voor afdrijving als voor kindermoord); (3) verlof voor den
medicus om miskraam op te wekken als er goede reden is om erfelijke
degeneratie te vermoeden, en als de vrouw verkracht is geworden.
[437] Vergelijk Dr. Max Hirsch, Sexual-Probleme, Jan., 1908, p. 3.
[438] Bausset (op. cit.) noemt verschillende maatschappelijke
maatregelen ter verzorging van de zwangere vrouw en de kraamvrouw,
die er toe zouden leiden misdadige afdrijving te verminderen.
[439] Gomperz, Greek Thinkers, dl. 1, p. 564.
[440] F. E. Daniel, President of the State Medical Association of
Texas, "Should Insane Criminals or Sexual Perverts be Allowed to
Procreate?" Medico-legal Journal, Dec., 1893; id., "The Cause and
Prevention of Rape", Texas Medical Journal, Mei, 1904.
[441] P. Näcke, "Die Kastration bei gewissen Klassen von Degenerirten
als ein Wirksamer Socialer Schutz", Archiv für Kriminalanthropologie,
Bd. III, 1899, p. 58; id. "Kastration in gewissen Fallen von
Geisteskrankheit", Psychiatrisch-Neurologische Wochenschrift, 1905,
No. 29.
[442] Angelo Zuccarelli, "Asessualizzazione o sterilizzazione dei
Degenerati", L'Anomalo, 1898-99; No. 6; id., "Sur la Nécessité et sur
les Moyens d'empêcher la Réproduction des Hommes les plus Dégénérés",
Internationaal Congres der Crimineele Anthropologie, Amsterdam, 1901.
[443] Näcke, Neurologisches Centralblatt, Maart 1, 1909. Het
oorspronkelijke verslag van deze operaties wordt gegeven in het
Psychiatrisch-Neurologische Wochenschrift, No. 2, 1909, met een
commentaar van instemming van den redacteur, Dr. Bresler. Wat de
castratie in Amerika aangaat, zie men Flood, "Castration of Idiot
Children", American Journal Psychology, Jan. 1899; ook, Alienist and
Neurologist, Aug., 1909, p. 348.
[444] Waarschijnlijk kan castratie vooral gunstig blijken te zijn in
het geval van zwakzinnigen. "In Somersetshire", zegt Tredgold ("The
Feeble-Mind as a Social Danger", Eugenics Review, Juli, 1909) "heb
ik gevonden, dat van een totaal aantal van 167 zwakzinnige vrouwen,
bijna twee vijfde (61) kinderen hadden gekregen, voor het meerendeel
onwettig. Bovendien is het niet ongewoon, maar veeleer regel, dat
deze arme meisjes telkens opgenomen worden in de kraaminrichtingen
van het werkhuis, en het gemiddelde aantal van de kinderen, die ze
ieder hebben, is waarschijnlijk drie of vier, hoewel zes ook niet
ongewoon is". In zijn werk over Mental Deficiency (blz. 288-292)
toont dezelfde schrijver aan, dat de voortplanting door de geestelijk
zwakken in Engeland is "een verschrikkelijk en ver verspreid kwaad".
[445] Dit voorbeeld wordt aangehaald door Ledermann, "Skin Diseases
and Marriage", bij Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation
to Marriage.
[446] Opnieuw verwijs ik hier naar Leas leerzame History of Sacerdotal
Celibacy.
[447] In Engeland worden jaarlijks 35.000 candidaten voor de marine
afgekeurd, en hoewel de physieke eischen voor de inschrijving in het
leger tegenwoordig buitengewoon bescheiden zijn, wordt er geschat
door Generaal Maurice, dat ten minste zestig percent nieuwelingen,
en zij, die nieuwelingen hadden willen wezen, teruggezonden worden
als ongeschikt. (Zie b.v., William Coates, "The Duty of the Medical
Profession in the Prevention of National Deterioration", British
Medical Journal, Mei 1, 1909). Men kan nauwelijks aannemen, dat mannen,
die niet goed genoeg zijn voor het leger, wel goed genoeg zijn voor
de groote taak van het scheppen van het ras der toekomst.
[448] De erkenning van epilepsie als een reden om geen nageslacht te
verwekken is niet nieuw. Men zegt, dat in de archieven van de stad
Luçon een geval vermeld wordt, waarin epilepsie geoordeeld werd een
geldige reden te zijn voor het verbreken van een verloving (British
Medical Journal, Febr. 14, 1903, p. 383).
[449] British Medical Journal, April 14, 1906. In Californië en
sommige andere plaatsen in Amerika, schijnt het, dat bedrog met het
oog op den gezondheidstoestand een reden is tot het nietig verklaren
van het huwelijk.
[450] F. Galton, Inquiries Into Human Faculty, Everyman's Library
edition, blz. 211 et seq.; vergelijk Galton's verzamelde Essays in
Eugenics, onlangs uitgegeven door de Eugenics Education Society.
[451] Voor een verslag aangaande de methode en de resultaten van het
werk in scholen, zie men Bertram C. A. Windle, "Anthropometric Work
in Schools", Medical Magazine, Feb. 1894.
[452] De meest bekende stappen in deze richting zijn in Duitschland
gedaan. Voor een verslag van de proef te Karlsruhe zie men Die Neue
Generation, Dec. 1908.
[453] Wiethknudsen (zooals aangehaald is in Sexual-Probleme, Dec. 1908,
p. 837) spreekt in sterke bewoordingen, hoewel toch niet te sterk,
over de dwaasheid van een willekeurige premie op de voortplanting.
[454] Van wetenschappelijke zijde wordt er, behalve van de
vruchtdragende methoden der statistische biometrie, die wij
reeds genoemd hebben, veel verwacht van werk, dat in die richting
gedaan wordt door Mendel: zie W. Bateson, Mendel's Principles of
Heredity, 1909; ook W. H. Lock, Recent Progress in the Study of
Variation, Heredity and Evolution, en R. C. Punnett, Mendelism, 1907
(Amerikaansche uitgave, met een belangwekkende voorrede van Gaylord
Wilshire, uit socialistisch gezichtspunt, 1909).
[455] De studie van de juiste voorwaarden voor de voortplanting is
zeer oud. In den nieuweren tijd vinden we, dat zelfs het allereerste
Fransche medische boek in de landstaal, het Régime du Corps,
geschreven door Alebrand van Florence (die dokter was bij den koning
van Frankrijk), in 1256, grootendeels aan deze kwestie gewijd is,
waarover het veel goede raad geeft. Zie J. B. Soalhat, Les Idées de
Maistre Alebrand de Florence sur la Puériculture, Thèse de Paris, 1908.
[456] Hesiodus, Works and Days, II, 690-700.
[457] Dit is lang de aangenomen opinie geweest van medische
autoriteiten, zooals men kan beoordeelen uit de verslagen, twee eeuwen
geleden samengebracht door Schurig, Parthenologia, blz. 22-25.
[458] De bewering, dat de beste leeftijd voor mannen voor de verwekking
gemiddeld eerder voor de veertig ligt dan daarna, beteekent in het
geheel niet, dat er een "kritieke" leeftijd bij mannen bestaat, die
overeenkomt met het climacterium bij vrouwen. Dit is soms beweerd,
maar men is het er niet over eens. Restif de la Bretonne (Monsieur
Nicolas, deel X, p. 176) zeide, dat op den leeftijd van veertig de
teerheid van het gevoel begint te vermeerderen. Fürbringer meent
(Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage,
deel I, p. 222), dat er een bepaalde wending is in het leven van
een man tusschen den leeftijd van de vijftig en de zestig, wanneer
de begeerte en de potentie verminderen. J. F. Sutherland zegt ook
(Comptes-rendus Congrès International de Médecine, 1900, Section de
Psychiatrie, p. 471), dat er bij mannen een verandering is in het
vijf en vijftigste jaar, gelijkend op het climacterium bij vrouwen,
maar alleen maar bij een bepaald aantal mannen. Het schijnt wel,
dat bij de meeste mannen het afnemen van het sexueele gevoel en de
potentie zeer geleidelijk is, en dat het zich het eerst uit in een
vergroote macht om zich te beheerschen.
[459] Bij dieren zegt men ook, dat die welke in het voorjaar geboren
worden, de beste zijn.
[460] De resultaten van Bossi zijn opgesomd in de Archives
d'Anthropologie Criminelle, Sept, 1891. Alebrand van Florence, de
medicus van den Franschen koning in de dertiende eeuw, raadde ook
verkeer aan een dag na het einde van de menstruatie.