AANTEEKENINGEN

[1] Deze deelen zijn in bewerking en zullen eveneens bij uitgeefster

dezes in het Nederlandsch verschijnen.

[2] Het is natuurlijk niet altijd letterlijk waar, dat iedere ouder

juist de helft van de erfelijkheid aanbrengt, want, zooals we in het

algemeen onder de dieren zien, nadert de nakomelingschap somtijds meer

tot de eene ouder, somtijds tot de andere, terwijl onder planten,

zooals De Vries en anderen hebben aangetoond, de erfelijkheid nog

wel ongelijker verdeeld is.

[3] Het zal wel haast niet noodig zijn te zeggen, dat, waar wij zeggen

dat het moederschap de hoogste functie is van een vrouw, wij daar in

het geheel niet beweren, dat haar werkzaamheden zich tot het tehuis

moeten beperken. Dat is een opinie, die nu wel mag beschouwd worden

als niet meer bestaande, zelfs onder hen, die het meest de functie

van de vrouw als moeder verheerlijken. Zooals Friedrich Naumann en

anderen zeer waar gezegd hebben, is een vrouw niet volkomen toegerust

om haar functies van moeder en opvoedster van de kinderen te vervullen,

als zij niet in de wereld geleefd en een beroep uitgeoefend heeft.

[4] "Als de hoedanigheden van hoofd en hart dezelfde waren in beide

geslachten", zegt Lily Braun terecht (Die Frauenfrage, pag. 207),

"dan zou het binnentreden van de vrouw in het publieke leven geen

waarde hebben voor de menschheid, en zou zelfs leiden tot een nog

heviger concurrentie. Alleen de erkenning, dat de geheele aard van

de vrouw verschillend is van dien van den man, dat zij beteekent

een nieuw, levenwekkend beginsel in het menschelijk leven, maakt de

vrouwenbeweging, ondanks de verkeerde opvattingen van haar vijanden

en haar vrienden, een maatschappelijke revolutie". (Zie ook Havelock

Ellis, Man en vrouw, vierde uitgave, 1904, vooral hoofdstuk XVIII).

[5] Het woord "puericultuur" is uitgevonden door Dr. Caron in 1866,

om aan te duiden de ontwikkeling van kinderen na de geboorte. Het

was Pinard, de bekende Fransche verloskundige, die er, in 1895,

een ruimer en meer ware beteekenis aan gaf, door het te gebruiken

óok voor de ontwikkeling van kinderen vóór de geboorte. Het wordt

nu gedefinieerd als "de wetenschap, die zich ten doel stelt, te

zoeken naar de kennis, die betrekking heeft op de reproductie, de

instandhouding en de verbetering van het menschelijk ras". (Péchin,

La Puériculture avant la Naissance, Thèse de Paris, 1908).

[6] In "La Grossesse" (pp. 450 en volgende) heeft Bouchacourt de

problemen van puericultuur tamelijk uitvoerig besproken.

[7] Het belang der puericultuur voor de geboorte werd ten volle erkend

in China duizend jaar geleden. Zoo schreef Madame Cheng te dien tijde

over de opvoeding van het kind: "Zijn opvoeding kan zelfs vóor de

geboorte beginnen; en daarom lag de toekomstige moeder van vroeger, als

ze lag, rechtuit; als ze zat, zat ze rechtop; en als ze stond, stond

ze rechtop. Ze wilde geen vreemde smaken proeven, noch iets te maken

hebben met spiritualisme; als haar voedsel niet klein gesneden was,

wilde ze het niet eten en als haar mat niet recht gelegd was, wilde

ze er niet op zitten. Zij wilde naar niets zien, dat onaangenaam was,

niet luisteren naar een onaangenaam geluid, geen ruw woord spreken en

geen onrein ding aanraken. 's Avonds bestudeerde zij een klassiek boek,

overdag hield zij zich bezig met ceremonieel en met muziek. Daarom

werden haar zoons oprecht en uitmuntend in talenten en deugden; dat

was het resultaat van de opvoeding vóor de geboorte". (H. A. Giles,

"Woman in Chinese Literature". Nineteenth Century, Nov. 1914).

[8] Max Bartels "Isländischer Brauch", etc. Zeitschrift für Ethnologie,

1900, p. 65. Een opsomming van de gewoonten van verschillende volken

met betrekking tot de zwangerschap wordt gegeven door Ploss en Bartels,

Das Weib, Sect. XXIX.

[9] Over den invloed van alcohol tijdens de zwangerschap op het embryo,

zie men b.v. G. Newman, Infant Mortality p.p. 72-77. W. C. Sullivan

(Alcoholism, 1906, Ch. XI), resumeert het bewijsmateriaal, dat

aantoont, dat alcohol een factor is bij menschelijke ontaarding.

[10] Er is zelfs reden te gelooven, dat het alcoholisme van den vader

van de moeder, schade doet aan haar geschiktheid als een moeder. Bunge

(Die Zunehmende Unfähigkeit der Frauen ihre Kinder zu Stillen, 5de

uitgave, 1907), bevindt, bij een onderzoek, dat zich uitstrekt over

2.000 families, dat chronische alcoholvergiftiging bij den vader

de voornaamste oorzaak is van de ongeschiktheid van de dochter om

te zoogen, en dat deze ongeschiktheid gewoonlijk niet in orde komt

in volgende geslachten. Tegenover Bunge heeft zich echter gesteld

Dr. Agnes Bluhm "Die Stillungsnot", Zeitschrift für Soziale Medizin,

1908 (geheel door haarzelf geresumeerd in Sexual-Probleme, Jan. 1909).

[11] Zie bv. T. Arthur Helme, "The Unborn Child", British Medical

Journal, Aug. 24, 1907. Het voedsel moet natuurlijk goed zijn. Noel

Paton heeft aangetoond, (Lancet, Juli 4, 1903) dat onvoldoende voeding

van de zwangere vrouw het gewicht van het kind vermindert.

[12] Debreyne, Maechialogie, p. 277. En van den kant der Protestanten

zie men Northcote (Christianity and Sex Problems, hoofdst. IX) die

geslachtsverkeer tijdens de zwangerschap toestaat.

[13] Zie ook Ploss en Bartels, loc. cit.

[14] Zoo schrijft een dame: "Ik heb maar éen kind gehad, maar ik mag

wel zeggen dat tijdens de zwangerschap het verlangen naar vereeniging

veel sterker was, den geheelen tijd door, dan op eenigen anderen

tijd". Bouchacourt (La Grossesse, pag. 180-183) zegt, dat als regel,

sexueel verlangen niet verminderd wordt door zwangerschap en nu en

dan vermeerderd.

[15] Dit "lastig zijn" blijft nog altijd een struikelblok bij veel

uitmuntende autoriteiten. "Behalve als er een neiging is tot miskraam",

zegt Kossmann (Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation

to Marriage, vol. I, pag. 257), "moeten wij zeer voorzichtig zijn

met het aanbevelen van abstinentie tijdens de zwangerschap", en

Ballantyne (The Foetus, pag. 475) maakt voorzichtig de opmerking,

dat het een moeilijke kwestie is om te beslissen. Ook Forel (Die

Sexuelle Frage, 4de editie, pag. 81), die niet geneigd is volkomen

sexueele abstinentie aan te raden tijdens een normale zwangerschap,

geeft toe dat het een vrij lastige kwestie is.

[16] Dit punt wordt bv. besproken door Séropian in een Thèse de Paris

(Fréquence comparée des Causes de l'Accouchement Prématuré, 1907);

hij komt tot de conclusie, dat coïtus tijdens de zwangerschap een

méer vóorkomende oorzaak is van ontijdige bevalling dan gewoonlijk

gedacht wordt, vooral in primiparae, en dat vooral in de negende maand.

[17] "Infantile Mortality: The Huddersfield Scheme", British Medical

Journal, Dec. 1907; Samson Moore, "Infant Mortality", ib., August

29, 1908.

[18] Ellen Key heeft voorstellen van deze soort (zooals ze zijn

ontwikkeld door C. P. Stetson) in haar Essays "On Love and Marriage"

schitterend behandeld. In tegenstelling met dergelijke voorstellen

oppert Ellen Key dat vrouwen, die behoorlijk geoefend zijn voor

moederplichten en die niet in staat zijn zichzelf te onderhouden,

terwijl zij ze uitoefenen, een subsidie moeten ontvangen van den Staat,

gedurende de drie eerste levensjaren van het kind. Wij kunnen hier

aan toevoegen, dat in Leipzig het plan moeders te subsidieeren die

(onder behoorlijk medisch en ander toezicht) haar kinderen zoogen,

reeds is ingevoerd.

[19] Deze uitingen zijn behandeld in de studie over Auto-erotiek in

een onzer andere werken. Wij kunnen er bijvoegen, dat het sexueele

leven van het kind tot in de fijnste bijzonderheden onderzocht is

door Moll, Das Sexualleben des Kindes, 1900.

[20] Deze geslachtsbloei in de sexueele klieren en borsten bij de

geboorte of in de vroege jeugd is in een thèse de Paris behandeld

door Camille Renouf (La Crise Génital et les Manifestations Connexes

chez le Foetus et le Nouveau-né, 1905); hij kan geen bevredigende

verklaring van deze verschijnselen geven.

[21] Amélineau, La Morale des Egyptiens, pag. 64.

[22] "The Social Evil in Philadelphia", Arena, Maart, 1896.

[23] Moll, Konträre Sexualempfindung, third edition, pag. 592.

[24] Deze machteloosheid van de wet en de politie wordt wel erkend

door mannen van de wet, die op de hoogte zijn van de zaak. Zoo dringt

T. Werthauer (Sittlichkeitsdelikte der Grosstadt, 1907) voortdurend

aan op het belang van ouders en onderwijzers om kinderen van hun

vroege jeugd af een langzamerhand toenemende kennis van sexueele

zaken mede te deelen.

[25] "Aan ouders moet geleerd worden hoe ze inlichtingen moeten geven",

zegt E. L. Keyes ("Education upon Sexual Matters", New York Medical

Journal, Febr. 10, 1906), "en dit leeren van de ouders moet beginnen,

wanneer zij zelf nog kinderen zijn."

[26] Moll (op. cit., pag. 224) zet zeer juist uiteen, hoe onmogelijk

het is kinderen te behoeden voor het zien en ondervinden van dingen,

die met het sexueele leven in verband staan.

[27] Meisjes zijn zelfs niet voorbereid in vele gevallen op het voor

den dag komen van de schaamharen. Deze onverwachte haargroei bezorgt

jonge meisjes dikwijls veel heimelijken angst, en zij knippen ze

dikwijls zorgvuldig af.

[28] G. S. Hall, Adolescence, deel I, p. 511. Vele jaren geleden, in

1875, raadde wijlen Dr. Clarke, in zijn Sex in Education rust tijdens

de menstruatie voor meisjes aan en verwekte daardoor een hevigen

tegenstand, die zeker nu niet voorgekomen zou zijn, nu de speciale

gevaren van de vrouwelijkheid meer en meer duidelijk begrepen worden.

[29] Voor een resumé van de physieke en geestelijke verschijnselen

van de periode der menstruatie, zie men Havelock Ellis: Man en Vrouw

hoofdst. XI. De primitieve voorstelling van de menstruatie is meer

uitgebreid besproken door J. G. Fraser in The Golden Bough. Een groote

verzameling van feiten met betrekking tot de afzondering tijdens de

menstruatie van vrouwen over de geheele wereld, zal men vinden in Ploss

en Bartels, Das Weib. De afzondering van meisjes tijdens de puberteit

in Straat Torres is speciaal bestudeerd door Seligmann, Reports

Anthropological Expedition to Torres Straits, deel V, hoofdst. VI.

[30] Zoo ontdekte Miss Lura Sanborn, die de leiding heeft van

de lichaamsoefeningen aan de normaalschool te Chicago, dat een

bad eenmaal in de 14 dagen niets ongewoons was. Bij de periode der

menstruatie is er speciaal nog een bijgeloovige vrees voor water. Aan

meisjes moet altijd geleerd worden, dat in dezen tijd zindelijkheid

bovenal gebiedend noodzakelijk is. Zij moeten een lauw zitbad nemen

's avonds en 's morgens, en een vaginauitspoeling (die nooit koud

moet wezen) is altijd goed zoowel voor veraangenaming als voor

zindelijkheid. Er is niet de minste reden om tijdens de menstruatie

bang voor water te zijn. Dit punt werd eenige jaren geleden in het

British Medical Journal besproken met volkomen eensgezindheid van

opinie. Een bekend Amerikaansch verloskundige, Dr. J. Clifson Edgar,

komt na een zorgvuldige studie over opinie en praktijk in deze kwestie

("Bathing During Menstrual Period," American Journal Obstetrics,

Sept. 1900) tot de conclusie, dat het mogelijk en heilzaam is koude

baden te nemen (geen zeebaden) tijdens de periode, mits er gepaste

voorzorgen in acht genomen en de gewoonten niet plotseling veranderd

worden. Zulk een wijze van handelen behoeft niet zonder onderscheid

toegepast te worden, maar er kan geen twijfel aan zijn, dat bij

stoere boerenvrouwen, die er in haar jeugd aan gewend zijn, een lange

onderdompeling in de zee bij het visschen geen slechte resultaten

heeft, en dat die zelfs goed is. Housel (Annales de Gynécologie,

Dec. 1894) heeft statistieken gepubliceerd over het menstrueele

leven van 123 visschersvrouwen op de Fransche kust. Zij waren gewend

garnalen te vangen, uren achtereen dikwijls tot boven het middel in

zee staande, en dan rond te loopen in haar natte kleeren om garnalen

te verkoopen. Zij beweerden allen nadrukkelijk, dat haar menstruatie

gemakkelijker was als zij aan haar werk bezig waren. Haar perioden

zijn merkwaardig regelmatig en haar vruchtbaarheid is groot.

[31] J. H. Bride, "The Life and Health of Our Girls in Relation to

Their Future", Alienist and Neurologist, Febr., 1904.

[32] W. G. Chambers, "The Evolution of Ideals", Pedagogical Seminary,

Maart, 1903; Catherine Dodd. "School Children's Ideals", Natural

Review, Febr. en Dec., 1900, en Juni, 1901. Geen Duitsche meisjes

kwamen uit voor den wensch om mannen te willen zijn; zij zeiden

dat het slecht zou zijn. Onder Vlaamsche meisjes bevond Varendonck

te Gent echter (Archives de Psychologie, Juli 1908) dat 26 percent

mannen tot ideaal hadden.

[33] A. Reibmayr, Die Entwicklungsgeschichte des Talentes und Genies,

1908, deel 1, bladz. 70.

[34] R. Hellmann, Ueber Geschlechtsfreiheit, pag. 14.

[35] Dit geloof schijnt veel voor te komen onder jonge meisjes op

het vasteland van Europa. Het vormt het onderwerp van een van Marcel

Prevost's Lettres de Femmes. In Oostenrijk is het, volgens Freud,

niet ongewoon, uitsluitend onder meisjes.

[36] Toch is, volgens de Engelsche wet, verkrachting een misdaad,

die een echtgenoot niet aan zijn vrouw kan begaan, (zie b.v., Nevill

Geary, The Law of Marriage, hoofdst. XV, afd. V). De voltrekking

van de huwelijksplechtigheid echter, zelfs als ze noodzakelijk een

duidelijke verklaring in zich sloot van de voorrechten van den man,

kan niet beschouwd worden als een voldoende rechtvaardiging voor

een daad van sexueele gemeenschap, volbracht met geweld of zonder de

toestemming van de vrouw.

[37] Hirschfeld, Jahrbuch für Sexuelle Zwischenstufen, 1903,

pag. 88. We kunnen hieraan toevoegen, dat een afschuw tegen coïtus

niet noodzakelijk behoeft voort te komen uit een slechte opvoeding

en dat die ook wel voor kan komen in erfelijk gedegenereerde vrouwen,

wier voorouders gelijke of er mee verwante geestelijke eigenaardigheden

vertoond hebben. Een geval van zulke "functioneele impotentie" wordt

vermeld van een jonge Italiaansche vrouw van een en twintig jaar,

die overigens gezond was en sterk aan haar echtgenoot gehecht. Het

huwelijk werd nietig verklaard op den grond dat "rudimentaire sexueele

of emotioneele paranoia, die een vrouw onoverwinbaar afkeerig maakt

van sexueele vereeniging, niettegenstaande de volledigheid van de

sexueele organen, psychische functioneele impotentie vormt". (Archivio

di Psichiatria, 1906, fosc. VI, pag. 806).

[38] De redelijkheid van dezen stap blijkt zoo duidelijk, dat het

bijna niet noodig moest zijn er op aan te dringen. "De mededeeling aan

schooljongens en schoolmeisjes wordt het best gedaan door een ouderen

dokter", merkt Näcke op, "soms misschien door den schooldokter". "Ik

raad sterk aan", zegt Clouston (The Hygiene of Mind, pag. 249), "dat

de huisdokter, geleid door de ouders en den onderwijzer, verreweg de

beste leeraar en raadsman is". Moll is van dezelfde meening.

[39] Ik heb dit argument verder ontwikkeld in "Religion and the Child",

Nineteenth Century and After, 1907.

[40] De nauwe betrekking die er bestaat tusschen kunst en poëzie

en den sexueelen impuls is sporadisch erkend door velen, die niet

tot een ruimen blik op de auto-erotische werkzaamheid in het leven

gekomen zijn. "Poëzie staat noodzakelijk in verband met de sexueele

functies", zegt Metchnikoff (Essais Optimistes, pag. 352), die ook

met instemming aanhaalt het gezegde van Möbius (vroeger geuit door

Ferrero en vele anderen) "dat artistieke bekwaamheden waarschijnlijk

moeten beschouwd worden als secundaire sexueele kenmerken".

[41] Zoo zegt Athenaeus (Bk. XIII, hoofdst. XX): "Op de eilanden

van Chios is het een mooi gezicht naar de gymnastiekplaatsen en de

wedrennen te gaan en de jonge mannen naakt te zien worstelen met de

meisjes, die ook naakt zijn".

[42] Augustinus (De Civitate Dei, lib. II, hoofdst. XIII) vermeldt

hetzelfde punt, waar hij de Romeinen stelt tegenover de Grieken,

die hun tooneelspelers eerden.

[43] Zie "The Evolution of Modesty", eveneens van mijn hand, waar

de betrekking tusschen de naaktheid en de ingetogenheid nauwkeurig

besproken wordt.

[44] C. H. Stratz, Die Körperformen in Kunst und Leben der Japaner,

Second edition, hoofdstuk III; id., Frauenkleidung, Third edition,

pp. 22, 30.

[45] Ik heb het hier niet de juiste plaats gevonden om den nadruk

te leggen op den æsthetischen invloed van gemeenzaamheid met de

naaktheid. De meest æsthetische volken (vooral de Grieken en de

Japanners) zijn zij geweest, die een zekeren graad van gemeenzaamheid

met het naakte lichaam bewaarden. "In al de kunsten", merkt Maeterlinck

op, "zijn beschaafde volken genaderd tot of afgeweken van zuivere

schoonheid naarmate zij naderden tot of afweken van de gewoonte van

naaktheid". Ungewitter legt den nadruk op het voordeel voor den artist,

om in staat te zijn het naakte lichaam in beweging te bestudeeren, en

het kan de moeite waard zijn te vermelden, dat Fidus (Hugo Höppener),

de Duitsche artist van dezen tijd, die een grooten invloed heeft

uitgeoefend door zijn frissche, machtige en toch eerbiedige teekening

van de naakte menschelijke gestalte in al haar verschillende standen,

zijn inspiratie en zijn visie toeschrijft aan het feit, dat hij als

leerling van Diefenbach gewoon was met zijn makkers naakt te werken op

de eenzame plaatsen buiten München, die zij bezochten, (F. Enzenberger,

"Fidus", Deutsche Kultur, Aug., 1906).

[46] Meditationes Piissimae de Cognitione Humanae Conditionis, Migne's

Patrologia, vol. CLXXIV, p. 489, cap. III, "De Dignitate Animae et

Vilitate Corporis". Het kan de moeite loonen, de krachtige taal van

het origineel meer uitvoerig aan te halen. "Si diligenter consideres

quid per os et nares caeterosque corporis meatus egrediatur vilius

sterquilinum numquam vidisti.... Attende, homo, quid fuisti ante

ortum, et quid es ab ortu usque ad occasum, atque quid eris post hanc

vitam. Profecto fuit quando non eras: postea de vili materia factus,

et vilissimo panno involutus, menstruali sanguine in utero materno

fuisti nutritus, et tunica tua fuit pelvis secundina. Nihil aliud est

homo quam sperma fetidum, saccus stercorum, cibus vermium.... Quid

suberbis, pulvis et cinis, cujus conceptus cula, nasci miseria,

vivere poena, mori angustia?"

[47] Zie (in de uitgave van Mignes) S. Odonis abbatis Cluniacensis

Collationes, lib. II, cap. IX.

[48] Dühren (Neue Forschungen über die Marquis de Sade, pp. 432 et

seq.) bewijst hoe het ascetisch beschouwen van het lichaam van de

vrouw b.v. hardnekkig stand hield bij Schopenhauer en De Sade.

[49] In "The Evolution of Modesty" in het eerste deel van deze Studies,

en wederom in het vijfde deel bij het bespreken van de urolagnia in

de studie over "Erotic Symbolism", zijn de wederkeerige reacties van

de sexueele en de excretorische centra volledig behandeld.

[50] "La Morale Sexuelle", Archives d'Anthropologie Criminelle,

Jan., 1907.

[51] De bovenstaande aanhaling, nu licht gewijzigd, vormde

oorspronkelijk een onuitgegeven deel van een essay over Walt Whitman

in The New Spirit, het eerst uitgegeven in 1889.

[52] Zelfs in de negende eeuw echter, toen de kloosterbeweging

zich snel ontwikkelde, waren er eenige, die aan de neigingen van

de nieuwe asceten weerstand boden. Zoo schreef in 850 Ratramnus,

de monnik, een verhandeling (Liber de eo quod Christus ex Virgine

natus est) om te bewijzen, dat Maria werkelijk Jezus baarde door

haar sexueele organen, en niet, zooals sommige overdreven personen

begonnen te denken, dat alleen maar mogelijk kon zijn door de meer

door de conventie fatsoenlijk geoordeelde borsten. De sexueele organen

waren geheiligd. "Spiritus sanctus ... et thalamum tanto dignum sponso

sanctifivavit et portam" (Achery, Specilegium, vol. i. p. 55).

[53] Paedagogus, lib. II, cap. X. Ergens anders (id., lib. II,

hoofdst. VI) geeft hij meer in bijzonderheden een opgave, die

hetzelfde bevat.

[54] Zie bv. Wilhelm Capitaine, Die Moral des Clemens von Alexandrien,

pp. 112 et seq.

[55] De Civitate Dei, lib. XXII, cap. XXIV. "Het is nergens voor

noodig", zegt hij weer (id., lib. XIV, cap. V) "dat wij in onze zonden

en ondeugden den aard van het vleesch aanklagen tot beleediging van

den Schepper, want in zijn eigen soort en in zijn eigen mate is het

vleesch goed".

[56] De heilige Augustinus, De Civitate Dei, lib. XIV,

cap. XXIII-XXVI. Chrysostomus en Gregorius, van Nyssa, meenden,

dat in het Paradijs menschelijke wezens zich zouden vermenigvuldigd

hebben door een speciale wijze van scheppen, maar dat is niet de leer,

aangenomen door de katholieke kerk.

[57] W. Capitaine, Die Moral des Clemens von Alexandrien, pp. 112

et seq. Zonder het lichaam zou er, verklaarde Tertullianus, geen

maagdelijkheid zijn en geen redding. De ziel zelf is lichamelijk. Hij

voert inderdaad zijn idee van de alomtegenwoordigheid van het lichaam

tot in het belachelijke door.

[58] Rufinus, Commentarius in Symbolum Apostolorum, cap. XII.

[59] Migne, Patrologia Græca, vol. XXVI, pp. 1170 et seq.

[60] Zelfs in hun physieken bouw vertoonen de menschelijke sexueele

organen, in vergelijking met die van de lagere dieren, in het

oog vallende verschillen (zie Havelock Ellis, "The Mechanism of

Detumescence").

[61] Het kan misschien goed zijn met Forel (Die sexuelle Frage,

p. 208), er op te wijzen, dat het woord "dierlijk" algemeen en

gewoonlijk geheel onjuist gebruikt wordt in dit verband. Inderdaad,

niet alleen voor de hoogere maar ook voor de lagere uitingen van den

sexueelen impuls zou het gewoonlijk juister zijn in plaats daarvan

den term "menschelijk" te gebruiken.

[62] Loc. cit., Archives d'Anthropologie Criminelle, Jan., 1907.

[63] Het heeft echter kleur gekregen en is al in de oudste

geschiedenis van het Christendom in verdenking gekomen. Terwijl de

heilige Augustinus (De Civitate Dei, lib. xiv, cap. XV), toegeeft,

dat libido of lust de algemeene naam is voor alle begeerte, voegt

hij er aan toe, dat het speciaal gebruikt voor de sexueele begeerte,

terecht en behoorlijk vermengd is met gevoelens van schaamte.

[64] Hinton geeft een goeden uitleg van dit gevoelen. "Wij noemen

lust", zegt hij in zijn manuscript, "de eenvoudigste en natuurlijkste

verlangens. We zouden evengoed honger en dorst "lust" kunnen noemen

als de sexueele hartstochten, als wij alleen maar den drang van

de natuur willen aanduiden. Wij noemen die ten onrechte "lust" en

belasteren zoodoende wreedaardig hen, aan wie we hem toeschrijven en

geven aanleiding tot absolute wanorde. Want, door dwaas de eischen

der natuur te verwarren met lust, doen we ze geweld aan."

[65] Vele eeuwen tevoren had een ander Fransch schrijver, de bekende

dokter A. Laurentius (Des Laurens) in zijn Historia Anatomica

Humani Corporis (lib. VIII, Quaestio VII) eveneens gepeinsd over

"de ongelooflijke begeerte naar coïtus", en gevraagd hoe het kwam,

dat "dat goddelijke dier, vol van rede en oordeel, dat wij Mensch

noemen, aangetrokken moet worden tot die obscene deelen van vrouwen,

die bevlekt zijn met vuil en, evenals een riool, in de onderste deelen

van het lichaam geplaatst zijn". Het is opmerkelijk, dat van het begin

af aan en evenzeer onder mannen van godsdienst, mannen van wetenschap

en mannen van letterkunde, de geheimzinnigheid van dit probleem zich

bijzonder opgedrongen heeft aan den geest der Franschen.

[66] Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung, vol. II,

pp. 608 et seq.

[67] "Misschien is er wel nauwelijks een man", schreef Maltus, een

geestelijke, zowel als een van de diepste denkers van zijn tijd (Essay

on the Principle of Population, 1798, hoofdst. XI), "die eenmaal het

ware genot van deugdzame liefde ondervonden heeft, die, hoe groot

zijn intellectueele genoegens ook geweest mogen zijn, niet op dezen

tijd terugziet als op de zonnige plek van zijn geheele leven, waar

zijn verbeelding gaarne verwijlt, die hij herdenkt en beschouwt met

het teerste leedwezen en die hij het meest zou wenschen nog eens weer

te beleven. De voorrang van intellectueele genoegens boven sexueele

bestaat eerder daarin, dat ze meer tijd in beslag nemen en dat ze een

wijder kring beslaan, en daarin dat ze niet zoo gemakkelijk verzadigen,

dan daarin, dat ze meer werkelijk en essentieel zijn."

[68] Het geheele argument van een ander deel van deze Studies over

"Sexual Selection in Man" wijst in deze richting.

[69] "Misschien zijn wel de meeste gewone mannen", merkt Forel op

(Die sexuelle Frage, p. 307), maar in geringe mate in staat tot

de opwinding der liefde; zij staan op zijn hoogst op het standpunt

van den gourmet, dat in het geheel niet noodzakelijk een immoreel

standpunt is, maar zeker niet het standpunt der poëzie.

[70] Voor Blake en voor Shelley, zoowel als, naar we er mogen

bijvoegen, voor Hinton, is kuischheid, zooals Todhunter in zijn Study

of Shelley opmerkt, een wijze van zich onderwerpen aan het actueele,

een verzaken van het oneindige, en daarom voelen zij er niet voor. De

kuische man, d.i. de man van voorzichtigheid en zelfbeheersching, is

hij, die de naaktheid van zijn oorspronkelijke onschuld verloren heeft.

[71] Voor bewijsmateriaal voor de gebruiken van natuurvolken in

deze zaak zie men ook hoofdst. IV en VII van de History of Human

Marriage door Westermarck en ook hoofdst. XXXVIII en XVI van Origin

and Development of the Moral Ideas van denzelfden schrijver, deel II;

Golden Bough van Fraser bevat veel, dat op het onderwerp betrekking

heeft, evenals ook Mystic Rose van Crawley.

[72] Zie bv. Westermarck, Origin and Development of the Moral Ideas,

vol. II, pp. 412 et seq.

[73] Zoo verklaarde een oude Maori, eenige jaren geleden, dat de

achteruitgang van zijn ras geheel te wijten is aan het verlies van het

oude godsdienstige geloof in de tabu. "Want", zeide hij (ik doe een

aanhaling uit een Auklandsche courant), "in den ouden tijd was ons

tapu samengevlochten met het geheele maatschappelijke systeem. Het

hoofd, het haar, plaatsen waar geestverschijningen zich vertoonden,

plaatsen die de tohungas heilig noemden, zijn wij vergeten en hebben

wij verwaarloosd. Wie denkt er tegenwoordig aan de heiligheid van het

hoofd? Zie, als het water in den ketel kookt, dan springt de jonge

man op, neemt zijn pet van zijn hoofd en gebruikt die om den deksel

vast te pakken. Wie is er tegenwoordig, die niet met onverschilligheid

toeziet als de barbier van het dorp, als hij dicht bij het vuur is,

het losse haar van zijn laken er in gooit, en het gescherts en het

lachen gaan door alsof niet een heilige handeling juist voleindigd

was. Voedsel wordt gegeten op plaatsen, waar men het in vroeger dagen

niet overheen durfde dragen".

[74] Zoo bestond, lang voordat er Christelijke monniken optraden,

het ascetische kloosterleven in zeer gelijksoortigen geest in Egypte

bij de vereering van Serapis (Dill, Roman Society, p. 79).

[75] 's Nachts, in de doopkapel, met lampen, die flauw brandden, werd

der vrouwen zelfs haar tunica uitgetrokken, en werden zij driemaal

in den poel gedompeld, dan gezalfd, in het wit gekleed, en gekust.

[76] Zoo verwijst Jeronimus, in zijn brief aan Eustachius, naar die

paren, die "dezelfde kamer deelen, dikwijls hetzelfde bed, en die

ons ergdenkend zouden noemen als wij daar conclusies uit trokken",

terwijl Cyprianus (Epistola, 85) niet in staat is het gedrag van die

mannen goed te keuren, waarvan hij hoort spreken en waarvan een zelfs

een deken is, die in intiemen omgang leven met meisjes, en zelfs in

hetzelfde bed met haar slapen; want, zegt hij, het vrouwelijk geslacht

is zwak en de jeugd is lichtzinnig.

[77] Perpetua (Acta Sanctorum, March 7) wordt door Hort en Mayor

genoemd "de mooiste bloem in den tuin van het na-apostolisch

Christendom". Zij was echter geen maagd, maar een jonge moeder,

met een kind aan de borst.

[78] De kracht van het oude Christelijke ascetisme lag in zijn

spontaan en vrijwillig karakter. Toen, in de negende eeuw,

de Carlovingen probeerden het celibaat in kloosters en aan de

geestelijkheid op te leggen, was het resultaat een grote uitbarsting

van onkuischheid en misdaad; nonnenkloosters werden bordelen, nonnen

waren dikwijls schuldig aan kindermoord, monniken begingen niet te

vermelden schanddaden, de vaste geestelijkheid knoopte bloedschendige

betrekkingen aan met hun naaste vrouwelijke verwanten. (Lea, History

of Sacerdotal Celibacy, vol. I, pp. 155 et seq.).

[79] Senancour, De l'Amour, deel II p. 233. De Islam heeft veel minder

den nadruk gelegd op de kuischheid dan het Christendom, maar in de

praktijk is er, naar het schijnt, dikwijls meer eerbied voor kuischheid

onder Mohammedaansche dan onder Christelijke heerschappij. Zoo wordt

gezegd door "Viator" (Fortnightly Review, Dec. 1908) dat het vroeger,

onder Muzelmansche heerschappij, onmogelijk was de deugd van vrouwen in

Bosnië te koopen, maar dat het nu, onder de Christelijke heerschappij

van Oostenrijk, overal bij de Oostenrijksche grens mogelijk is dit

te doen.

[80] De basis van dit gevoel werd versterkt, toen het bleek, dat door

geleerden was aangetoond, dat de physieke deugd van "maagdelijkheid"

onder een valschen naam vermomd was geweest. Een maagd te blijven

schijnt in het eerst, onder volken van oude Arische cultuur in het

geheel niet een gelofte van kuischheid beteekend te hebben, maar

een weigering zich te onderwerpen aan het juk van het patriarchale

huwelijk. De vrouwen, die er de voorkeur aan gaven buiten het huwelijk

te blijven waren "maagden", zelfs als zij moeders van groote families

waren, en Aeschylus spreekt van de amazonen als van "maagden", terwijl

in het Grieksch het kind van een ongetrouwd meisje altijd "de zoon

eener maagd" was. De geschiedenis van Artemis, de meest primitieve

van de Grieksche godheden, is uit dit gezichtspunt leerzaam. Zij was

oorspronkelijk alleen maagdelijk in den zin, dat zij het huwelijk

verwierp, daar zij de godin was van een nomadisch en matriarchaal

jagersvolk, dat het huwelijk nog niet aangenomen had en zij was de

godin der bevallingen, die met orgiastische dansen en phallische

zinnebeelden vereerd werd. Eerst door een latere gedaanteverwisseling

werd Artemis de godin der kuischheid (Farnell, Cults of the Greek

States, Deel II, pp. 442 et seq.; Sir W. M. Ramsay, Cities of Phrygia,

Deel I, p. 96; Paul Lafargue, "Les Mythes Historiques", Revue des

Idées, Dec., 1904).

[81] Zie b.v., Nicomachean Ethics, Bk. III, hoofdst. XIII.

[82] De Civitate Dei, lib. XV, cap. XX. Wat verderop (boek XVI,

hoofdst. XXV) verwijst hij naar Abraham als naar een man, die met

vrouwen kan omgaan zooals het behoort, met zijn vrouw met mate,

met zijn bijwijf inschikkelijk, met geen van beide onmatig.

[83] Summa, Migne's uitgave, deel III, qu. 154, art. 1.

[84] De meerderheid der kuische jonge mannen, merkt een schrander

criticus van het moderne leven op (Hellpach, Nervosität und Kultur,

p. 175), wordt alleen gedreven door traditioneele principes,

of door verlegenheid, vrees voor venerische infecties, gebrek aan

zelfvertrouwen, geldgebrek, zeer zelden door eenige consideratie voor

een toekomstige vrouw, en dat zou ook inderdaad een tragi-comische

dwaling zijn, want een vrouw hecht geen waarde aan onaangeroerde

mannelijkheid. Bovendien, voegt hij er bij, is de kuische man niet in

staat met verstand een vrouw te kiezen, en het is onder de onderwijzers

en de geestelijken,--de meest kuische klasse--dat de meeste ongelukkige

huwelijken gesloten worden. Milton had dit feit al tot een argument

gemaakt voor het gemakkelijk maken der echtscheiding.

[85] "Bij eten", zeide Hinton, "hebben wij de taak volbracht om

genoegen te vereenigen met de afwezigheid van "lust". Het probleem

voor man en vrouw is den sexueelen hartstocht zoo te gebruiken en te

bezitten, dat hij gemaakt wordt tot een werktuig voor hoogere dingen,

met geen andere beperking er op dan deze. Zij is essentieel verbonden

met dingen van de geestelijke orde, en zou van nature zich daar naar

voegen. Er over te denken als enkel lichamelijk is een dwaling".

[86] Ik heb op een andere plaats de behoefte in het moderne leven

aan een natuurlijk en ernstig ascetisme breeder besproken (zie

Affirmations, 1898) "St. Francis and Others".

[87] Der Wille zur Macht, p. 392.

[88] Op den leeftijd van vijf en twintig, toen hij reeds veel mooi werk

had gemaakt, schreef Mozart in zijn brieven, dat hij nooit een vrouw

had aangeraakt, hoewel hij naar liefde en huwelijk verlangde. Hij

had geen middelen om te trouwen, hij wilde geen onschuldig meisje

verleiden, een vergeeflijke verhouding was stuitend voor hem.

[89] Reibmayr, Die Entwicklungsgeschichte des Talentes und Genies,

Bd. 1. p. 437

[90] Maagdelijkheid, dat wil zeggen het bezit van een ongeschonden

hymen, kunnen wij--behoeven wij dit nog te herhalen--geheel buiten

bespreking laten, daar zij louter een physieke eigenschap is,

die niet noodzakelijk ethische verwantschappen heeft. De eisch van

maagdelijkheid in vrouwen is, voor het grootste gedeelte, òf de vraag

naar een meer verkoopbaar artikel, òf naar een machtiger prikkel

voor de mannelijke begeerte. Maagdelijkheid sluit geen moreele

eigenschappen in bij haar bezitster. Kuischheid en ascetisme zijn

aan den anderen kant woorden zonder beteekenis, behalve als eischen,

die de geest aan zichzelf stelt of aan het lichaam dat hij beinvloedt.

[91] Dit gezichtspunt was een dubbelzinnige verbetering van de

opvatting, die, zooals Westermarck heeft aangetoond, onder primitieve

volken algemeen heerschte, n.l. deze, dat de sexueele daad een

vrouw alleen vernedert en haar waarde vermindert, in zooverre zij

het eigendom is van een ander persoon, die de werkelijk benadeelde

persoon is.

[92] Op deze ingewikkelde tegenstrijdigheid is van godsdienstige zijde

fijn gewezen door den Rev. H. Northcote, Christianity and Sex Problems,

p. 53.

[93] "Die Abstinentia Sexualis", Zeitschrift für Sexualwissenschaft,

Nov. 1908.

[94] P. Janet, "La Maladie du Scrupule", Revue Philosophique, Mei 1901.

[95] Zie Freud, Sexual-Probleme, Maart 1908. Zooals Adele Schreiber

ook aantoont (Mutterschutz, Jan. 1907, p. 30), is het niet genoeg

te bewijzen, dat abstinentie niet gevaarlijk is; we moeten in de

gedachte houden, dat de geestelijke en physieke energie, die verbruikt

wordt voor het onderdrukken van dit machtige instinct dikwijls een

vroolijke, energieke natuur verandert in een zwakke schaduw. Evenzoo

zegt Helene Stöcker (Die Liebe und die Frauen, p. 105): "De kwestie,

of abstinentie schadelijk is, is, om de waarheid te zeggen, een

belachelijke kwestie. Men hoeft geen zenuw-specialist te zijn om

te weten, als iets dat vanzelf spreekt, dat een leven van gelukkige

liefde en huwelijk het gezonde leven is, en dat de geheele afwezigheid

daarvan wel leiden moet tot ernstige zenuw-depressie, zelfs als er

geen directe physiologische stoornissen kunnen worden aangetoond".

[96] Max Flesch, "Ehe, Hygiene und Sexuelle Moral", Mutterschutz,

1905, aflevering 7.

[97] "Ik heb twee jaar lang nauwkeurige ondervinding en omgang met

de Trappisten gehad", schreef Dr. Butterfield van Natal (British

Medical Journal, Sept. 15, 1906, p. 668), "als medisch verzorger en als

geloovig Katholiek beide. Ik heb ze bestudeerd en hun leven, gewoonten

en diëet onderzocht, en hoewel ik het niet graag aan zou nemen, omdat

het voor mij persoonlijk niet past, is de groote massa van hen van

een absoluut ideale gezondheid en kracht, zij mankeeren zelden iets,

zijn in staat tot veel werk, geestelijk en lichamelijk. Hun leven is

zeer eenvoudig en zeer regelmatig. Het zou moeilijk zijn een gezonder

gemeenschap van mannen en vrouwen, met volkomen gelijkmatigheid

van humeur--op dit laatste leg ik den nadruk--te vinden. Gezondheid

straalt uit hun oogen, hun gelaat en hun daden. Alleen bij ziekte of

bij lange reizen worden hun krachtige spijzen toegestaan--vleesch,

eieren, enz.--of alcohol".

[98] Féré, L'Instinct Sexual, tweede uitgave, p. 332.

[99] Het leven op het land, zooals we gezien hebben toen we de

verhouding daarvan tot sexueele vroegrijpheid bespraken, is aan

den eenen kant het ongekende van een bescherming tegen sexueele

invloeden. Maar aan den anderen kant, voor zoover het hard werken op

het land in zich sluit en eenvoudig leven, onder omstandigheden die

niet prikkelend zijn voor het zenuwstelsel, is het gunstig voor een

aanmerkelijk uitgestelde sexueele werkzaamheid in de jeugd en voor

een betrekkelijke zelfbeheersching. Ammon vond in den loop van zijn

anthropologische onderzoekingen op Badensche lotelingen, dat sexueele

omgang op het land zeldzaam was voor de twintig, en dat zelfs sexueele

zaaduitstortingen tijdens den slaap zeldzaam waren voor de negentien

of twintig. In de dorpen wordt ook gezegd, herhaalt hij, dat niemand

het recht heeft meisjes na te loopen die nog geen geweer draagt, en

de oudere jongens mishandelen soms brutaal iederen jongeren jongen,

die met een meisje gevonden wordt. Ongetwijfeld gaat dit dikwijls

vooraf aan veel losbandigheid later.

[100] Het overwicht in aantal, dat ongetrouwde onderwijzeressen nu in

het Amerikaansche schoolsysteem verkregen hebben, heeft bij vele goede

opmerkers ernstige bezorgdheid gewekt, en men zegt, dat het bij jongens

en meisjes onbevredigende onderwijsresultaten oplevert. Een bekend

autoriteit, Professor McKeen Cattell ("The School and the Family",

Popular Science Monthly, Jan. 1909) gaat, waar hij verwijst naar dit

overheerschen van "oude juffrouwen zonder levenskracht of geslacht",

zoover van te zeggen, dat "het eindresultaat van dit feit, dat men

de ongetrouwde vrouw de gewone onderwijzeres laat zijn, geweest is,

dat het een kwestie geworden is of het niet een voordeel zou zijn

voor het land, als de geheele schoolplant uitgeroeid kon worden".

[101] Corre (Les Criminels, p. 351) zegt, dat van de dertien priesters,

veroordeeld wegens misdaad, er zes schuldig waren aan sexueele pogingen

op kinderen, en van de drie en tachtig veroordeelde onderwijzers acht

en veertig soortgelijke misdrijven hadden begaan. Dit was op een tijd,

toen onderwijzers praktisch bijna gedwongen waren een ongehuwd leven

te leiden; veranderde omstandigheden hebben voor een groot deel deze

soort van misdrijf onder hen verminderd. Zonder dat het tot misdaad

komt, ondervinden vele moreele en godsdienstige mannen, geestelijken en

anderen, die een ernstig abstinent leven geleid hebben in hun jeugd,

soms op middelbaren leeftijd of later de uitbarsting van bijna niet

te beheerschen sexueele impulsen, normaal of abnormaal. Bij vrouwen

nemen zulke uitingen dikwijls den vorm aan van als een obsessie

vervolgende gedachten, zooals b.v. in het geval (Comptes-Rendus

Congrès International de Médecine, Moscou, 1897, deel IV, p. 27) van

een kuische vrouw, die den drang in zich voelde om te kijken naar de

geslachtsdeelen van mannen.

[102] J. A. Godfrey, The Science of Sex, p. 138.

[103] Zie bv. Havelock Ellis, "St. Francis and Others", Affirmations.

[104] Zie bv. Cheetham's "Hulsean Lectures" The Mysteries, Pagan and

Christian, pp. 123, 136.

[105] Hormayr's Taschenbuch, 1835. p. 235. Hagelstange wijst er op,

in een hoofdstuk over middeleeuwsche feesten in zijn Süddeutsches

Bauernleben im Mittelalter, hoe bij deze Christelijke orgieën, die

inderdaad van heidenschen oorsprong waren, de Duitsche menschen met

geweldige en luidruchtige energie reageerden tegen de inspanning en

de eentonigheid van hun dagelijksch leven.

[106] Dit werd duidelijk erkend door de meer intelligente voorstanders

van het karnaval. Strenge menschen wilden dit feest afschaffen,

en in een merkwaardig verzoekschrift, gezonden aan de Theologische

Faculteit van Parijs (en aangehaald door Flogel, Geschichte des

Grotesk-Komischen, vierde uitgave, p. 204) wordt het feest aldus

verdedigd: "Wij doen dit volgens een oude gewoonte, opdat de dwaasheid,

die 's menschen tweede natuur is en hem schijnt aangeboren te zijn,

tenminste eenmaal in het jaar vrijen loop heeft. Wijnvaten zouden

springen, als we niet nu en dan de spon losmaakten om lucht in the

laten. Nu zijn wij allen slecht verzekerde vaten en tonnen, die den

wijn der wijsheid zouden laten wegloopen, als wij ze door voortdurende

toewijding en vrees voor God lieten gisten. Wij moeten lucht inlaten,

opdat hij niet bederft. Zoo geven wij ons op sommige dagen aan vermaak

over, dat wij later met des te meer ijver tot de vereering van God

kunnen terugkeeren". Het losbandigheidsfeest werd niet verboden voor

het midden van de zestiende eeuw en overblijfselen ervan bestonden nog

(zooals in Aken) tot bijna aan het einde van de achttiende eeuw.

[107] A. Méray, La Vie au Temps des Libres Prêcheurs, deel II,

hoofdst. X. Een goed en op grondige bronnenstudie berustend verslag

van het losbandigheidsfeest geeft E. K. Chambers, The Mediaeval

Stage, hoofdst. XIII. Het is waar, dat de Kerk en de eerste Kerkvaders

dikwijls het tooneel hebben gevloekt. Maar Gregorius van Nazianza wilde

een Christelijk tooneel oprichten; de middeleeuwsche mysteriespelen

stonden zeker onder de bescherming van de geestelijkheid; en de heilige

Thomas van Aquino, de grootste van de scholastici, veroordeelt het

tooneel slechts in bedekte termen.

[108] Spencer en Gillen, Northern Tribes of Central Australia,

hoofdst. XII.

[109] Journal Anthropological Institute, July-Dec., 1904, p. 329.

[110] Westermarck (Origin and Development of the Moral Ideas, deel

II, pp. 285-9) toont aan, hoe wijd verspreid de gewoonte is, een op

gezette tijden terugkeerenden rustdag vast te stellen.

[111] A. E. Crawley, The Mystic Rose, pp. 273 et seq., Crawley

brengt met dit doel van groote feesten de gewoonte in verband, die

in sommige deelen der wereld gevonden wordt, van bij tijden van

vrouwen te verwisselen. "Het heeft niets hoegenaamd te maken met

het huwelijks-systeem, behalve dat het dat eenigen tijd verbreekt,

zoodat vrouwen van een verboden graad van verwantschap te leen gegeven

worden, op dezelfde gronden, waarop conventies en gewone betrekkingen

bij feesten van het Saturnalische type verbroken worden; het doel is

een verandering in het leven te brengen en weer opnieuw te beginnen,

door alles om te ruilen wat men kan, terwijl de enkele ruilingsdaad

een andere behoefte bevredigt, samengaat met het andere verlangen om

de gemeenschap aaneen te smeden" (Ib., p 479).

[112] G. Murray, Ancient Greek Literature, p. 211.

[113] Het Grieksche drama ontstond waarschijnlijk uit een volksfeest

van een min of meer sexueel karakter, en het is zelfs mogelijk, dat het

middeleeuwsche drama een eenigszins daarmee overeenkomende oorsprong

had (zie Donaldson, The Greek Theatre; Gilbert Murray, loc. cit.;

Karl Pearson, The Chances of Death, deel ii, pp. 135-6, 280 et seq.).

[114] R. Canudo, "Les Chorèges Français", Mercure de France, 1 Maart

1907, p. 180.

[115] "Dit is inderdaad", verklaart Cyples (The Process of Human

Experience, p. 743), "het groote doel van de Kunst--dat zij in

ons bewust doet worden groote egoïstische mogelijkheden, ons op

een rudimentaire wijze gewent aan grootere verwerkelijking van de

persoonlijkheid", en zoo "zonder doel, maar toch op schitterende

wijze de reine nog niet vervulde mogelijkheden in ons wekt".

[116] Zelfs als eentonige arbeid intellectueel is, is hij daardoor

niet gevrijwaard tegen orgiastische reacties. Prof. L. Gurlitt toont

aan (Die Neue Generation, Januari 1909, pp. 31-6) hoe de ingespannen,

zonder verpoozing voortgezette intellectueele arbeid van de Pruisische

seminariën zoowel onder leeraren als onder leerlingen, leidt tot de

ergste vormen van orgie.

[117] Rabutaux bespreekt verschillende definities van prostitutie. De

la Prostitution en Europe, pp. 119 et seq. Voor den oorsprong van

de namen om prostituée aan te duiden, zie men Schrader, Reallexicon,

art. "Beischläferin".

[118] Digest, boek XXIII, deel II, p. 43. Als zij zich alleen aan

een of twee personen gaf, al was het dan voor geld, was het geen

prostitutie.

[119] Guyot, La Prostitution, p. 8. Het element van koopbaarheid

behoort tot het wezen van de zaak, en godsdienstige schrijvers

(zooals Robert Wardlaw, D.D., uit Edinburg, in zijn Lectures on

Female Prostitution, 1842, p. 14), die prostitutie definieeren als "de

onwettige omgang van de seksen", en synoniem achten met theologische

"fornicatie", vervallen in een dwaze verwarring.

[120] "Zulke huwelijken worden soms gebrandmerkt als "wettige

prostitutie"", merkt Sidgwick op (Methods of Ethics, boek III,

hoofdst. XI), "maar we voelen, dat de phrase buitensporig en paradox

is".

[121] Bonger, Criminalité et Conditions Economiques, p. 378. Bonger

meent, dat in haar wezen de daad van prostitutie "gelijk is aan

de daad van een man of een vrouw, die om economische redenen een

huwelijk aangaat".

[122] E. Richard, La Prostitution à Paris, 1890, p. 44. Het kan een

punt van kwestie zijn of openlijkheid of algemeene bekendheid een

essentieel deel moet vormen van de definitie; het schijnt er echter

bij ingesloten te zijn want anders kan de prostituée geen klanten

krijgen. Reuss zegt, dat ze bovendien geheel zonder middelen van

bestaan moet zijn; dat behoort zeker niet tot het wezen der zaak. En

het is ook niet noodig, zooals de Digesten nadrukkelijk zeggen dat de

daad gedaan wordt "zonder genoegen": dat kan al of niet het geval zijn,

zonder invloed uit te oefenen op den prostitutie-aard van de daad.

[123] Hawkesworth, Account of the Voyages, etc., 1775, deel II, p. 254.

[124] R. W. Codrington, The Melanesians, p. 235.

[125] F. S. Krauss, Romanische Forschungen, 1903, p. 290.

[126] H. Schurtz, Altersklassen und Männerbünde, 1902, p. 190. In

dit werk brengt Schurtz eenige voorbeelden samen (p. 189-201) van

den oorsprong der prostitutie bij primitieve volken. Vele feiten

en aanwijzingen worden gegeven door Westermarck (History of Human

Marriage p. 66 et seq., en Origin and Development of the Moral Ideas,

deel II, p. 441 et seq.).

[127] Bachofen (meer speciaal in zijn Mutterrecht en Sage von Tanaquil)

beweerde, dat zelfs godsdienstige prostitutie ontstond uit den

weerstand van primitieve instincten tegen de individualisatie van de

liefde. Cf. Robertson Smith, Religion of Semites, tweede uitgave p. 59.

[128] Wat de reden ook zij, godsdienst en prostitutie komen dikwijls te

zamen voor; het is misschien tot op zekere hoogte een speciale uiting

van dat algemeene verband tusschen de godsdienstige en de sexueele

impulsen, dat elders besproken is. Zoo zegt A. B. Ellis, in zijn boek

over de Ewe-speaking Peoples of West Africa (pp. 124, 141), dat hier

vrouwen, die aan een godheid worden toegewijd, vrije prostituées

worden. W. G. Summer (Folkways, hoofdst. XVI) brengt vele feiten

samen over het wijd verspreid zijn van de godsdienstige prostitutie.

[129] Herodotus, Boek I, hoofdst. CXVIX; Baruch, hoofdst. VI,

p. 43. Geleerden van den nieuweren tijd bevestigen uit de studie

van de Babylonische literatuur de beweringen van Herodotus, hoewel

ze geneigd zijn te ontkennen, dat de godsdienstige prostitutie een

zoo groote plaats innam als hij er aan toekent. Een Tafel van het

Gilgamash-epos maakt volgens Morris Jastrow melding van prostituées als

dienaressen van de godin Isthar in de stad Uruk (of Erech), die dus

een centrum was en misschien het hoofd-centrum van de door Herodotus

beschreven plechtigheden (Morris Jastrow, The Religion of Babylonia

and Assyria, 1898, p. 475). Isthar was de godin der vruchtbaarheid,

de groote moeder-godin, en de prostituées namen als tempel-dienaressen

deel aan de ceremoniën, die de vruchtbaarheid zinnebeeldig moesten

voorstellen. Deze priesteressen van Isthar waren bekend onder den

algemeenen naam Kadishtu, "de heiligen" (op. cit., pp. 485, 660).

[130] Het is gewoon onder moderne schrijvers Aphrodite Pandemos,

eer dan Urania, in verband te brengen met koopbare of vrije

sexualiteit, maar dat is een vergissing, want de Aphrodite Pandemos

was zuiver politiek en had geen sexueele beteekenis. De vergissing

was misschien wel met voorbedachten rade ingevoerd door Plato. Men

heeft de mogelijkheid geopperd dat die aartsbedrieger, die niet van

democratische denkbeelden hield, met moedwil trachtte de opvatting

van Aphrodite Pandemos naar beneden te halen (Farnell, Cults of Greek

States, deel II, p. 660).

[131] Athenaeus, Boek XIII, hoofdst. XXXII. Het schijnt, dat de eenige

andere Grieksche gemeenschap, waar de tempeldienst onkuischheid met

zich bracht een stad was van de Locri Epizephyrii (Farnell, op. cit.,

deel II, p. 636).

[132] Ik zeg niet een vroegere "promiscuïteit", want de theorie van de

primitieve sexueele promiscuïteit is nu in ruimen kring in discrediet,

hoewel er geen redelijke twijfel aan kan bestaan, dat het in vroeger

tijd heerschende moederrecht gunstiger was aan de sexueele vrijheid van

vrouwen dan het latere patriarchale systeem. Zoo kon in de alleroudste

Egyptische dagen een vrouw haar gunsten schenken aan iederen man dien

zij wilde, door hem haar kleed te zenden, zelfs als ze getrouwd was. Na

verloop van tijd leidde het zich uitbreiden van de rechten der mannen

er toe, dat dit beschouwd werd als misdadig, maar de priesteressen van

Ammon behielden tot het laatst dit voorrecht, daar zij onder goddelijke

bescherming stonden (Flinders Petrie, Egyptian Tales, pp. 10, 48).

[133] We moeten hieraan toevoegen, dat Farnell ("The Position of

Women in Ancient Religion", Archiv für Religionswissenschaft, 1904,

p. 88) de godsdienstige prostitutie van Babylonië tracht uit te

leggen als een speciale godsdienstige wijziging van de gewoonte de

maagdelijkheid voor het huwelijk te vernietigen, om den echtgenoot te

vrijwaren tegen de mystieke gevaren van de defloratie. E. S. Hartland

("Concerning the Rite at the Temple of Mylitta", Anthropological

Essays Presented to E. B. Tyler p. 189) veronderstelt, dat dit een

godsdienstige plechtigheid bij de puberteit was, die in verband stond

met de ceremonieele defloratie. Deze theorie is echter niet algemeen

door Semitische geleerden aangenomen.

[134] De meisjes van dezen stam, die opmerkelijk knap zijn, keeren,

nadat zij twee of drie jaar doorgebracht hebben met het verzamelen

van zoo'n bruidsschat, naar huis terug om te trouwen; men zegt, dat

zij zeer goede vrouwen en moeders worden. Zij worden beschreven door

Bertherand in Parent-Duchâtelet, La Prostitution à Paris, deel II,

p. 539.

[135] In Abyssinië (volgens Fiashi, British Medical Journal, Maart 13,

1897), waar de prostitutie altijd in hooge eer gehouden is, achten de

prostituées, die tegenwoordig tweemaal in de week medisch onderzocht

worden, haar beroep in geenen deele schandelijk; zij vinden later

gemakkelijk echtgenooten. Ook Potter (Sohrab und Rustem, pp. 168 et

seq.) geeft aanwijzingen over volken, die ver verspreid zijn over

de Oude Wereld en de Nieuwe, onder wie de jonge vrouwen prostitutie

uitgeoefend hebben om een bruidschat te verkrijgen.

[136] In Tralles, in Lydië was zelfs in de tweede eeuw voor Christus,

zooals Sir W. M. Ramsay opmerkt (Cities of Phrygia, deel I, pp. 115)

geheiligde prostitutie nog een eerbare handeling voor vrouwen van

goede geboorte, die "zich geroepen voelen het goddelijke leven te

leiden onder den invloed der goddelijke inspiratie".

[137] De geleidelijke secularisatie van de prostitutie van haar

vroegeren godsdienstigen vorm is door verschillende schrijvers nagegaan

(zie b.v. Dupouney La Prostitution dans l'Antiquité). De vroegste

waardeerende vermelding van de hetare wordt in de literatuur gevonden,

volgens Benecke (Antimachus of Colophon, p. 36), in Bacchylides.

[138] Cicero, Oratis prô Coelio, hoofdst. XX.

[139] Pierre Dufour, Histoire de la Prostitution, deel II,

hoofdst. XIX-XX. De werkelijke schrijver van deze welbekende

geschiedenis van de prostitutie, die, hoewel ze niet wetenschappelijk

is in haar methoden, een groote massa interessant nieuws samenbrengt,

zegt men, dat Paul Lecroix is.

[140] Rabutaux beschrijft, in zijn Histoire de la Prostitution en

Europe, vele pogingen om de prostitutie te onderdrukken; cf. Dufour,

op. cit., deel III.

[141] Dufour, op. cit., deel VI, hoofdst. XLI. Het was onder de

regeering van Hendrik III, dat er verordend werd de bordeelen te

dulden.

[142] In de achttiende eeuw vooral kwamen huizen van prostitutie in

Parijs tot een verwonderlijken graad van glans en bloei. Dank zij de

voortdurende waakzame belangstelling van de politie werd een groote

mate van gedetailleerde inlichtingen over deze instellingen opgezameld,

en in de laatste jaren is er veel van gepubliceerd. Een opsomming van

deze literatuur zal men vinden in Neue Forschungen über den Marquis

de Sade und seine Zeit, 1904, p. 97 et seq. van Dühren.

[143] Rabutaux, op cit., p. 54.

[144] Calza heeft de geschiedenis geschreven van de prostitutie in

Venetië; en de inhoud van sommige van de documenten, die hij vond, is

medegedeeld door Mantegazza, Gli Amori degli Uomimi, hoofdst. XIV. Bij

het begin van de zeventiende eeuw, een tamelijk late periode, bezocht

Coryat Venetië en gaf in zijn Crudities een volledig en belangwekkend

verslag van de courtisanes daar, die toen, naar hij zegt, minstens

20.000 in getal waren; de belasting die zij voor den staat inbrachten

onderhield een dozijn galeien.

[145] J. Schrank, Die Prostitution in Wien, deel I, pp. 152-206.

[146] U. Robert, Les Signes d'Infamie au Moyen Age, hoofdst. IV.

[147] Rudeck (Geschichte der öffentlichen Sittlichkeit in Deutschland,

pp. 26-36) geeft vele bijzonderheden over de belangrijke rol, gespeeld

door prostituées en bordeelen in het middeleeuwsche Duitsche leven.

[148] Zij worden beschreven door Rabutaux, op. cit., pp. 90 et seq.

[149] L'Année Sociologique, zevende jaar, 1904, p. 440.

[150] Bloch, Der Ursprung der Syphilis, Wat de Duitsche "Frauenhausen"

aangaat, zie men Max Bauer, Das Geschlechtsleben in der Deutschen

Vergangenheit, pp. 133-214. In Parijs, zegt Dufour, (op. cit., deel

V, hoofdst. XXXIV), hadden bordeelen onder de verordeningen van

den heiligen Lodewijk vele rechten, die zij ten slotte verloren in

1560, toen zij enkel huizen waren die geduld werden zonder statuten,

speciale costuums, of beperking tot speciale straten.

[151] "Cortegiana, hoc est meretrix honesta", schreef Burckhardt,

de secretaris van den paus, aan het begin van de zestiende eeuw,

Diarium, ed. Thuasne, deel II, p. 442; andere autoriteiten worden

door Thuasne in een noot aangehaald.

[152] Burckhardt, Diarium, deel III, p. 167. Thuasne haalt een andere

autoriteit aan ter bevestiging.

[153] Het voorbeeld van Holland, waar sommige groote steden de contrôle

hebben aangenomen en andere niet, is leerzaam, wat den denkbeeldigen

aard van de voordeelen van de contrôle aangaat. In 1883 gaf Dr. Després

cijfers, geleverd door Hollandsche ambtenaren, die aantoonen, dat in

Rotterdam, waar de prostitutie onder contrôle stond, zoowel prostitutie

als venerische ziekten meer voorkwamen dan in Amsterdam, een stad

zonder contrôle (A. Després, La Prostitution en France, p. 122).

[154] In 1802 werd het medisch onderzoek van prostituées in Parijsche

bordeelen ingevoerd, hoewel het niet voor 1825 ten volle ingesteld

en algemeen gemaakt werd.

[155] M. L. Heidingsfeld, "The Control of Prostitution", Journal

American Medical Association, January 30, 1904.

[156] Zie, b.v. G. Bérault, La Maison de Tolérance, Thèse de Paris,

1904.

[157] Zoo zijn de omstandigheden van het Engelsche leger in Indië

van een speciaal karakter. Een aantal feiten (uit de rapporten van

commissies, officieele publicaties, etc.) aangaande den goeden invloed

van regeling bij het doen verminderen van venerische ziekten in Indië,

samengebracht door den Kolonel-Geneesheer F. H. Welch, "The Prevention

of Syphilis", Lancet, Augustus 12, 1899. Het systeem is afgeschaft,

maar alleen tengevolge van den drang van het publiek en niet wegens

ongunstige resultaten.

[158] Zoo wilde Richards, die regeling goedkeurt, en die de opdracht

had er aan de Parijsche gemeenteraad verslag over te doen, meisjes niet

als prostituées van beroep ingeschreven hebben voor zij meerderjarig

zijn en in staat zich duidelijk voor oogen te stellen, waartoe zij

zich verbinden (E. Richards, La Prostitution à Paris, p. 147). Maar

op dien leeftijd oefenen vele prostituées haar beroep al jarenlang uit.

[159] In Duitschland, waar de behandeling van geïnfecteerde

prostituées, die onder contrôle staan, bijna overal gedwongen is,

gewoonlijk op kosten van de gemeenschap, heeft men bevonden, dat de

gemiddelde leeftijd, waarop zij met syphilis geïnfecteerd worden,

achttien jaar is; de gemiddelde leeftijd van prostituées in bordeelen

is hooger dan die van haar, die er buiten wonen, en een veel grootere

proportie is daarom immuun geworden tegen ziekte (Blaschko, "Hygiene

der Syphilis", in Weyl's Handbuch der Hygiene, deel II, p. 62, 1900).

[160] A. Sherwell, Life in West London, 1897, hoofdst. V.

[161] Bonger brengt statistieken samen, die dit punt illustreeren,

op. cit., pp. 402-6.

[162] The Nightless City, p. 125.

[163] Ströhmberg, zooals hij aangehaald wordt door Aschaffenburg,

Das Verbrechen, 1903, p. 77.

[164] Monatschrift für Harnkrankheiten und Sexuelle Hygiene, 1906. Heft

10, p. 460. Maar deze oorzaak werkt ongetwijfeld in sommige gevallen

van ongetrouwde vrouwen in Duitschland, die niet in staat zijn werk

te krijgen (zie het artikel van Henriette Arendt, assistente bij de

politie te Stuttgart, Sexual-Probleme, December, 1908).

[165] Zoo vinden we bijvoorbeeld, dat Irma von Troll-Borostyáni in

haar boek, Im Freien Reich (p. 176) zegt: "Ga en vraag deze ongelukkige

schepsels of zij uit vrije wil zich aan de zonde hebben overgegeven. En

zij zullen U bijna allemaal een verhaal vertellen van nood en armoede,

van honger en gebrek aan werk, die haar er toe gedreven hebben,

of anders van liefde en verleiding en de vrees voor ontdekking van

haar misstap, die haar uit haar huis verdreven hebben, hulpeloos en

verlaten, in den poel van misdaad, waaruit bijna geen redding is". Het

is natuurlijk volkomen waar, dat de prostituée dikwijls bereid is

zulke verhalen te doen aan philantropische personen, die verwachten

ze te hooren, en soms haar zelfs de woorden in den mond geven.

[166] C. Booth, Life and Labour, laatste deel, p. 125. Zoo zegt

Kullberg, dat in Zweden meisjes van dertien tot zeventien jaar,

die thuis bij haar ouders in goede omstandigheden wonen, dikwijls op

straat gevonden zijn.

[167] W. Acton, Prostitution, 1870, pp. 39, 49.

[168] In Lyon lieten van de 3884 prostituées er 3194 haar beroep varen,

of het scheen tenminste, dat zij dit deden; in Parijs werden een groot

aantal van haar dienstmeisjes, naaisters of kleermaaksters, beroepen,

die zij in veel gevallen ongetwijfeld vroeger ook uitgeoefend hadden

(Parent-Duchâtelet, De la Prostitution, 1857, deel I, p. 584; deel

II, p. 451). Slogget (die aangehaald wordt door Acton) zeide, dat in

Davenport 250 van de 1775 prostituées trouwden. Het is wel bekend, dat

prostituées soms zeer goede huwelijken doen. Het werd bijna een eeuw

geleden opgemerkt, dat huwelijken van prostituées met rijke mannen

vooral in Engeland veel voorkwamen, en dat ze gewoonlijk gelukkig

waren; hetzelfde schijnt nog waar te zijn. In haar eigen stand

huwen zij meermalen met huurkoetsiers en politie-agenten, de twee

klassen van mannen, waarmee ze op straat in nauw contact komen. Wat

Duitschland betreft zegt C. K. Schneider (Die Prostituierte und die

Gesellschaft), dat jonge prostituées allerlei soort van bezigheden

en betrekkingen aannemen, terwijl ze soms, als ze wat geld gespaard

hebben, een zaakje opzetten, terwijl oude prostituées koppelaarsters,

bordeel-houdsters, toiletvrouwen enz. worden. Niet weinige prostituées

trouwen, voegt hij er aan toe, maar haar aantal onder de ingeschreven

Duitsche prostituées is heel klein, minder dan 2 percent.

[169] G. de Molinari, La Viriculture, 1897, p. 155.

[170] Reuss en andere schrijvers hebben typische uittreksels uit de

kasboeken van prostituées gepubliceerd, die doen zien hoeveel zij

verdienen. Zelfs in de gewone bordeelen in Philadelphia (volgens

Goodchild, "The Social Evil in Philadelphia", Arena, Maart, 1896),

verdienen meisjes twintig dollars of meer in de week, wat veel meer

is dan wat zij in eenigen anderen werkkring, die voor haar open is,

zouden kunnen verdienen.

[171] A. Després, La Prostitution en France, 1883.

[172] Bonger, Criminalité et Conditions Economiques, 1905, p. 378-414.

[173] La Donna Delinquente, p. 401.

[174] Raciborski, Traité de l'Impuissance, p. 20. We kunnen hier aan

toevoegen, dat Bergh, een toonaangevende autoriteit over de anatomische

eigenaardigheden van de uitwendige vrouwelijke sexueele organen, die

meent, dat sterke ontwikkeling van de uitwendige genitaliën samengaat

met losbandige neigingen, niet gevonden heeft dat zulke ontwikkeling

veel voorkomt onder prostituées.

[175] Hammer, die veel gelegenheid gehad heeft om de psychologie van de

prostituées te bestudeeren, merkt op, dat hij geen reden heeft gezien

om sexueele koelheid te onderstellen (Monatsschrift für Harnkrankheiten

und Sexuelle Hygiene, 1906, Heft 2, p. 85), hoewel hij, zooals hij

elders geconstateerd heeft, meent, dat luiheid eer dan overmaat van

zinnelijkheid de voornaamste oorzaak is van de prostitutie.

[176] Zie "The Sexual Impulse in Women", in het derde deel van deze

Studies.

[177] Tait constateerde, dat in Edinburgh vele getrouwde vrouwen waren,

die met haar echtgenooten in gunstige omstandigheden verkeerden,

kinderen hadden, en die toch als prostituées leefden, nl. dat ze de

gewoonte hadden afspraken met vreemdelingen te maken.

[178] Janke brengt gegevens te zamen, die hierop wijzen, Die

Willkürliche Hervorbringung des Geschlechts, p. 275. "Als wij een

prostituée van vijf en dertig jaar vergelijken met haar fatsoenlijke

zuster", merkte Acton op (Prostitution, 1870, p. 39), "dan vinden we

zelden dat de verwoestingen van het gestel, die men dikwijls denkt,

dat de noodzakelijke gevolgen zijn van de prostitutie, veel erger zijn

dan de verwoestingen, die moeten toegeschreven worden aan de zorgen

voor een familie en den uitputtenden strijd van deugdzamen arbeid".

[179] Hirschfeld zegt (Wesen der Liebe, p. 35), dat de begeerte naar

omgang met een sympathiek persoon verhoogd wordt en niet verminderd

door een beroeps-coïtusdaad.

[180] Dit is duidelijk aangetoond door Hans Ostwald (aan wien ik

de boven aangehaalde opmerking van een prostituée ontleen), een

van de beste autoriteiten op het gebied van het leven en den aard

der prostituées; zie b.v. zijn artikel, "Die erotischen Beziehungen

zwischen Dirne und Zuhälter," Sexual-Probleme, Juni, 1908. In het

volgende nummer van hetzelfde tijdschrift (Juli, 1908, p. 393) is

Dr. Max Marcuse het eens met de beweringen van Ostwald, en zegt dat

de brieven van prostituées en haar minnaars minnebrieven zijn precies

zoo als de brieven van fatsoenlijke menschen uit dezelfde klasse,

en met dezelfde elementen van liefde en jaloezie; deze verhoudingen,

merkt hij op, zijn soms zeer standvastig. De prostituée-schrijfster van

het Tagebuch einer Verlorenen (p. 147) geeft ook eenige opmerkingen

over de verhoudingen van de prostituée en haar minnaar, en zegt dat

het eenvoudig de natuurlijke verhouding is tusschen een meisje en

haar minnaar.

[181] Zoo vond Moraglia, dat van de 180 prostituées in

Noord-Italiaansche bordeelen en van 23 elegante Italiaansche en

buitenlandsche cocottes allen toegaven, dat zij masturbeerden, bij

voorkeur door wrijving van de clitoris; 113 van haar, de meesten,

verklaarden, dat zij alleen uitgevoerde of wederkeerige masturbatie

prefereerden boven normalen coïtus. Hammer zegt (Zehn Lebensläufe

Berliner Kontrollmädchen in Ostwald's serie van "Grosstadt Dokumente",

1905) dat, als zij in het ziekenhuis zijn, de zestig prostituées

allemaal op drie of vier na, masturbeeren, en dat zij, die het niet

doen, door de andere uitgelachen worden.

[182] Jahrbuch für Sexuelle Zwischenstufen, Jahrgang VII, 1905,

p. 148; Hammer vond, dat van de vijf en twintig prostituées in een

verbeteringsgesticht er wel drie en twintig homosexueel waren, of op

goede gronden verondersteld werden het te zijn. Hirschfeld (Berlins

Drittes Geschlecht, p. 65) zegt, dat prostituées soms vrouwen uit den

beteren stand aanspreken, waarvan zij, om haar mannelijk uitzien,

meenen dat ze homosexueel zijn; van personen van haar eigen sekse

nemen prostituées een kleinere belooning, en soms weigeren ze betaling

geheel.

[183] Bij de prostitutie is het, evenals bij de erfelijkheid,

natuurlijk moeilijk het element der erfelijkheid te scheiden van dat

der omgeving, zelfs als wij goeden grond hebben om te gelooven, dat de

factor der erfelijkheid hier, evenals door het geheele leven, niet na

kan laten veel gewicht in de schaal te leggen. Het is in ieder geval

zeker, dat prostitutie dikwijls "in de familie zit". "Het is dikwijls

mijn ondervinding geweest", schrijft een vroegere prostituée (Hedwig

Hard, Beichte einer Gefallenen, p. 156) "dat, als in een familie

een meisje het pad der prostitutie betreedt haar zuster haar spoedig

daarop volgt. Ik heb onnoemelijk veel gevallen gezien; soms staan wel

drie zusters tegelijk op de lijst, en ik heb een geval gekend van vier

zusters, wier moeder, een vroedvrouw, in de gevangenis was geweest,

en waarvan de vader dronk. In dit geval raakten alle vier de zusters,

die heel mooi waren, getrouwd, een ten minste zeer gelukkig, met een

rijken dokter, die haar uit het bordeel nam, toen ze zestien jaar

oud was en haar opvoedde".

[184] Dit wordt niet tegengesproken door het ontwijfelbare feit, dat

prostituées in het geheel niet altijd tevreden zijn met het leven,

dat zij kiezen.

[185] Dit punt is besproken door Bloch, Sexualleben unserer Zeit,

hoofdst. XIII.

[186] Verschillende series observaties zijn geresumeerd door Lombroso

en Ferrero, La Donna Delinquente, 1893, deel III, hoofdst. IV.

[187] History of European Morals, deel III, p. 283.

[188] In gelijken geest heeft Lord Morley geschreven (Diderot, deel

II, p. 20). "De reinheid van het gezin, zoo liefelijk en dierbaar als

ze is, is tot nu toe alleen maar verzekerd door het in stand houden

van een groot en droevig leger van vrouwelijke paria's ... op wier

hoofd, evenals op den zondebok van den Hebreeuwschen ritus, wij al de

ongerechtigheden stapelen van ons en onze kinderen, alle overtredingen

en alle zonden, en die we dan met verwenschingen wegzenden naar de

onreine uiterste wildernis en het onbewoonde land".

[189] Horatius, Satires, boek I, 2.

[190] Augustinus, De Ordine, boek II, hoofdst. IV.

[191] De Regimine Principum (Opuscula XX), boek IV, hoofdst. XIV. Ik

dank de verwijzing naar de juiste plaats, waar dit gezegde voorkomt,

aan den Rev. H. Northcote; gewoonlijk wordt ze in vager termen

aangehaald.

[192] Lea, History of Auricular Confession, deel II, p. 69. Er was,

schijnt het, zelfs een excentriek besluit van de theologen uit

Salamanca, dat bepaalde, dat een non geld kon aannemen, "licite

et valide".

[193] Lea, op. cit. deel II, pp. 263, 399.

[194] Rabutaux, De la Prostitution en Europe, pp. 22 et seq.

[195] Burton, Anatomy of Melancholy, deel III, Sect. III, Mem. VI,

Subs. II.

[196] B. Mandeville, Remarks to Fable of the Bees, 1714, pp. 93-9;

cf. P. Sackmann, Bernard de Mandeville, pp. 101-4.

[197] Deze omstandigheden begunstigen tijdelijke vrije verbintenissen,

maar zij begunstigen ook de prostitutie. De reden is, volgens Adolf

Gerson (Sexual-Probleme, September, 1908), dat de vrouw uit de goede

klasse geen vrije vereenigingen hebben wil. Gedeeltelijk door moreele

tradities, en gedeeltelijk door een gevoel, dat een man wettig haar

eigendom moet zijn, wil zij zich niet uit liefde aan een man geven;

en daarom gaat hij naar de vrouw uit den lageren stand, die zich voor

geld geeft.

[198] Vele meisjes, zeide Ellice Hopkins, komen in moeilijkheid,

alleen omdat zij iets in zich hebben van het "zwarte geitje", dat

vroolijk moet zijn en spelen, maar dat niet in gevaar wenscht te

komen. "Is het niet hard", voegde zij er bij, "dat de mannen naast

haar dwaze, dansende voeten een bodemlooze put gegraven hebben en dat

zij haar dansen en springen niet in veiligheid kan genieten en haar

mooie veeren kan aandoen als het dwaze vogeltje, dat ze is, zonder

dat een enkele misstap haar over den rand stort en haar achterlaat,

met al haar vrouwelijkheid in haar vernietigd?"

[199] A. Sherwell, Life in West London, 1897, hoofdst. V.

[200] Zooals aangehaald wordt door Bloch, Sexualleben unserer Zeit,

p. 358. In Berlijn is in de laatste jaren het aantal prostituées

toegenomen, bijna dubbel zoo snel als de algemeene bevolking toegenomen

is. Het is ongetwijfeld waarschijnlijk, dat het aanbod de vraag zal

doen toenemen.

[201] Goncourt, Journal, deel III p. 49.

[202] Vanderkiste, The Dens of London, 1854, p. 242.

[203] Bonger (Criminalité et Conditions Economiques, p. 406) verwijst

naar het veel voorkomen van prostitutie onder naaisters en modistes,

zoowel als onder dienstboden, omdat dit wijst op den invloed van

de aanraking met de weelde, en voegt er bij, dat de rijke vrouwen,

die neerzien op de prostitutie, zich niet altijd duidelijk voor oogen

stellen dat zij zelf een belangrijke factor zijn voor de prostitutie,

door haar weelderigheid en haar ledigheid beide; terwijl ze niet

schijnen te begrijpen, dat zij evenzoo zouden handelen, als ze in

dezelfde omstandigheden waren geplaatst.

[204] H. Lippert legde, in zijn boek over de prostitutie in Hamburg,

zeer den nadruk op het verlangen naar kleeding en versiering, als een

factor van de prostitutie, en Bloch (Das Sexualleben unserer Zeit,

p. 372) meent, dat deze factor gewoonlijk onderschat wordt, en dat

hij een speciaal machtigen invloed uitoefent op dienstboden.

[205] Sedert dit geschreven werd, is de invloed van het leven van

verscheidene generaties in de stad tot het immuun maken van een familie

voor de verkeerdheden van dat leven (hoewel zonder betrekking op de

prostitutie) uiteengezet door Reibmayr, Die Entwicklungsgeschichte

des Talentes und Genies, 1908, deel II, p.p. 73 et seq.

[206] In Frankrijk is deze intimiteit belichaamd in het heerlijke

voorrecht van tutoyeeren, "Het mysterie van het tutoyeeren!" roept

Ernest La Jeunesse in L'Holocauste: "Slagboomen, die vallen, sluiers,

die opgelicht worden, en de genoegelijkheid van het bestaan! Eens,

toen ik mij erg eenzaam voelde en trachtte te wennen aan Parijs

en aan het ongeluk, was ik bereid mijlen af te leggen--te voet

natuurlijk--om een nichtje en een tante op te zoeken, alleen maar om

iemand te mogen tutoyeeren. Soms waren ze niet thuis, en dan moest ik

weer terug met mijn behoefte aan vertrouwelijkheid en familiariteit

en broederlijkheid".

[207] Voor Sommige feiten en verwijzingen naar de uitgebreide

literatuur over dezen handel, zie men bv. Bloch, Das Sexualleben

unserer Zeit, pp. 374-376; ook K. M. Baer, Zeitschrift für

Sexualwissenschaft, Sept. 1908; Paulucci de Colboli, Nuova Antologia,

April 1902.

[208] Deze beschouwingen gelden niet voor vele soorten van sexueel

geperverteerden, die een belangrijk aandeel vormen van de cliënten

van bordeelen. Deze kunnen dikwijls, wat zij begeeren, gemakkelijker

in een bordeel vinden dan daar buiten.

[209] Zoo raadt Charles Booth, in zijn groote werk over Life and

Labor in London, laatste deel (p. 128) aan, dat "rendez-vous-huizen"

in plaats van vervolgd te worden, moesten geduld worden als een

schrede in de richting van het onderdrukken van bordeelen.

[210] "Steden, zooals Woolwich, Aldershot, Portsmouth, Plymouth",

zegt men wel eens, "zijn vol van ellendige, vuile monsters, die niet

meer op vrouwen gelijken; maar het is drank, verachting, ruwheid en

ziekte, die haar in dezen toestand gebracht hebben, niet het enkele

feit, dat ze omgang hebben met mannen".

[211] "Het prostitutie-contract kan in de oogen van de prostituées

zelf", volgens Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo, "niet

gelijk gesteld worden met een koop-akte of een werk-contract, noch

met een anderen ruilhandel, die door de burgerlijke wetgeving erkend

wordt. Zij vinden, dat er in zulk een contract altijd een element

komt, dat het meer doet gelijken op een gift. "Het lichaam van een

vrouw heeft geen prijs" is een axioma van de prostitutie. Het geld,

dat gelegd wordt in de handen van haar, die de bevrediging van sexueel

verlangen verzekert, is niet de prijs voor de daad, maar een offer,

door de priesteres van Venus geëischt voor haar onderhoud". Voor den

Spanjaard is, wel is waar, iedere verrichting, die aan handel doet

denken, verachtelijk, maar het principe, dat aan dit gevoelen ten

grondslag ligt, geldt ook voor de prostitutie in het algemeen.

[212] Journal des Goncourt, deel III; dit was in 1866.

[213] E. Lyttelton, Training of the Young in Laws of Sex, p. 42.

[214] Zie bv. R. W. Taylor, Treatise on Sexual Disorders, 1897,

pp. 74-75. Georg Hirth (Wege zur Heimat, 1909, p. 619) vertelt het

geval van een jong officier, die opgewonden door de liefkoozingen van

zijn verloofde, terwijl hij te veel respect voor haar had om verder

te gaan dan dit en te veel respect voor zich zelf om te masturbeeren,

niet beter wist te doen dan naar een prostituée te gaan. Syphilis

ontwikkelde zich eenige dagen na de bruiloft. Hirth voegt er kort

aan toe, dat de gevolgen vreeselijk waren.

[215] Het is een dikwijls aangehaalde passage, maar ze kan haast

niet dikwijls genoeg herhaald worden: "Ge ziet dat deze ijzeren plaat

niet geheel plat is: ze heeft een bult, hier aan den linkerkant. Hoe

moeten we ze plat krijgen? Natuurlijk, zult ge antwoorden, door op

het uitstekende deel te slaan. Nu, hier is een hamer, en ik geef

de plaat een slag, zooals ge aanraadt. Harder, zegt ge. Nog geen

resultaat. Nog een slag? Nu, vooruit maar, en nog een en nog een. De

verhevenheid blijft, ziet ge: het kwaad is even groot als vroeger--ja,

zelfs grooter. Maar dat is niet alles. Kijk eens, hoe de plaat aan

den anderen kant krom getrokken is. Waar ze tevoren plat was, daar

is ze nu gebogen. We hebben ze mooi verknoeid. In plaats dat we het

oorspronkelijke kwaad verbeterd hebben, hebben we er een tweede bij

gemaakt. Als we een werkman gevraagd hadden, die ervaren was in het

"pletten", zooals het genoemd wordt, dan zou hij ons vertellen, dat

er geen goed te doen was, niets dan kwaad, door op het uitstekende

deel te slaan. Hij zou ons geleerd hebben verschillend gerichte en

speciaal geplaatste slagen met een hamer op een andere plaats te doen:

zoo het kwaad aan te vallen, niet door directe, maar door indirecte

handelingen. Het vereischte proces is minder eenvoudig dan ge gedacht

had. Zelfs een metalen plaat kan niet met succes behandeld worden op

die verstandige wijze, waarin ge zooveel vertrouwen hebt. Wat zullen

we dan zeggen over een maatschappij?... Is de menschheid gemakkelijker

in orde te krijgen dan een ijzeren plaat?" (The Study of Sociology,

p. 270).

[216] Het is waarschijnlijk, dat Schopenhauer een meer dan speculatief

belang bij deze zaak had. Bloch heeft goede gronden gevonden om te

meenen, dat Schopenhauer zelf in 1813 syphilis kreeg, en dat dit een

factor was die er toe bijdroeg zijn opvatting van de wereld te vormen

en zijn constitutioneel pessimisme te bevestigen (Medizinische Klinik,

Nos. 25 en 26, 1906).

[217] Havelburg, bij Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation

to Marriage, deel 1, p. 186-189.

[218] Dit is de zeer bepaalde overtuiging van Lowndes na een

ondervinding van vier en vijftig jaar in het behandelen van

venerische ziekten in Liverpool (British Medical Journal, Feb. 9,

1907, p. 334). Verder wordt ze bevestigd door het feit (als het een

werkelijk feit is) dat sedert 1876 zoowel de kindersterfte als de

algemeene sterfte door syphilis in Engeland afneemt.

[219] "Er is niet de minste twijfel aan, dat syphilis toeneemt in

Londen, te oordeelen naar het hospitaalwerk alleen", zegt Pernes

(British Medical Journal, March 30, 1907). Syphilis heerschte echter

ook zeer veel, een paar eeuwen geleden, en er is geen reden om met

zekerheid aan te nemen, dat ze tegenwoordig méér heerscht.

[220] Zie b.v., A. Neisser, Die experimentelle Syphilisforschung,

1906, en E. Hoffmann (die samenging met de ontdekking van Schaudinn),

Die Aetiologie der Syphilis, 1906; D'Arcy Power, A System of Syphilis,

1908, enz.; F. W. Mott, "Pathology of Syphilis in the Light of Modern

Research", British Medical Journal, February 20, 1909; ook, Archives

of Neurology and Psychiatry, deel IV, 1909.

[221] Er is eenig verschil van opinie over dit punt, en hoewel het

waarschijnlijk schijnt te zijn, dat vroege en grondige behandeling de

ziekte gewoonlijk in een paar jaar geneest en verdere complicaties

hoogst onwaarschijnlijk maakt, is het niet mogelijk, zelfs onder de

meest gunstige omstandigheden, met absolute zekerheid iets over de

toekomst te zeggen.

[222] "Dat syphilis geweest is, en nog is, een van de voornaamste

oorzaken van de physieke degeneratie in Engeland, kan niet ontkend

worden, en het is een feit, dat van alle kanten erkend wordt",

schrijft Luitenant-Kolonel Lambkin, de commandant van het Londensche

Garnizoens-Hospitaal voor venerische ziekten. "Te worstelen met de

syphilis onder de burgerbevolking van Engeland moest het voornaamste

doel zijn van hen, die belang stellen in de meest brandende kwestie,

de physieke degeneratie van ons ras" (British Medical Journal, August

19, 1905).

[223] F. W. Mott, "Syphilis as a Cause of Insanity", British Medical

Journal, October 18, 1902.

De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij · 第 69 / 71 题