maand na het huwelijk niet meer dan twee van de tien vrouwen
het volle genot ondervonden hebben van den sexueelen omgang, en
soms is het eerst na zes maanden of een jaar, of zelfs eerst na
de geboorte van verschillende kinderen, dat een vrouw werkelijk
genot heeft van de physieke verhouding, en zelfs dan alleen met
een man, dien zij volkomen liefheeft, zoodat de voorwaarden voor
sexueele bevrediging veel meer complex zijn bij vrouwen dan bij
mannen. Ditzelfde wordt door Ellen Key aan den psychischen kant
opgemerkt (Ueber Liebe und Ehe, p. 111). "Het is zeker waar,
dat een vrouw sexueele bevrediging begeert door een man. Maar
terwijl bij haar dit verlangen niet zelden eerst optreedt,
nadat zij hem genoeg liefheeft om haar leven voor hem te geven,
begeert een man dikwijls physiek een vrouw te bezitten voordat
hij genoeg van haar houdt om ook maar zijn pink voor haar te
geven. Het feit, dat liefde bij een vrouw meestal gaat van de ziel
naar de zinnen en deze laatste dikwijls niet bereikt, en dat ze
bij een man meestal gaat van de zinnen naar de ziel en dikwijls
dat doel nooit bereikt--dit is van al de bestaande verschillen
tusschen mannen en vrouwen hetgene, dat aan beiden de meeste
kwelling veroorzaakt". Het zal natuurlijk duidelijk zijn voor
den lezer van mijn andere werken op dit gebied, dat de methode
om het verschil te constateeren die aan Mary Wollstonecraft,
Ellen Key, en anderen juist toescheen, niet strikt correct is;
zoo zal b.v. de meest kuische vrouw, als ze een te warm bad
genomen heeft, wel kunnen ondervinden, dat haar hart niet de
eenige weg is, waardoor haar zinnen kunnen bereikt worden. De
zinnen zijn de eenige kanalen naar de uitwendige wereld die
wij bezitten, en liefde moet door deze kanalen komen of in het
geheel niet. Het verschil schijnt echter een werkelijk verschil te
zijn als wij zeggen, dat, zooals ik elders reeds trachtte aan te
toonen, er bij vrouwen zijn 1o. specifiek zintuigelijke wegen van
sexueele stimuli, zooals een schijnbaar overheerschen van tast-
en gehoorswegen, vergeleken bij mannen; 2o. een meer massief,
samengesteld en teer geëquilibreerd sexueel mechanisme: en als
resultaat hiervan, 3o. eindelijk een grootere mate van sexueele
irradiatie van de zenuwen en de hersenen.
We moeten echter in herinnering houden, dat, ofschoon deze
onderscheiding een werkelijke neiging tot sexueel verschil
aangeeft, met een organische en niet enkel traditioneele basis,
er niets absoluuts in is. Er is een groot aantal vrouwen, wier
sexueele plooibaarheid, en wel door een natuurlijke neiging en niet
alleen door verkregen gewoonten, even duidelijk uitgesproken is
als die van een man, en zelfs meer. Op sexueel gebied is de omvang
van de veranderlijkheid bij vrouwen zelfs grooter dan bij mannen.
Het feit, dat liefde een kunst is, een methode om muziek uit een
instrument te halen, en niet het enkele doen van een daad met
wederzijdsche toestemming, maakt iedere overeenkomst tot liefde
in woorden, van weinig belang. Als liefde een kwestie was van een
contract, een louter intellectueele toestemming, van vraag en antwoord,
dan zou ze nooit in de wereld gekomen zijn. Liefde vertoonde zich van
den beginne af als kunst, en de latere ontwikkelingen van de kort
samengevatte methoden van rede en spraak kunnen dat grondfeit niet
veranderen. Dit wordt ternauwernood beseft door die slecht ingelichte
minnaars, die meenen, dat de eerste stap bij het hofmaken--en misschien
zelfs het geheele hofmaken--is, dat een man een meisje vraagt, zijn
vrouw te worden. Integendeel gebeurt het dikwijls, dat de voorbarige
uiting van een zoo ver strekkenden eisch in eens en voor goed alle
kansen verijdelt. Het is ongetwijfeld treurig, dat een zoo ernstige
en noodlottige zaak als het huwelijk zoo dikwijls beslist wordt zonder
kalm overleg en verstandige voorzorg. Maar sexueele zaken kunnen nooit
en moesten ook nooit enkel een zaak zijn van koele berekening. Als een
vrouw plotseling voor den eisch gesteld wordt, dat ze zich als vrouw
zal geven aan een man, die er nog niet in geslaagd is haar genegenheid
te winnen, dan zal ze zeker vinden--mits ze verheven is boven de koele
beweegredenen van de zelfzucht--dat er vele goede redenen voor haar
zijn om neen te zeggen. En nadat ze zoo de kwestie in koelen bloede
bezien en beslist heeft, zal ze voortaan dien minnaar waarschijnlijk
tegemoet treden met een met staal ompantserde borst.
"Liefde moet zich openbaren door daden en niet zich verraden door
woorden. Ik beschouw als abnormaal de zeldzame methode van een
haastig toestemmen van tevoren; want ze is niet de directe weg
der mededeeling, maar de reflexweg. Hoe normaal en aangenaam
een bekentenis zijn mag, wanneer ze eenmaal wederkeerig is,
als veroveringsmethode beschouw ik ze als gevaarlijk en zal
ze waarschijnlijk het tegendeel uitwerken van het gewenschte
resultaat!" Ik ontleen deze woorden aan een geestige verhandeling
"Essai sur l'Amour" (Archives de Psychologie, 1904) door een niet
psychologisch Zwitsersch schrijver, die zijn eigen ondervindingen
vermeldt, en die ten zeerste aandringt op het overheerschen van
het geestelijk element in de liefde.
Hier dient te worden opgemerkt; dat de erkenning, dat spreken
bij het hofmaken misplaatst is, niet moet beschouwd worden als
een verfijning van de beschaving. Bij natuurvolken wordt overal
ten volle erkend, dat het liefdesoffer, en het aannemen of het
weigeren ervan, gedaan moeten worden door symbolische daden, en
niet door de ruwe methode van vraag en antwoord. Bij de Indianen
van Paraguay, die veel sexueele vrijheid toestaan aan hun vrouwen,
maar die nooit liefde koopen of verkoopen, zegt Mantegazza (Rio de
la Plata e Tenerife, 1867, p. 225), dat een meisje uit het volk aan
je deur zal komen of aan je raam en in de Guarani-taal schuchter en
verlegen vragen om een dronk water. Bij de Taharumari-Indianen van
Mexico, bij wie het initiatief van het hofmaken bij de vrouwen
berust, doet het meisje den eersten stap door haar ouders,
dan werpt ze kiezelsteentjes naar den jongen man; als hij ze
teruggooit, is de zaak afgeloopen (Carl Lumholtz, Scribner's
Magazine, Sept., 1894). In vele deelen van de wereld is het de
vrouw, die haar man kiest (zie bv. M. A. Potter, Sohrab und Rustem,
blz. 169 et seq.), en zeer dikwijls neemt ze een symbolische
methode van aanzoek aan. Behalve wanneer het handelselement in het
huwelijk overheerscht, wordt een dergelijke methode ook dikwijls
door mannen aangenomen bij het doen van huwelijksvoorstellen.
Het is niet alleen bij het begin van het hofmaken, dat er bij de
liefdedaad weinig plaats is voor vormelijke verklaringen, voor de
vragen en de toestemmingen, die duidelijk in gesproken woorden kunnen
uitgedrukt worden. Dezelfde regel blijft ook bestaan in de meest
intieme verhoudingen van oude geliefden, het geheele huwelijksleven
door. Het blijvende element in de schuchterheid, dat ieder sexueel
gewennen overleeft om samen te smelten met de koenste driestheden van
liefde, verbindt zich met een werkelijk erotisch instinct en verzet
zich tegen in woorden geformuleerde eischen, tegen bevestigingen
en ontkenningen in woorden. Liefde kan haren wensch niet in woorden
uiten, en ook niet naar waarheid in woorden beantwoord worden; een
fijn voorzeggingsvermogen blijft noodig zoolang als de liefde duurt.
Het feit, dat de behoeften der liefde niet uitgedrukt kunnen
worden, maar dat ze geraden moeten worden, is al vroeger erkend
door hen, die over de kunst van liefhebben geschreven hebben,
evenzeer door schrijvers in Europa als buiten de Europeesch
Christelijke tradities. Zoo wijst Zacchia, in zijn groote
medisch-juridische verhandeling er op, dat een echtgenoot
opmerkzaam moet zijn op de teekenen van sexueel verlangen bij zijn
vrouw. "Vrouwen", zegt hij, "zijn gewoon, als sexueel verlangen in
haar gewekt is, haar mannen vragen te doen over zaken van liefde;
zij vleien en liefkoozen hen; zij laten een of ander deel van haar
lichaam als bij toeval ongedekt; haar borsten schijnen te zwellen;
zij vertoonen ongewone levendigheid; zij blozen; haar oogen worden
glanzend; en als ze ongewonen gloed ondervinden, dan stamelen zij,
verspreken zich en kunnen zich nauwelijks beheerschen. Tegelijk
worden haar geheime deelen vol en warm. Al deze teekenen moesten
een echtgenoot er op wijzen, dat zijn vrouw naar bevrediging
verlangt". (Zacchiæ Questionum Medico-legalium Opus, lib. VII,
tit. III, quæst. I; deel II, p. 624 in de uitgave van 1688).
De oude Hindoeschrijvers over erotica hechtten groote waarde aan de
oplettendheid van den man voor de erotische behoeften van de vrouw,
en ook aan zijn bekwaamheid en tact bij al de voorbereidselen
tot de sexueele daad. Hij moet alles doen wat hij kan om haar
genoegen te geven, zegt Vatsyayana. Als zij op haar bed zit, en
misschien in een gesprek verdiept is, moet hij zachtjes de banden
van haar ondergoed losmaken. Als zij protesteert, sluit hij haar
mond met een kus. Sommige schrijvers, merkt Vatsyayana op, meenen,
dat de minnaar moet beginnen met te zuigen aan de tepels van haar
borsten. Wanneer er erectie is, raakt hij haar met zijn handen aan,
zachtjes de verschillende deelen van haar lichaam liefkozend. Hij
moet altijd die deelen van haar lichaam drukken, waarop zij haar
oogen richt. Als zij verlegen is en het de eerste keer is, dan
moet hij zijn handen tusschen haar beenen leggen, en zal ze die
dan als bij instinct samendrukken. Als zij jong is, moet hij zijn
handen op haar borsten leggen; dan zal zij die ongetwijfeld met
de hare bedekken. Als zij rijp is, zal ze alles doen wat gepast
en aangenaam is voor beide partijen. Dan zal hij heur haar en haar
kin tusschen zijn vingers nemen en ze kussen. Als ze heel jong is,
zal ze blozen en haar oogen sluiten. Door de wijze waarop ze zijn
liefkoozingen in ontvangst neemt, moet hij raden, wat haar het
meest bij het samenzijn bevalt. De teekenen van haar vreugde zijn,
dat haar lichaam slap wordt, haar oogen zich sluiten, zij alle
verlegenheid verliest en deel neemt aan de bewegingen, die haar
zoo dicht mogelijk bij hem brengen. Als zij aan den anderen kant
geen genot voelt, dan strijkt zij met haar hand over het laken,
wil haar man niet toestaan door te gaan, is saai, bijt of slaat
zelfs, en gaat met coïtusbewegingen voort als de man al opgehouden
heeft. In zulke gevallen, voegt Vatsyayana er bij, is het zijn
plicht de vulva vóór de vereeniging met zijn hand te wrijven tot
ze vochtig is, en hij moet dezelfde bewegingen naderhand maken,
als zijn eigen geprikkeldheid het eerst voorbij is.
Aangaande Indische erotische kunst in het algemeen, en meer
speciaal over Vatsyayana, die eenige honderde jaren geleden
schijnt geleefd te hebben, kan men inlichtingen vinden bij
Valentino, "L'Hygiène conjugale chez les Hindous", Archives
Générales de Médecine, April 25, 1905; Iwan Bloch, "Indische
Medizin", Puschmann's Handbuch der Geschichte der Medizin,
deel I, Heimann and Stephan, "Beiträge zur Ehehygiene nach der
Lehren des Kamasutram", Zeitschrift für Sexualwissenschaft,
Sept., 1908; ook een overzicht van de Duitsche vertaling van de
Kamashastra van Vatsyayana in het Zeitschrift für Ethnologie,
1902, afl. 2. Er heeft lang een Engelsche vertaling van dit werk
bestaan. In de langdradige voorrede bij de Fransche vertaling
wijst Lamairesse op de superioriteit van de Indische erotische
kunst boven die van de Latijnsche dichters door den meer verheven
geest, de meerdere reinheid en het grooter idealisme. Ze wordt
in haar geheel gekenmerkt door eerbied voor de vrouwen, en de
geest ervan wordt uitgedrukt in het welbekende spreekwoord: "Gij
zult een vrouw niet slaan, zelfs niet met een bloem". Zie ook van
Margaret Noble Web of Indian Life, vooral hoofdstuk III, "On the
Hindu Woman as Wife", en hoofdstuk IV, "Love Strong as Death".
De raad door Guyot aan echtgenooten gegeven (Bréviaire de l'Amour
Expérimental, p. 422) komt nauwkeurig overeen met den raad,
die, onder geheel verschillende omstandigheden gegeven is door
Zacchia en Vatsyayana. "In een toestand van sexueel verlangen
zijn de lippen van de vrouw vast en zij trillen, de borsten
zijn gezwollen en de tepels opgezet. De intelligente echtgenoot
kan zich in deze teekenen niet bedriegen. Als ze niet bestaan,
is het zijn rol ze door kussen en liefkoozingen te voorschijn te
roepen en als, niettegenstaande zijn teedere en zachte opwekking
de lippen geen warmte krijgen en de borsten geen zwelling, en
vooral als de tepels onaangenaam aangedaan worden door zacht
zuigen, dan moet hij zijn wenschen beheerschen en zich van alle
contact met de voortplantingsorganen onthouden, want hij zou
ze zeker in een toestand van uitputting vinden en geneigd tot
afstooting. Als integendeel de medeplichtige organen bezield
zijn of bezield worden onder zijn liefkoozingen, dan moet hij
deze uitstrekken tot de voortplantingsorganen, en vooral tot de
clitoris, die onder zijn aanraking vol en gloeiend zal worden".
Op het belang van voorafgaande streeling van de sexueele
organen is zoowel door een lange reeks van dokters, als door
erotische schrijvers de nadruk gelegd, van Ovidius af (Ars
Amatoria Bk. II). Eulenburg (Die Sexuale Neuropathie, blz. 79)
meent dat streeling soms noodig is, en Adler legt eveneens den
nadruk op de voorbereidselen tot psychisch en physiek hofmaken
(Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 188), en
merkt op, dat de man, die begaafd is met inzicht en handigheid
in deze zaken een bekoring bezit, die vonken van gevoel zal slaan
uit het koelste vrouwenhart. De raad van den medicus komt in deze
zaak overeen met de leerstellingen van den erotischen kunstenaar
en met de behoeften van de liefhebbende vrouw. Bij het hof maken
moet geen haast zijn, schreef Ovidius:
"Crede mihi, non est Veneris properanda voluptas,
Sed sensim tarda prolicienda mora".
"Echtgenooten", heeft een vrouw eens geschreven, "missen, evenals
kinderen, dikwijls het genoegen, dat ze anders zouden gehad hebben,
door het op den verkeerden tijd te eischen. De man, die meent, dat
dit langdurig hofmaken voorafgaande aan de daad van de sexueele
vereeniging vervelend is, heeft het nooit geprobeerd. Het is het
naderen tot de huwelijksomarming, evenzeer als de omarming zelf,
die de bekoring uitmaken van de verhouding tusschen de geslachten".
Het gebeurt niet zelden, merkt Adler op (op. cit., p. 186), dat de
ongevoeligheid van de vrouw behandeld moet worden--bij den man. En
Guyot brengt hetzelfde punt op den voorgrond en schrijft (op. cit.,
p. 130): "Als, na een uitstel voor teedere bestudeering de man
zijn jonge vrouw begrepen heeft, als hij in staat is voor haar
de onuitsprekelijke gelukzaligheid en de droomen van de jeugd te
verwezenlijken, dan zal hij voor goed bemind worden; hij zal haar
heer en meester zijn. Als hij haar niet heeft kunnen verstaan,
dan zal hij zich vermoeien en uitputten in vruchtelooze pogingen
en haar ten slotte rangschikken onder de onverschillige en koele
vrouwen. Zij zal uit plicht zijn vrouw zijn, de moeder van zijn
kinderen. Hij zal zijn genoegen elders zoeken, want de man zoekt
altijd een vrouw, die bij hem geslachtsgenot ondervindt. Zoo is
het onbepaalde en domme zoeken naar een andere helft, die deel
kan nemen aan die bacchantische finale, de hoofdoorzaak van alle
huwelijksoneenigheden. In zoo'n geval gelijkt de man op een slecht
musicus, die een andere viool neemt, in de hoop, dat een nieuw
instrument hem de melodie zal brengen, die hij niet kan spelen".
Het feit, dat er dus een liefdekunst is, en dat de sexueele omgang
niet alleen een daad is, die uitgevoerd moet worden door spierkracht,
kan meehelpen om te verklaren, hoe het komt, dat in zoo vele deelen
van de wereld de defloratie niet onmiddellijk na de bruiloft plaats
vindt [398]. Ongetwijfeld kunnen er hier ook godsdienstige of magische
redenen tusschenbeide komen, maar, zooals zoo dikwijls gebeurt, zijn
zij in harmonie met het biologische proces. Dit is zelfs het geval
onder onbeschaafde volken, die jong trouwen. De behoefte aan uitstel
en aan tactvolle bedrevenheid is veel grooter, als, zooals bij ons,
het huwelijk van een vrouw uitgesteld wordt tot lang na het intreden
van de puberteit, tot een tijd waarop het moeilijker is de psychische
en misschien zelfs de physieke slagboomen van de persoonlijkheid
te verbreken.
Er moet aan toegevoegd worden, dat de kunst van liefhebben in de
daad van het hofmaken niet beperkt wordt tot de enkele daad van den
coïtus. In zekeren zin is het liefdeleven een voortdurend hofmaken
met een voortdurenden voortgang. Het instellen van physieken omgang
is alleen maar het begin ervan. Dit is vooral waar voor vrouwen. "De
bekroning van liefdesverlangen", zegt Senancour [399], "die dikwijls
het einde is van de liefde bij den man, is dikwijls het begin van
de liefde bij de vrouw, een bewijs van vertrouwen, een uitmeten van
komende vreugde, een soort van belofte van komende intimiteit". "De
ziel en het lichaam van een vrouw", zegt een andere schrijver [400],
"worden niet ineens gegeven op een bepaald oogenblik; maar alleen
langzamerhand, beetje bij beetje, door vele stadiën heen worden beide
aan den geliefde gegeven. Inplaats van de jonge vrouw op den avond
van het huwelijk aan den bruidegom over te laten, als een gevangen
muis, die aan de kat toegeworpen wordt om opgegeten te worden, zou
het beter zijn het jonge bruidspaar naast elkaar te laten leven als
twee vrienden en makkers, totdat zij langzamerhand leeren hoe zij hun
sexueele bewustzijn moeten ontwikkelen en gebruiken". De conventioneele
bruiloft is misplaatst als voorbereiding tot de huwelijksvoltrekking,
alleen al op grond daarvan, dat het onmogelijk te zeggen is in welk
stadium van het eindeloos lange proces van het hofmaken zij zou moeten
plaats vinden.
Een vrouw is, anders dan een man, er door de Natuur op voorbereid
om een handige rol te spelen in de kunst van liefhebben. De rol van
den man bij het hofmaken, die de rol is van het mannetje de geheele
dierenwereld door, kan moeilijk zijn en vol gevaar, maar het is een
rechte lijn, tamelijk eenvoudig en direct. De rol van een vrouw,
die op hetzelfde oogenblik twee geheel verschillende impulsen moet
volgen, is noodzakelijk altijd een zig-zag of een curve. Dat is te
zeggen, dat op ieder erotisch oogenblik haar gedrag de resultante
is van de vereenigde kracht van haar begeerte (bewust of onbewust)
en haar schaamtegevoel. Zij moet doorzeilen door een kronkelig kanaal
met Scylla aan den eenen en Charybdis aan den anderen kant, en het al
te angstig ontwijken van het gevaar aan den eenen kant kan schipbreuk
beteekenen aan den anderen kant. Zij moet ondoordringbaar zijn voor
iedereen, maar het moet een ondoordringbaarheid zijn, die niet al te
dicht is voor het raadselvermogen van den rechten man. Haar spreken
moet eerlijk zijn, maar zij moet toch in het geheel niet alles zeggen;
haar daden moeten het gevolg zijn van haar impulsen, en juist om die
reden moeten ze op twee wijzen uitgelegd kunnen worden. Alleen op het
laatste oogenblik van volkomen intimiteit kan zij geheel vrouw worden,
"Whose speech Truth knows not from her thought,
Nor Love her body from her soul".
Voor menige vrouw komt het laatste oogenblik van deze erotische
openbaring--dit stralen in afgeworpen schaamte, "dat", zooals Pyke
zegt, "het mooiste in de volmaakte liefde is"--nooit. Zij wordt
gedwongen om tot het einde van haar erotische leven dat te zijn, wat
zij bij het begin altijd moet zijn, een samengestelde en tweevoudige
persoonlijkheid, van nature geslepen. Daarmee is zij beter dan de
man er toe voorbereid om haar rol in de kunst van liefhebben te spelen.
De rol van den man in de kunst van liefhebben is echter in het geheel,
niet gemakkelijk. Dat wordt niet altijd ingezien door de vrouwen,
die zich beklagen over zijn gebrek aan handigheid bij het spelen van
die rol. Hoewel een man niet dezelfde natuurlijke tweevoudigheid
heeft aan te kweeken als de vrouw, moet hij een groote mate van
raadselvermogen bezitten. Hij is daartoe niet wel toegerust, want de
traditioneele mannelijke deugd is kracht eerder dan inzicht. Het werk
van den man, zegt men ons, is heerschen, en door zulk heerschen wordt
de vrouw aangetrokken. Er is een element van waarheid in die leer,
een element van waarheid, dat gemakkelijk den man op een dwaalweg
zou kunnen voeren, die zich er tè uitsluitend op verlaat in de
kunst van liefhebben. Geweld is slecht in iedere kunst, en in de
kunst van liefhebben wil de vrouw tot de liefde gewonnen en niet
tot de liefde bevolen worden. Dat is fundamenteel. Wij zien de zaak
soms zoo gesteld, alsof het bezwaar tegen kracht en overheersching
in de liefde een geheel nieuwe en revolutionaire eisch was van de
"moderne vrouw". Dat is, we behoeven het nauwelijks te zeggen, het
gevolg van onwetendheid. De kunst van liefhebben, een kunst door de
Natuur gemaakt, is nu in haar wezen dezelfde als ze altijd geweest is,
en ze bestond al eer de vrouw in de wereld kwam. Dat ze niet altijd
heel handig betracht is, is een andere kwestie. En, voor zoover den
man aangaat, is het juist deze traditie van mannelijke overheersching,
die bijgedragen heeft tot de moeilijkheid van het handig spelen van
die rol. De vrouw bewondert de kracht van den man; zij wenscht zelfs
gedwongen te worden tot de dingen, die zij zelf zoo gaarne wenscht;
en toch schrikt zij terug voor iedere aanwending van geweld buiten
deze nauwe grenzen, hetzij eer de grens bereikt is, of nadat de
grens overschreden is. Zoo is de positie van den man in werkelijkheid
moeilijker, dan van de vrouwen, die over zijn onhandigheid in de liefde
klagen, altijd geneigd zijn toe te geven. Hij moet kracht aankweeken,
niet alleen in de wereld, maar zelfs om ten toon te spreiden in de
liefde; hij moet in staat zijn om de oogenblikken te raden waarop
in de liefde kracht niet meer geweld is, omdat zijn eigen wil ook
de wil is van zijn deelgenoote; hij moet tevens zichzelf volkomen in
bedwang houden om niet in de noodlottige fout te vervallen van toe te
geven aan zijn eigen aandrift tot heerschen; en dit alles juist op
het oogenblik, dat hij zijn emoties het minst in bedwang heeft. We
behoeven wel nauwelijks verwonderd te zijn, dat van de millioenen,
die zich inschepen op de zee der liefde, maar zoo weinig vrouwen,
en zoo heel weinig mannen, veilig de haven bereiken.
Het zal sommigen misschien toeschijnen, dat, als we stilstaan bij de
wetten, die een richtsnoer moeten zijn in het erotische leven, om
dat leven gezond en volkomen te doen zijn, wij afgedwaald zijn van
de beschouwing van het sexueele instinct in zijn verhouding tot de
maatschappij. Het kan daarom wenschelijk zijn tot de grondvragen terug
te keeren en er op te wijzen, dat we nog vasthouden aan de grondfeiten
van het persoonlijke en maatschappelijke leven. Het huwelijk is, zooals
we reden hebben gezien om te gelooven, een groote maatschappelijke
instelling; de voortplanting, die, aan den openbaren kant de hoogste
functie ervan is, is een groot maatschappelijk doel. Maar het huwelijk
en de voortplanting zijn beide gebaseerd op het erotische leven. Als
het erotische leven niet gezond is, wordt het huwelijk verbroken,
zoo al niet formeel, dan toch in de praktijk en het proces der
voortplanting wordt uitgevoerd onder ongunstige voorwaarden of in
het geheel niet.
Dit maatschappelijke en persoonlijke belang van het erotische leven
is, hoewel het onder den invloed van een valsche moraal en een even
valsche ingetogenheid soms in stadiën van kunstmatige beschaving op
den achtergrond gekomen is, altijd duidelijk erkend door de menschen,
die hun oog op het leven gericht hadden. Onder die onbeschaafde rassen
schijnen er geen "sexueel koele" vrouwen te zijn. Het spreekt weinig
ten gunste van onze eigen "beschaving", dat het tegenwoordig voor
doktoren mogelijk zou zijn 25 percent vrouwen te vinden, die aldus
kunnen beschreven worden.
De geheele bouw van de wereld berust op het algemeene feit, dat
het intieme contact van den man en de vrouw, die elkander gekozen
hebben, wederzijds genoegen geeft. Onder dit algemeene feit is het
meer specifieke feit, dat bij het normaal volvoeren van de daad van
de sexueele vereeniging de twee deelgenooten de acute bevrediging
ondervinden van gelijk orgasme. Hierin, zegt men, ligt het geheim
der liefde. Het is de basis zelf der liefde, de voorwaarde voor
het gezond uitoefenen van de sexueele functies, en in vele gevallen
waarschijnlijk ook de voorwaarde voor de bevruchting.
Zelfs wilden op een zeer lage trap van beschaving zijn soms
geduldig en tactvol bij het te voorschijn roepen van en het wachten
op de teekenen van sexueele begeerte bij hun vrouwen. In Katholieke
tijden werkte de invloed der theologen gezond in dezelfde richting,
hoewel die theologen zoo scherpzinnig waren de doodzonde van den
lust te ontdekken. Wèl gaat de accentuatie van de Katholieken op
de wenschelijkheid van gelijktijdig orgasme terug tot de op een
misverstand berustende opinie, dat om conceptie te verzekeren,
het noodig was, dat er "inseminatio" zou zijn aan den kant van de
vrouw, zoowel als aan den kant van den man, maar dat was niet de
eenige bron van het theologische standpunt. Zoo bespreekt Zacchia
de vraag of een man behoort voort te gaan met zijn vrouw totdat
zij orgasme heeft en zich bevredigd gevoelt, en hij beslist,
dat dat de plicht van den man is; anders vervalt de vrouw in het
gevaar van het ondervinden van het orgasme in den slaap, of nog
waarschijnlijker door zelfbevrediging, "want veel vrouwen plaatsen,
als haar wenschen niet bevredigd zijn door den coïtus het eene been
op het andere, drukken en wrijven ze totdat orgasme plaats vindt,
in de meening, dat ze geen zonde begaan, als ze haar handen niet
gebruiken". Hij voegt er bij, dat sommige theologen dat geloof
begunstigen, vooral Hurtado de Mendosa en Sanchez, en verder
haalt hij de meening van dezen laatsten aan, dat vrouwen, die
niet bevredigd worden bij den coïtus neiging hebben om hysterisch
of melancoliek te worden. (Zacchide Quaestionum Medica-legalium
Opus, lib. VII, tit. III, quaest. VI). In denzelfden geest hebben
sommige theologen irrumatio (zonder ejaculatie) toegestaan,
mits het alleen de voorbereiding is tot de normale sexueele daad.
Tegenwoordig hebben de medici ten volle de meening van Sanchez
bevestigd. Het wordt erkend, dat vrouwen bij wie, uit welke
oorzaak dan ook, acute sexueele opwinding dikwijls voorkomt
zonder de behoorlijke natuurlijke verlichting van orgasme,
onderhevig zijn aan verschillende symptomen van de zenuwen en van
de spijsvertering, die haar vitaliteit schaden, en die zeer wel tot
een ineenstorting van de gezondheid leiden kunnen. Kisch heeft,
als neurose van het hart, van sexueelen oorsprong, beschreven
een pathologische tachycardia, die een vermeerdering is van den
physiologischen hartklop door sexueele opwinding. J. Inglis Parsons
(British Medical Journal, Oct. 22, 1904, p. 1062) verwijst naar de
pijn in de ovariën, veroorzaakt door sterke sexueele opwinding,
dikwijls bij krachtige ongetrouwde vrouwen, en soms een oorzaak
van groot verdriet. Een ervaren Oostenrijksch gynaecoloog vertelde
aan Hirth (Wege zur Heimat, p. 613), dat van de honderd vrouwen,
die bij hem komen met uterus-bezwaren er zeventig lijden aan
congestie van de baarmoeder, wat hij beschouwde als een gevolg
van onvolkomen coïtus.
Er wordt dikwijls gezegd, dat het nadeel van onvolkomen bevrediging
en van afwezigheid van orgasme bij vrouwen voornamelijk komt
von coïtus interruptus, waarbij de penis haastig teruggetrokken
wordt als onwillekeurige ejaculatie op handen is; en soms wordt
er gezegd, dat hetzelfde in ruimen kring voorkomende gebruik
ook geringe of ernstige gevolgen te voorschijn roept bij den
man (zie b.v. L. B. Bangs, Transactions New York Academy of
Medicine, dl. IX, 1893; D S. Booth, "Coitus Interruptus and Coitus
Reservatus as Causes of Profound Neurosis and Psychosis" Alienist
and Neurologist, Nov. 1906; ook, Alienist and Neurologist, Oct.,
1897, p. 588).
Het is ontwijfelbaar waar, dat coïtus reservatus, het plotseling
terugtrekken aan den kant van den man, zonder te letten op het
stadium van sexueele opwinding, dat zijn deelgenoote misschien
bereikt heeft, dikwijls wel een nadeelige uitwerking moet hebben
op de zenuwen van de vrouw, terwijl de nadeelige gevolgen op
den man, die ejaculatie bereikt, gering zijn of in het geheel
niet bestaan. Maar het gebruik is zoo wijd verspreid, dat men
niet kan denken, dat het noodzakelijk dit slechte gevolg moet
hebben. Ik ben er zeker van, dat er geen twijfel aan kan bestaan,
dat Blumreich gelijk heeft, waar hij zegt (Senator and Kaminer,
Health and Disease in Relation to Marriage, dl. II, p. 783), dat
"onderbroken coïtus nadeelig is voor het systeem der genitaliën
alleen van die vrouwen, die in haar wellustgevoelens gestoord
worden door dezen vorm van cohabitatie, bij wie het orgasme niet
voorkomt, en die urenlang daarna nog gekweld worden door gevoelens
van een onbevredigd verlangen". Even nadeelige gevolgen ontstaan
bij normalen coïtus, als het orgasme van den man te spoedig volgt.
"Deze verschijnselen", zegt hij, "zijn daarom geen
eigenaardigheden van den onderbroken coïtus, maar gevolgen van
een niet voldoende geëindigde cohabitatie als zoodanig". Ook
Kisch zegt, in zijn uitgebreid en gezaghebbend werk over The
Sexual Life of Woman, dat de kwestie van de slechte gevolgen van
coïtus interruptus bij vrouwen eenvoudig een kwestie is, of zij
sexueele bevrediging hebben of niet. (Vergelijk ook Fürbringer,
Health and Disease in Relation to Marriage dl. I, blz. 232 et
seq.). Dit is klaarblijkelijk het meest redelijke standpunt, dat
wij kunnen innemen over de oudste der methoden ter voorkoming
van de conceptie. In het Boek Genesis vinden we ze in praktijk
gebracht door Onan, en in meer moderne tijden, in de zestiende
eeuw schijnt ze bekend te zijn geweest bij Fransche dames, die,
volgens Brantôme, ze aan haar minnaars aanbevolen.
coïtus reservatus,--waarbij de omgang zelfs zeer lange tijden
achtereen wordt volgehouden, waarbij de vrouw verscheiden malen
orgasme kan hebben, terwijl de man er in slaagt orgasme tegen
te houden,--wel verre van nadeelig te zijn voor de vrouw,
is waarschijnlijk de vorm van coïtus, die haar de meeste
bevrediging en verlichting geeft. Voor de meeste mannen
echter schijnt deze zelfbeheersching over de processen, die
leiden tot de onwillekeurige daad der uitstorting, moeilijk
te verkrijgen te zijn, terwijl het voor zwakke, zenuwachtige en
prikkelbare personen onmogelijk is. Het is echter een wenschelijke
voorwaarde voor geheel volledige coïtus, en in het Oosten wordt
dit ten volle erkend en de methode zorgvuldig aangekweekt. Zoo
zegt W. D. Sutherland ("Einiges über das Alltagsleben und die
Volksmedizin unter den Bauern Britischostindiens", Münchener
Medizinische Wochenschrift, No. 12, 1906), dat de Hindoe
tijdens het verkeer rookt en praat om het orgasme te vertragen,
en soms een opiumdeeg legt op de klieren van den penis met
hetzelfde doel. Sommige autoriteiten hebben geconstateerd, dat
de voortzetting van de coïtusdaad in zijn uitwerking nadeelig
is voor den man. Zoo zegt R. W. Taylor (Practical Treatise
on Sexual Disorders, third ed. p. 121), dat ze neiging heeft
atonische impotentie te veroorzaken, en Löwenfeld (Sexualleben
und Nervenleiden, p. 74) meent, dat de snelle en ongehinderde
culminatie van de geslachtsdaad noodig is om de spankracht van
de reflex-centra te verkrijgen. Dit is waarschijnlijk waar
van uiterste en dikwijls herhaalde gevallen van onbepaalde
verlenging van uitgesproken erectie zonder uitstorting, maar
het is niet waar binnen de tamelijk wijde grenzen bij gezonde
personen. Verlengde coïtus reservatus was een gebruik van het
samengestelde huwelijkssysteem van de Oneida gemeenschap, en de
nu overleden Noyes Miller, die het grootste deel van zijn leven
in de gemeenschap doorgebracht had, heeft mij verzekerd, dat het
gebruik geenerlei verkeerde gevolgen had. Coïtus reservatus werd
in de Oneida gemeenschap tot principe verheven. Iedere man in
de gemeenschap was theoretisch de echtgenoot van iedere vrouw,
maar iedere man was niet vrij om kinderen te hebben met iedere
vrouw. Sexueele inwijding had plaats spoedig na de puberteit
bij jongens, een paar jaar later bij meisjes, door een veel
ouder persoon van het andere geslacht. Bij het verkeer liet
de man zijn penis wel een uur in de vagina zonder ejaculatie,
hoewel orgasme plaats vond bij de vrouw. Er was gewoonlijk geen
ejaculatie in het geval van den man, zelfs na het terugtrekken,
en hij gevoelde geen behoefte aan ejaculatie. Het maatschappelijk
gevoel van deze gemeenschap was een kracht ten gunste van dit
gebruik, de zorgelooze, onhandige mannen werden vermeden door de
vrouwen, terwijl ook het algemeene romantische gevoel van liefde
voor al de vrouwen in de gemeenschap, een kracht was. Masturbatie
was onbekend, en geen ongeregelde verhoudingen hadden plaats met
personen buiten de gemeenschap. Het gebruik werd dertig jaar lang
in stand gehouden, en eindelijk werd het afgeschaft, niet om de
gebreken ervan, maar uit eerbied voor de buitenwereld. Mr. Miller
gaf toe, dat het gebruik moeilijker werd in het gewone huwelijk,
dat een meer mechanische gewoonte van omgang begunstigt. De
opgaven van Miller worden aangevuld door een geschrift, getiteld
Male Continence (de naam, die in de gemeenschap gegeven werd
aan coïtus reservatus), geschreven in 1872 door den stichter,
John Humphrey Noyes. De gewoonte is, naar hij zegt, gebaseerd
op het feit, dat het sexueele verkeer in twee daden bestaat,
een maatschappelijke daad en een voortplantingsdaad, en dat,
als voortplanting wetenschappelijk zal zijn, er geen verwarring
moet zijn tusschen deze twee daden, en dat voortplanting nooit
onwillekeurig moet zijn. Het was, zegt hij, in 1844, dat dit
denkbeeld bij hem opkwam, als het resultaat van een besluit
om zich van sexueelen omgang te onthouden, tengevolge van de
teere gezondheid van zijn vrouw en van haar ongeschiktheid
om gezonde kinderen voort te brengen, en in zijn eigen geval
achtte hij het gebruik "een groote verlichting. Het maakte een
huishouden gelukkig". Hij wijst er op, dat de voornaamste leden
van de Oneida gemeenschap "behoorden tot de meest respectabele
families in Vermont, dat zij opgevoed waren in de beste scholen
van moraal en verfijning van Nieuw Engeland, en dat ze, naar den
gewonen standaard, onberispelijk waren in hun gedrag wat sexueele
zaken aangaat, totdat zij in 1846 de proef namen met een nieuwe
inrichting van de maatschappij, op grondbeginselen, die ze langen
tijd rijpelijk hadden overwogen en die ze bereid waren voor de
wereld te verdedigen". Wat de "male continence" aangaat, meende
Noyes dus, dat de gemeenschap gevoegelijk kon beschouwd worden
als "het Comitee van de Voorzienigheid, om de waarde ervan in het
werkelijke leven te onderzoeken". Hij zegt, dat een zorgvuldige,
medische vergelijking van de Statistieken van de gemeenschap
had aangetoond, dat het aantal nerveuze kwalen in de gemeenschap
aanmerkelijk lager was dan het gemiddelde daarbuiten, en dat er
maar twee gevallen waren voorgekomen van nerveuse stoornissen,
die met eenige waarschijnlijkheid konden teruggebracht worden tot
een overdrijven van de "male continence". Dit is bevestigd door
Van de Warker, die twee en veertig vrouwen uit de gemeenschap
bestudeerd heeft zonder eenig buitengewoon overheerschen van
vrouwenziekte te vinden, en ook kon hij geen ziekelijken toestand
vinden, die kon worden toegeschreven aan de sexueele gewoonten
van de gemeenschap. (vergelijk C. Reed, Text-Book of Gynecology,
1901, p. 9).
Noyes meende, dat "male continence" nooit tevoren een bepaald
erkend gebruik geweest was, gebaseerd op theorie, hoewel het
er nu en dan dicht aan toe is geweest. Dit is waarschijnlijk
waar, als de coïtus reservatus is in de volle beteekenis, met
volkomen afwezigheid van ejaculatie. Verlengde coïtus echter,
die aan de vrouw gelegenheid geeft om meer dan eens orgasme te
hebben, terwijl de man het niet heeft, is sinds lang erkend. Zoo
besprak in de zeventiende eeuw Zacchia de kwestie, of zulk een
gebruik gewettigd was (Zacchiæ Questionum Opus, ed. van 1688,
lib. VII, tit. III, quæst. VI). In moderne tijden is het nu en
dan in praktijk gebracht, zonder eenige theorie en het is altijd
aangenaam gevonden door de vrouw, terwijl het geen slechte gevolgen
schijnt te hebben voor den man. In zulk een geval gebeurt het wel,
dat de daad van coïtus een uur duurt of zelfs langer, terwijl het
maximum van het genoegen van de vrouw niet bereikt wordt voordat
er drie kwartier zijn voorbijgegaan; in dien tijd ondervindt de
vrouw vier of vijf maal orgasme, de man alleen bij het einde. Het
komt nu en dan voor, dat de vrouw iets later weer verlangen heeft,
en dan begint het verkeer opnieuw op dezelfde wijze. Maar daarna
is ze bevredigd, en dan komt het verlangen niet weer terug.
Het kan wenschelijk zijn hier in het kort te verwijzen naar de
voornaamste variaties in de methode van uitvoeren van den coïtus
in hun betrekking op de kunst van liefhebben en het verkrijgen
van een gepaste en bevredigende detumescentie.
Het voornaamste en essentieele kenmerk van de speciaal
menschelijke methode van coïtus is het feit, dat hij plaats vindt
met de gezichten naar elkaar toe. Het feit, dat bij de typisch
normale voltrekking de vrouw op den rug ligt en de man boven
op haar, is iets bijkomstigs. Psychisch is deze houding van
aangezicht tot aangezicht een groot voordeel boven de methode
van de viervoeters. De twee deelgenooten vertoonen elkaar den
belangrijksten en den mooisten kant van hun persoonlijkheid,
den kant, waarin de meeste uitdrukking is, en zoo verhoogen ze
het wederzijdsch genoegen en de harmonie van de intieme daad
der vereeniging. Bovendien heeft deze houding van aangezicht
tot aangezicht een groote beteekenis in het feit, dat het het
uiterlijke teeken is, dat het menschelijk paar de dierlijke
sexueele houding te boven is gekomen van den jager, die zijn
prooi in de vlucht grijpt, en die er mee tevreden is, deze in
die houding, van achteren, te genieten. Men kan zeggen, dat de
man bij de menschen dezelfde houding behouden heeft, maar dat de
vrouw zich omgedraaid heeft; zij is haar deelgenoot gaan aanzien
en is hem genaderd, en geeft zoo een symbool van haar opzettelijke
toestemming tot de daad der vereeniging.
De variaties bij de menschen bij het uitoefenen van den coïtus zijn
echter, individueel, zoowel als nationaal, uiterst veelvuldig. "Om
volkomen de waarheid te zeggen", zegt Fürbringer (Senator en
Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel I,
p. 213), "kan ik mij nauwelijks een combinatie denken, die niet
voorkomt onder mijn aanteekeningen, als in praktijk gebracht
door mijn patiënten". Wij moeten niet te haastig besluiten,
dat zulke variaties het gevolg zijn van het zich gewennen aan
de ondeugd. Dat is in het geheel niet het geval. Zij komen
dikwijls natuurlijk en spontaan voor. Freud heeft er terecht op
gewezen (in de tweede serie van zijn Beiträge zur Neurosenlehre,
"Bruchstück" etc.), dat we niet al te zeer geschokt moeten zijn,
zelfs als het denkbeeld van fellatio spontaan bij een vrouw
opkomt, want dat denkbeeld vindt zijn onschuldigen oorsprong in
de overeenkomst tusschen den penis en den tepel. Evenzoo kunnen
we er aan toevoegen, heeft het verlangen naar cunnilinctus, dat
bij de vrouwen zooveel meer verborgen aanwezig schijnt te zijn
dan bij mannen, een natuurlijke analogie in het genoegen van het
zuigen, een genoegen, dat werkelijk dikwijls erotisch getint is.
Iedere variatie in deze zaak, merkt Rémy de Gourmont op (Physique
de l'Amour, p. 264) maakt deel uit van de zonde der wellust en
sommige van de theologen in Europa hebben iedere positie bij den
coïtus, behalve die welke gewoonlijk normaal geheeten wordt,
doodzonde genoemd. Andere theologen daarentegen hebben zulke
variaties uitsluitend beschouwd als vergeeflijke zonden, mits
ejaculatie plaats had in de vagina, evenals sommige theologen
irrumatio wilden toestaan als een voorbereiding tot coïtus,
mits er geen ejaculatie was. Aquinas was zeer gestreng jegens de
afwijkingen van het normale verkeer; Sanchez was meer toegevend,
vooral met het oog op de leer, ontleend aan de Grieksche en
Arabische natuurphilosophen, dat de schoot het zaad kan aantrekken,
zoodat het natuurlijke doel toch bereikt kan worden zelfs in
ongewone houdingen.
Wat voor meeningsverschillen er mogen geweest zijn onder oude
theologen, het wordt door moderne medici erkend, dat variaties
van de gewone methode van coïtus in speciale gevallen wenschelijk
zijn. Zoo wijst Kisch er op (Sterilität des Weibes, p. 107), dat
het in sommige gevallen voor de vrouw alleen maar mogelijk is om
sexueele opwinding te verkrijgen, als coïtus plaats vindt in de
zijdelingsche positie of als deze "a posteriori" gedaan wordt,
of als de gewone houding omgekeerd wordt; en ook in zijn Sexual
Life of Woman, beveelt Kisch verschillende variaties aan van de
positie bij coïtus. Ook Adler wijst (op. cit., blz. 151, 186)
op de waarde van dezelfde houdingen in sommige gevallen, en merkt
op, dat zulke variaties dikwijls verborgen sexueele gevoelens als
bij tooverij te voorschijn roepen. Zulke gevallen komen inderdaad
tamelijk veel voor, terwijl het voordeel van de ongewone positie
berust hetzij op physieke of op psychische oorzaken, en het
ontdekken van de juiste houding wordt soms gevonden bij een zuiver
speelsche poging. Het is nu en dan ook wel voorgekomen, dat, als
het verkeer gewoonlijk heeft plaats gevonden in een abnormale
positie, er geen bevrediging door de vrouw wordt ondervonden
voordat de normale positie is aangenomen. De eenige tamelijk
gewone variatie van coïtus, die onvoorwaardelijk wordt afgekeurd,
is die in de staande positie. (Zie bv. Hammond, op. cit. blz. 257
et seq.).
Lucretius raadde vooral aan de variatie van de viervoetige dieren
van coïtus (boek IV, 1258), en als Ovidius beschrijft (einde van
boek III van de Ars Amatoria) wat hij beschouwt als aangename
variaties, dan geeft hij als de gemakkelijkste en eenvoudigste
methode de voorkeur aan die methode, waarbij de vrouw half op haar
rug ligt en half op haar zijde. Misschien echter is de variatie,
die het dichtst de normale houding nadert en die zich het meest
en het meest volkomen aanbevolen heeft, en die klaarblijkelijk
bekend is bij Arabische erotische schrijvers als dok el arz, deze,
waarbij de man zit en zijn deelgenoot dwars over zijn dijen zit,
zijn lichaam met haar beenen omspant en zijn hals met haar armen,
terwijl hij haar middel omvat; hiervan zegt men in de Arabische
Perfumed Garden, dat het de methode is, die het aangenaamst wordt
gevonden door vrouwen.
De andere meest gewone variatie is de omgekeerd gewone positie
waarbij de man op zijn rug ligt, en de vrouw zich aan die
positie aanpast, hetgeen verschillende variaties toelaat, die
tamelijk gunstig zijn, vooral als de man veel grooter is dan
zijn deelgenoot. De Christelijke, zoowel als de Mohammedaansche
theologen schijnen echter over het algemeen tègen deze superieure
positie van de vrouw geweest te zijn, blijkbaar, naar het schijnt,
omdat zij de letterlijke onderwerping van den man aan de vrouw,
die hij in zich sluit, beschouwden als een symbool van moreele
onderwerping. Vele menschen echter getuigen tegenwoordig voor
deze houding, meer speciaal wat de vrouwen aangaat, omdat ze
haar in staat stelt een betere aanpassing te verkrijgen en een
grootere controle over het proces, en zich dikwijls op deze wijze
sexueele bevrediging verschaffen, die ze moeilijk of onmogelijk
in de normale positie zouden kunnen verkrijgen.
De theologen schijnen minder afwerend geweest te zijn tegenover
een houding, zooals die bij de viervoeters normaal is, die
"a posteriori", terwijl de oude poenitentialia deze streng
behandelden, bv. die van Angers, die daarvoor 40 dagen boete
verordende en die van den heiligen Egbert, die een driejarige
kerkboete oplegde, als het uit gewoonte gebeurde. (Ze is
besproken door J. Peterman "Venus Aversa", Sexual-Probleme, Febr.,
1909). Er zijn goede redenen, waarom in vele gevallen deze positie
wenschelijk is, meer speciaal van het standpunt van de vrouwen,
die ze inderdaad herhaaldelijk prefereeren. Het moet altijd in
herinnering blijven, dat, zooals ook reeds aangetoond is bij den
voortgang van anthropoid tot mensch, het de vrouw is en niet de
man, die de positie bij den coïtus veranderd heeft. Terwijl echter
de menschelijke houding een psychische vooruitgang beteekent,
is er nooit een volkomen physieke aanpassing geweest van de
vrouwelijke organen aan de omgekeerde methode. Meer speciaal is
de plaats van de clitoris zóó (op. cit., blz. 117-119) dat ze
als regel gemakkelijker te prikkelen is door coïtus van achteren
dan van voren. Een latere schrijver, Klotz, neemt in zijn boek
Der Mensch ein Vierfüssler (1908) zelfs de tè uiterste positie
in van te meenen, dat de wijze van coïtus van de viervoeters,
omdat dat de eenige methode is die behoorlijk contact oplevert
met de clitoris, de natuurlijke menschelijke positie is. Er
moet echter toegegeven worden, dat de methode a posteriori van
coïtus niet alleen een in ruimen kring verspreide, maar ook een
zeer belangrijke variatie is, in beide haar voornaamste vormen:
de Pompejische methode, waarbij de vrouw voorover buigt en de man
haar van achteren nadert, of de methode beschreven door Boccaccio,
waarbij de man op zijn rug ligt en de vrouw schrijlings zit.
Fellatio en cunnilinctus, die wel geen variaties zijn van den
coïtus, omdat daarbij geen vereeniging van de genitaliën der beide
geslachten voorkomt, zijn wijd verbreid als voorbereidingen tot de
eigenlijke geslachtsdaad, of als plaatsvervangende vorm van den
coïtus, evenzeer bij beschaafde als bij onbeschaafde volken. Zoo
zegt men mij, dat in Indië fellatio bijna algemeen wijd verspreid
is in de huishoudingen, en dat ze beschouwd wordt als een
natuurlijke plicht jegens den pater familias. Wat cunnilinctus
aangaat heeft Max Dessoir gezegd (Allgemeine Zeitschrift für
Psychiatrie, 1894, afl. 5), dat de betere Berlijnsche prostituées
zeggen, dat ongeveer een vierde van haar klanten ze wenschen in
praktijk te brengen, en dat in Frankrijk en Italië het aantal nog
grooter is; het aantal vrouwen, dat cunnilinctus aangenaam vinden,
is ongetwijfeld veel grooter. Verkeer per anum moet ook beschouwd
worden als een plaatsvervangenden vorm van coïtus. Het schijnt
niet ongewoon te zijn, vooral onder de lagere volksklassen, en
terwijl het dikwijls het gevolg is van den wensch om de conceptie
te voorkomen, wordt het ook soms in praktijk gebracht als een
sexueele afwijking, op wensch van den man of van de vrouw, daar
de anus tot zekere hoogte een erogene zone is.
In alle beschaafde landen hebben van de vroegste tijden af
schrijvers over de kunst van liefhebben formeel en systematisch
de verschillende houdingen bij den coïtus uiteengezet. Het
vroegste geschrift van deze soort, dat nu nog bestaat, schijnt
een Egyptische papyrus te zijn, die bewaard wordt in Turijn,
gedateerd van 1300 a. C; hierin zijn veertien verschillende
houdingen beschreven. De Indianen kennen, volgens Iwan Bloch,
in het geheel acht en veertig verschillende posities; de Ananga
Ranga beschrijft twee en dertig hoofdvormen. De Mohammedaansche
Perfumed Garden beschrijft veertig vormen, en zes verschillende
soorten van beweging bij den coïtus. De Oostersche boeken van deze
soort zijn over het geheel beter dan die door de Westersche wereld
zijn geproduceerd, niet alleen door hun grootere grondigheid, maar
door den hoogeren geest, waardoor ze dikwijls geïnspireerd zijn.
De oude Grieksche erotische geschriften, nu alle verloren gegaan,
waarin de wijzen van coïtus beschreven zijn, worden bijna alle
toegeschreven aan vrouwen. Volgens een legende, door Suidas
vermeld, was de vroegste schrijver van deze soort Astyanassa,
het dienstmeisje van Helena van Troje. De dichteres Elephantis
heeft, naar men meent, negen posities bezongen. Verschillende
vrouwen hebben in later tijd over deze onderwerpen geschreven en
één boek wordt toegeschreven aan Polycrates, den sophist.
Aretino--die schreef, nadat de invloed van het Christendom
erotische zaken verraderlijk laag tot het terrein van de
pornographie had neergehaald, vanwaar ze eerst nu beginnen
te worden te voorschijn gehaald--beschreef in zijn Sonnetti
Lussoriosi zes en twintig verschillende soorten van coïtus, ieder
voorzien van een illustreerende teekening van Giulio Romano, den
voornaamsten van Raphael's leerlingen. Veniero beschreef in zijn
Puttana Errante twee en dertig posities. Later heeft Forberg, de
voornaamste moderne autoriteit, negentig posities opgenoemd, naar
men zegt, dat maar acht en veertig zelfs bij de meest liberale
taxatie beschouwd kunnen worden als te vallen binnen de sfeer
van de normale variaties.
De oneer, die aan de daad van de paring is ten deel gevallen, en
die ze gemaakt heeft tot een daad der duisternis, is ongetwijfeld
grootendeels verantwoordelijk voor het feit, dat de voornaamste
tijd voor de voltrekking ervan onder moderne beschaafde volken de
donkerheid van den vroegen nacht is in stoffige slaapkamers, als
de vermoeienis van het dagwerk in strijd is met de kunstmatige
opwekking, teweeg gebracht door zware maaltijden en alcohol
bevattende dranken. Deze gewoonte is voor een deel de schuld van
de onverschilligheid, of zelfs den afkeer, waarmee vrouwen coïtus
soms beschouwen.
Vele meer primitieve volken zijn wijzer. De Papoea's aan de baai
van Astrolabe op Nieuw-Guinea hebben, volgens Vahness (Zeitschrift
für Ethnologie, 1900, afl. 5, p. 414), hoewel men in herinnering
moet houden, dat de combinatie van de sexueele daad met duisternis
veel ouder is dan het Christendom, en in verband staat met zeer
oude godsdienstige denkbeelden (vergelijk Hesiodus, Works and Days,
Boek II), altijd omgang in de open lucht. De hard werkende vrouwen
van de Gebvuka en Euru-eilanden zijn 's nachts te moe voor coïtus;
hij wordt uitgevoerd bij dag onder de boomen, en ook de bewoners
van de Serang-eilanden hebben coïtus in de bosschen (Ploss and
Bartels, Das Weib, Boek I, hoofdst. XVII).
Deze voorbeelden kan men klaarblijkelijk in moderne steden
niet volgen, zelfs niet als de werkzaamheden en het klimaat het
toelieten. Men is het er ook over eens, dat sexueel verkeer moet
gevolgd worden door rust. Er schijnt echter weinig twijfel aan te
bestaan, dat de vroege morgen en het daglicht een gunstiger tijd
zijn dan de vroege nacht. Conceptie behoort plaats te hebben bij
licht, zeide Michelet (L'Amour, p. 153); sexueel verkeer in het
donker van den nacht is een daad, gedaan met een vrouwelijk dier;
bij dag is het de vereeniging met een liefhebbend en geliefd
individueel persoon.
Dit is in ruimen kring erkend geworden. De Grieken beschouwden,
zooals we van Aristophanes, in zijn Acharniërs hooren, zonsopgang
als de gepaste tijd voor coïtus. De Zuidelijke Slaven zeggen ook,
dat de ochtendschemering de tijd is voor coïtus. Vele moderne
autoriteiten hebben zich uitgesproken ten gunste van coïtus in den
vroegen morgen. De morgen, zeide Roubaud (Traité de l'Impuissance,
blz. 15 1-3) is de tijd voor coïtus, en zelfs als het verlangen
grooter is in den avond, is het genoegen toch grooter in den
morgen. Ook Osiander raadde coïtus aan in den vroegen morgen, en
Venette zegt in een vroeger eeuw, waar hij er over spreekt "op
wat voor tijd een man zijn vrouw in liefde behoort te omarmen"
(La Génération de l'Homme, Part. II, hoofdst. V) en de meening
uit, dat het 't beste is zijn neiging te volgen, "dat een mooie
vrouw er beter uitziet bij zonlicht dan bij kaarslicht". Een
paar autoriteiten, zooals Burdach, zijn er tevreden mee geweest
de gewoonte van coïtus bij nacht aan te nemen, en Busch (Das
Geschlechtsleben des Weibes, deel I, p. 214) was geneigd om te
meenen, dat de duisternis van den nacht de "natuurlijkste" tijd
was, terwijl Fürbringer (Senator and Kaminer, Health and Disease
in Relation to Marriage, deel I, p. 217) zegt, dat de vroege morgen
"nu en dan" de beste tijd is.
Aan den anderen kant is voor sommigen het uitoefenen van sexueel
verkeer bij zonlicht en in de open lucht van zooveel belang,
dat zij geneigd zijn het te verheffen tot den rang van een
godsdienstige oefening. Ik haal uit een mededeeling over dit
punt, die ik uit Australië ontvangen heb, het volgende aan: "Dit
schandelijk iets, waarover men niet moet spreken en dat men niet
moet doen (behalve in het donker) zal, naar ik meen, eens de eenige
godsdienstige plechtigheid worden van het menschelijk ras, in de
lente. En wat voor lentes! De menschen zullen dan zeer gezond,
wel opgevoed en aristocratisch zijn (allen aristocratisch), en over
het geheel gekant tegen riten en bijgeloovige gebruiken, want zij
zullen het verleden volkomen kennen. De vereeniging van menschen,
die elkaar liefhebben in de lente zal de eenige godsdienstige
plechtigheid zijn, die ze zich zullen veroorloven. Ik heb soms een
visioen van het heilige tafereel, maar ik vrees, dat het te mooi is
om te beschrijven. "De omgang tusschen de seksen, heb ik gedroomd,
is onuitsprekelijk mooi, te mooi om mij te herinneren", schreef
de kuische Thoreau. Waarlijk, menschelijke schoonheid, vreugde en
liefde zullen hun meest goddelijke hoogte bereiken in die eerste
dagen van het paren in de lente. Als de wereld één Paradijs is,
zal de gemeenschap van de menschen die elkaar lief hebben, de
jongste en mooiste, plaats vinden in bepaalde heilige valleien ten
aanschouwe van duizenden, die vergaderd zijn om er getuigen van te
zijn. Dagenlang zal het plaats hebben in deze valleien, waar de zon
zal opgaan over een droom van hartstochtelijke stemmen, van elkaar
omarmende lichamen, van bloemen en wateren, en het purper en goud
van den zonsopgang zal weerkaatst worden op heuvels, die gekleurd
zijn door violen. (Ik weet niet of de schrijver zich "Enamelled
pansies used at nuptials still" van George Chapman herinnerde),
en dat herhaalde voor gouden menschelijk vleesch en menschelijk
haar. In deze geheiligde valleien zal de teere geur van de violen
zich vermengen met de hemelsche geur van gezonde jonge vrouwen
en mannen bij de lenteparing. Gij en ik zullen het niet zien,
maar we kunnen helpen om het mogelijk te maken". Deze rhapsodie
(een onbewuste herhaling van die van Saint-Lambert aan de tafel
van Mlle Quinault in de achttiende eeuw) dient om een beeld te
geven van den opstand, die plaats vindt tegen de onnatuurlijke
en kunstmatige degradatie van de sexueele daad.
In sommige deelen van de wereld heeft het volkomen natuurlijk
en redelijk geschenen, dat een daad zoo vol beteekenis als de
coïtusdaad aan de godheid gewijd zou zijn, en daaruit ontstond de
gewoonte van het gebed vóór het sexueel verkeer. Zoo verordende
Zoroaster, dat een gehuwd paar vóór den coïtus moest bidden, en na
de daad moesten ze te zamen zeggen: "O, Sapondomad, ik vertrouw u
dit zaad toe, bewaar het voor mij, want het is een mensch". In de
Gorong Archipel is het ook de gewoonte, dat man en vrouw te zamen
bidden voor de sexueele daad (Ploss en Bartels, Das Weib, Bd. I,
hoofdst. XVII). De beschaafde mensch daarentegen is er toe gekomen
zijn maag als het belangrijkste van zijn organen te beschouwen,
en hij zegt zijn conventioneele gebed niet voor de liefdedaad,
maar voor het gebruik van voedsel. Zelfs is het in Europa moeilijk
nog eenige sporen te vinden van ritueel van een godsdienstige
erkenning van coïtus. We kunnen ze misschien ontdekken onder de
Spanjaarden, met hun taai instinct voor ritueel, in de plechtige
etiquette, waarmee in de zeventiende eeuw het volgens Madame
d'Aulnay de gewoonte van den koning was om de slaapkamer van de
koningin binnen te komen: "Hij heeft zijn pantoffels aan, zijn
zwarten mantel over zijn schouder, zijn schild in zijn eenen arm,
een flesch aan een koord aan zijn anderen arm hangen (deze flesch
is niet om uit te drinken, maar voor een geheel tegenovergesteld
doeleinde, dat gij wel zult kunnen raden). Bij dit alles moet
de koning ook zijn groote zwaard in zijn eene hand hebben en een
dievenlantaarn in de andere. Op deze wijze moet hij, alleen, de
kamer van de koningin binnen treden" (Madame d'Aulnay, Relation
du Voyage d'Espagne, 1692, deel III, p. 221).
Bij het bespreken van de kunst van liefhebben is het noodig een
eerste plaats toe te kennen aan het centrale feit van den coïtus,
wegens de onwetendheid, die daarover in ruimen kring heerscht,
en de ongelukkige vooroordeelen, die in de duisternis er om heen
welig tieren. De tradities van de Christelijke kerk, die geheel
Europa hebben overstroomd, en die ter vereering een goddelijke
maagd hebben gesteld en haar goddelijken zoon, terwijl ze beiden
met uitgezochte verfijndheid onttrok aan persoonlijk contact met
sexualiteit, vernietigde volkomen iedere poging om een heilig en
uitspreekbaar ideaal te vinden in huwelijksliefde. Zelfs de pogingen
van de kerk zelf om het huwelijk te verheffen werden te niet gedaan
door haar eigen idealen. Die invloed oefent zelfs nu nog een drukkenden
invloed op onze beschaving. Toen Walt Whitman zijn "Children of Adam"
schreef, gaf hij een onvolkomen uitdrukking aan opvattingen over den
godsdienstigen aard van sexueele liefde, die gezond en natuurlijk
bestaan hebben in alle deelen van de wereld, maar die nog niet door
de duisternis van het Christendom waren heengedrongen, waar ze nog
vreemd schenen en nieuw, zoo niet verschrikkelijk. En de weigering
om de heiligheid van de sekse te erkennen heeft een sluier van smaad
en duisternis over de hoogste sexueele daad zelf gespreid. Ze werd
uitgesloten van den zonneschijn en van de sfeer der vereering.
De geslachtsdaad is belangrijk uit het oogpunt van de kunst van
liefhebben, niet alleen wegens de onwetendheid en de vooroordeelen,
waardoor ze omgeven is, maar ook omdat ze een werkelijke waarde
heeft zelfs voor den psychischen kant van het huwelijksleven. "Deze
organen", zegt de oude Fransche dokter, Ambrose Paré, "maken den
vrede in huis". Hoe dit gebeurt, zien we nu en dan geïllustreerd
in het dagboek van Pepys. Terzelfder tijd is het nauwelijks noodig
te zeggen, na alles wat vooraf is gegaan, dat deze oude bron van
huiselijken vrede onbepaald wordt gecompliceerd door de oneindige
verscheidenheid in erotische behoeften, die steeds meer uitgesproken
worden met den groei van de beschaving [401].
De kunst van liefhebben begint inderdaad eerst met het plaats vinden
van den sexueelen omgang. Bij het instellen van die verhouding worden
alle krachten van de natuur zoo sterk in beslag genomen, dat onder
volkomen gunstige omstandigheden--die inderdaad maar zeer zelden
voorkomen in onze beschaving--de bekendheid met die kunst en een zekere
handigheid in de uitoefening ervan bijna van zelf komen. De werkelijke
proef voor den liefde-kunstenaar ligt in de bedrevenheid ze te doen
voortduren langer dan den tijd, waarop de belangen van de natuur,
nadat ze in werkelijkheid of in schijn verzekerd zijn, beginnen te
verslappen. De geheele kunst van de liefde ligt daarin, dat men steeds
iets nieuws vindt in de zelfde persoon. De liefdekunst is zelfs meer
de kunst de liefde te behouden dan ze op te wekken. Anders dreigt ze
te ontaarden in wat Shakespeare noemt lust,
"Past reason hunted, and no sooner had,
Past reason hated",
hoewel men in gedachte moet houden, dat zelfs volgens de meest
strikt natuurlijke zienswijze na hartstocht normaal niet tegenzin,
maar genegenheid volgt [402].
De jonge man en vrouw, die tot de onbeperkte mogelijkheden van
het huwelijk komen, terwijl gedurende dien tijd de begeerte nooit
gevolgd werd door de bevrediging van die begeerte, zijn zeker niet
in de beste omstandigheden om de kunst van liefhebben te leeren. Zij
komen in de verleiding, door roekeloos zwelgen in de intimiteiten van
het huwelijk op alle uren van den dag al de redenen te verwaarloozen,
die het niet zoo noodig doen schijnen die kunst te leeren. "Er zijn
getrouwde menschen", zooals Ellen Key opmerkt, "die elkander hun
geheele leven hadden kunnen lief hebben, als ze niet gedwongen waren
geweest alle dagen en het geheele jaar lang hun gewoonten, hun wil
en hun neigingen naar elkander te richten".
Al de neigingen van ons beschaafde leven gaan, in persoonlijke
zaken, naar het individualisme; zij sluiten specialisatie in zich,
en zij verzekeren de heiligheid van persoonlijke gewoonten en zelfs
van eigenaardigheden. Dit individualisme kan niet plotseling op een
willekeurig bevel van een traditie te niet gedaan worden, of zelfs
door de kracht van een hartstocht, waarvan de beperkingen zijn weg
genomen. Uit ontzag voor de conventies en de vooroordeelen van hun
vrienden, of uit onbeteugelde overgave aan jonge liefde of alleen maar
uit vrees elkander te krenken, storten jonge paren zich dikwijls in
een grenzenlooze intimiteit, die voor het duurzaam bestaan van het
huwelijk zelfs nog nadeeliger is, dan algeheel uitblijven van volle
intimiteit. Dat is een van de voornaamste redenen, waarom de meeste
schrijvers over de moreele hygiëne van het huwelijk tegenwoordig
afzonderlijke slaapkamers aanbevelen, en soms zelfs, met Ellen
Key, geen bezwaar er in zien, dat zij in afzonderlijke huizen
wonen. Zeker, de gelukkigste huwelijken hebben dikwijls de nauwste
en meest ononderbroken intimiteit in zich gesloten, bij personen, die
bijzonder voor zulk een intimiteit geschikt waren. Het is in het geheel
niet waar, zooals Bloch heeft verzekerd, dat familiariteit noodlottig
is voor de liefde. Ze is doodelijk voor een liefde, die geen wortels
heeft, maar ze is het voedsel voor de diep gewortelde liefde. Toch
blijft het waar, dat afwezigheid noodig is om de geurige frischheid
en het mooie idealisme van de liefde te bewaren. "Afwezigheid",
zegt Landor, "is de onzichtbare en lichaamlooze moeder van ideale
schoonheid". Gehuwde gelieven, die elkaar maar betrekkelijk korten
tijd kunnen ontmoeten tusschen lange tijden van afwezigheid, hebben
dikwijls in deze ontmoetingen een het leven doorloopende keten van
wittebroodsweken ondervonden [403].
Er kan geen twijfel aan zijn, dat, evenals aanwezigheid haar gevaren
heeft voor de liefde, het evenzoo is met de afwezigheid. Beide zien
ten slotte, als zij lang duren, het herinneringsbeeld der liefde
verbleeken, en scheiding, met haar vele betrekkingen tot veraf-zijnde
personen en dingen, brengt het gevaar der ijverzucht mee, hoewel
het moeilijk is een graad van levensgemeenzaamheid te vinden, die de
ijverzucht of ook maar alleen de motieven voor de ijverzucht uitsluit.
IJverzucht berust op fundamenteele instincten, die bij het begin
van het dierlijk leven optreden. Descartes definieerde jaloezie
als "een soort van vrees, die betrekking heeft op een begeerte om
een bezitting te bewaren". Iedere aandrift tot toeëigenen wordt
in de dierenwereld tot grootere activiteit aangespoord als er een
concurrent is, die zich het begeerde voorwerp eerder kan toeëigenen,
Dit schijnt een fundamenteel feit te zijn in de dierenwereld; het
is een leven behoudende neiging geweest, want, zooals iemand gezegd
heeft, een dier, dat er bij zou staan, als zijn kameraden zich aan
voedsel te goed deden, en dat niets dan zuivere bevrediging ondervond
bij dat gezicht, zou spoedig te gronde gaan. In dit feit zien we de
natuurlijke basis der jaloezie [404].
Met betrekking tot voedsel doet zich dit verschijnsel het eerst en
het duidelijkst voor onder de dieren. Het is een wel bekend feit,
dat het samenzijn met andere dieren er een dier toe brengt om veel
meer te eten, dan wanneer het alleen gehouden wordt. Het eet niet
meer uit honger, maar het eet, naar het heet, om zijn voedsel te
bewaren voor mededingers op de eenige veilige bewaarplaats, die het
kent. Hetzelfde gevoel wordt onder dieren op het geslachtsgebied
overgebracht. En verder wordt in de verhouding van honden en andere
getemde dieren jegens hun meester de gemoedsbeweging der jaloezie
zeer duidelijk opgemerkt [405].
Jaloezie is een gemoedsbeweging, die het meest tot uitdrukking komt bij
dieren, bij natuurvolken [406], bij kinderen [407], bij oude menschen,
bij gedegenereerden, en zeer speciaal bij chronische alcoholisten
[408]. Het verdient onze aandacht, dat de beste artisten en kenners
van het menschenhart, die de tragedie van de jaloezie het volkomenst
uitgebeeld hebben, duidelijk ingezien hebben, dat ze òf atavistisch,
òf pathologisch is; Shakespeare maakte zijn Othello tot een barbaar,
en Tolstoy maakte den Pozdnischeff van zijn Kreutzer Sonate tot een
krankzinnige. Ze is een tegenmaatschappelijke emotie, hoewel sommigen
hebben staande gehouden, dat ze de oorzaak geweest is van kuischheid
en trouw. Gesell bij voorbeeld geeft toe, dat ze tegenmaatschappelijk
van aard is en doet aanhalingen om de kwelling en de ellende te
laten blijken, die ze veroorzaakt, maar hij schijnt te meenen,
dat ze toch behoorde aangekweekt te worden om sexueele deugden
aan te moedigen. Zeer bepaalde opinies zijn uitgesproken in den
tegenovergestelden zin. Jaloezie behoort, evenals andere schaduwen,
zegt Ellen Key, slechts bij de morgenschemering en het begin der
liefde, en een mensch moest voelen, dat het een wonder is, en niet
zijn recht, als de zon nog op haar hoogtepunt staat [409].
Daarom, zelfs als jaloezie een gunstige invloed geweest is
bij het begin van de beschaving, evenals onder de dieren--zooals
waarschijnlijk kan aangenomen worden, hoewel ze over het geheel eerder
het nevenproduct van een gunstigen invloed is, dan zulk een invloed
zelf--is het toch in het geheel niet duidelijk, dat ze daarom een
gewenschte gemoedsbeweging wordt in meer gevorderde stadiën van de
beschaving. Er zijn vele primitieve emoties, zooals toorn en vrees,
waarvan we het niet wenschelijk vinden ze aan te moedigen in meer
gevorderde stadiën van de beschaving in samengestelde beschaafde
maatschappijen, maar die we eerder trachten te beperken en te
controleeren, en zelfs als we geneigd zijn een oorspronkelijke waarde
toe te kennen aan de jaloezie, schijnt ze toch onder deze emoties
geplaatst te moeten worden.
Miss Clapperton volgt, bij het bespreken van dit probleem
(Scientific Meliorism, blz. 129-137) Darwin (Descent of Man, Deel
I, hoofdst. IV); ze denkt, dat jaloezie geleid heeft tot "het
inprenten van de vrouwelijke deugd", maar zij voegt er aan toe,
dat ze ook de oorzaak geweest is van de onderwerping der vrouw,
en dat ze nu uitgeschakeld moet worden. "Onszelf zoo spoedig
mogelijk van jaloezie te verlossen is een hoofdzaak; anders
zal de groote beweging ten gunste van de gelijkheid der seksen
noodzakelijkerwijze op remmen en zware hindernissen stooten".
Ribot (La Logique des Sentiments, blz. 75 et seq.; Essai sur les
Passions, blz. 91, 175) constateert, dat de taxatie van de jaloezie
subjectief moet verschillen naarmate van het ideaal van het leven,
dat men heeft, maar hij meent, dat we objectief geneigd moeten
zijn tot een ongunstige taxatie. "Zelfs een korte hartstocht is
een breuk in het moreele leven; het is het abnormale, zoo niet
een pathologische toestand, een uitwas, een parasitisme".
Forel (Die Sexuelle Frage, hoofdstuk V) spreekt met sterke woorden
in denzelfden geest, en meent, dat het noodig is de jaloezie uit te
schakelen door het niet jaloersch maken van de menschen. "Jaloezie
is", verklaart hij, "de ergste en ongelukkig de diepst gewortelde
van de "uitstralingen", of liever, de "contrastreacties",
van sexueele liefde, geërfd van onze dier-voorvaders. Een oud
Duitsch gezegde, "Eifersucht ist eine Leidenschaft die mit Eifer
sucht was Leiden schafft", zegt geenszins te veel... Jaloezie
is een erfdeel van dierlijkheid en barbarisme; ik zou dit in
de herinnering willen brengen van hen, die ze, onder den naam
"beleedigde eer", trachten te rechtvaardigen en op een voetstuk
te plaatsen. Een ontrouw echtgenoot is voor een vrouw tienmaal
wenschelijker dan een jaloersch echtgenoot... Wij hooren dikwijls
van "gerechtvaardigde jaloezie". Ik geloof echter, dat er geen
rechtvaardige jaloezie is; ze is altijd atavistisch of anders
pathologisch; op zijn best is ze niets anders dan een brutale
dierlijke domheid. Een man, die uit zijn aard, dat is door zijn
erfelijke constitutie, jaloersch is, zal zeker zijn eigen leven en
dat van zijn vrouw vergiftigen. Zulke mannen moesten onder geen
voorwaarde trouwen. Opvoeding en keuze behooren saam te werken,
om jaloezie uit het menschelijk brein uit te schakelen zooveel
het maar kan".
Eric Gillard verklaart, in een artikel over "Jaloezie" (Free
Review, Sept. 1896), in tegenstelling van hen, die meenen, dat
jaloezie "het tehuis vormt", dat zij integendeel de voornaamste
kracht is, die het tehuis ontbindt. "Zoolang het egoïsme ze begiet
met de tranen van gevoel en ze beschermt tegen de koude vlagen
van wetenschappelijk onderzoek, zoolang zal ze bloeien. Maar
er zal een tijd komen, dat ze in den tuin der Liefde zal worden
verbrand als een schadelijk onkruid. Haar verpestende invloed in
de maatschappij kan niet verborgen blijven. Ze maakt tehuizen,
die heiligdommen van liefde hadden kunnen wezen tot hellen van
tweedracht en haat; ze geeft aanleiding tot zelfmoord, en ze
brengt duizenden tot den drank, tot roekelooze uitspattingen
en tot krankzinnigheid. Vormt het tehuis! Een van uw getrouwde
vrienden ziet een waarschijnlijken verleider in iederen man,
die tegen zijn vrouw glimlacht: een ander is jaloersch op de
vriendinnen van zijn vrouw; een derde is beleedigd, omdat zijn
vrouw zooveel belangstelling toont voor de kinderen. Sommige van
de vrouwen, die gij kent, zijn jaloersch op iedere vrouw, onder de
kennissen van haar man, en sommige op zijn hond. Gij moet geheel
gemonopoliseerd worden, of gij bemint niet geheel. Gij moet niemand
bewonderen, dan de eene persoon, waarmee ge u voor het leven
hebt ingemetseld. Oude vriendschappen moeten verbroken worden,
nieuwe vriendschappen moeten niet gevormd worden, uit vrees,
dat de mooie emotie zal gewekt worden, die "het tehuis vormt"".
Zelfs als jaloezie in sexueele zaken kon worden toegelaten als een
emotie, die werkte aan de zijde van den beschaafden vooruitgang, dan
moeten we er toch op wijzen, dat ze alleen uiterlijk werkt; ze kan
weinig of geen werkelijken invloed hebben; de persoon, die jaloersch
is, maakt zich zelden beminnelijker door zijn jaloezie en dikwijls
minder beminnelijk. Het voornaamste gevolg van zijn jaloezie is,
dat ze de oorzaken voor de jaloezie doet toenemen, en ze niet zelden
opwekt, en tevens, dat ze het huichelen aanmoedigt.
Al de omstandigheden, begeleidingsverschijnselen en gevolgen van
huiselijke jaloezie in hun volkomen typischen vorm worden duidelijk
door een zeer ernstige episode in de geschiedenis van het huishouden
van Pepys, en ze zijn volledig en getrouw door den grooten
dagboek-schrijver neergeschreven. Het vergrijp--een omarming van de
kamenier van zijn vrouw--was maar gering, maar, zooals Pepys zelf
toegeeft, in het geheel niet te verontschuldigen. Hij schrijft op
den 25sten October 1668 (Lord's Day); hij is dan zes en dertig jaar
oud. "Na het avondeten werd mijn haar gekamd door Deb, hetgeen mij
de grootste ellende veroorzaakte, die ik ooit in deze wereld gekend
heb, want mijn vrouw, die onverwacht binnenkwam, vond mij terwijl
ik het meisje omarmde... Ik was er wonderlijk verlegen mee, en het
meisje ook, en ik probeerde een uitvlucht te zoeken, maar mijn
vrouw bleef zwijgen en werd boos... Ik was ernstig bedroefd over
deze dwaasheid van mij... Zoo eindigt de maand", schrijft hij een
paar dagen later, "met eenige mate van rust voor mijn geest, hoewel
ze niet volkomen is na de groote onaangenaamheden met mijn arme
vrouw, en door mijn dwaasheid, die ik met het meisje begaan heb en
waarover ik reden heb bedroefd en beschaamd te zijn en nog meer
bezwaard, ter wille van het arme meisje. Zes November. Opgestaan;
hierna staat ook mijn vrouw op, wat zij nu als plicht iederen dag
doet, om mij aan te kleeden, opdat ik Willet (Deb) niet zien zal;
zij houdt mij in het oog, of ik haar aanzie of niet; zij tracht mij
te verhinderen in de kamer te gaan waar zij is. Negen November.
Opgestaan; ik meldde Deb in een klein briefje, dat ik haar
toewierp, dat ik voort zou gaan te ontkennen, dat ik haar ooit
gekust had, en dat ze gerust kon zijn. De waarheid is, dat ik mij,
in de hoop op God's vergiffenis, deze leugen veroorloofde, wetende
welk een moeilijk ding het voor mij zou zijn, en mogelijk de
ondergang van het arme meisje; en ook, omdat ik wist, dat, als mijn
vrouw alles wist, het haar niet mogelijk zou zijn ooit weer vrede
met mij te sluiten en dat zoodoende ons geheele leven vergald zou
zijn. Het meisje las het, en gaf mij het briefje terug, zooals ik
haar verzocht had, mij het briefje in het voorbijgaan toewerpend".
Den volgenden dag echter is hij in ernstige moeilijkheden, want
zijn vrouw heeft een bekentenis verkregen van het meisje over het
kussen. Een paar nachten hebben mijnheer en mevrouw Pepys niet
geslapen, met veel weenen aan beide kanten. Deb neemt een andere
betrekking aan en gaat weg op den 14den November, en Pepys is nooit
in de gelegenheid haar te spreken voor zij het huis verlaat, omdat
zijn vrouw hem voortdurend in het oog houdt. Het blijkt wel, dat
Pepys zich nu zeer tot Deb voelt aangetrokken, hoewel het niet
blijkt, dat dat ook al was, voordat zij het onderwerp van den twist
werd. Op den 13den November, nadat hij gehoord heeft dat zij den
volgenden dag zal vertrekken, schrijft hij: "De waarheid is, dat ik
veel lust heb dit meisje haar maagdelijkheid te ontnemen". Hij was
echter "zeer verontrust door het feit, dat het niet waarschijnlijk
is dat mijn vrouw ooit weer goed op mij zal worden, en dat ik voor
altijd haar slaaf zal zijn in zaken van genoegen". Terzelfder tijd
was zijn liefde voor zijn vrouw in het geheel niet verminderd, en
de hare voor hem ook niet. "Ik moet hier opmerken", zegt hij, "dat
ik sinds dezen twist meer met mijn vrouw als echtgenoot geleefd heb,
dan ik meen wel een jaar tevoren. En met meer genoegen voor haar
dan al den tijd van ons huwelijk tevoren". De volgende dag was een
Zondag. Op Maandag begint Pepys meteen onderzoek te doen om Deb op
te sporen, Den 18den vindt hij haar. Zij komt bij hem in het
rijtuig, en hij kust haar en veroorlooft zich vrijheden met haar en
raadt haar tevens aan "voor haar eer te zorgen en God te vreezen",
en dat ze niet moet toelaten dat iemand doet wat hij gedaan heeft;
hij vertelt haar ook, waar zij hem vinden kan, als zij dat wenscht.
Pepys voelt nu, dat alles naar bevrediging geregeld is en zijn hart
is vol vreugde. Maar zijn vreugde is van korten duur, want mevrouw
Pepys komt achter dit onderhoud met Deb op den daaropvolgenden dag.
Pepys ontkent eerst, bekent dan, en er is een nog verwoeder scene
dan ooit. Pepys wordt nu werkelijk bang, want zijn vrouw dreigt hem
te verlaten; hij verlaat Deb nu bepaald en met gebeden aan God
besluit hij om nooit meer zoo iets te doen. Mevrouw Pepys is echter
nog niet tevreden, voordat zij haar man een brief heeft doen
schrijven aan Deb, waarin hij haar zegt, dat ze weinig beter is dan
een hoer, en dat hij haar haat, hoewel Deb hiervoor gespaard blijft,
niet door eenigen list van Pepys, maar door de kieschheid van den
vriend, aan wien de brief ter bezorging was toevertrouwd. Bovendien
komt Mevrouw Pepys met haar man overeen, dat, ieder keer als hij
van huis gaat, hij zich zal doen vergezellen door zijn secretaris.
Wij zien, dat Mevrouw Pepys met schitterende handigheid en succes
de rol speelt van de jaloersche en wrekende vrouw, en dat ze haar
Fransche hakjes meedoogenloos in haar verslagen echtgenoot boort.
Ongelukkig weten we niet wat het resultaat ten slotte was, want een
poosje later was Pepys door een ooglijden gedwongen zijn dagboek te
eindigen. Als we deze typische geschiedenis geheel overzien, blijkt
al heel duidelijk, dat noch de man noch de vrouw ook maar in de
geringste mate voorbereid waren op de alledaagsche positie, waarin
ze geraakt waren; dat zij beiden in een pijnlijk, onwaardig en
vernederend licht verschijnen; dat als gevolg van alles de man bijna
een ware en sterke genegenheid opvat voor het meisje, dat de oorzaak
van den twist is; en dat hij, ten slotte, al is hij voor het
oogenblik gedwongen toe te geven, toch precies blijft wat hij bij
het begin was. De man en de vrouw hadden ook niet den geringsten
wensch om elkander te verlaten; de huwelijksband bleef stevig, maar
hij was onteerd door onoprechtheid aan den eenen kant en door de
jaloersche poging aan den anderen kant om trouw af te dwingen.
Geheel afgezien echter van de kwestie van de werkzaamheid der
ijverzucht, en van de ellende die zij te voorschijn roept bij allen,
die er bij betrokken zijn, is zij klaarblijkelijk onvereenigbaar met
al de neigingen van de beschaving. Wij hebben gezien, dat een zekere
mate van variatie behoort bij de sexueele verhouding, evenals bij alle
andere verhoudingen, en dat we dat feit onder de oogen moeten zien en
erkennen, als we niet vele verkeerdheden en onrechtvaardigheden willen
bestendigen. Wij hebben ook gezien, dat onze ontwikkeling gaat in de
richting van een voortdurende toename van moreele verantwoordelijkheid
en zelf-bestuur, en die brengen op hun beurt niet alleen een groote
mate van oprechtheid mee, maar ook de erkenning, dat geen mensch
recht of macht heeft om invloed uit te oefenen op de gemoedsbewegingen
en daden van een ander mensch. Als onze liefdezon nog in het zenith
staat, zooals Ellen Key het uitdrukt, dan is dat een wonder, dat men
met eerbied en dankbaarheid moet begroeten, en geenszins een recht,
dat men eischen kan. De aanspraak op ijverzucht valt met de aanspraak
op huwelijksrechten.
Het is best mogelijk, merkt Bloch op (The Sexual Life of Our
Time, hoofdstuk X), tegelijkertijd meer dan een persoon lief te
hebben, met bijna gelijke teederheid, en in eere beiden te kunnen
verzekeren van den hartstocht voor hem of haar gevoeld. Bloch voegt
er bij, dat de groote psychische differentiatie, die de moderne
beschaving in zich sluit, de mogelijkheid van deze dubbele liefde
doet toenemen, want het is moeilijk voor iemand zijn aanvulling
in een enkel persoon te vinden; dat is van toepassing op vrouwen
zoowel als op mannen.
Ook Georg Hirth wijst er op (Wege zur Heimat, blz. 543-552), dat
het van belang is in de herinnering te houden, dat vrouwen, zoowel
als mannen twee personen tegelijk kunnen liefhebben. De mannen
vleien zich, merkt hij op, met het vooroordeel, dat het hart van de
vrouw, of liever haar hoofd, maar één man tegelijk kan bevatten, en
dat, als daar een tweede man is, het door een soort van prostitutie
is. Bijna alle erotische schrijvers, dichters en romanschrijvers,
zelfs medici en psychologen, behooren tot deze klasse, zegt hij;
zij beschouwen de vrouw als bezit, en natuurlijk kunnen geen
twee mannen een vrouw bezitten. (Wat romanschrijvers aangaat,
kan de opmerking worden ingeschoven, dat er vele uitzonderingen
zijn, en Thomas Hardy bijvoorbeeld teekent dikwijls een vrouw,
die min of meer op twee mannen verliefd is). Tegen dezen wensch
om de psychische geschiktheid van de vrouw naar beneden te halen,
houdt Hirth staande, dat een vrouw niet noodzakelijk ontrouw aan
een man behoeft te zijn, als zij hartstocht heeft opgevat voor
een anderen man. "Tegenwoordig", verklaart Hirth naar waarheid,
"kunnen alleen liefde en rechtvaardigheid gelden als eerlijke
motieven voor het huwelijk. De moderne man staat aan zijn
geliefde vrouw en levensgezellin dezelfde vrijheid toe, die hij
zelf nam voordat hij getrouwd was, en die hij misschien ook nog
in het huwelijk neemt. Als zij er geen gebruik van maakt, zooals
te hopen is, zooveel te beter! Maar laten er geen leugens zijn,
geen bedrog; de onontbeerlijke grondslag van het moderne huwelijk
is grenzenlooze vriendschap en oprechtheid, diepst vertrouwen,
liefdevolle toewijding en achting. Dit is de beste beveiliging
tegen echtbreuk... Laat echter hij, die er door overvallen
wordt, zich troosten met het ontwijfelbare feit, dat van twee,
die werkelijk liefhebben, hij altijd de voorkeur zal hebben,
die als vriend het edelst denkt en het diepst ziet." Deze wijze
woorden kunnen niet te ernstig overdacht worden. De politiek der
jaloezie heeft alleen maar succes--als ze ooit succes heeft--in
handen van den man, die het uiterlijk omhulsel van de liefde voor
kostbaarder houdt dan de kern.
Het schijnt sommigen toe, dat de erkenning van de variaties in
sexueele verhoudingen, van de neiging van de monogamie om haar
zelf gekozen grenzen te overschrijden, op zijn best een treurige
noodzakelijkheid is, en een bedroevende val van een hoog ideaal. Dat
is echter het tegendeel van de waarheid. Het groote nadeel van de
monogamie, en het ernstigste zwakke punt ervan is haar neiging tot
zelf-concentratie ten koste van de buitenwereld. De duivel komt altijd
naar den man toe in den vorm van zijn vrouw en zijn kinderen, zeide
Hinton. Het gezin is een groote maatschappelijke invloed, in zooverre
het het beste middel is om kinderen te doen geboren worden, die de
toekomstige burgers zullen uitmaken; maar in zekeren zin is het gezin
een tegenmaatschappelijke invloed, want het heeft neiging in ongepaste
mate de energie te absorbeeren, die noodig is voor de versterking van
de maatschappij. Het is inderdaad mogelijk, dat dat feit geleid heeft
tot wijziging van het monogame systeem in vroege ontwikkelingsperioden
van de menschelijke geschiedenis, toen maatschappelijke uitzetting
en samenhang de voornaamste noodzakelijkheden waren. Het gezin
gelijkt maar al te dikwijls op de opeenhoopingen van insecten,
die men op een nauwe plaats ontdekt, als we toevallig een platte
steen in onzen tuin opbeuren. Hoe groot de problemen der liefde
ook zijn, en hoe groot ook onze oplettendheid ervoor moet wezen,
wij moeten altijd in herinnering houden, dat liefde niet een kleine
kring is, die in zichzelf volkomen is. Het is de aard der liefde uit
te stralen. Evenals het familieleven voornamelijk bestaat voor het
maatschappelijk doel van het grootbrengen van het toekomstig ras,
zoo heeft de familieliefde haar maatschappelijke doeleinden in de
uitbreiding van sympathie en liefde aan degenen, die er buiten staan,
en zelfs in doeleinden, die er buiten vallen [410].
De kwestie is nu en dan besproken, in hoeverre het voor een man
en vrouw mogelijk is om een intieme vriendschap te hebben buiten
de erotische sfeer [411]. Er kan geen twijfel aan bestaan, dat
het volkomen mogelijk is voor een man en een vrouw voor elkaar
een vriendschap te gevoelen, die nooit overgaat op het gebied
der erotiek. Als regel echter gebeurt dit alleen onder speciale
omstandigheden en dat zijn gewoonlijk omstandigheden, die de
nauwste en meest intieme vriendschap uitsluiten. Als, zooals we
gezien hebben, liefde kan aangeduid worden als een samenstelling
van lust en vriendschap, dan raakt vriendschap zeker de erotische
sfeer. Evenals sexueele emotie neiging heeft in vriendschap over
te gaan, zoo heeft vriendschap tusschen personen van verschillend
geslacht, als ze jong, gezond en aantrekkelijk zijn, de neiging
sexueele emotie mee te brengen. De twee gevoelens zijn te nauw verwant,
dan dat het mogelijk zou zijn er voor goed zonder protest een grens
tusschen te trekken. Mannen, die aan vrouwen vriendschap aanbieden,
vinden gewoonlijk, dat ze niet met veel genoegen aangenomen wordt,
behalve als het eerste naderen tot een warmer verhouding, en vrouwen,
die vriendschap aanbieden aan een man, ondervinden gewoonlijk, dat
hij antwoordt met een liefdeaanbod; zeer dikwijls is de "vriendschap"
van het begin af alleen maar een liefde of flirt, die zich achter
een anderen naam verschuilt.
"Op den langen duur", schrijft een vrouw (in een brief, die
uitgegeven is in Geschlecht und Gesellschaft, Bd. I dl. 7) "worden
de zinnen ontevreden als ze geheel uitgesloten worden. En ik geloof
dat een man alleen dan in de nauwste wederkeerige verbinding kan
komen met een vrouw, als hij ook bewust of onbewust physiek wordt
aangetrokken. Hij kan niet in innige psychische verbinding treden
met een vrouw, waarvan hij zich niet zou kunnen voorstellen, dat
hij sexueel met haar verkeerde. Zijn overheerschende wensch gaat
uit naar het bezit van de vrouw, van de geheele vrouw, haar ziel
zoowel als haar lichaam. En een vrouw kan zich ook geen intieme
verhouding met een man voorstellen, waarbij niet haar hart en haar
lichaam, evenals haar geest betrokken zijn. (Natuurlijk denk ik
aan menschen met gezonde zenuwen en gezond bloed). Kan een vrouw
jarenlang een Platonische vriendschap met een man onderhouden,
zonder dat in haar opkomt de gedachte: "Waarom kust hij mij
nooit? Heb ik geen bekoring voor hem?" En zal het niet gebeuren,
dat zij in het meest verborgen hoekje van haar hart dat woord
"kus" gebruikt in den meer omvattenden zin, waarin de Franschen
het soms gebruiken?" Er is ongetwijfeld een element van waarheid
in dit gezegde, De grens tusschen liefde en vriendschap is niet
gedefinieerd, en een intieme omgang, die streng vrij gehouden
wordt van het zich uiten in een liefkoozing, of in een andere
physieke uiting van teedere intimiteit, heeft iets gedwongens en
wekt onuitgesproken en niet uit te spreken gedachten en wenschen,
die noodlottig zijn voor iedere vriendschap.
Ongetwijfeld zijn de eenige volkomen "Platonische vriendschappen"
die, welke bereikt zijn langs den weg van een vroegere erotische
intimiteit. In zulk een geval kunnen slechte gelieven, als zij het
erotisch stadium resoluut doorgegaan zijn, uitstekend goede vrienden
worden. Een bevredigende vriendschap is mogelijk tusschen broeder
en zuster, omdat zij physiek intiem geweest zijn in hun jeugd,
en omdat alle erotische nieuwsgierigheid afwezig is. De meest
bewonderenswaardige "Platonische vriendschappen" kunnen dikwijls
bereikt worden door man en vrouw, bij wie sympathie en genegenheid en
gemeenschappelijk belang den hartstocht overleefd hebben. Bij bijna al
de vriendschappen van beroemde mannen en vrouwen zooals wij in sommige
gevallen weten en in andere raden--heeft de hartstocht van een uur,
zooals Sainte-Beuve zegt, gediend als gouden sleutel om de kostbaarste
en meest intieme geheimen van de vriendschap te ontsluiten [412].
De vriendschappen, die bereikt zijn langs den erotischen weg bezitten
een intimiteit en behouden een geestelijk erotisch karakter, dat niet
bereikt had kunnen worden op de basis van een normale vriendschap
tusschen personen van dezelfde sekse. Dit is in veel hoogere mate waar
voor de latere vriendschap, onder gelukkige omstandigheden, van man
en vrouw in de jaren, nadat hartstocht onmogelijk is geworden. Zij
hebben opgehouden hartstochtelijke gelieven te zijn, maar zij zijn
niet enkel vrienden en makkers geworden. Hun verhouding neemt meer
speciaal elementen aan van de verhouding van kind tot ouder en van
ouder tot kind. Iedereen behoudt uit zijn eerste jaren iets van het
kind, dat niet jegens de geheele wereld blijken kan; ieder verkrijgt
iets van den vaderlijken of moederlijken geest. Man en vrouw zijn
ieder kind voor den ander, en in werkelijkheid zijn ze ouder en kind
bij beurten. En hier behoudt de vrouw altijd een zekere superioriteit,
want zij is tot het einde toe meer kind dan een man ooit wezen kan,
en zij is in haar wezen veel meer moeder dan dat hij vader is.
Groos (Der Aesthetische Genuss, p. 249) heeft er op gewezen,
dat "liefde" in werkelijkheid bestaat uit sexueel instinct en
ouderlijk instinct.
"Zoogenaamd gelukkige huwelijken", zegt Professor W. Thomas
(Sex and Society, p. 246), "zijn een toestand van evenwicht,
die daardoor wordt bereikt, dat het moederlijk belang van de
vrouw zich uitstrekt tot den man, waarbij zij acht geeft op zijn
persoonlijke behoeften als op die van de kinderen--terwijl ze
hem koestert als een kind--of in een zich uitstrekken naar de
vrouw van de zorg en de genegenheid van den man, die er in zijn
natuur is voor alle bescherming-behoevende, hulpelooze (en meestal
onmondige) schepsels".
"Als de toewijding van de verhouding van moeder en zoon",
schrijft een vrouw, "gevoegd wordt bij de verhouding van man en
vrouw, dan is de vereeniging door het huwelijk geraakt tot de
hooge en mooie waardigheid, die ze verdient, en in deze wereld
bereiken kan. Ze omvat sympathie, liefde en volkomen begrijpen,
zelfs van de fouten en zwakheden aan beide kanten". "De bron
van de liefde van elke ware vrouw", schrijft een andere vrouw,
"is de teederheid van een moeder. Hij, dien ze liefheeft, is een
kind, wat grooter dan de anderen, hoewel ze terzelfder tijd de
grootste eerbied voor hem kan hebben".
Op de basis van deze elementaire menschelijke feiten hebben
de duurzaam verlokkende en inspireerende verhoudingen van de
sekse zich ontwikkeld, en niet door het te voorschijn komen
van persoonlijkheden, die onmogelijk verheven eigenaardigheden
vereenigen. "De taak is uiterst moeilijk", zegt Kisch in
zijn Sexual Life of Woman, "maar een verstandige en deugdzame
moderne vrouw moet trachten in haar persoonlijkheid alleen, te
vereenigen de zinnelijke aantrekkingskracht van een Aspasia, de
kuischheid van een Lucretia, en de intellectueele grootheid van een
Cornelia". En in een vroegere eeuw wordt ons verteld in den roman
van La Tia Fingida, die soms is toegeschreven aan Cervantes, dat
"een vrouw moet zijn een engel op straat, een heilige in de kerk,
mooi aan het venster, eerlijk in huis en een duivel in bed". De
eischen, die aan mannen gesteld zijn door vrouwen, zijn aan
den anderen kant bijna te verheven om bepaald gedefinieerd te
kunnen worden. "Negen en negentig van de honderd vrouwen, die
liefhebben", zegt Helene Stöcker, "zijn er zeker van overtuigd,
dat, als duizend andere mannen onwaardig gehandeld hebben, en de
vrouw, die ze lief hebben, verzaakt, slecht behandeld en bedrogen
hebben, dat de man, dien zij lief hebben een uitzondering is op
alle andere mannen; dat is de reden, waarom ze van hem houden". We
mogen er echter aan twijfelen, of de groote minnaars ooit door
het bezit van volmaaktheid zeer ver boven het gewone niveau der
menschheid hebben gestaan. Zij zijn menschelijk geweest, en hun
kunst van liefhebben is niet altijd uitgesloten geweest van het
bezit van menschelijke zwakheden; volmaaktheid zou werkelijk, als
ze al gevonden kon worden, een slechte bodem zijn voor de liefde.
Alleen als we ons den zeer samengestelden aard van de elementen, die
de erotische liefde vormen, voor oogen stellen, kunnen we begrijpen
hoe het komt, dat liefde zoo'n groote openbaring kan zijn en zoo'n
diepen invloed kan uitoefenen zelfs op mannen van het grootste genie
en het grootste intellect en in de sfeer van hun meest geestelijke
werkzaamheid. Het is niet alleen hartstocht, of een bewuste handigheid
in de kunst van liefhebben--van hoeveel belang die ook mogen zijn--die
ons de verhouding kunnen verklaren van Goethe tot Frau von Stein,
of van Wagner tot Mathilde Wesendonck, of die van Robert en Elisabeth
Browning jegens elkaar [413].
Het zal nu misschien aan den lezer duidelijk zijn, waarom bij
het bespreken van den sexueelen impuls in zijn verhouding tot
de maatschappij het noodig geweest is de kunst van liefhebben te
behandelen. Het is waar, dat er niets zoo intiem persoonlijk is
als de erotische zaken van het individu. Toch is het even waar, dat
deze zaken ten grondslag liggen aan het maatschappelijk leven, en
dat zij de voorwaarden kunnen leveren--goede of slechte, al naar het
geval is--voor de voortplantingsdaad, die van het hoogste belang is
voor den staat. Het is, omdat de kwestie van liefde zulk een zuiver
persoonlijk belang heeft, dat ze neiging heeft te worden opgelost
in de kwestie van de nakomelingschap. Wij hebben ons voor oogen te
stellen, niet alleen dat de kwestie van de liefde ondergeschikt is
aan de kwestie van de voortplanting, maar ook, dat liefde een eigen,
noodzakelijk, zelfs een maatschappelijk gezond recht heeft om op zich
zelf te staan en op haar eigen waarde geschat te worden.
In een uiterst belangrijke verhandeling over de liefde, die
de beroemde Tarde nagelaten heeft (Archives d'Anthropologie
Criminelle, loc. cit.), vinden we eenige belangrijke opmerkingen
over dit punt: "De maatschappij", zegt hij, "is veel meer en met
meer intelligentie bezig geweest met het oplossen van het probleem
van de "kwestie van de nakomelingschap", dan met de "kwestie
van de liefde". Het eerste probleem vult al onze burgerlijke
wetboeken en wetboeken voor den handel. Het tweede probleem is
nooit duidelijk gesteld, of onder de oogen gezien, zelfs niet in
de oudheid, nog minder sinds de komst van het Christendom, want
alleen de oplossing te geven van het huwelijk en de prostitutie
is klaarblijkelijk ontoereikend. Staatslieden hebben alleen
de zijde gezien, waarmee de liefde grenst aan de vraag der
bevolking. Vandaar de huwelijkswetten. Op steriele huwelijken
zien ze met minachting neer. Toch is het duidelijk, dat, hoewel ze
geboren is als slaaf van het geslacht, de liefde toch neiging heeft
om door de beschaving ervan los te komen. In plaats van enkel een
methode tot voortplanting is ze een doel geworden, heeft zich een
titel verworven, een koninklijken titel. In onze tuinen kweeken
we bloemen, die des te mooier zijn, omdat ze steriel zijn; waarom
wordt de volle bloemkroon van de liefde als minder beschouwd dan de
steriel gemaakte bloemen in onze tuinen?" Tarde antwoordt, dat de
reden is, dat onze politici enkel eergierigen zijn, dorstende naar
macht en rijkdom, en zelfs als ze minnaars zijn, zijn ze eerder
als Don Juan dan als Vergilius. "De toekomst", gaat hij voort,
"behoort aan de volgelingen van Vergilius, want, zooals vroeger
het bezit van macht, de koninklijke rijkdom van Amerikaansche of
Europeesche millionairs het ideaal op aarde scheen, nu trekt de
liefde meer en meer de beste en edelste deelen der ziel aan zich,
waar alles verborgen ligt, wat het grootste is in de wetenschap
en in de kunst, en meer en meer neemt het aantal toe van die
zielen, die, ingespannen bezig met hun vreedzame werkzaamheden,
de zakenmenschen en de beroeps politici verafschuwen en er eenmaal
in zullen slagen hen terug te dringen. Dat zal voorzeker de groote
revolutie zijn van de menschheid, en een actieve psychologische
revolutie: het erkend overwegen van die zijde van de menschelijke
ziel, die nadenkt en overweegt, de zijde van den minnaar, over de
koortsachtige, expansieve, rooflustige en eergierige zijde. En
dan zal men begrijpen, dat een van de groote maatschappelijke
problemen, misschien het moeilijkste van allen, het probleem van
de liefde geweest is".