DE KUNST VAN LIEFHEBBEN

Het huwelijk is er niet alleen voor de voortplanting.--Theologen

over het "sacramentum solationis".--Het belang van de kunst van

liefhebben.--De grondslag van bestendigheid in het huwelijk en

de voorwaarde voor juiste voortplanting.--De kunst van liefhebben

is het bolwerk tegen de echtscheiding.--De eenheid van liefde en

huwelijk is een principe van de moderne moraal.--Het Christendom

en de kunst van liefhebben onder natuurvolken.--Sexueele inwijding

in Afrika en elders.--De neiging tot spontane ontwikkeling van de

kunst van liefhebben in de jeugd.--Flirt.--Sexueele onwetendheid

bij vrouwen.--De plaats van den echtgenoot bij de sexueele

inwijding.--Sexueele onwetendheid bij mannen.--De opvoeding van

den echtgenoot voor het huwelijk.--Het onheil gesticht door de

onwetendheid van den man.--De physieke en psychische gevolgen van

den onbeholpen coïtus.--Vrouwen verstaan de kunst van liefhebben

beter dan mannen.--Oude en nieuwe meeningen over de veelvuldigheid

van den coïtus.--Verschillen in sexueele potentie.--De sexueele

begeerte.--De kunst van liefhebben berust op de biologische feiten

van het hof-maken.--De kunst aan vrouwen te behagen.--De minnaar

vergeleken bij den musicus.--Het aanzoek als een deel van het

hof-maken.--Divinatie in de kunst van liefhebben.--Het belang

van de preliminariën bij het aanzoek.--De onbeholpenheid van den

echtgenoot is dikwijls oorzaak van de koelheid der vrouw.--De

moeilijkheid van het hof-maken.--Gelijktijdig orgasme.--De

nadeelen van onvolkomen bevrediging bij de vrouw.--Coïtus

interruptus.--Coïtus reservatus.--De menschelijke wijze

van coïtus.--Variaties in coïtus.--Houding bij coïtus.--De

beste tijd voor den coïtus.--De invloed van coïtus in het

huwelijk.--De voordeelen van afwezigheid in het huwelijk.--De

gevaren van afwezigheid.--Jaloezie.--De oorspronkelijke functie

der jaloezie.--Het veel vóorkomen ervan bij dieren, natuurvolken

en in pathologische toestanden.--Een tegen-maatschappelijk

gevoel.--Jaloezie laat zich niet vereenigen met den vooruitgang

der beschaving.--De mogelijkheid méér dan een persoon tegelijk

lief te hebben.--De platonische vriendschap.--De voorwaarden,

die ze mogelijk maken.--Het moederlijk element in de liefde der

vrouw.--De eind-ontwikkeling van de huwelijksliefde.--Het vraagstuk

der liefde is een van de grootste maatschappelijke kwesties.

Het zal uit de voorafgaande bespreking wel duidelijk zijn geworden,

dat er in ieder huwelijk twee elementen zijn, beide even noodig om dat

huwelijk volkomen te doen wezen. Aan den eenen kant is het huwelijk

een vereeniging door wederzijdsche liefde ontstaan, die alleen door

het koesteren van zulk een liefde in stand gehouden kan worden als

een werkelijkheid, afgezien van de uitsluitend vormelijke zijde

ervan. Aan den anderen kant is het huwelijk een methode om het ras

voort te planten en heeft het zijn doel in de nakomelingschap. Aan

den eenen kant is het doel ervan de erotische liefde, aan den anderen

kant het ouderschap. Beide deze doeleinden zijn al sinds lang algemeen

erkend geweest. Wij vinden ze bij voorbeeld openlijk genoemd in de

huwelijksdienst van de kerk van Engeland, waar gezegd wordt, dat het

huwelijk bestaat "zoowel tot wederzijdsch gezelschap, hulp en steun,

die de een van den ander noodig heeft, als ook tot het voortbrengen

van kinderen". Zonder den factor van wederzijdsche liefde kunnen de

juiste voorwaarden voor de voortplanting niet bestaan; zonder den

factor der voortplanting blijft de sexueele vereeniging, hoe mooi en

heilig deze verhouding op zichzelf ook zijn mag, in haar wezen, een

persoonlijke verhouding, onvolkomen als huwelijk en zonder openbare

beteekenis. Daarom wordt het noodig de voorafgaande bespreking van het

huwelijk in zijn algemeene trekken aan te vullen met een laatste en

meer intieme beschouwing van het huwelijk in zijn wezen, voor zoover

het de kunst van liefhebben en de wetenschap der voortplanting omvat.

Wij hebben reeds gelegenheid gehad van tijd tot tijd te verwijzen

naar hen, die, van verschillend standpunt uitgaande, getracht

hebben het doel van het huwelijk te beperken en het eene of het

andere van zijn elementen te onderdrukken. (Zie b.v., boven,

p. 135).

De moderne neiging is geweest den factor der voortplanting uit

te sluiten en de huwelijksbetrekkingen alleen te beperken tot

de verhouding van de twee partijen tot elkaar. Afgezien van het

feit, waarvan het onnoodig is er weer de aandacht op te vestigen,

dat, uit publiek en maatschappelijk standpunt, een huwelijk

zonder kinderen, hoe belangrijk het ook zijn kan voor de twee

personen, die het aangaat, een verhouding is zonder eenige openbare

beteekenis, moeten we verder zeggen, dat ook het erotische leven

zelf onder afwezigheid van kinderen kan lijden, want in het normale

erotische leven, vooral bij vrouwen, heeft de sexueele liefde

neiging uit te groeien tot ouderliefde. Bovendien wordt de volle

ontwikkeling van die wederzijdsche liefde en afhankelijkheid bij

de afwezigheid van kinderen met moeite verkregen, en er ontbreekt

die allernauwste der banden, de wederkeerige samenwerking van twee

personen bij het voortbrengen van een nieuw wezen. Het volmaakte

en volkomen huwelijk in zijn volle ontwikkeling is een drieëenheid.

Zij, die den erotischen factor uit het huwelijk hebben trachten

te verwijderen als niet tot het wezen ervan behoorende, of in

ieder geval als alleen toe te laten als strikt ondergeschikt aan

het doel van de voortplanting, hebben zich van tijd tot tijd in

verschillende tijdperken doen hooren. Zelfs de ouden, Grieken en

Romeinen gelijkelijk, raadden in hun meer ernstige oogenblikken

de verwijdering aan van het erotisch element uit het huwelijk,

en wilden het beperken tot buitenechtelijke verhoudingen, dat

is te zeggen voor zoover het mannen aanging; voor de erotische

behoeften van getrouwde vrouwen hadden ze geen bepalingen te

maken. Montaigne, die vervuld was van den geest der klassieke

tradities, heeft uitmuntend de redenen uiteengezet, die pleiten

voor het verwijderen der erotische belangen uit het huwelijk:

"Men trouwt niet voor zichzelf, wat er ook gezegd wordt;

een man trouwt evenzeer, of meer nog, voor zijn nageslacht,

voor zijn familie, de gewoonte en het belang van het huwelijk

raken meer het ras dan ons zelf.... Zoo is het een soort van

bloedschande om in deze waardige en geheiligde verhouding, de

krachtsinspanningen en de buitensporigheden van de losbandigheid

der liefde te verbruiken" (Essais, Boek I, hoofdstuk XXIX; Boek

III, hoofdst. V). Dit gezichtspunt was zeer aannemelijk voor de

eerste Christenen, die echter met opzet den tegenovergestelden

kant ervan voorbijzagen, het hebben van erotische belangen buiten

het huwelijk. "Omgang te hebben behalve voor de voortplanting",

zeide Clemens van Alexandrië (Paedagogus, Boek II, hoofdst. X)

"is de natuur onrecht aandoen". Terwijl deze bewering echter

waar is voor de lagere dieren, is ze niet waar voor den mensch,

en vooral niet voor den beschaafden man, wiens erotische behoeften

veel meer ontwikkeld zijn, en veel nauwer verbonden met het beste

en edelste deel van zijn organisme, dan het geval is bij de dieren

in het algemeen. Voor het dier bestaat er geen sexueele begeerte

behalve als ze in het leven geroepen wordt door de voorwaarden,

die behooren tot de voortplantings-noodzakelijkheden. Het is

geheel anders bij den mensch, voor wien, zelfs als de kwestie van

de voortplanting geheel uitgesloten is, sexueele liefde toch een

voortdurende behoefte is, en zelfs een voorwaarde voor de mooiste

geestelijke ontwikkeling. Daarom heeft de Katholieke kerk, terwijl

ze met bewondering een zelfbeheersching in het huwelijk beschouwde,

die sexueele verhoudingen uitsloot behalve voor het doel van de

voortplanting, den heiligen Augustinus gevolgd in zoover ze omgang,

afgezien van de voortplanting met groote toegevendheid behandelde,

en dan als een vergeeflijke zonde. Hier was de kerk echter geneigd

de grens te stellen, en het schijnt wel, dat in 1679 Innocentius

XI het voorstel verwierp, waarbij de "huwelijksdaad, gedaan alleen

voor pleizier, uitgesloten wordt zelfs van de vergeeflijke zonde".

Protestantsche theologen zijn geneigd geweest verder te gaan,

en daarbij vonden zij eenige autoriteit zelfs bij de Katholieke

schrijvers. Johannes à Lasco, de Katholieke bisschop, die

protestant werd en zich tijdens de regeering van Edward VI in

Engeland vestigde, volgde menigen middeleeuwschen theoloog, toen

hij het sacramentum solationis erkende, naast de proles, als een

element van het huwelijk. Cranmer zeide, in zijn huwelijksdienst

van 1549, dat "wederkeerige hulp en steun", zoowel als de

voortplanting het doel van het huwelijk vormen. (Wickham Legg,

Ecclesiological Essays, p. 204; Howard, Matrimonial Institutions,

deel I, p. 398). Moderne theologen spreken nog duidelijker. "De

sexueele daad", zegt Northcote (Christianity and Sex-Problems,

p. 59), "is een daad van liefde. Behoorlijk geregeld, leidt

zij tot de zedelijke welvaart van het individu en bevordert zijn

capaciteit als lid van de maatschappij. De daad zelf, en de daarmee

verbonden gemoedsbewegingen brengen het psychische leven machtig

in beweging". In een vroeger tijd heeft ook Schleiermacher, in

zijn Brieven over Lucinde, gewezen op de groote beteekenis van

de liefde voor de ontwikkeling van het individu.

Edward Carpenter merkt naar waarheid op, in Love's Coming of Age,

dat de sexueele liefde niet alleen physiek tot scheppen noodig

is, maar ook psychisch. Ook Bloch komt (The Sexual Life of Our

Time, hoofdst. VI) tot het besluit, dat "liefde en de sexueele

omhelzing niet alleen hun doel hebben in de voortplanting, maar

dat zij noodzakelijk een doel op zichzelf vormen en noodig zijn

voor het leven, de ontwikkeling, en den innerlijken groei van

het individu zelf".

Er wordt door sommigen, die toegeven, dat wederzijdsche liefde een

grondvoorwaarde is voor het huwelijk, beweerd, dat zulke liefde,

als ze eens bij het begin erkend is, voor uitgemaakt kan gehouden

worden, en dat er geen verdere bespreking over noodig is; er is,

naar zij meenen, geen kunst van liefhebben, die geleerd of onderwezen

kan worden; ze komt van nature. Niets kan verder van de waarheid af

zijn, vooral wat den beschaafden mensch aangaat. Zelfs de elementaire

daad van den coïtus moet aangeleerd worden. Niemand zou een strenger

puriteinsch gezichtspunt over sexueele zaken hebben kunnen aannemen

dan Sir James Paget, en toch verklaarde Paget (in zijn lezing over

"Sexual Hypochondriasis"), dat "Onwetendheid over sexueele zaken een

groote eigenaardigheid schijnt te zijn van het meer beschaafde deel van

het menschelijk ras. Onder ons gezegd, het is zeker, dat de methode van

het paren geleerd moet worden, en dat zij, aan wie het nooit geleerd

wordt, er onwetend in blijven". Gaillard merkt dan eveneens op (in

zijn Clinique des Maladies des Femmes), dat jonge menschen, evenals

Daphnis in de idylle van Longus, een mooi Lycenion noodig hebben om ze

praktisch zoowel als theoretisch in deze zaken een goede opvoeding te

geven, en hij meent, dat moeders haar dochters bij het huwelijk moesten

inlichten en vaders hun zoons. Philosophen hebben van tijd tot tijd

den ernst van deze kwesties erkend en hebben er over gediscussieerd;

zoo besprak Epicurus, zooals Plutarchus ons vertelt [371], met zijn

leerlingen verschillende sexueele zaken, zoo als de juiste tijd voor

den coïtus; maar toen waren er evenals nu obscuranten, die zelfs de

centrale feiten van het leven wilden overlaten aan het toeval en aan

de onwetendheid, en deze waren ontevreden op de philosophen.

Er is echter in deze zaken veel meer te leeren dan de enkele

elementaire feiten van het sexueele verkeer. De kunst van liefhebben

sluit zulke grondfeiten van de sexueele hygiëne zeer zeker in zich,

maar ze omvat ook de geheele erotische discipline van het huwelijk,

en dat is de reden, waarom de beteekenis ervan zoo groot is, voor

het welzijn en het geluk van het individu, voor de bestendigheid van

sexueele vereenigingen, en indirect voor het ras, daar de liefdekunst

ten slotte de kunst is van het verkrijgen van de juiste voorwaarden

voor de voortplanting.

"Het schijnt zeer waarschijnlijk", schreef Prof. E. D. Cope [372],

"dat, als het belang van dit onderwerp goed begrepen werd, en het,

wat zijn praktischen kant betreft, deel kon worden van een geschreven

maatschappelijke wetenschap, dan het monogamische huwelijk een veel

grooter succes zou hebben dan dikwijls in het werkelijke leven

gevonden wordt". Er kan niet de minste twijfel aan bestaan, dat

dit het geval is. In de groote meerderheid van huwelijken hangt het

succes uitsluitend af van de bekendheid met de kunst van liefhebben

van de twee personen, die het aangaan. Een levenslange monogamische

vereeniging kan wel blijven bestaan bij afwezigheid van de geringste

aangeboren of verkregen kunst van liefhebben, uit godsdienstige

onderwerping of zuivere domheid. Maar die houding begint nu minder

gewoon te worden. Naar we in het vorige hoofdstuk gezien hebben,

beginnen echtscheidingen meer voor te komen en gemakkelijker te

verkrijgen te zijn in alle beschaafde landen. Dit is een neiging van de

beschaving; het is een resultaat van den eisch, dat het huwelijk een

werkelijke verhouding moet zijn, en dat, als het ophoudt werkelijk te

zijn als verhouding, het dan ook moet ophouden als vorm te bestaan. Dat

is een onvermijdelijke neiging, die besloten ligt in onze aangroeiende

democratie, want de democratie schijnt meer te geven om werkelijkheden

dan om vormen, hoe eerbiedwaardig ze ook mogen zijn. We kunnen er

niet tegen strijden; en we moeten er ook niet tegen strijden, al

konden we het.

Maar toch, terwijl we verplicht zijn de neiging tot echtscheiding te

ondersteunen, en er op aan te dringen, dat voor een geldig huwelijk

de wil noodig is van twee personen om het in stand te houden, is het

toch voor ieder moeilijk om te beweren, dat echtscheiding op zich zelf

wenschelijk is. Het is altijd de erkenning van een mislukking. Twee

personen, die, als zij ook maar in de geringste mate bewogen zijn

geweest door den normalen en regelmatigen impuls van de sexueele keuze,

elkander als beminnelijk beschouwden, zijn, aan den eenen kant, of aan

den anderen kant, of aan beide kanten, gebleken niet beminnelijk te

zijn. Er is een mislukking geweest in de fundamenteele liefdekunst. Als

we een tegenwicht moeten vormen tegen het gemak van de echtscheiding,

dan is onze eenige gezonde wijze van handelen de standvastigheid van

het huwelijk en dat is alleen mogelijk door het aankweeken van de

kunst van liefhebben, de voornaamste grondslag van het huwelijk.

Het is volstrekt niet overbodig op dit punt den nadruk te leggen. Er

zijn nog vele menschen, die het niet hebben kunnen inzien. Er zijn

zelfs menschen, die schijnen te meenen, dat het van geen belang is,

of er genoegen is bij de sexueele daad of niet. "Ik geloof niet, dat

wederzijdsch genoegen in de sexueele daad eenige speciale betrekking

heeft op het levensgeluk", merkte eens Dr. Howard A. Kelly [373]

op. Zulk een gezegde beteekent--als het ten minste iets beteekent--dat

de huwelijksband geen "speciale betrekking" heeft op het menschelijk

geluk; het beteekent, dat de weg vrij open moet gezet worden voor

echtbreuk en echtscheiding. Zelfs de meest perverse asceet van de

Middeleeuwen kon het nauwelijks wagen een bewering te uiten, zoo

lijnrecht tegenovergesteld aan de ervaringen van de menschheid, en

het feit, dat een beroemd gynaecoloog van de twintigste eeuw ze uiten

kan, met bijna het air van een waarheid te zeggen, is in ruime mate

een rechtvaardiging voor den nadruk, die het tegenwoordig noodig is

geworden op de liefdekunst te leggen. "Uxor enim dignitatis nomen est,

non voluptatis", dat was een oud heidensch gezegde. Maar het is niet

in harmonie met moderne denkbeelden. Het was zelfs niet geheel in

harmonie met het Christendom. Voor onze moderne moraal is de eenheid

van liefde en huwelijk een axioma [374].

De verwaarloozing van de liefdekunst is geen algemeen verschijnsel

geweest; het is meer speciaal een verschijnsel van het Christendom. De

geest van het oude Rome heeft ongetwijfeld Europa gepredisponeerd tot

zulk een verwaarloozing, want met hun ruw aankweeken van militaire

deugden en hun ongeschiktheid voor de fijnere gezichtspunten van

de beschaving waren de Romeinen bereid liefde te beschouwen als een

vergeeflijke zwakheid, maar ze waren niet, als een volk, bereid om

ze aan te kweeken als een kunst. Hun dichters vertegenwoordigen in

deze zaak het moreele gevoelen van hun beste burgers niet. Het is

werkelijk een feit van zeer groote beteekenis, dat Ovidius, de meest

bekende Latijnsche dichter, die veel over de kunst van liefhebben

heeft nagedacht, die kunst niet zoozeer met de moraliteit in verband

bracht als met de immoraliteit. Zooals hij het beschouwde, was de kunst

van liefhebben minder de kunst om een vrouw in haar huis te houden,

dan de kunst om haar er uit te lokken; het was eerder de kunst van

den echtbreker dan van den echtgenoot. Zulk een opvatting zou buiten

Europa onmogelijk zijn, maar ze bleek zeer gunstig te zijn aan den

groei van de Christelijke houding jegens de kunst van liefhebben.

De liefde als een kunst, zoowel als een hartstocht, schijnt in de

oudheid veel bestudeerd te zijn geworden, hoewel de resultaten van

die studie verloren zijn gegaan. Cadmus Milesius, zegt Suidas,

schreef veertien groote boekdeelen over den liefdehartstocht,

maar ze zijn nu niet meer te vinden. Rohde geeft in (Der

Griechische Roman, p. 55) een kort uittreksel uit de Grieksche

philosophische schrijvers over de liefde. Bloch (Beiträge zur

Psychopathia Sexualis, deel I, p. 191) somt de schrijfsters uit

de oudheid op, die de liefdekunst behandelden. Montaigne (Essais,

boek II, hoofdstuk V) geeft een lijst van oude klassieke boeken

over de liefde, die verloren zijn gegaan. Ook Burton (Anatomy

of Melancholy, uitgave van Bell, deel III, p. 2) geeft een lijst

van boeken over de liefde, die verloren zijn gegaan. Burton zelf

behandelde in den breede de menigvuldige teekenen van de liefde

en de depressieve symptomen ervan. Boissier de Sauvages gaf in 't

begin der achttiende eeuw een Latijnsche stelling uit, De Amore,

waarin hij de liefde ongeveer in denzelfden geest behandelt als

Burton, als een psychische ziekte, die behandeld moet worden

en genezen.

De adem van het Christelijk ascetisme was over de liefde

heengegaan; ze was niet langer als in de klassieke dagen een kunst,

die beoefend, maar een ziekte, die genezen moest worden. De ware

erfgenaam van den klassieken geest in dezen was, evenals in zooveel

andere zaken, niet het Christendom, maar de Islam. The Perfumed

Garden van den Sheik Nefzaoui was waarschijnlijk geschreven in de

stad Tunis, in het begin der zestiende eeuw door een schrijver,

die tot het Zuiden van Tunis behoorde. De aanroeping, waarmee het

geschrift begint, toont duidelijk aan, dat het ver verwijderd is

van de opvatting van liefde als een ziekte: "Eere zij God, die de

grootste vreugde van den man gelegd heeft in de natuurlijke deelen

van de vrouw, en die de natuurlijke deelen van den man bestemd

heeft om de grootste genoegens te bereiden aan de vrouw". Het

Arabische boek, El Ktab, of "The Secret Laws of Love"; is een

modern werk door Omer Haleby Abu Othman, die in Algiers geboren

was uit een Noorsche moeder en een Turkschen vader.

Voor het Christendom was de permissie om aan den sexueelen impuls

toe te geven niets dan een concessie aan de menschelijke zwakheid,

een toegeven, dat alleen maar mogelijk was onder de voorzichtigste

voorzorgsmaatregelen. Bijna van het begin af aan begonnen de Christenen

de maagdelijkheid aan te kweeken, en zij konden zich niet in die

mate van hun gezichtspunt los maken, om voor de liefdekunst iets

te voelen. Al hun hartstochtelijke bewondering in de sexueele sfeer

ging uit naar de kuischheid. Door zulke idealen bezield konden ze de

menschelijke liefde alleen maar dulden door aan een specialen vorm

ervan het karakter te verleenen van een godsdienstig sacrament, en

zelfs die glans van het sacrament gaf aan de liefde een quasi-ascetisch

karakter, dat het denkbeeld uitsloot van de liefde te beschouwen

als een kunst [375]. Liefde verkreeg een godsdienstig element,

maar ze verloor een moreel element, daar, buiten het Christendom,

de liefdekunst een deel is van den grondslag van de sexueele moraal,

overal waar zoo'n moraal in eenige mate bestaat. In het Christendom

werd aan de liefde in het huwelijk overgelaten zich te redden zoo goed

als ze kon; de kunst van liefhebben was een kunst van twijfelachtig

allooi, waarvan men vond, dat ze een zeker verband had met de

immoraliteit en zelfs zelf immoreel was. Dat gevoel werd ongetwijfeld

versterkt door het feit, dat Ovidius de meest in het oog springende

meester was in de literatuur van de kunst van liefhebben. Zijn

literaire reputatie--die veel grooter was dan ze ons nu toeschijnt

[376]--gaf aan zijn kunst van liefhebben de plaats van het voornaamste

bestaande handboek over de liefde. Met het humanisme en de Renaissance

en de daarop volgende erkenning, dat het Christendom een zijde van

het leven voorbijgezien had, werd Ovidius' Ars Amatoria geplaatst op

een voetstuk, zooals nooit te voren of daarna. Het vertegenwoordigde

een schrede voorwaarts in de beschaving; het openbaarde de liefde niet

uitsluitend als een dierlijk instinct of als een ernstige plicht, maar

als een samengestelde, menschelijke en verfijnde verhouding, die moest

aangekweekt worden; "arte regendus amor". Bij Boccaccio geeft een wijs

leeraar den scholieren de Ars Amatoria van Ovidius in handen. In een

eeuw, die nog onder den druk was van den middeleeuwschen geest, was

het een handboek, waaraan veel behoefte was, maar het had het fatale

gebrek als handboek om de erotische eischen van het individu voor te

stellen als afgescheiden van de eischen van een goede maatschappelijke

orde. Het kwam nooit zoover, dat het het algemeen erkende handboek der

liefde werd, en in de oogen van velen drukte het op het onderwerp,

waar het over handelde, het stempel van te liggen buiten de grenzen

van de goede moraal.

Als wij echter van een ruimer standpunt zien, en navraag doen

naar de tucht voor het leven, die in vele deelen van de wereld aan

jonge menschen wordt medegegeven, dan zullen we dikwijls bemerken,

dat de kunst van liefhebben, op verschillende wijzen begrepen, een

essentieel gedeelte is van die tucht. Hoewel de opvoedingsmethoden

bij natuurvolken kort, maar toch over het algemeen voldoende zijn,

sluiten ze niet zelden in een oefenen in die kunsten, die in de

huwelijksverhouding een vrouw aangenaam maken aan een man en een

man aan een vrouw, en het wordt dikwijls min of meer vaag erkend,

dat het hofmaken niet is een enkele inleiding tot het huwelijk, maar

een biologisch essentieel gedeelte van de geheele huwelijksverhouding.

Sexueele inwijding wordt zeer grondig in praktijk gebracht in

Azimbaland, in Centraal Afrika. H. Crawford Angus, de eerste

Europeaan, die het volk der Azimba bezocht, woonde een jaar

onder hen, en heeft een beschrijving gegeven van de Chensamwali,

of inwijdingsceremonie van meisjes. "Bij het eerste teeken van

de menstruatie bij een jong meisje wordt zij onderwezen in de

geheimen van de vrouwelijkheid en worden haar de verschillende

houdingen gewezen voor den sexueelen omgang. De vagina wordt

vrijelijk behandeld, en als ze niet tevoren verwijd is (hetgeen

gebeurd kan zijn op het oogstfeest, als een jongen en een meisje

verlof krijgen om samen over dag "huis te houden" en wanneer

quasi-omgang plaats vindt) wordt ze nu verwijd door middel van

een horen, die ingebracht en met een verband van boomschors

bevestigd wordt. Als alle teekenen van de menstruatie over zijn,

wordt er een algemeene aankondiging gedaan aan de vrouwen in het

dorp voor een dans. Bij dezen dans worden geen mannen toegelaten,

en alleen met heel veel moeite heb ik ik het gedaan gekregen er bij

tegenwoordig te zijn. Het meisje, dat "verdanst" zal worden, wordt

uit het kreupelbosch geleid naar de hut van haar moeder, waar zij

in eenzaamheid gehouden wordt tot den morgen van den dans. Op dien

morgen wordt ze in zittende houding op den grond gezet, terwijl de

danseressen een kring om haar heen vormen. Verschillende gezangen

worden dan gezongen met betrekking tot de genitaliën. Het meisje

wordt dan naakt uitgekleed en moet mimisch de voltrekking van

den sexueelen omgang doormaken, en als de bewegingen niet goed

uitgevoerd worden, zooals dikwijls het geval is als het meisje

jong is en verlegen, dan neemt een van de oudere vrouwen haar

plaats in en wijst haar hoe ze doen moet. Vele liederen worden

gezongen over de verhouding van mannen en vrouwen, en het meisje

wordt ingelicht over al haar plichten als ze trouwt. Haar wordt

ook geleerd, dat zij in den tijd van haar menstruatie onrein is,

en dat ze gedurende haar maandelijksche periode haar vulva moet

afsluiten met een bosje gras. Het doel van den dans is aan het

meisje de kennis van het huwelijksleven in te prenten. Aan het

meisje wordt geleerd trouw te zijn aan haar echtgenoot en hoe ze

zich gedragen moet tijdens de zwangerschap, en haar worden ook de

verschillende kunsten en methoden geleerd om zich verleidelijk

en aangenaam voor haar echtgenoot te maken, en om hem zoo in

haar macht te houden". (H. Crawford Angus, "The Chensamwali",

Zeitschrift für Ethnologie, 1898, Heft 6, p. 479).

In Abyssinië, evenals op de kust van Zanzibar, worden jonge

meisjes, volgens Stecker (aangehaald door Ploss-Bartels, Das

Weib, afdeeling 119) geoefend in bekkenbewegingen, die haar

bekoorlijkheid bij den coïtus doen toenemen. Deze bewegingen, van

een draaienden aard, worden genoemd Duk-Duk. Niet op de hoogte te

zijn van Duk-Duk is een groote schande voor een meisje. Bij de

vrouwen van de Swahili in Zanzibar wordt een volkomen artistiek

systeem van heupbewegingen aangekweekt, dat bij den coïtus in

praktijk moet gebracht worden. Het is voornamelijk op de kust

in zwang, en een vrouw uit Swanghali wordt niet als een lady

"bibi" beschouwd, als ze niet met deze kunst bekend is. Zestig

tot tachtig jonge vrouwen oefenen deze bekkendans tezamen, soms

acht uren per dag, geheel naakt en zingen er bij. Publiek wordt

niet toegelaten. De dans, die een soort van inwijding is tot

den coïtus, is beschreven door Zache ("Sitten und Gebräuche der

Suaheli", Zeitschrift für Ethnologie, 1899, Heft 2-3, p. 72). De

beste danseressen verwekken algemeene bewondering. Bij het laatste

gedeelte van deze inwijding worden verschillende feiten ingevoegd,

om de handigheid en de zelfbeheersching van het meisje op den

proef te stellen. Zij moet bijvoorbeeld naar een vuur toe dansen en

midden uit dat vuur een ketel water, die tot het randje toe vol is,

weghalen zonder er mee te morsen. Aan het einde van drie maanden

is de oefening voorbij, en gaat het meisje in feestkleeding

naar huis. Zij kan nu ten huwelijk gekozen worden. Men zegt,

dat dergelijke gewoonten ook in Indië en elders bestaan.

De Hebreërs hadden erotische dansen, die ongetwijfeld in verband

stonden met de kunst van liefhebben in het huwelijk, en onder

de Grieken, en hun leerlingen, de Romeinen, bestond nog de

opvatting van liefde als een kunst, die behoefte heeft aan

oefening, behendigheid en aankweeking. Die opvatting werd teniet

gedaan door het Christendom, dat, hoewel het de instelling van

het huwelijk heiligde, die sexueele liefde naar beneden haalde,

die in normale omstandigheden de inhoud is van het huwelijk.

In 1176 werd door een baron en een barones van Champagne,

de kwestie of liefde bestaanbaar is met het huwelijk voor

een liefdesgerechtshof gebracht. "Neen", zeide de baron, "ik

bewonder en eerbiedig de zoete intimiteit van getrouwde paren,

maar ik kan het geen liefde noemen. Liefde wenscht bezwaren te

overwinnen, geheimzinnigheid, gestolen gunsten. Nu erkennen man

en vrouw vrijmoedig hun verhouding; zij bezitten elkander zonder

tegenspraak en zonder terughouding. Dan kan het geen liefde zijn,

die zij ondervinden". En na rijpe overweging namen de dames van het

hof de conclusies van den baron aan (E. de la Bedollière, Histoire

des Moeurs des Français, dl. III, p. 334). Er was ongetwijfeld

een grond van waarheid in de beweringen van den baron. Toch mag

wel betwijfeld worden of het in eenig niet Christelijk land ooit

mogelijk zou geweest zijn om de leer aangenomen te krijgen,

dat liefde en huwelijk onvereenigbaar zijn. Deze leer was

echter, zooals Ribot aantoont in zijn Logique des Sentiments,

onvermijdelijk, toen, zooals bij de middeleeuwsche edelen, het

huwelijk alleen maar een politiek of huiselijk verdrag was en

daarom niet een methode kon zijn tot moreele verheffing.

"Hoe komt het", vroeg Rétif de la Bretonne, tegen het

einde van de achttiende eeuw, "dat meisjes, die geen moraal

hebben, verleidelijker zijn en beminnelijker dan fatsoenlijke

vrouwen? Het is omdat zij, evenals de Grieksche courtisanen, aan

wie bevalligheid en zinnelijkheid geleerd werd, de kunst bestudeerd

hebben van te behagen. Onder hen, die dwaselijk mijn Contemporaines

belasteren heeft geen enkele het philosophische doel gegist van

bijna al deze vertellingen n.l. om aan fatsoenlijke vrouwen de

methoden aan de hand te doen om zich bemind te maken. Ik zou graag

de instelling der inwijding willen zien zooals ze bestond bij de

ouden... Tegenwoordig wordt het geluk van de menschelijke soort

overgelaten aan het toeval; al de ondervinding van de vrouwen

is individueel, zooals bij de dieren; ze gaat verloren bij die

vrouwen, die, daar ze van nature beminnelijk zijn, anderen konden

hebben geleerd om het ook te worden. Alleen prostituées maken er

een oppervlakkige studie van, en de lessen, die zij krijgen, zijn

voor het grootste deel even schadelijk als die van de respectabele

Grieksche en Romeinsche matrones heilig en eerbiedwaardig waren,

daar ze alleen aanleiding geven tot losbandigheid, tot uitputting

gelijkelijk van de beurs en van de physieke krachten, terwijl

het doel van de oude matrones de vereeniging van man en vrouw en

hun wederzijdsche gehechtheid door genoegen was. De Christelijke

godsdienst vernietigde de Mysteries als schandelijk, maar we

mogen die vernietiging wel beschouwen als een van de nadeelen door

het Christendom toegebracht aan de menschheid, als het werk van

menschen met weinig verlichting en bitteren ijver, gevaarlijke

puriteinen, die de natuurlijke vijanden van het huwelijk waren"

(Rétif de la Bretonne, Monsieur Nicolas, herdruk van 1883, dl. X,

blz. 160-3). We mogen er aan toevoegen, dat Dühren (Dr. Iwan Bloch)

Rétif beschouwt als "een meester in de Ars Amandi", en hem van

dit standpunt bespreekt in zijn Rétif de la Bretonne (pp. 362-371).

Hetzij het Christendom verantwoordelijk gesteld moet worden of niet, er

kan niet aan getwijfeld worden, dat door het Christendom is ontstaan

een bedroevend gebrek aan erkenning van het allerhoogste belang,

niet alleen erotisch, maar moreel, van de kunst van liefhebben. Zelfs

in de groote herleving, die nu om ons heen plaats vindt, wordt nog

maar uiterst zelden erkend, dat de eenige zaak, die in haar wezen

noodzakelijk is bij de sexueele inlichting, bekendheid met de kunst

van liefhebben is. Voor het grootste deel is de sexueele inlichting,

zooals ze tegenwoordig gegeven wordt, zuiver negatief, niets dan een

reeks van "Gij zult niet". Als dat gebrek berustte op de bewuste

en opzettelijke erkenning, dat, terwijl de kunst van liefhebben

gebaseerd moet zijn op physiologische en psychologische kennis, ze

veel te fijn is, te samengesteld, te persoonlijk, om geformuleerd

te worden in lezingen en handboeken, zou het verstandig en gezond

zijn. Maar het schijnt geheel op onwetendheid te berusten, of erger.

Het hof maken is, evenals andere kunsten, een kunst, die gedeeltelijk

natuurlijk is--"een kunst, die de natuur maakt",--en daarom is het een

natuurlijk onderwerp voor leering en oefening in het spel. Kinderen,

die aan zich zelf overgelaten worden, hebben neiging zoowel spelende

als in ernst liefde in praktijk te brengen, zoowel van den physieken

als van den psychischen kant [377]. Maar dit spel wordt van den

physieken kant streng door de ouders onderdrukt, als het ontdekt

wordt, en aan den psychischen kant wordt er om gelachen. Onder de

wel-opgevoede klassen houdt het gewoonlijk op jeugdigen leeftijd op.

Na de puberteit, zoo niet eerder, is er een andere vorm, waarin de

kunst van liefhebben in ruime mate beoefend en in praktijk gebracht

wordt, vooral in Engeland en Amerika, de vorm van het flirten. In

zijn eerste uitingen is het flirten volkomen natuurlijk en normaal;

we kunnen het zelfs bij de dieren nasporen; het is eenvoudig het begin

van het hofmaken, in een vroeg stadium, als het hofmaken nog, als men

dat wil, kan afgebroken worden. Onder de moderne beschaafde toestanden

is het flirten echter dikwijls meer dan dit. Deze voorwaarden maken

het huwelijk moeilijk; zij maken liefde en de toenadering daartoe tot

iets dat te ernstig is om het lichtzinnig te beginnen; zij maken het

werkelijke sexueele verkeer gevaarlijk zoowel als schandelijk. De flirt

past zich aan deze voorwaarden aan. In plaats van alleen het inleidende

stadium te zijn van het normale hofmaken, heeft zij zich ontwikkeld

tot een vorm van sexueele bevrediging zoo volledig als een behoorlijke

inachtneming van de voorwaarde, die we reeds vermeld hebben, toe wil

staan. In Duitschland, en vooral in Frankrijk, waar ze in hooge mate

verafschuwd wordt, is dit de eenige bekende wijze van flirten; ze wordt

beschouwd als een export-artikel van de Vereenigde Staten en wordt

"flirtage" genoemd. Als praktisch product ervan wordt beschouwd de

"demi-vierge", die al de vreugden der sekse kent en ondervonden heeft,

terwijl zij toch haar hymen intact bewaard heeft.

Deze ontaarde vorm van de flirt, die aangekweekt wordt, niet als

een deel van het hofmaken, maar om zich zelf, is uitvoerig en goed

beschreven door Forel (Die Sexuelle Frage, pp. 97-101). Hij zegt,

dat ze "alle uitdrukkingswijzen omvat van het sexueele instinct van

een individu jegens een ander individu, die het sexueele instinct

van den ander opwekken, den coïtus altijd uitgesloten". Eerst

is het misschien alleen maar een beteekenisvolle blik of

een eenvoudige aanraking schijnbaar zonder bedoeling; en met

geringe overgangen komt het wellicht tot liefkoozingen, kussen,

omhelzingen, en kan zich zelfs uitstrekken tot wrijving van de

genitaliën, die soms tot orgasme leidt. Zoo, zegt Forel, kan

een zinnelijke vrouw, door de aanraking van haar kleeren bij het

dansen, ejaculatie te voorschijn roepen bij haar danser. Gewoonlijk

is het proces dàt wellustige contact en die droomerij, welke in

het Engelsche spraakgebruik genoemd wordt "spooning". In éen vorm

echter bestaat de flirt geheel in de opwinding van een gesprek,

dat gewijd is aan erotische en onfatsoenlijke onderwerpen. De man

of de vrouw kan de actieve rol spelen bij het flirten, maar bij een

vrouw wordt meer verfijning en handigheid vereischt om de actieve

rol te spelen zonder den man terug te schrikken of haar naam te

benadeelen. Ja, hetzelfde geldt ook voor mannen, want vrouwen,

al houden zij dikwijls van flirten, prefereeren gewoonlijk de

meer verfijnde vormen er van. Er zijn onnoemelijk veel vormen

van flirt, en, terwijl ze als inleiding tot het hofmaken, haar

normale plaats inneemt en gerechtvaardigd is, besluit Forel, dat ze

"als een doel op zich zelf, en nooit boven zich zelf uitkomende,

een degeneratieverschijnsel is".

Van het Fransche standpunt zijn "flirtage" en de flirt in het

algemeen, besproken door Madame Bentzon ("Family Life in America",

Forum, Maart, 1896), die echter niet de natuurlijke basis van de

flirt bij het hofmaken erkent. Zij beschouwt het als een zonde

tegen de wet "Gij zult niet met de liefde spelen", want deze moet

de verontschuldiging hebben van een onwederstaanbaren hartstocht,

maar ze meent, dat ze in Amerika betrekkelijk onschadelijk is

(hoewel toch nog van verderfelijken invloed op vrouwen) wegens

het temperament, de opvoeding en de gewoonten van de menschen

daar. Wij moeten echter in de herinnering houden, dat het spel

een zekere betrekking heeft op alle levensfuncties, en dat een

redelijke critiek op de flirt eer betrekking heeft op de normale

beperkingen, dan op het bestaansrecht ervan.

Terwijl de flirt in haar natuurlijken vorm--niet in de geperverteerden

vorm van "flirtage"--een gezonde rechtvaardiging heeft, zoowel als een

methode om den minnaar te leeren kennen, als om een klein deel van

de kunst van liefhebben te verkrijgen, blijft ze toch een volkomen

onvoldoende voorbereiding voor de liefde. Dit blijkt voldoende uit

de veel voorkomende ongeschiktheid voor de kunst van liefhebben, en

zelfs voor de enkele physieke daad der liefde, die zich zoo dikwijls

bij mannen en vrouwen beide voordoet in de landen, waar juist de

flirt het meest in eere is.

Deze onwetendheid, niet alleen van de daad der liefde, maar zelfs van

de physieke feiten van de sexueele liefde, is duidelijk merkbaar,

niet alleen bij vrouwen, vooral vrouwen van de middelklasse, maar

ook bij mannen, want de beschaafde man, zooals Fritsh lang geleden

opmerkte, weet dikwijls minder van de feiten van het sexueele leven

dan een stalmeid. Ze vertoont zich echter op verschillende wijze bij

de twee seksen.

Bij vrouwen varieert sexueele onwetendheid tusschen volkomen

onwetendheid omtrent het feit, dat de omgang eenige intieme

lichamelijke verhouding in zich sluit, tot misverstanden van de

meest verschillende soort; sommigen meenen, dat de verhouding

bestaat in het naast elkaar liggen, velen, dat de omgang plaats

vindt bij den navel, niet weinigen, dat de daad den geheelen nacht

in beslag neemt. Het is in een vorig hoofdstuk noodig geweest de

algemeene nadeelen van de sexueele onwetendheid te bespreken; het

is hier noodig te verwijzen naar de meer speciale nadeelen voor de

huwelijksverhouding. Meisjes worden opgevoed met het vage denkbeeld,

dat ze trouwen zullen,--volkomen terecht, want de meerderheid van haar

trouwt ook,--maar het denkbeeld, dat zij moeten opgevoed worden voor

de loopbaan, die van nature voor haar is weggelegd, is een denkbeeld,

dat nog nooit bij de opvoedsters van de meisjes schijnt opgekomen te

zijn. Haar hoofden worden volgepropt, totdat ze er dom van worden,

met de kennis van feiten, die niemand belang kunnen inboezemen,

maar de uiterst belangrijke opvoeding voor het leven zijn zij in het

geheel niet in staat om te geven. Vrouwen worden geoefend voor bijna

ieder beroep onder de zon; voor de hoogste roeping van het vrouw en

moeder zijn, worden zij in het geheel nooit geoefend!

Men zegt, naar waarheid, dat de tegenwoordige onvoldoende opleiding van

meisjes waarschijnlijk zoolang door zal gaan als de moeders van meisjes

er mee tevreden zijn en niets beters eischen. We kunnen ook zeggen,

met nog meer waarheid, dat er veel is, wat de kennis van sexueele

verhoudingen betreft, dat de moeder zelf het best aan haar dochter kan

meedeelen. Verder kunnen we verklaren, volkomen onweerlegbaar, dat de

kunst van liefhebben, waarmee we hier meer speciaal te maken hebben,

alleen geleerd kan worden door werkelijke ondervinding, die, dank zij

onze maatschappelijke traditie voor een deugdzaam meisje moeilijk te

verkrijgen is. Zonder te trachten hier het juiste deel te taxeeren van

den blaam, die ieder geval treft, blijft het een droevige waarheid,

dat een vrouw zoo dikwijls het huwelijk ingaat met de slechtst

mogelijke uitrusting van vooroordeelen en misverstanden, zelfs als

ze meent, zooals dikwijls gebeurt, dat zij er alles van weet. Zelfs

met de beste uitrusting treedt een vrouw, onder de tegenwoordige

toestanden, het huwelijk in onder nadeelige omstandigheden. Zij

ontwaakt langzamer tot de volle erkenning van de liefde dan de man,

en gemiddeld op later leeftijd, zoodat haar ondervindingen van het

sexueele leven voor het huwelijk gewoonlijk van een veel beperkter

soort zijn dan die van haar echtgenoot [378]. Zoodat, zelfs met de

beste voorbereiding, het dikwijls gebeurt, dat een vrouw zich eerst

na verscheidene huwelijksjaren duidelijk voor oogen stelt, wat haar

eigen sexueele behoeften zijn en met juistheid de geschiktheid van

haar man kan taxeeren om die behoeften te bevredigen. We kunnen niet

te hooge waarde hechten aan het persoonlijke en maatschappelijke

belang van een volkomen voorbereiding voor het huwelijk, en hoe

grooter de moeilijkheden zijn, die aan de echtscheiding in den weg

worden geplaatst, van des te meer belang is die voorbereiding [379].

Iedereen kent waarschijnlijk wel vele gevallen van de uiterste

onwetendheid van vrouwen bij het aangaan van een huwelijk. Het

volgende geval van een vrouw van zeven en twintig jaar, die ten

huwelijk gevraagd was, is wel ongewoon, maar toch niet heelemaal

een uitzondering. "Zij was niet heel zeker van haar gevoel en zij

vroeg aan een nicht, wat liefde beteekende. Deze nicht leende

haar het geschriftje van Ellis Ethelmer, The Human Flower. Zij

leerde daaruit, dat mannen het lichaam van een vrouw begeeren, en

dit verschrikte haar zoo, dat ze er dagen lang ziek van was. Den

volgenden keer, toen haar minnaar trachtte haar te liefkoozen,

vertelde zij hem, dat het "lust" was. Sedert dien tijd heeft

zij Sister Teresa gelezen van George Moore, en de wetenschap

"dat een vrouw even slecht kan zijn als een man" heeft haar

treurig gestemd." De voorvallen, die vermeld zullen worden in de

Aanhangsels van de volgende deelen van deze Studies, geven vele

voorbeelden van de beklagenswaardige onwetendheid van jonge meisjes

over de meest centrale feiten van het sexueele leven. Het is niet

te verwonderen, dat onder zulke omstandigheden het huwelijk leidt

tot teleurstelling en tegenzin.

Er wordt gewoonlijk gezegd, dat de plicht van het inwijden van

de vrouw in de voorrechten en de verplichtingen van het huwelijk

eigenlijk berust bij den man. Geheel afgezien echter van het feit,

dat het onbillijk is tegenover een vrouw haar te dwingen zich in

het huwelijk te binden, voordat ze geheel weet wat het huwelijk

beteekent, moeten we zeggen, dat er vele dingen door een vrouw

geweten moeten worden, waarvan het onredelijk is te verwachten,

dat haar echtgenoot ze haar zal uitleggen. Dit is, bij voorbeeld,

het geval met de meer vermoeiende en uitputtende uitwerking van den

coïtus op een man, vergeleken met een vrouw. De onervaren bruid

kan niet van zelf weten, dat de dikwijls herhaalde prikkelingen,

die haar krachtig en stralend maken, een deprimeerenden invloed

hebben op haar echtgenoot, en zijn mannelijke trots brengt hem

er toe te trachten dit feit te verbergen. De bruid, in haar

onwetendheid, weet niet, dat haar genoegen gekocht wordt ten

koste van haar echtgenoot, en dat, wat geen overdaad voor haar is,

ernstige overdaad voor hem kan zijn, De vrouw, die weet, (zooals

bij voorbeeld een weduwe, die hertrouwt) zorgt in dit opzicht voor

de gezondheid van haar man, door haar eigen gloed te temperen,

omdat zij weet, hoe een man niet wil toegeven, dat hij niet in

staat is om de wenschen van zijn vrouw te bevredigen. (G. Hirth

heeft er ook op gewezen hoe belangrijk het is, dat de vrouwen

voor het huwelijk de natuurlijke grenzen zullen kennen van de

mannelijke potentie, Wege zur Liebe, p. 571.)

De onwetendheid van de vrouwen over alles wat de kunst van liefhebben

aangaat, en haar volkomen gebrek aan voorbereiding voor de natuurlijke

feiten van het sexueele leven, zouden misschien minder slechts voor

het huwelijk voorspellen, als ze gecompenseerd werden door de kennis,

de handigheid en den tact van den echtgenoot. Maar dat is geenszins

altijd het geval. In gewone omstandigheden vinden we in ieder geval

in Engeland, de groote groep van mannen, wier kennis van vrouwen

vóór het huwelijk voornamelijk beperkt is geweest tot prostituées,

en de belangrijke en niet onaanzienlijke groep van mannen, die geen

intiemen omgang met vrouwen hebben gehad, wier sexueele ondervindingen

beperkt zijn gebleven tot onanie of andere auto-erotische uitingen, en

tot flirt. Zeker kan de man van gevoelig en intelligent temperament,

wat ook zijn voorbereiding of gebrek aan voorbereiding geweest is,

met geduld en tact er in slagen al de moeilijkheden te boven te

komen, die op den weg der liefde geplaatst zijn, door de mengeling

van onwetendheid en vooroordeelen, die zoo dikwijls bij vrouwen de

plaats innemen van een opvoeding voor het erotische deel van haar

leven. Maar men kan niet zeggen, dat een van deze beide groepen van

mannen goed toegerust is voor hun taak. De oefening en ondervinding,

die een man krijgt bij een prostituée, zelfs onder tamelijk gunstige

omstandigheden, vormen geenszins de juiste voorbereiding voor het

naderen van een vrouw, die geen intieme erotische ondervindingen

gehad heeft [380]. Het veel voorkomende resultaat is, dat hij neiging

heeft om te weifelen tusschen twee tegenovergestelde wijzen van

handelen, die beide verkeerd zijn. Aan den eenen kant zal hij zijn

bruid misschien als een prostituée behandelen, of als een nieuwelinge,

die ten spoedigste gekneed moet worden in den sexueelen vorm, waarmee

hij het best bekend is, en zoo loopt hij kans haar pervers te maken of

haar te hinderen. Aan den anderen kant zal hij misschien, erkennende,

dat haar reinheid en waardigheid haar in een geheel verschillende

klasse plaatsen dan de vrouwen, die hij tevoren gekend heeft,

overslaande naar het tegenovergestelde uiterste, haar behandelen

met een overdreven eerbied, en zoo er niet in slagen haar erotische

behoeften te wekken of te bevredigen. Het is moeilijk te zeggen,

welke van deze twee wijzen, van handelen de ongelukkigste is; het

resultaat van beide is echter herhaaldelijk, dat een huwelijk in naam

nooit een werkelijk huwelijk wordt [381].

Toch kan er niet de minste twijfel aan bestaan, dat de andere groep van

mannen, de mannen, die het huwelijk intreden zonder eenige erotische

ondervindingen, nog grooter gevaar loopen. Dit zijn dikwijls de

beste mannen, zoowel wat persoonlijk karakter aangaat, als in

geestkracht. Het is werkelijk verwonderlijk hoe onwetend, zoowel

in de praktijk als in de theorie, zeer bekwame en zeer ontwikkelde

mannen soms in sexueele zaken zijn.

"Volkomen abstinentie in de jeugd", zegt Freud (Sexual-Probleme,

Maart, 1908), "is niet de beste voorbereiding voor het huwelijk

bij den jongen man. Vrouwen raden dit en geven de voorkeur aan

diegene onder haar minnaars, die zich al mannen getoond hebben

bij andere vrouwen". Ellen Key verwijst naar den eisch, die

vrouwen soms stellen, van reinheid in mannen (Ueber Liebe und

Ehe, p. 96), en vraagt dan, of vrouwen wel de uitwerking kennen

van haar bewondering voor den ervaren en zelfvertrouwenden man,

die de vrouwen kent, boven den verlegen en aarzelenden jongeling,

"die misschien hard gestreden heeft om zijn erotische reinheid te

bewaren, in de hoop, dat de gelukkige glimlach van een vrouw de

belooning zal zijn voor zijn overwinning, en die er toe veroordeeld

is te zien, hoe die vrouw met verheven medelijden op hem neerziet,

en met bewondering kijkt naar den niet-vlekkelooze". "Als de

minnaar in Laura Holm's Was war es? tot de heldin zegt, "Ik heb

nog nooit een vrouw aangeraakt", dan keert het meisje zich met

afschuw van hem af, en een koude rilling scheen door haar heen

te gaan, een verkillende teleurstelling". Hetzelfde gevoel uit

zich in overdreven vorm in den hartstocht, die krachtige meisjes

van achttien tot vier en twintig jaar ondervinden voor oude

losbollen. (Dit is besproken door Forel, Die Sexuelle Frage,

p. 217 et seq.).

Andere factoren doen zich misschien gelden bij de voorkeur van een

vrouw voor den man, die andere vrouwen heeft lief gehad. Zelfs de

meest godsdienstige en moreele jonge vrouw, merkt Valera op (Dona

Luz, p. 205), trouwt graag met een man, die vele vrouwen heeft lief

gehad; het geeft grootere waarde aan zijn keuze van haar, het geeft

haar ook gelegenheid hem tot hoogere idealen te bekeeren. Als de

man zonder ondervinding in het huwelijk een vrouw ontmoet met even

weinig ondervinding, dan slagen zij er ongetwijfeld dikwijls in

zich aan elkaar aan te passen en dan wordt er een duurzame modus

vivendi gevonden. Maar het is in het geheel niet altijd zoo. Als

de vrouw leert door instinct of ondervinding, dan bestaat de kans,

dat ze gehinderd wordt door de onhandigheid en de hulpeloosheid

van den man in de kunst van liefhebben. Zelfs als zij onwetend

is, kan zij voor goed vervreemd geraken en chronisch koel worden

door de ruwe tactloosheid van haar onwetenden echtgenoot bij het

ten uitvoer brengen van wat hij als zijn echtelijke plichten

beschouwt. Soms is aan de bruid zelfs ernstig physiek nadeel

aangebracht ten gevolge van deze onwetendheid van den man.

"Ik houd het er voor, dat de meeste mannen vóór het

huwelijk sexueele verhoudingen hebben gehad", schrijft een

correspondent. "Maar ik heb ten minste een man gekend, die

tot zijn twintigste jaar zelfs geen denkbeeld had van sexueele

zaken. Toen hij een en twintig was, een paar maanden voor zijn

huwelijk, kwam hij mij vragen, hoe coïtus uitgevoerd wordt,

en vertoonde een onwetendheid, waarvan ik niet zou hebben kunnen

gelooven, dat ze bestond in den geest van een overigens verstandig

man. Hij had blijkbaar geen instinct om hem te leiden, zooals

de wilde dieren en zijn verstand was niet in staat de noodige

kennis te verstrekken. Het is zeer merkwaardig, dat de mensch

deze instinctieve kennis verliezen kan. Ik heb een anderen man

gekend, die bijna even onwetend was. Hij kwam ook naar mij toe

om raad in huwelijksplichten. Deze beide mannen masturbeerden,

en zij waren normaal hartstochtelijk". Zulke gevallen zijn niet

zoo zeldzaam. Gewoonlijk echter is een zekere mate van kennis

verkregen uit den een of anderen, meestal onvoldoenden bron, en

de onwetendheid bestaat maar voor een deel, hoewel zij op dien

grond niet minder gevaarlijk is.

Balzac heeft den gemiddelden echtgenoot vergeleken bij een

oerang-oetan, die op de viool speelt "Liefde is, zooals we

instinctief voelen, de meest melodieuze harmonie. De vrouw is

een heerlijk genotsinstrument, maar men moet er de vibreerende

snaren van kennen, de houding er van bestudeeren, het teere

toetsenbord, de veranderende en grillige vingerzetting. Hoeveel

oerang-oetan-mannen, meen ik, trouwen zonder te weten wat een

vrouw is!..... Bijna alle mannen trouwen in de diepste onwetendheid

omtrent de vrouwen en de liefde" (Balzac, Physiologie du Mariage,

Meditation VII).

Neugebauer (Monatsschrift für Geburtshülfe, 1889, Boek IX,

blz. 221 et seq.) heeft over de honderd vijftig gevallen verzameld

van vrouwen aan wie bij den coïtus nadeel was toegebracht door

den penis. De oorzaken waren ruwheid, dronkenschap van de eene

of de andere partij, ongewone positie bij den coïtus, niet

geëvenredigd zijn van de organen, ziekelijke toestanden van de

organen der vrouw (vergelijk R. W. Taylor, Practical Treatise

on Sexual Disorders, hoofdst. XXXV). Ook Blumreich bespreekt de

nadeelen teweeggebracht door gewelddadigen coïtus (Senator en

Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel II,

blz. 770-779). C. M. Green vermeldt twee gevallen van breuk van

de vagina door sexueel verkeer bij pas getrouwde vrouwen, zonder

blijk van eenig geweld. Mylott (British Medical Journal, Sept. 16,

1899) vermeldt een dergelijk geval, dat voorkwam op den avond van

het huwelijk. De mate van kracht, die soms bij den coïtus gebruikt

wordt, blijkt uit de gevallen, die van tijd tot tijd voorkomen,

waarbij verkeer plaats vindt door den urethra.

Eulenburg vindt, (Sexuale Neuropathie, p. 69), dat vaginismus, een

toestand van krampachtige samentrekking van de vulva en vergroote

gevoeligheid bij de poging tot coïtus, het gevolg zijn van

gewelddadige en onhandige pogingen bij den eersten coïtus. Adler

(Die Mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes, p. 160) meent

ook, dat de tot litteeken geworden overblijfsels van het hymen,

te zamen met pijnlijke herinneringen aan een gewelddadigen eersten

coïtus, de meest voorkomende oorzaak zijn voor vaginismus.

De nu en dan voorkomende gevallen echter van physiek nadeel of van

pathologischen toestand, teweeg gebracht door gewelddadigen coïtus

bij het begin van het huwelijk, vormen maar een klein gedeelte

van het bewijsmateriaal, dat dient om de slechte resultaten te

doen blijken van de heerschende onwetendheid aangaande de kunst

van liefhebben. Wat Duitschland aangaat, schrijft Fürbringer

(Senator en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage,

deel I, p. 215): "Ik ben er volkomen van overtuigd, dat het aantal

jonge, getrouwde vrouwen, die voor goed een pijnlijke herinnering

hebben aan haar eerste sexueele verkeer veel grooter is dan het

aantal van haar, die het wagen een dokter te raadplegen". Wat

Engeland aangaat, is de volgende ondervinding leerzaam: Een

dame vroeg aan vijf getrouwde vrouwen na elkaar, in vertrouwen,

op den zelfden dag, naar haar ondervindingen toen ze pas getrouwd

waren. Voor allen was het sexueele verkeer gekomen als een schok;

twee waren geheel onwetend geweest aangaande sexueele zaken; de

anderen hadden gemeend, dat ze wisten wat coïtus was, maar waren

er niettemin door bezeerd. Deze vrouwen waren van de middelklasse,

misschien boven het gemiddelde in verstand; de eene was een dokter.

Breuer en Freud wezen er in hun Studien über Hysterie (p. 216) op,

dat de huwelijksnacht in de praktijk dikwijls een verkrachting

is, en dat ze soms leidt tot hysterie, die niet overgaat vóór

bevredigende sexueele verhoudingen zich hebben gevormd. Zelfs

als er geen geweld is, houdt Kisch het er voor (Sexual Life of

Woman, deel II), dat onhandige coïtus, die zonder ondervinding

uitgevoerd wordt, leidt tot onvoldoende opwinding bij de vrouw,

als de voornaamste oorzaak van dyspareunia, of afwezigheid van

sexueele bevrediging, hoewel groote onevenredigheid in de afmeting

van de mannelijke en de vrouwelijke organen, of ziekte bij een van

de twee partijen, soms tot hetzelfde resultaat leidt. Dyspareunia,

voegt Kisch er bij, komt verwonderlijk veel voor, hoewel vrouwen

er soms zonder rede over klagen om sympathie op te wekken voor

zichzelf als slachtoffers op het huwelijksaltaar; het constante

teeken is afwezigheid van ejaculatie van de zijde der vrouw. Ook

merkt Kisch op, dat defloraties in den huwelijksnacht dikwijls

werkelijk verkrachtingen zijn. Een jonge pas getrouwde vrouw,

die hij kende, was zoo onwetend omtrent de physieke zijde van

de liefde, en zoo verschrikt door de eerste pogingen van haar

echtgenoot, dat zij in den nacht uit het huis weg vluchtte, en

niets kon haar ooit er toe brengen om weer naar haar man terug

te keeren. (Het is de moeite waard om op te merken, dat in de

canonieke wet de kerk onder zulke omstandigheden het huwelijk voor

ongeldig kon verklaren. Zie Moral Theology van Thomas Slater,

deel II, p. 318, en een desbetreffend geval, beide aangehaald

door den Reverent C. J. Shebbcare, "Marriage Law in the Church

of England", Nineteenth Century, Aug., 1909, p. 263). Kisch meent

ook, dat huwelijksreizen niet goed zijn; omdat de vermoeienis, de

opwinding, de lange reizen, het gaan zien van merkwaardigheden,

valsche bescheidenheid, slechte inrichting van hotels, dikwijls

samenwerken om een ongunstigen invloed te hebben op de jonge vrouw

en de kiemen van ernstige ziekte te voorschijn kunnen roepen. Dit

is ongetwijfeld het geval.

Op het bijzonder groote belang van de wijze, waarop de daad van

de defloratie volbracht wordt, wordt in sterke bewoordingen

de nadruk gelegd door Adler. Hij beschouwt ze als een veel

voorkomende oorzaak van duurzame sexueele anæsthesie. "Dit eerste

oogenblik, als de individualiteit van den man zijn volle rechten

verkrijgt, beslist dikwijls over het geheele leven. De onhandige,

opgewonden echtgenoot kan dan de kiem leggen voor vrouwelijke

ongevoeligheid, en door voortgezette onhandigheid en ruwheid kan

hij die ontwikkelen tot duurzame anæsthesie. De man, die bezit

neemt van zijn rechten met roekelooze, ruwe mannelijke kracht,

veroorzaakt zijn vrouw angst en pijn, en vermeerdert met iedere

herhaling van de daad haar tegenzin... Een groot aantal van de

koude vrouwen zijn slachtoffers van mannen, hetzij als gevolg

van onbewuste onhandigheid, of soms van bewuste ruwheid jegens

de teedere plant, die had moeten gekweekt worden met bijzondere

zorg en liefde, maar die nu beroofd is van den glans van haar

ontwikkeling. Haar leven lang zal een angstige, sidderende

vrouw de herinnering bewaren aan een ruwen huwelijksnacht, en

dikwijls genoeg blijft het een voortdurend bezwaar iederen keer,

dat de man opnieuw zijn wenschen tracht te bevredigen, zonder

zich aan te passen aan de wenschen naar liefde van zijn vrouw"

(O. Adler, Die mangelhafte Geschlechtsempfindung des Weibes,

blz. 159 et seq., 181 et seq.). "Ik heb een fatsoenlijke vrouw

zien sidderen van schrik bij de nadering van haar man", schreef

Diderot lang geleden in zijn verhandeling "Sur les Femmes"; "ik

heb haar zich in het bad zien dompelen en zich nooit voldoende

afgewasschen gevoeld van de vlek van haar plicht". Hetzelfde kan

nog gezegd worden van een groot aantal vrouwen, slachtoffers van

een noodlottig systeem van moraal, dat haar valsche denkbeelden

geleerd heeft over "huwelijksplichten" en dat aan haar echtgenooten

niet de kunst geleerd heeft van liefhebben.

Als bij de vrouwen haar mooie natuurlijke instincten niet hopeloos

verdraaid zijn door de preutschheden en vooroordeelen, waarmee zij

zoo ijverig zijn opgevuld, dan begrijpen zij de kunst van liefhebben

gemakkelijker dan mannen. Zelfs als ze nog weinig meer zijn dan

kinderen, kunnen zij den wenk, die haar gegeven wordt, dikwijls

volkomen begrijpen. Veel meer dan het geval is met mannen, in ieder

geval in beschaafde landen, is de kunst van liefhebben bij haar een

kunst, die de Natuur maakt. Zij weten altijd meer van de liefde,

zooals Montaigne lang geleden gezegd heeft, dan mannen haar kunnen

leeren, want "c'est une discipline née dans leur sang" [382].

De uitgebreide onderzoekingen van Sanford Bell (loc. cit.) geven

er blijk van, dat de aandoeningen van sexueele liefde al met het

derde jaar zich kunnen vertoonen. We moeten ons ook herinneren,

dat physiek zoowel als psychisch, meisjes vroeger rijp zijn dan

jongens (zie bv. Havelock Ellis, Man and Woman, vierde uitgave,

blz. 34 et seq., 200 etc). Zoo heeft, tegen den tijd dat zij den

leeftijd der puberteit bereikt had, een meisje den tijd gehad om

een volleerde meesteres te worden in de kleinere liefdekunsten. Dat

de leeftijd van de puberteit voor meisjes de leeftijd schijnt te

zijn voor de liefde, blijkt in ruimen kring erkend te zijn door

den volksgeest. Zoo zingt in een populair liedje van Bresse,

een meisje:

"J'ai calculé mon age,

J'ai quatorze à quinze ans.

Ne suis-je pas dans l'âge

D'y avoir un amant?"

Deze kwestie van de sexueele vroegrijpheid van meisjes heeft

een groote beteekenis voor de kwestie van den "leeftijd tot

toestemming" of den leeftijd, waarop het voor een meisje gewettigd

zal zijn om haar toestemming te geven tot sexueelen omgang. Tot

vijf en twintig jaar geleden stelde men dien leeftijd zeer laag

(zelfs op tien jaar); dit was dan de leeftijd, waarop een man geen

misdaad beging als hij omgang had met een meisje. In de laatste

jaren is er een neiging geweest om in het tegenovergestelde

en even ongelukkige uiterste te vervallen, door dien leeftijd

zeer hoog te stellen. In Engeland heeft de aanvullingswet op

de strafwet van 1885 de "age of consent" gesteld op zestien

jaar (deze clausule van de wet werd in het House of Commons

aangenomen met een meerderheid van 108 stemmen). Dit schijnt

de redelijke leeftijd te zijn voor het stellen van den grens,

en de uiterste hooge grens er van voor een warm klimaat. Het is

de leeftijd, erkend door het wetboek van strafrecht in Italië;

en in vele deelen van de beschaafde wereld. Gladstone was er

echter voor hem te verhoogen tot achttien jaar, en Howard meent,

als hij de kwestie voor de Vereenigde Staten bespreekt (Matrimonial

Institutions, deel III, blz. 195-203) dat hij overal verhoogd moet

worden tot een en twintig, om zoo samen te vallen met den leeftijd

van wettige meerderjarigheid, waarop een vrouw een bedrijf kan

beginnen of politieke verhoudingen kan aangaan. Er is op dit

punt in de laatste jaren een breede variatiegrens geweest in

de wetgeving van de verschillende Amerikaansche Staten; en het

verschil tusschen de twee grenspunten was acht jaar; in sommige

groote Staten wordt de daad van verkeer met een meisje onder de

achttien jaar verklaard tot "verkrachting", en is ze strafbaar

met gevangenisstraf voor het leven.

Zulke verordeningen echter zijn, wij moeten het erkennen,

willekeurig, kunstmatig en onnatuurlijk. Zij berusten niet op

een gezonde natuurlijke basis, en kunnen niet verdedigd worden

door het gezond verstand van de gemeenschap. Er is geen juiste

analogie tusschen den leeftijd van wettige meerderjarigheid, die

ten naastenbij vastgesteld is met betrekking tot de geschiktheid

tot het begrijpen van abstracte zaken van het verstand, en

den leeftijd van de sexueele rijpheid, die veel vroeger valt,

physiek zoowel als psychisch, en die bij vrouwen wordt bepaald

door een zeer bizonder biologisch feit, de voltooiing van de

puberteit met het begin van de menstruatie. Bij volken, die

in natuurlijke omstandigheden leven, wordt in alle deelen van

de wereld erkend, dat een meisje sexueel vrouw wordt met de

puberteit; op dat tijdstip ontvangt ze haar inwijding in het

leven der volwassenen en wordt vrouw en moeder. De verklaring

dat de daad van omgang met een vrouw, die, naar het natuurlijk

instinct van de menschheid in het algemeen beschouwd wordt als oud

genoeg voor al de plichten van de vrouwelijkheid, een misdadige

daad van verkrachting is, strafbaar met gevangenisstraf voor het

leven, kan alleen beschouwd worden als een misbruik van de taal,

en wat erger is, als een misbruik van de wet, zelfs als we alle

psychologische en moreele beschouwingen buiten kwestie laten,

want het berooft het denkbeeld van verkrachting van alles, wat

het van nature en terecht stuitend maakt.

Het gezonde standpunt in deze kwestie is klaarblijkelijk, dat

het de puberteit van het meisje is, die de maatstaf vormt voor

de strafbaarheid van den man, als hij haar sexueel nadert. In de

gematigde streken van Europa en Noord-Amerika is de gemiddelde

leeftijd voor het optreden van de menstruatie, het kritieke

oogenblik bij het intreden van volkomen puberteit, vijftien jaar

(zie bv. Havelock Ellis, Man and Woman, hoofdst. XI; de feiten

zijn in den breede uiteengezet in Sexual Life of Woman van Kisch,

1909). Daarom is het redelijk, dat de daad van een volwassen man,

die sexueele betrekking heeft met een meisje onder de zestien

jaar, met of zonder haar toestemming, terecht een strafbare

daad is, die streng gestraft moet worden. In die landen, waar

de gemiddelde leeftijd van de puberteit hooger of lager is,

moest de leeftijd van de toestemming dienovereenkomstig verhoogd

of verlaagd worden. (Bruno Meyer, die argumenten bijeen brengt

tegen iedere poging om den leeftijd van toestemming te verhoogen

boven de zestien, houdt het er voor, dat de juiste leeftijd

voor de toestemming gewoonlijk veertien jaar is, als, naar hij

terecht zegt, de lijn van afscheiding tusschen de rijpe en de

onrijpe persoonlijkheid, en terwijl de laatste streng beschermd

moet worden tegen de sexueele sfeer, kan alleen vrijwillige, niet

gedwongen invloed gebruikt worden voor de eerste. Sexual-Probleme,

April 1909).

Als we in onze beschouwing de ruimere overwegingen opnemen van

psychologie, moraal en wet, dan zullen we ruime rechtvaardiging

vinden voor dit gezichtspunt. Wij moeten in gedachte houden,

dat een meisje, al de jaren van haar leven op school door, altijd

physiek zoowel als psychisch den jongen van denzelfden leeftijd

vooruit is, en we moeten erkennen, dat die vroegrijpheid zich

ook uitstrekt over haar sexueele ontwikkeling; want zelfs al is

het waar, dat over het algemeen het werkdadige sexueele verlangen

gewoonlijk niet in vrouwen gewekt wordt voor een eenigszins later

leeftijd, is er ook waarheid in de opmerking van Mr. Thomas Hardy

(New Review, Juni 1894): "Het is mij nooit opgevallen, dat de spin

altijd mannelijk is en de vlieg altijd vrouwelijk". Dus, zelfs als

sexueele omgang plaats vindt tusschen een meisje en een jongen,

die iets ouder is dan zij, dan is het waarschijnlijk, dat zij de

rijpste van de twee is, dat zij de meeste zelfbeheersching heeft

en het meeste gevoel van verantwoordelijkheid, en dikwijls degene

is, die de meer actieve rol gespeeld heeft bij het aanleiding

geven tot de daad. Men moet ook in herinnering houden dat, als een

meisje eenmaal den leeftijd der puberteit bereikt heeft, en al de

manieren en de gewoonten aangenomen heeft zoowel als de physieke

ontwikkeling van een vrouw, dat het dan voor een man niet langer

mogelijk is haar leeftijd te schatten. Het is gemakkelijk te zien,

dat een meisje den leeftijd der puberteit nog niet bereikt heeft;

het is niet mogelijk te zeggen of een rijpe vrouw boven of onder

de achttien jaar oud is; het is daarom, op zijn zachtst gesproken,

onrechtvaardig om het levenslot van haar mannelijken deelgenoot

te doen afhangen van het herkennen van een onderscheid, dat

geen basis heeft in de natuur. Zulke overwegingen zijn zoo in

het oog springend juist, dat er geen kans is in de praktijk de

leer door te voeren, dat een man voor zijn leven gevangen gezet

moet worden, omdat hij omgang heeft gehad met een meisje, dat

ouder is dan zestien jaar. Het is, uit wettig gezichtspunt beter,

het net minder ver uit te werpen en er geheel zeker van te zijn,

dat het er op gemaakt is den werkelijken en bewusten overtreder

te vangen, die gestraft kan worden zonder het rechtsgevoel van de

gemeenschap te beleedigen. (Vergelijk Bloch, The Sexual Life of Our

Time, hoofdstuk XXIV; hij meent, dat de "leeftijd van toestemmen"

moet beginnen aan het einde van het zestiende jaar).

Het kan noodig zijn hier bij te voegen, dat het bepalen van den

"leeftijd van toestemming" op deze basis in het geheel niet

beteekent, dat omgang met meisjes, die maar weinig boven de

zestien zijn, aangemoedigd zou moeten worden, of zelfs maar

maatschappelijk en moreel geduld. Hier zijn we echter niet in

de sfeer der wet. Het is de natuurlijke neiging van het meisje

van goede geboorte en van goede opvoeding onder beschaafde

omstandigheden zich gereserveerd te houden, en de druk, waarmee

die neiging door de geheele omgeving van het meisje, gehandhaafd

en bevorderd wordt, moet geleverd worden in de eerste plaats

door de verstandsoverdenking van het meisje zelf als zij den

leeftijd van het jong meisje zijn bereikt heeft. Het kweeken in

een jonge vrouw, die het tijdstip der puberteit al voorbij is,

van het denkbeeld, dat zij geen verantwoordelijkheid heeft bij

het bewaken van haar eigen lichaam en ziel, is niet in harmonie

met het moderne gevoel, en ook ongunstig aan het geschikt maken

van vrouwen voor de wereld. De Staten, die er toe gebracht zijn

den hoogen grens voor den leeftijd voor toestemming aan te nemen,

hebben daarmee inderdaad een verachtelijke bekentenis gedaan van

hun onbekwaamheid om een fatsoenlijk moreel niveau in stand te

houden door meer wettige middelen; zij kunnen als waarschuwing

dienen, eerder dan als voorbeeld.

De kennis van vrouwen kan echter niet de onwetendheid van mannen

goedmaken, maar dient integendeel alleen om die te doen uitkomen. Want

in de kunst van liefhebben moet de man noodzakelijk het initiatief

nemen. Hij is het, die het eerst het zegel moet afnemen van het

mysterie van de intimiteiten en de stoutheden, die het hart van de

vrouw bevat. Het gevaar van zelfs maar een schaduw te ontmoeten van

tegenzin is tè ernstig dan dat een vrouw, zelfs een getrouwde vrouw,

de geheimen der liefde zou kunnen openbaren aan een man, die zich niet

een ingewijde daarin getoond heeft [383]. Ontelbaar zijn de joviale en

tevreden echtgenooten, die nooit vermoed hebben, en nooit weten zullen,

dat hun vrouw, soms met stillen wrok, de pijn met zich omdraagt van

geheimzinnige taboes. Het gevoel, dat er heerlijke intimiteiten en

voorrechten zijn, waarvan haar nooit gevraagd is ze te nemen, of die

haar nooit opgedrongen zijn, scheidt een vrouw soms erotisch van een

man, die zich nooit duidelijk voor oogen stelt, wat hij gemist heeft

[384]. Het geval van zulke echtgenooten is des te harder, omdat, voor

het grootste gedeelte, alles wat zij gedaan hebben het resultaat is

van de moraal, die hun gepredikt is geworden. Hun is geleerd, van hun

jongensleeftijd af, ernstig, mannelijk en rein te zijn, gedachten

aan vrouwen of het verlangen naar sexueel genot uit hun gedachte

te bannen. Hun wordt van alle kanten geleerd, dat het alleen in het

huwelijk goed of zelfs veilig is, vrouwen te naderen. Zij hebben het

denkbeeld in zich opgenomen dat sexueele toegevendheid en alles, wat er

toe behoort, iets laags en vernederends is, op zijn slechtst een enkel

natuurlijke behoefte, op zijn best een plicht, die vervuld moet worden

op directe, fatsoenlijke en rechtstreeksche wijze. Niemand schijnt hun

gezegd te hebben, dat de liefde een kunst is, en dat het verkrijgen

van het volle bezit van de ziel en het lichaam van de vrouw een taak

is, die al het beste, wat een man aan handigheid en inzicht heeft,

vereischt. Het kan wel zijn, dat, als een man zijn les te laat leert,

hij geneigd is woedend te worden op de maatschappij, die door haar

complot van nagemaakte moraal haar best gedaan heeft om zijn leven en

dat van zijn vrouw te verwoesten. In sommige van deze gevallen worden

de man of de vrouw of beiden, ten slotte aangetrokken tot een derde

persoon en een echtscheiding stelt hen dan in staat opnieuw met meer

ondervinding onder gelukkiger voorteekens te beginnen. Maar zooals

de zaken nu staan, is dat een treurige en ernstige loop van zaken,

voor velen onmogelijk. Gelukkiger zijn zij, wier liefdesproeven voor

het huwelijk, zooals Milton aangetoond heeft, "zoovele echtscheidingen

geweest zijn om hun ondervinding te leeren".

De algemeene onwetendheid over de kunst van liefhebben kan men peilen

aan het feit, dat misschien de vraag, die in deze zaak het meest

gedaan wordt, de ruwe vraag is, hoe dikwijls geslachtsverkeer behoort

plaats te vinden. Dat is inderdaad een kwestie, die de grondvesters

der godsdiensten, de wetgever en de philosophen van de menschheid,

van de vroegste tijden af heeft bezig gehouden [385]. Zoroaster

zeide, dat het eens in negen dagen moest zijn. De wetten van Manes

stonden verkeer toe veertien dagen van iederen maand, maar een

beroemd Hindoe dokter, Susruta, schreef voor zes maal per maand,

behalve in de zomerhitte, wanneer het eens in de maand moest zijn,

terwijl andere Hindoe-autoriteiten spreken van drie of viermaal in

de maand. Solon's voorschrift, dat voor den burger het verkeer drie

maal per maand moet plaats hebben komt tamelijk wel overeen met dat

van Zoroaster. Mohammed schrijft in den Koran verkeer voor eenmaal in

de week. De Joodsche Talmud is minder algemeen in zijn voorschriften,

en maakt onderscheid tusschen verschillende soorten van menschen;

aan den krachtigen en gezonden jongen man, die niet gedwongen is hard

te werken, wordt eenmaal per dag opgelegd, aan den gewonen werkman

tweemaal per week, aan geleerden eens per week. Luther beschouwde

tweemaal per week als de juiste maat voor omgang.

We kunnen, zooals te verwachten was, opmerken, dat deze voorschriften

in ver terug liggende tijden, toen erotische opwekking waarschijnlijk

gering en erotisch erethisme waarschijnlijk zeer zeldzaam was, neiging

hebben een grooteren tusschentijd te bepalen, terwijl we kortere

tusschenpoozen vinden, als we de moderne beschaving naderen. Ook

zullen we kunnen opmerken, dat die variatie plaats vindt binnen

tamelijk nauwe grenzen. Dit berust waarschijnlijk op het feit, dat deze

wetgevers in alle gevallen mannen waren. Vrouwelijke wetgevers zouden

waarschijnlijk grootere neiging vertoond hebben tot verschil, want

de verschillen in den sexueelen impuls zijn bij vrouwen ruimer. Zoo

verlangde Zenobia de nadering van haar echtgenoot eens in de maand,

mits er geen bevruchting had plaats gehad in de vorige maand, terwijl

een andere koningin zeer ver naar het andere uiterste oversloeg, want

men zegt ons, dat de Koningin van Arragon, na rijp beraad, besliste,

dat zes maal per dag de juiste regel was in een wettig huwelijk [386].

We moeten in het voorbijgaan opmerken, dat aan de bepalingen

over de veelvuldigheid van het sexueele verkeer meestal ten

grondslag ligt de veronderstelling, dat het tijdens de menstruatie

ophoudt. Dit is vooral het geval voor de eerste tijden van de

cultuur, toen omgang op dezen tijd gewoonlijk beschouwd werd als

gevaarlijk of zondig, of beide. Onder beschaafde omstandigheden

berust de belemmering op æsthetische gronden, daar de vrouw, zelfs

als ze omgang wenscht, er een tegenzin tegen gevoelt om genaderd

te worden op een tijd, waarop ze zich zelf als weerzinwekkend

voorkomt, en omdat de man gemakkelijk die houding overneemt. Er

kan echter op gewezen worden, dat de æsthetische bezwaren in

zeer groote mate het resultaat zijn van de bijgeloovige vrees

voor water, die nog in ruimen kring gevoeld wordt in dezen tijd,

en dat die tot zekere hoogte zou verdwijnen, als een nauwgezetter

zindelijkheid werd in acht genomen. Het blijft een goede algemeene

regel om zich te onthouden van sexueelen omgang tijdens de periode

der menstruatie, maar in sommige gevallen kan er voldoende reden

zijn er mee te breken. Dit is zoo, als het verlangen op dezen tijd

speciaal sterk is, of als de omgang physiek moeilijk is op andere

tijden, maar gemakkelijker door de verslapping van de deelen,

als gevolg van de menstruatie. Wij moeten ook in herinnering

houden, dat de tijd, als de vloed der menstruatie begint op

te houden, waarschijnlijk meer dan eenige andere tijd van de

maand de biologisch juiste tijd is voor den sexueelen omgang,

omdat niet alleen de omgang dan het gemakkelijkst is, en ook het

meest bevredigend voor de vrouw, maar omdat ze ook de gunstigste

gelegenheid geeft voor het verzekeren van de bevruchting.

Reeds langen tijd geleden bracht Schurig bewijsgronden te zamen

(Parthenologia, p. 302 et seq.), waaruit blijkt, dat coïtus het

gemakkelijkst is tijdens de menstruatie. Sommige van de Katholieke

theologen (zooals Sanchez, en al later Liguori) gingen tegen

de publieke opinie in en lieten zeer bepaald omgang tijdens de

menstruatie toe, hoewel vele vroegere theologen hem beschouwden

als een doodzonde. Van medische zijde raadt Kossmann (Senator

en Kaminer, Health and Disease in Relation to Marriage, deel I,

p. 249) coïtus aan, niet alleen aan het einde van de menstruatie,

maar zelfs tijdens het laatste gedeelte van de periode, daar dat

de tijd is, waarop vrouwen er gewoonlijk behoefte aan hebben, daar

de uitgesproken humeurigheid van vrouwen op dezen tijd, naar hij

zegt, komt door het door de gewoonte geëischte onderdrukken van

een natuurlijke begeerte. "Het is bijna altijd in de menstruatie,

dat de eerste wolken zich aan den huwelijkshemel vertoonen".

In moderne tijden zijn de physiologen en de medici, die eenige opinie

over dit onderwerp hebben uitgesproken, gewoonlijk de uitspraak van

Luther zeer nabij gekomen. Haller zeide, dat omgang niet veel meer

moest plaats hebben, dan tweemaal in de week [387]. Acton sprak van

eenmaal in de week, en Hammond ook, zelfs voor gezonde mannen tusschen

den leeftijd van vijf en twintig en veertig [388]. Fürbringer komt

maar even boven deze taxatie uit, daar hij aanraadt van vijftig tot

honderd daden per jaar [389]. Forel raadt twee of driemaal per week

aan voor een man in den eersten bloei der mannelijkheid, maar hij

voegt er bij, dat voor sommige gezonde en krachtige mannen eens

in de maand al overdaad blijkt te zijn [390]. Mantegazza zegt in

zijn Hygiene of Love ook, dat, voor een man tusschen de twintig en

dertig twee of driemaal per week de juiste maat is voor het verkeer,

en tusschen den leeftijd van dertig en vijf en veertig, tweemaal per

week. Guyot raadt aan om de drie dagen [391].

Het schijnt echter geheel onnoodig eenige speciale regels te geven

aangaande de veelvuldigheid van den coïtus. Individueele begeerte en

individueele geschiktheid verschillen enorm, zelfs binnen de grenzen

der gezondheid. Bovendien, als we erkennen, dat de beperking van

de begeerte soms wenschelijk, en dikwijls noodig is, lange tijden

achtereen, dan is het verstandig zich te onthouden van zelfs den

schijn van de noodzakelijkheid van sexueelen omgang vast te stellen op

dikwijls herhaalde en regelmatige tijden. De kwestie is voornamelijk

van belang om te behoeden tegen overmaat, of zelfs tegen de poging

van als gewoonte dicht bij de grens te leven. Vele autoriteiten zijn

er daarom op uit er op te wijzen, dat het niet raadzaam is om te

bepaald te zijn. Zoo zegt Erb, terwijl hij opmerkt, dat voor sommigen

de uitspraak van Luther het uiterste maximum vertegenwoordigt, dat

anderen die maat ongestraft ver kunnen te buiten gaan, en hij meent,

dat zulke verschillen aangeboren zijn [392]. Ribbing, die het over

het algemeen eens is met den regel van Luther, protesteert tegen

iedere poging om voor iedereen wetten op te stellen, en is geneigd

te zeggen, dat het een veilige regel is, zoo dikwijls als men wil,

zoolang als er geen slechte gevolgen zijn [393].

Het schijnt wel algemeen toegestemd te worden, dat slechte

resultaten van onmatigheid in coïtus, als ze voorkomen,

zeldzaam zijn bij vrouwen (zie b.v., Hammond, Sexual Impotence,

p. 127). Nu en dan echter komen er slechte resultaten bij vrouwen

voor. Een geval, dat mogelijk in dit verband moet vermeld worden,

is dat van een man, die achtereenvolgens drie vrouwen had, die

krankzinnig werden na het huwelijk (Journal of Mental Science,

Jan., 1879, p. 611). In gevallen van sexueele onmatigheid wordt

dikwijls groote physieke uitputting opgemerkt, met achterdocht en

waanideeën. Hutchinson heeft drie gevallen vermeld van tijdelijke

blindheid, alle bij mannen, het resultaat van sexueele onmatigheid

na het huwelijk (Archives of Surgery, Jan., 1893). De oude

medische autoriteiten brachten veel verkeerde dingen terug op

onmatigheid bij coïtus. Zoo brengt Schurig (Spermatologia, 1720,

p. 260 et seq.) gevallen samen van krankzinnigheid, apoplexie,

syncope, epilepsie, verlies van herinneringsvermogen, blindheid,

kaalheid, eenzijdig overmatig transpireeren, jicht, en dood, die

aan deze oorzaak worden toegeschreven; vele gevallen van dood

worden gegeven, sommige bij vrouwen, maar men kan gemakkelijk

merken, dat post dikwijls in de plaats gesteld werd voor propter.

Er is echter een andere overweging, die ternauwernood aan de aandacht

van den lezer van dit werk kan ontsnappen. Bijna al de taxaties van de

wenschelijke veelvuldigheid van coïtus zijn gemaakt om aan te passen

aan de veronderstelde physiologische behoeften van den man [394],

en zij schijnen gewoonlijk gevormd te zijn in denzelfden geest van

uitsluitende attentie voor die behoeften, alsof er kwestie was van de

physiologische behoeften van het ledigen van de ingewanden of van de

blaas. Maar sexueele behoeften zijn de behoeften van twee personen, van

den man en van de vrouw. Het komt aan op de harmonische overeenstemming

van deze twee groepen van behoeften. Die overweging alleen is, te zamen

met de groote variaties van individueele behoeften, al voldoende om

alle bepaalde regels van zeer weinig waarde te doen zijn.

Het is van belang de ruime grenzen van de variatie in de sexueele

capaciteit in herinnering te houden, evenals het feit, dat

zulke variaties in beide richtingen gezond en normaal kunnen

zijn, hoewel variaties, als ze tot het uiterste overslaan,

pathologische beteekenis kunnen hebben. Bekend is bijvoorbeeld

het geval van een man, die eenmaal per maand omgang heeft en

dit voldoende vindt; hij heeft geen emissies en ook geen sterke

begeerten in den tusschentijd; toch leidt hij een ledig, lui en

weelderig leven en wordt niet tegengehouden door eenige moreele of

godsdienstige gewetensbezwaren; als hij ver boven zijn gewoonte

gaat, dan voelt hij zich onwel, hoewel hij overigens volkomen

gezond is, behalve een eenigszins zwakke spijsvertering. Aan

het andere uiterste had een gelukkig getrouwd paar, tusschen de

vijf en veertig en de vijftig jaren oud en elkander zeer genegen,

twintig jaar lang iederen nacht sexueelen omgang gehad, behalve

in den tijd der menstruatie en bij zwangerschap in de laatste

maanden, hetgeen maar eenmaal was voorgekomen; zij zijn hartelijke,

volbloedige, intellectueele menschen, gesteld op een goed leven,

en zij schrijven hun genegenheid en standvastigheid toe aan het

veelvuldig toegeven aan coïtus; het eenige kind, een meisje,

is niet sterk, al is ze tamelijk gezond.

Er zijn vele gevallen bekend waarin, bij speciale gelegenheden,

het mogelijk is voor menschen, die hartstochtelijk aan elkander

gehecht zijn, de daad van den coïtus, of ten minste het orgasme,

een buitensporig aantal malen binnen eenige uren te herhalen. Dit

gebeurt gewoonlijk bij het begin van een intimiteit of na een

lange scheiding. Zoo ondervond bijvoorbeeld een pas getrouwde

vrouw orgasme veertien maal in een nacht, terwijl haar man het in

dien tijd zeven maal had. In een ander geval ondervond een vrouw,

die een kuisch leven geleid had, toen de sexueele verhoudingen

eindelijk begonnen, het eens veertien of vijftien maal tegen

haar echtgenoot driemaal. In een geval, waarvan ik zeer bepaald

weet dat het waar is, geraakte een jonge vrouw van zeer erotisch,

prikkelbaar, lichtelijk abnormaal temperament zes en twintig maal

binnen de vijf kwartier in opwinding, na een maand afwezigheid

van haar man; haar echtgenoot, een veel oudere man, had tweemaal

orgasme in dezen tijd; de vrouw gaf toe, dat ze daarna zich

volkomen geradbraakt gevoelde, maar het is wel zeker dat, als

dit geval als waar beschouwd kan worden, de orgasmen van zeer

geringe hevigheid waren. Een jonge vrouw, die pas getrouwd was

met een physiek robusten man, had eens acht maal in twee uren

omgang met hem, terwijl ieder keer orgasme voorkwam bij beide

partijen. Guttceit (Dreissig Jahre Praxis, deel II, p. 311),

in Rusland, kende vele gevallen van jonge mannen van twee en

twintig tot acht en twintig jaar, die meer dan tien maal in een

nacht omgang hadden, hoewel er na den vierden keer zelden meer

eenig zaad aanwezig is. Hij had mannen gekend, die in hun vroege

jeugd gemasturbeerd hadden, en die op hun vijftiende jaar waren

begonnen met vrouwen om te gaan, en die toch krachtig bleven tot

op hoogen leeftijd, terwijl hij anderen kende, die den omgang

laat begonnen waren en op veertigjarigen leeftijd hun kracht

verloren. Mantegazza, die een man kende, die veertien maal per

dag omgang had, maakt de opmerking, dat de verhalen van de oude

Italiaansche romanschrijvers aantoonen, dat twaalf maal beschouwd

werd als een zeldzame uitzondering. Burchard, de secretaris van

Alexander VI, zegt, dat de zoon van den gezant uit Florence,

in Rome in 1489 "een meisje zevenmaal in een uur naderde"

(J. Burchardi, Diarium, ed. Thuasne, deel I, p. 329). Olivier,

de paladijn van Karel den Groote, pochte er, zooals de legende

luidt, op, dat hij honderd maal per nacht zijn mannelijke kracht

kon toonen, als hij mocht slapen met de dochter van den Keizer

van Constantinopel; hem werd toegestaan het te beproeven, naar

men zegt, en het gelukte hem dertig maal (Schultz, Das Höfische

Leben, deel I, p. 581).

Men zal zien dat, telkens als de geslachtsdaad binnen korten tijd

dikwijls herhaald wordt, de echtgenoot maar zeer zelden pas kan

houden met de vrouw. Het is waar, dat de sexueele energie van de

vrouw langzamer en moeilijker op te wekken is dan die van den man,

maar als ze eens gewekt is, dan neemt de aandrang toe. De man,

wiens energie gemakkelijk opgewekt wordt, is spoedig uitgeput;

de vrouw bereikt dikwijls ternauwernood haar hoogtepunt, voordat

het eerste orgasme voorbij is. Het is soms een verrassing voor

een jongen echtgenoot, die gelukkig getrouwd is, te ontdekken,

dat de daad van sexueelen omgang, die hem volkomen bevredigt,

alleen gediend heeft om den gloed van zijn vrouw op te wekken. Zeer

vele vrouwen gevoelen, dat de herhaling van de daad verscheidene

malen achtereen noodig is, om, zooals zij het uitdrukken, "aan

den gang te komen", en wel verre van slaperigheid en vermoeidheid

teweeg te brengen, maakt ze haar vroolijk en levendig.

Jonge en krachtige vrouwen, die een kuisch leven geleid hebben,

ondervinden bij het begin van het regelmatige geslachtsverkeer,

iets alsof ze verscheidene mannen noodig hadden, en of ze behoefte

hadden aan verkeer minstens eens per dag, terwijl ze later, als

zij aangepast raken aan het gehuwde leven tot de conclusie komen,

dat haar wenschen niet buitengewoon sterk zijn. De man moet zich

aanpassen aan de sexueele behoeften van zijn vrouw, door zijn

sexueele kracht, als hij die heeft, en, als hij ze niet heeft,

door zijn handigheid en takt. De zeldzaam voorkomende mannen,

die een aangeboren kracht bezitten, die zij kunnen gebruiken tot

bevrediging van vrouwen, zonder nadeel voor henzelf, zijn door

Professor Benedictus genoemd "sexueele athleten", en hij merkt op,

dat zulke mannen gemakkelijk vrouwen beheerschen. Hij beschouwt

terecht Casanova als het type van den sexueelen athleet (Archives

d'Anthropologie Criminelle, Jan., 1896). Näcke vermeldt het geval

van een man, dien hij beschouwt als een sexueelen athleet, die

zijn geheele leven door eens of tweemaal per dag omgang had met

zijn vrouw, of, als zij niet wilde, met een andere vrouw, totdat

hij krankzinnig werd op den leeftijd van vijf en zeventig jaar

(Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Aug., 1908, p. 507). Dit

mag men echter eerder beschouwen als een geval van ziekelijke

overgevoeligheid, dan van sexueele athletiek.

In dit stadium komen wij tot de grondelementen van de kunst van

liefhebben. Wij hebben gezien, dat vele moreele gewoonten en moreele

theorieën, die in ruimen kring bij het Christendom in zwang waren,

tradities ontwikkeld hebben, die nog in het geheel niet onder

ons zijn uitgestorven, volkomen tegenovergesteld aan de kunst van

liefhebben. Het denkbeeld ontwikkelde zich van "huwelijksplichten",

van "rechten van den man" [395]. De man had het recht en den plicht

sexueelen omgang te hebben met zijn vrouw, wat ook haar wenschen in

deze zaak mochten zijn, terwijl de vrouw het recht en de plicht had

(terwijl de plicht in haar geval gewoonlijk vooropgesteld werd) om

zich aan dien omgang te onderwerpen, waarvan haar gewoonlijk geleerd

was, dat het iets laags en alleen physieks was, een onpleizierige

en bijna vernederende noodzakelijkheid, waarvan het het beste was,

als ze haar zoo spoedig mogelijk uit haar gedachten zette. Het is

niet te verwonderen, dat zulk een houding tegenover het huwelijk

het ongeluk in het huwelijk zeer begunstigd heeft, meer speciaal

dat van de vrouw [396], en ze heeft er toe bijgedragen echtbreuk en

echtscheiding te bevorderen. Het had ons meer moeten verwonderen als

het anders geweest was.

De kunst van liefhebben is gebaseerd op het fundamenteele feit

van het hofmaken; en het hofmaken is de poging van den man om zich

aannemelijk te maken bij de vrouw. "De kunst van liefhebben", zeide

Vatsyayana, een van de grootste der autoriteiten, "is de kunst aan

vrouwen te behagen". "Een man moet zich nooit een genoegen met zijn

vrouw veroorloven", zeide Balzac in zijn Physiologie du Mariage,

"waarvan hij niet de handigheid gehad heeft het eerst door zijn vrouw

te doen wenschen". Dat is de geheele kunst van liefhebben. Vrouwen

trachten zich van nature en instinctief voor mannen begeerlijk te

maken, zelfs aan mannen, voor wie ze volkomen onverschillig zijn, en

de vrouw, die op een man verliefd is, tracht door een even natuurlijk

instinct zichzelf te vormen naar den vorm, d.i. in de gedaante, die

hem persoonlijk aangenaam is. Deze neiging wordt niet gewijzigd door

het grondfeit, dat in deze zaak alleen de kunst, die door de natuur

gemaakt is, waarlijk effect heeft. Het is ten slotte door wat hij

is, dat een man de diepste aandoeningen van sympathie of antipathie

in de vrouw opwekt, en hij behaagt haar dikwijls meer door zijn

geschiktheid om een groote rol te spelen in de buitenwereld dan door

enkele verkregen volkomenheden in de kunst van het hofmaken. Wanneer

echter het ernstige en meer intieme spel der liefde begint, dan is de

rol van de vrouw, zelfs biologisch, oppervlakkig de meer passieve rol

[397]. Zij is, aan den physieken kant, onvermijdelijk in de liefde

het instrument; het moeten 's mans hand zijn en zijn boog, die de

muziek te voorschijn roepen.

Als we van de kunst van liefhebben spreken is het echter onmogelijk

om geheel het geestelijke van het physieke los te maken. De poging

alleen al om dit te doen is een fatale vergissing. De man, die alleen

maar de physieke zijde van de sexueele verhouding kan zien, staat,

zooals Hinton gewoon was te zeggen, op een hoogte met den man, die,

als hij naar een viool-sonate van Beethoven luistert, zich alleen

bewust is van het physieke feit, dat er een paardenstaart geschuurd

wordt over schapen-ingewanden.

Het beeld van het muziekinstrument doet zich herhaaldelijk voor aan

hen, die over de kunst van liefhebben schrijven. De vergelijking

van Balzac van den onhandigen echtgenoot bij den oerang-oetan,

die probeert viool te spelen, is reeds aangehaald. Dr. Jules

Guyot komt in zijn ernstig en bewonderenswaardig boekje,

Bréviaire de l'Amour Expérimental, tot dezelfde vergelijking:

"Er zijn een onnoemelijk groot aantal onwetende, zelfzuchtige

en ruwe mannen, die zich geen moeite geven om het instrument

te bestudeeren, dat God hun heeft toevertrouwd, en die zelfs

niet vermoeden, dat het noodig is het te bestudeeren, om er

maar de geringste tonen uit te halen... Ieder direct contact,

zelfs met de clitoris, iedere poging tot coïtus (zelfs als het

vrouwelijk organisme niet geprikkeld is) roept een pijnlijk gevoel

te voorschijn, een instinctieve afstooting, een gevoel van walging

en afkeer. Iedere man, iedere echtgenoot, die dit feit niet kent,

is belachelijk en verachtelijk. Iedere man, iedere echtgenoot,

die, terwijl hij het weet, het buiten beschouwing durft te laten,

heeft geweld gepleegd... In de eindelijke vereeniging van man en

vrouw heeft het positieve element, de man, het initiatief en de

verantwoordelijkheid voor het echtelijk leven. Hij is de minstreel,

die met zijn hand en zijn boog harmonie of disharmonie kan te

voorschijn roepen. De vrouw is uit dit gezichtspunt werkelijk het

veelsnarige instrument, dat harmonieuze of disharmonieuze geluiden

zal voortbrengen al naar dat zij goed of slecht bespeeld wordt"

(Guyot, Bréviaire, blz. 99, 115, 138).

Dat zulk een liefde overeenkomt met de behoefte van een vrouw

kan niet betwijfeld worden. Alle ontwikkelde vrouwen willen

bemind worden, zegt Ellen Key, niet "en mâle" maar "en artiste"

(Liefde en Huwelijk, p. 92). "Alleen de man, waarvan ze gevoelt,

dat hij de vreugde van den kunstenaar in haar heeft, en die deze

vreugde toont door zijn schuchtere en teedere aanraking zoowel

van haar ziel als van haar lichaam, kan de vrouw van tegenwoordig

boeien. Zij wil alleen toebehooren aan een man, die nog voortgaat

naar haar te verlangen, als hij haar reeds in zijn armen genomen

heeft. En als zulk een vrouw uitroept: "Je hebt me noodig, maar

je kunt me niet liefkoozen, je kunt me niet zeggen wat ik hooren

wil", dan is die man geoordeeld". Liefde is werkelijk een teedere

kunst, waarvoor, zooals Remy de Gourmont opmerkt, evenals voor

muziek en schilderen, maar weinigen de gave bezitten.

Men moet niet meenen, dat de eisch aan den minnaar en den echtgenoot

om de vrouw in denzelfden geest te naderen, met dezelfde tact en

den ervaren aanslag, als waarmee de musicus zijn instrument aanvat,

enkel een eisch is, welke gedaan wordt door de moderne vrouwen, die

waarschijnlijk neurotisch of hysterisch zijn. Geen lezer van deze

Studies, die de besprekingen over het hofmaken en de sexueele keuze

in de vorige hoofdstukken heeft gevolgd, kan nalaten te erkennen,

dat--hoewel wij getracht hebben onszelf te bedriegen door het geven

van een verkeerde onwettige beteekenis aan het woord "ruw"--tact

en respect voor het vrouwtje bijna algemeen is in de sexueele

verhoudingen van de dieren, die lager dan de menschen staan; alleen

onder de verst verwijderden van de wilde dieren, bij de beschaafde

menschen, is sexueele "ruwheid" over het geheel gewoon, en zelfs daar

is ze voornamelijk het gevolg van onwetendheid. Als we afdalen tot de

insecten, die geen familieleven hebben, en die gewoonlijk beschouwd

worden als zorgeloos en lichtzinnig, dan vinden we deze houding jegens

het wijfje soms volkomen ontwikkeld, en de groote zorgvuldigheid van

het mannetje voor het vrouwtje, dat hij toch stevig onder zich houdt,

de teedere voorbereidingen, het uiterst geleidelijke naderen tot de

sexueele daad, geeft ons een bewonderenswaardige les.

Deze grootere moeite en langzaamheid van den kant van de vrouwen

in het beantwoorden van de erotische opwinding van het hofmaken is

werkelijk zeer fundamenteel. Het karakteriseert het geheele erotische

leven van de vrouw, van den vroegsten leeftijd af, als de kuischheid en

het schaamtegevoel zich ontwikkelen. De liefde ontwikkelt zich bij de

vrouw veel langzamer dan bij den man. Er is werkelijke physiologische

beteekenis in het feit, dat het verlangen van een man naar een vrouw

neiging heeft spontaan te ontstaan, terwijl het verlangen van een

vrouw naar een man eerst langzamerhand gewekt wordt, naarmate haar

betrekkingen tot hem zich samengestelder ontwikkelen. Daarvandaan is

haar sexueele emotie dikwijls minder abstract, meer intiem verbonden

met den persoonlijken minnaar, op wien ze geconcentreerd is. "De weg

tot mijn zinnen is door mijn hart", schreef Mary Wollstonecraft aan

haar minnaar Imlay, "maar vergeef mij! tot uw zinnen leidt dikwijls

een kortere weg". Zij sprak voor het beste, zoo niet voor het grootste

deel van haar sekse. Een man bereikt den uitersten grens van zijn

physieke capaciteit tot liefhebben met een enkelen stap, en het

schijnt wel dikwijls, dat zijn psychische grenzen niet moeilijker te

bereiken zijn. Dit is het zekere feit, dat ten grondslag ligt aan het

meer gewaagd gezegde, 't welk men zoo dikwijls hoort: dat de vrouw

monogamisch is en de man polygamisch.

De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij · 第 62 / 71 题