politieke hervormers--hebben herhaaldelijk gewezen op de
maatschappelijke voordeelen van echtscheiding bij wederzijdsch
goedvinden, of, onder beperkte omstandigheden op verzoek van
een van de partijen. Wederzijdsch goedvinden was de hoeksteen
van Milton's opvatting over het huwelijk. Montesquieu zeide,
dat ware echtscheiding het resultaat moest zijn van wederzijdsch
goedvinden, en dat ze gebaseerd moest zijn op de onmogelijkheid
om te zamen te leven. Senancour schijnt het met Montesquieu eens
te zijn. Lord Morley (Diderot, deel II, hoofdst. I), voegt er, in
navolging en onder goedkeuring van de conclusies van de Supplément
au Voyage de Bougainville (1772), aan toe, dat het van elkaar gaan
van man en vrouw "een handeling is, die volkomen natuurlijk is,
maar onder sommige omstandigheden een plicht". Bloch legt (Sexual
Life of Our Time, p. 240) met veel andere schrijvers den nadruk
op de waarheid van het gezegde van Shelley, dat de vrijheid van
het huwelijk de waarborg is voor de duurzaamheid ervan. (Dat de
feiten van het leven in dezelfde richting wijzen is in het vorige
hoofdstuk aangetoond). De geleerde Caspari (Die Soziale Frage über
die Freiheit der Ehe), verklaart, terwijl hij weigert den vorm
van het toekomstig huwelijk te voorspellen, dat, als de sexueele
verhoudingen moreel moeten blijven of worden, er meer faciliteiten
moeten zijn voor het ontbinden van het huwelijk. Howard (die zelf
meent, dat het huwelijk behoefte heeft aan wettelijke regeling)
voelt zich aan het einde van zijn uitgebreide geschiedenis van de
huwelijksinstellingen (deel III, p. 220) toch gedrongen toe te
geven, dat het volkomen duidelijk is voor den geschiedvorscher,
dat de moderne echtscheidingsbeweging "maar een deel is van de
machtige beweging tot maatschappelijke bevrijding, die steeds
sinds de Hervorming in uitbreiding en kracht toegenomen is". En de
voorzichtige en critische Westermarck eindigt het hoofdstuk over
het huwelijk van zijn Origin and Development of the Moral Ideas
(deel II, p. 398) met het gezegde, dat "als man en vrouw beiden
wenschen van elkaar te gaan, het dan aan veel verlichte geesten
toeschijnt, dat de Staat geen recht heeft tusschenbeide te komen
om hen te verhinderen het huwelijkscontract te ontbinden, mits
er behoorlijk voor de kinderen gezorgd wordt; en dat het voor de
kinderen ook beter is, dat ze onder de leiding komen van een van
de ouders alleen, dan van twee, die het niet eens zijn".
In Frankrijk schijnen de leiders van de maatschappelijke hervorming
het er bijna geheel over eens te zijn, dat de eerstvolgende stap,
wat de echtscheiding betreft, moet zijn, het instellen van de
echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden. Dit was bijvoorbeeld het
resultaat van een rondvraag, waaraan een-en-dertig beroemde mannen
en vrouwen hun bijdrage leverden. Allen waren voor echtscheiding
bij wederzijdsch goedvinden; de eenige uitzondering was Madame
Adam, die zeide, dat zij een stadium bereikt had van scepticisme
over politieke en maatschappelijke hervormingen; maar die toegaf,
dat ze bijna een halve eeuw lang een ijverig voorstandster van
echtscheiding was geweest. Een groot aantal medewerkers waren
voor echtscheiding op den wensch van de eene partij alleen (La
Revue, Maart 1, 1901). Ook in andere landen is er een aangroeiende
erkenning, dat deze oplossing van de zaak, met gepaste voorzorgen
om misbruiken te voorkomen, die er anders licht bij zouden
ontstaan, de juiste en onvermijdelijke oplossing is.
Wat de juiste methode aangaat, waarop echtscheiding bij
wederzijdsch goedvinden moet ten uitvoer gebracht worden, zijn de
opinies verdeeld, en de zaak zal waarschijnlijk in verschillende
landen verschillend geregeld worden. Het Japansche plan schijnt
eenvoudig en oordeelkundig (zie boven, p. 421). Paul en Victor
Margueritte, die (Quelques Idées blz. 3 et seq.) zich duidelijk
voor oogen stellen, dat het gevoelsconflict in zake de persoonlijke
verbintenissen beslissingen met zich brengt, die ten eenemale
buiten de competentie van gerechtshoven liggen, erkennen evenwel,
dat zulke gerechtshoven toch noodig zijn om orde te stellen op de
bezittingen van gescheiden personen en ook in laatste instantie op
de zorg voor de kinderen. Zij moeten de zaken niet in het openbaar
behandelen. Deze schrijvers stellen voor, dat iedere partij een
vertegenwoordiger zal kiezen, en dat deze twee te zamen een derde
zullen kiezen; dat dan dit scheidsgerecht niet officieel onderzoek
moet doen, en dat zij, als ze het eens zijn, de scheiding moeten
doen registreeren, hetgeen zes of twaalf maanden later moet plaats
vinden, of drie jaar later, als het alleen maar door een van de
partijen gewenscht wordt. Dr. Schufeld ("Psychopathia Sexualis and
Divorce") stelt voor, dat een rechter van het echtscheidingsgerecht
geheel alleen het verhoor zal leiden van ieder geval van een
huwelijksoneenigheid, terwijl de man en de vrouw direct voor hem
verschijnen, zonder advocaat; wèl, zoo noodig, met hun getuigen;
als medische deskundigen vereischt werden, dan moest de rechter
alleen de macht hebben om ze op te roepen.
Als wij bedenken, dat het lange uitstellen van het aannemen van een
zoo rechtvaardige en natuurlijke basis van echtscheiding berust op de
kunstmatige spanning, die geschapen wordt door den druk van de doode
hand van de canonieke wet--een spanning, die uitsluitend beperkt is
tot het Christendom--dan mogen we ook erkennen, dat met het verdwijnen
van die spanning de juiste en natuurlijke orde in deze verhouding des
te sneller zal terugkomen, omdat het zoo lang geduurd heeft, eer die
verlossing kwam. "De Natuur verafschuwt een ledig nergens zoozeer als
in het huwelijk", merkt Ellen Key op in de taal van verouderde physieke
beeldspraak; het ledig zal zich op de eene of andere wijze vullen, en
als het zich niet kan vullen op een natuurlijke en ordelijke wijze,
dan zal het zich vullen op onnatuurlijke en onordelijke wijze. Het
is de zaak van de maatschappij er op te letten, dat geen wetten aan
het instellen van een natuurlijke orde in den weg staan.
Hervorming op een verstandige basis is moeilijk gemaakt doordat
ongelukkigerwijze het denkbeeld van misdaad behouden is gebleven. Met
de tradities van de canonisten nog in ons hoofd, hebben wij onszelf op
de eene of andere wijze ervan overtuigd, dat er geen echtscheiding kan
wezen, tenzij er een misdadiger is, een werkelijk ernstige misdadiger,
die, als hij kreeg wat hij verdiende, opgesloten en tot schande
gebracht moest worden. Maar in de huwelijksverhouding is er, evenals
in alle andere verhoudingen, maar een zeer klein aantal gevallen,
waarin de eene partij tegenover de andere staat als misdadiger of
zelfs als aanklager. Dit blijkt dikwijls duidelijk in de eerste
stadiën van huwelijksverwijdering. Maar het blijft waar tot het eind
toe. De vrouw begaat echtbreuk en de man neemt als een zaak, die van
zelf spreekt, de positie in van aanklager. Maar wij vragen niet, hoe
het komt, dat hij niet zóo haar liefde gewonnen heeft, dat echtbreuk
van haar kant buiten kwestie is; zulk een navraag zou dikwijls tot
de conclusie voeren, dat de werkelijke beklaagde de man is. En ook,
als de man beschuldigd wordt van brutale wreedheid, dan draagt de wet
geen zorg te onderzoeken of door het aanbrengen van minder brutale,
maar niet minder scherpe wonden, de vrouw ook niet tot beklaagde
behoorde gemaakt te worden. Er zijn enkele weinige gevallen, waarin
de verhouding van aanklager en gedaagde niet een volkomen valsche
en kunstmatige verhouding is, een immoreele, wettelijke fictie. In
de meeste gevallen moesten, als de waarheid geheel bekend was,
man en vrouw samen voor het echtscheidingsgerecht verschijnen en
verklaren: "Wij hebben beiden ongelijk: wij zijn niet in staat
geweest onze verplichtingen jegens elkander na te komen; wij hebben
ons vergist, toen wij elkander kozen". De lange verslagen over de zaak
in openbare behandeling, de wederzijdsche verwijten, de detectives,
de dienstmeisjes en andere getuigen, het verfoeilijk navraag doen naar
intieme geheimen--al deze dingen, die geen noodzakelijkheid ooit zou
kunnen rechtvaardigen, zijn volkomen onnoodig.
Er wordt door sommigen gezegd, dat een man, als er geen beletsels
bestonden tegen de echtscheiding, achtereenvolgens zou kunnen trouwen
met een half dozijn vrouwen. Deze naïeve of onwetende personen
schijnen niet te beseffen, dat zelfs als het huwelijk absoluut
onverbreekbaar is, een man sexueele betrekkingen kan onderhouden
met een half dozijn vrouwen, niet alleen na elkaar, maar als hij
dat wil, tegelijkertijd; en dat hij dat ook dikwijls doet. Er is
echter dit belangrijke verschil, dat in het eene geval, de man door
de wet wordt aangemoedigd om te meenen, dat hij maar een van die zes
vrouwen behoeft te behandelen met iets dat lijkt op rechtvaardigheid
en menschelijkheid; in het andere geval dringt de wet er op aan, dat
hij zijn verplichtingen zal nakomen jegens al de zes vrouwen. Het is
een zeer belangrijk onderscheid, en er behoorde geen kwestie over te
zijn, welke staat van zaken moreel is en welke immoreel. Het is geen
zaak, die den staat aangaat, te onderzoeken met hoeveel personen een
man of een vrouw sexueele betrekkingen wenscht te onderhouden; het is
een persoonlijke zaak, die wel invloed kan hebben op hun eigen fijnere
geestelijke ontwikkeling, maar waarvan het voor den staat onbeschaamd
is er binnen te gluren. Het is echter de zaak van den staat, in het
gemeenschappelijk belang en in dat van zijn leden, er op te letten,
dat er geen onrechtvaardige dingen gedaan worden.
Maar hoe met de kinderen? Dat is noodzakelijk een zeer belangrijke
kwestie. De kwestie van de bepalingen, die voor de kinderen gemaakt
worden in gevallen van echtscheiding is er altijd een, waaraan de
staat zijn volle aandacht moet wijden, want alleen als er kinderen
zijn heeft de staat eenig werkelijk belang bij de zaak.
Er was een tijd, toen er zelfs door sommigen verondersteld werd
dat het bestaan van kinderen een ernstig argument was tègen het
bevorderen van de echtscheiding. Nu wordt algemeen een redelijker
standpunt ingenomen. Er wordt in de eerste plaats erkend, dat een
zeer groot aantal paren, die echtscheiding zoeken, geen kinderen
hebben. In Engeland is de verhouding ongeveer veertig percent; in
sommige andere landen is ze ongetwijfeld nog grooter. Maar zelfs
als er kinderen zijn, dan kan niemand, die zich duidelijk voor oogen
stelt hoe de toestanden zijn in families, waar de ouders gescheiden
moesten wezen, maar het niet zijn, eenigen twijfel hebben of die
toestanden zijn buitengewoon slecht voor de kinderen. De spanning
tusschen de ouders neemt energie in beslag, die gewijd moest zijn aan
de kinderen. Het zien van het verdriet of de twisten van hun ouders
werkt demoraliseerend op de kinderen en is gewoonlijk fnuikend voor
hun respect voor hen. Op zijn best is het hinderlijk bedroevend
voor de kinderen. Een van de ouders, maar dan tot werkzaamheid
instaat, is veel beter voor een kind, dan twee ouders, die niet tot
werkzaamheid in staat zijn. Twee menschen, die samen in oneenigheid
leven--de eene van hen, zooals niet zelden het geval is, abnormaal of
zenuwziek--zijn niet geschikt om ouders te worden, en ook niet in den
besten toestand voor de voortplanting. Het is daarom niet alleen een
daad van rechtvaardigheid jegens het individu, maar een maatregel,
door de belangen van den staat geëischt, dat geen nieuwe burgers in
de gemeenschap gebracht zullen worden door zulke gebrekkige kanalen
[349]. Uit dit gezichtspunt zijn al de belangen van den staat aan de
zijde van vergemakkelijking van de echtscheiding.
Er is ten slotte nog een argument, dat dikwijls opgeworpen
wordt tegen het vergemakkelijken van de echtscheiding. Het
huwelijk, zegt men, is er ter bescherming van de vrouwen;
maak de echtscheiding gemakkelijker en de vrouwen zullen van die
bescherming beroofd worden. Klaarblijkelijk houdt dit argument geen
steek bij echtscheiding met wederzijdsch goedvinden. Zeker is het
noodzakelijk, dat echtscheiding alleen zal worden tot stand gebracht
onder omstandigheden, die in ieder individueel geval de goedkeuring
van de wet hebben verkregen, als rechtvaardig. Maar men moet zich
altijd herinneren, dat het essentieele feit van het huwelijk niet
van nature is, en nooit kunstmatig moet gemaakt worden, tot een
economische kwestie. Het is mogelijk--dat is een kwestie, die de
maatschappij zal hebben te overwegen--dat een vrouw betaald zal worden
omdat ze moeder is, op grond dat zij nieuwe burgers opvoedt voor den
staat. Maar noch de staat, noch haar man, noch iemand anders behoorde
haar te betalen voor het uitoefenen van haar huwelijksrechten. Het
feit, dat zulk een argument te berde kan gebracht worden toont aan,
hoe ver we nog verwijderd zijn van de gezonde biologische houding
jegens de sexueele verhoudingen. Even ongezond is de meening, dat
de maagdelijke bruid aan haar man met het huwelijk een belangrijk
kapitaal meebrengt, dat verbruikt wordt bij de eerste daad van
verkeer, en dat nooit weer terug gekregen kan worden. Dat is een
denkbeeld, dat is blijven voortbestaan in de beschaving, maar dat
tot de barbaarschheid en niet tot de beschaving behoort. Voor zoover
het eenige waarde heeft, ligt het binnen de sfeer van erotische
perversiteit, die niet in overweging kan gebracht worden bij het
schatten van moreele waarden. Voor de meeste mannen heeft echter in
ieder geval, of zij het weten of niet, de vrouw, die ingewijd is in
de geheimen van de liefde, een hoogere erotische waarde dan de maagd,
en men behoeft zich op dezen grond geen zorg te maken voor de vrouw,
die haar maagdelijkheid verloren heeft. Het is waarschijnlijk een
feit van beteekenis, dat deze ongerustheid over de bescherming van de
vrouwen door de beperking op de echtscheiding voornamelijk te berde
gebracht wordt door mannen en niet door vrouwen zelf. Een vrouw wordt
bij het huwelijk door de maatschappij en de wet beroofd van haar eigen
naam. Zij is tot zeer kort geleden verstoken geweest van haar recht
op haar eigen verdienste. Zij mist de meest intieme rechten op haar
eigen persoon. Zij wordt, onder bepaalde omstandigheden, van haar
eigen kind beroofd, zelfs als zij er niets verkeerds tegen gedaan
heeft. Het behoeft misschien nauwelijks verwondering te wekken, dat
zij niet bijzonder geneigd is de bescherming te waardeeren, die haar
gegeven wordt door haar het recht te onthouden zich van haar man te
laten scheiden. "O, neen, geen bescherming!" heeft een schitterende
Fransche schrijfster geschreven. "We zijn lang genoeg beschermd
geworden. De eenige bescherming, die men aan vrouwen kan geven is dat
men ophoudt haar te beschermen" [350]. Het schijnt wel een feit te
zijn, dat de echtscheidingsbeweging zich over het geheel ontwikkelt,
mèt die ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid van de vrouw,
die in het vorige hoofdstuk is nagegaan; en waar de echtscheiding
het vrijste is, daar nemen de vrouwen de hoogste positie in.
Als we den aard en de richting van de moderne echtscheidingsbeweging
in het oog vatten, merken we duidelijk op, dat de eindneiging van
die beweging is, zichzelf uit te wisschen.
Hoe noodzakelijk het echtscheidingsgerechtshof geweest is als
onvermijdelijk gevolg van een onmogelijke kerkelijke opvatting van
het huwelijk, nú is er geen instelling, die leelijker, en meer
vreemd aan de instinctieve gevoelens, door een mooie beschaving
voortgebracht, en meer tegenovergesteld aan de waardigheid van de
vrouwelijkheid is [351]. Het verdwijnen van deze instelling en het
ontstaan in plaats daarvan van persoonlijke bepalingen, een soort
contracten, vooral als er kinderen zijn om onder wettig en zoo noodig
rechterlijk toezicht voor te zorgen, is, en is altijd geweest, het
natuurlijk resultaat van het bereiken van een eenigszins hoog stadium
van beschaving. Het echtscheidingsgerecht is niets dan een phase
geweest in de geschiedenis van het moderne huwelijk, en een phase,
die werkelijk stuitend is geweest voor allen, die het aanging. Men
behoeft haar eindelijk verdwijnen met niets anders dan tevredenheid
te beschouwen. Ze was alleen maar het gevolg van een kunstmatige
opvatting van het huwelijk. We moeten nu tot de beschouwing van die
opvatting terugkeeren.
We hebben gezien, dat, toen de Katholieke ontwikkeling van de oeroude
opvatting van het huwelijk als een sacrament, langzaam gevormd en
weer versteend door de vernuftigheid van de Canonisten, ten slotte
in naam onttroond, maar niet vernietigd werd door de beweging, die
met de Hervorming samenging, ze vervangen werd door de opvatting van
het huwelijk als een contract. Deze opvatting als contract vindt nog
heden een grooten aanhang onder ons.
Er moeten altijd implicite of explicite contractselementen zijn in
een huwelijk; dat werd zelfs duidelijk erkend door de Canonisten. Maar
als we het huwelijk als een contract behandelen, en als niets dan een
contract, dan moeten we inzien, dat we een zeer eigenaardigen vorm van
contract ingesteld hebben, een, dat niet zooals andere contracten,
verbroken kan worden op verzoek van de partijen, die het gesloten
hebben, maar dat alleen ontbonden kan worden als een soort van straf
voor misdrijf eer dan als de zelf gewilde vernietiging van een verbond
[352]. Toen de Protestantsche Hervormers beslag legden op het denkbeeld
van het huwelijk als contract, werden ze niet geïnfluenceerd door
eenige met redenen omkleede ontleding van de eigenaardigheden van
een contract; zij wenschten alleen maar een aannemelijken grond te
vinden, zooals die reeds zelfs door de Canonisten was aangenomen,
om bepaalde zijden van de huwelijksvereeniging te bemantelen, waarop
zij zouden kunnen verklaren, dat het huwelijk een wereldlijke en niet
een kerkelijke zaak is, een burgerlijke band en niet een sacramenteel
proces [353].
Zooals zooveel in den Protestantschen opstand, lag de kracht van deze
houding in het feit, dat ze een protest was, dat aan zijn negatieve
zijde gebaseerd was op verstandige en natuurlijke gronden. Maar terwijl
het Protestantisme gelijk had in zijn poging--want het was alleen
maar een poging--om het gezag van de canonieke wet niet te erkennen,
was die poging aan den positieven kant volkomen onbevredigd. Feitelijk
is het huwelijk nooit een werkelijk contract geweest en evenmin is er
ooit een poging gedaan om het in een werkelijk contract te veranderen.
Verschillende schrijvers hebben het huwelijk behandeld als een
werkelijk contract of beweerd, dat het veranderd moest worden in
een werkelijk contract. Mevr. Caird bijvoorbeeld ("The Morality of
Marriage", Fortnightly Review, 1890) meent, dat, als het huwelijk
werkelijk een contract wordt, "een paar hun overeenkomst moeten
opstellen, of die taak opdragen aan hun vrienden, zooals nu
gewoonlijk gedaan wordt met huwelijksvoorwaarden. Zij komen
overeen om zoo of zoo te leven, en maken zekere bepalingen
binnen de grenzen van het wetboek". De staat, zegt zij, moest
echter een tusschentijd eischen tusschen de aankondiging van de
echtscheiding en de echtscheiding zelf, als die nog gewenscht
wordt, nadat deze tusschentijd verstreken is. Evenzoo dringt in
de Vereenigde Staten Dr. Shufeldt ("Needed Revision of the Laws
of Marriage and Divorce", Medico-Legal Journal, Dec. 1897) er op
aan, dat het huwelijk geheel in handen moet gesteld worden van de
rechtsgeleerden en "gemaakt tot een burgerlijk contract, uitvoerig
in bijzonderheden, en termen bepalende voor echtscheiding, in
geval een ontbinding van het contract later vereischt wordt". Hij
voegt er bij, dat medische attesten van vrij zijn van geërfde of
verkregen ziekte moesten geëischt worden, en dat ook behoorlijk
geregelde proefhuwelijken behoorden ingesteld te worden.
In Frankrijk was een afgevaardigde van de Kamer er in 1891 zoo
van overtuigd, dat het huwelijk een contract is, evenals ieder
ander contract, dat hij verklaarde dat "muziek te maken bij het
voltrekken van een huwelijk even belachelijk is als het zijn zou om
een tenor te laten komen bij een notaris om den verkoop te vieren
van brandhout". Hij dacht er heel anders over dan Pepys, die,
een paar eeuwen vroeger even verontwaardigd geweest was over de
afwezigheid van muziek bij een bruiloft, hetgeen, naar hij zeide,
deze deed gelijken op het paren van een paar honden.
Een veel voorkomende eisch van hen, die er op aandringen, dat
het huwelijk moet beschouwd worden als een contract, is het
huwelijk aangegaan voor den tijd van eenige jaren. Er konden
in het oude Japan huwelijken aangegaan worden voor den tijd
van vijf jaar of minder, en men zegt, dat zij aan het einde van
dien tijd bijna nooit ontbonden werden. Goethe laschte in zijn
Wahlverwandtschaften (deel I, hoofdstuk X) als bijomstandigheid
een voorstel in om huwelijken aan te gaan voor den tijd van
vijf jaar, en hechtte veel waarde aan het verlengen van het
huwelijk na dien tijd zonder uiterlijken dwang. (Bloch meent,
dat Goethe waarschijnlijk gehoord had van de Japansche gewoonte,
Sexual Life of Our Time, p. 241). Ook Professor E. D. Cope ("The
Marriage Problem", Open Court, Nov. 15 en 22, 1888), raadde,
om het huwelijk uit de sfeer van de caprice te verwijderen
en een volledigen en behoorlijken proeftijd toe te staan, aan
"een systeem van burgerlijke huwelijkscontracten, die over een
bepaalden tijd zullen loopen. Deze contracten moesten van dezelfde
waarde zijn en dezelfde uitwerking hebben als het bestaande
huwelijkscontract. De tijdgrenzen behoorden snel toe te nemen,
om te voorkomen dat vrouwen van rijper jaren zonder steun zouden
zijn. Het eerste contract zou niet korter moeten duren dan vijf
jaar, om ruimschoots gelegenheid te geven tot kennismaking en tot
het oplossen van tijdelijke oneenigheden". Dit eerste contract,
meende Cope, moest geëindigd kunnen worden op wensch van een
der twee partijen; het tweede contract, voor tien of vijftien
jaar, moest alleen geëindigd kunnen worden op den wensch
van beide partijen, en het derde zou duurzaam moeten zijn en
onontbindbaar. Ook George Meredith, de bekende romanschrijver,
heeft in veel later tijd den wensch uitgesproken, dat huwelijken
zouden worden aangegaan voor den tijd van een zeker aantal jaren.
Het kan echter niet gezegd worden, dat huwelijken voor den tijd
van een zeker aantal jaren een zeer bevredigende oplossing bieden
voor de moeilijkheden, die zich tegenwoordig voordoen. Zij zullen
niet aanbevelenswaardig toeschijnen aan jonge menschen, die van
elkaar houden, en die meenen, dat hun liefde eeuwig zal duren,
en ook is er, zoolang de vereeniging bevredigend blijkt te zijn,
geen noodzakelijkheid om het storende denkbeeld van een wettig
einde van het contract in te voeren. Aan den anderen kant is het,
als de vereeniging ongelukkig blijkt te zijn, niet verstandig,
aan te dringen op de voortzetting, tien of zelfs maar vijf
jaar lang van een ledigen vorm, die niet overeenkomt met een
werkelijke huwelijksvereeniging. Zelfs als het huwelijk op de
meest prozaïsche basis wordt geplaatst van contract, is het een
vergissing en zelfs een onmogelijkheid, om van tevoren den duur
ervan te bepalen. Het systeem van het van te voren vaststellen van
den duur van het huwelijk voor een tijd van eenige jaren berust
op precies hetzelfde principe als het systeem om het van te voren
voor het leven vast te stellen. Hetzelfde bezwaar er tegen is
van kracht, nl. dat het niet is overeen te brengen met eenige,
het leven rakende verhouding. Naarmate de eisch van levende
werkelijkheid in de maatschappelijke verhoudingen aangroeit,
wordt dit feit meer en meer gevoeld. Wij zien precies dezelfde
verandering bij het systeem van het opleggen van vooraf bepaalde
vonnissen voor gevangenisstraf voor misdadigers. Het zenden van een
man naar de gevangenis voor vijf jaar of voor het leven, zonder in
het minst te denken aan het onbekende probleem van de op het leven
inwerkende reactie van de gevangenisstraf op den man--een reactie,
die verschillend zal zijn in ieder individueel geval--begint
langzamerhand beschouwd te worden als een absurditeit.
Als het huwelijk werkelijk op de basis van een contract geplaatst werd,
dan zou dat contract niet alleen geëindigd kunnen worden, zoodra de
twee personen, die het gesloten hebben, het wenschten, zonder dat er
eenige kwestie van misdadigheid ter sprake kwam, maar die partijen
zouden bij het begin zelf de voorwaarden bepalen, die het contract
zouden regelen. Maar niets kan meer ongelijk zijn aan ons werkelijke
huwelijk. Der twee partijen wordt verzocht elkaar aan te nemen als
man en vrouw; er wordt hun niet gevraagd om een contract te maken;
er wordt hun niet eens gezegd dat, hoe weinig ze het ook mogen weten,
zij in werkelijkheid een zeer gecompliceerd en uitgewerkt contract
hebben gesloten, een contract, dat opgesteld is naar regels, die,
voor het grootste gedeelte gemaakt werden twee duizend jaar voordat zij
geboren waren. Als zij de wet niet bestudeerd hebben, weten zij ook in
het geheel niet, dat dit contract paragrafen bevat, die onder sommige
omstandigheden fataal kunnen zijn voor een van beide partijen. Alles
wat er gebeurt is, dat een jong paar, misschien maar weinig meer
dan kinderen, voor het oogenblik verblind door hun gevoel, voor den
geestelijke of den ambtenaar van den burgerlijken stand verschijnt,
om zich voor het leven te binden, terwijl ze niets van de wereld
weten en bijna niet meer van elkaar, terwijl ze niets weten van de
huwelijkswetten, soms zelfs niet eens dat er huwelijkswetten zijn,
en terwijl ze zich nooit klaar voor oogen gesteld hebben, dat--zooals
naar waarheid gezegd is--van de plaats, die zij onder een guirlande
van bloemen betreden, er aan deze zijde van het graf geen andere
uitgang is dan door het valluik van een riool [354].
Als een vrouw trouwt, geeft zij het recht op haar eigen
persoonlijkheid op. Zoo kan, volgens de Engelsche wet, een
man "niet schuldig zijn aan verkrachting van zijn wettige
vrouw". Stephen, die in de eerste uitgave van zijn Digest of
Criminal Law, meende, dat een man onder sommige omstandigheden
veroordeeld kon worden wegens verkrachting van zijn vrouw, heeft
die opinie teruggenomen. Een man kan een prostituée verkrachten,
maar hij kan zijn vrouw niet verkrachten. Als zij eens haar
toestemming gegeven heeft tot sexueelen omgang door de daad van
het huwen met een man, dan heeft ze die voorgoed gegeven, welke
nieuwe omstandigheden zich ook mogen voordoen, en hij behoeft haar
toestemming niet te vragen voor sexueelen omgang, zelfs niet als
hij weet, dat hij lijdende is aan venerische ziekte (zie b.v.,
een artikel over "Sex Bias", Westminster Review, Maart 1886).
De plicht van een vrouw om aan haar man "huwelijksrechten" toe
te staan is een andere kant van haar wettelijke onderwerping
aan hem. Zelfs in de negentiende eeuw werd een dame van goede
familie uit Suffolk in de Ipswich gevangenis vele jaren lang
gevangen gehouden tot haar dood en gevoed met water en brood,
hoewel ze aan verschillende ziekten leed, alleen omdat ze niet
wilde gevolg geven aan een vonnis, dat eischte, dat zij haar man
huwelijksplichten zou bewijzen. Ongetwijfeld is de moderne neiging,
hoewel ze maar langzaam voortschrijdt, tégen het toepassen van
dwang op den man of de vrouw, om "huwelijksrechten" te verleenen;
en sedert het geval Jackson is het in Engeland voor een man niet
mogelijk zijn vrouw met geweld te dwingen om met hem te leven. Deze
neiging is nog meer uitgesproken in de Vereenigde Staten; zoo
besliste het hoogste gerechtshof in Iowa, eenige jaren geleden,
dat buitensporig eischen van coïtus wreedheid vormde in een mate,
die echtscheiding rechtvaardigde (J. G. Kiernan, Alienist and
Neurologist, Nov. 1906, p. 466).
Het geringe eigendomsrecht van de vrouw over haar persoon is niet
beperkt tot de sexueele sfeer, maar strekt zich zelfs uit over haar
recht op het leven. In Engeland beging een vrouw vroeger, als ze
haar man doodde, de zeer ernstige misdaad van "petit treason" en
nog heden noemt men die misdaad moord. Maar, als een man zijn vrouw
doodt en in staat is haar echtbreuk te bewijzen en zijn jaloezie,
dan pleegt hij alleen maar manslag. (In Frankrijk, waar jaloezie
met buitengewone toegevendheid beschouwd wordt, wordt zelfs een
vrouw, die haar man gedood heeft, dikwijls vrijgesproken).
Men moet echter niet meenen, dat al de wettelijke ongelijkheden,
die het huwelijk met zich brengt, ten gunste van den man zijn. Een
groot aantal onbillijkheden worden ook den man aangedaan. De man,
bijvoorbeeld, is wettig verantwoordelijk voor de lasteringen,
die zijn vrouw zegt, en hij is wettelijk ook verantwoordelijk
voor het bedrog, dat zij pleegt, zelfs als zij afgezonderd van
hem leeft. (Dit werd, bijvoorbeeld, gemeend door een Engelschen
rechter in 1909; "hij kon alleen zeggen, dat het hem speet, want
het scheen een moeilijk geval. Maar zoo was de wet"). Belfort
Bax heeft vooral in den laatsten tijd den nadruk gelegd op de
moeilijkheden, door de Engelsche wet op zulke wijzen als deze,
opgelegd. Er kan geen twijfel aan zijn, dat het huwelijk, zooals
het tegenwoordig is ingericht, ernstige nadeelen meebrengt voor
den man zoowel als voor de vrouw.
Het huwelijk is dus, niet alleen geen contract in den waren zin
[355], maar in den eenigen zin, waarin het een contract is, is het
een contract van een buitengewoon slechte soort. Toen de Canonisten de
oude opvatting van het huwelijk als een koopcontract vervingen door hun
sacramenteele huwelijk, bewerkten zij in vele opzichten een werkelijke
vooruitgang, en de terugkeer tot het denkbeeld van een contract blijkt,
zoodra de tijdelijke waarde ervan als een protest opgehouden heeft,
geheel buiten harmonie te zijn met ons tegenwoordig stadium van
beschaving. Het werd weer in het leven geroepen in de dagen, vóór de
opstand tegen de slavernij begonnen was. Persoonlijke contracten zijn
niet in harmonie met onze moderne beschaving en onze denkbeelden over
individueele vrijheid. Een man kan zich niet meer door een contract als
slaaf binden, of zijn vrouw verkoopen. Toch behoort het huwelijk, als
contract beschouwd, tot precies dezelfde klasse als deze handelingen
[356]. In ieder hoog stadium van beschaving wordt dit feit duidelijk
erkend, en jonge paren mogen zich niet eens onvoorwaardelijk door
contracten aan het huwelijk binden. Wij zien dit, bijvoorbeeld,
in de wijze wetgeving van de Romeinen. Zelfs onder de Christelijke
keizers werd dit gezonde principe gehandhaafd en de wetgever Paulus
schreef [357]: "Het huwelijk was zoo vrij, volgens de oude opvatting,
dat zelfs overeenkomsten tusschen de partijen om niet van elkaar te
scheiden geen geldigheid konden hebben". Voor zoover het wezen van
de huwelijksverhoudingen en niet eenige bijkomstige omstandigheid
tot een contract gemaakt wordt, is het een contract van een soort
waartoe de twee partijen, die het aangaat, niet bevoegd zijn om het
aan te gaan. Biologisch en psychologisch kan het niet geldig zijn
en met den groei van de beschaving heeft men het uitdrukkelijk voor
ongeldig verklaard.
Want, er kan geen twijfel aan zijn, het intieme en essentieele feit van
het huwelijk--de verhouding van sexueele gemeenschap--is geen contract
en kan dat ook niet zijn. Het is niet een contract, maar een feit;
het kan niet bewerkt worden alleen door een daad van den wil aan de
zijde van de partijen, die het aangaan; het kan niet in stand gehouden
worden alleen door een daad van den wil. Zulk een contract te willen,
is het opvoeren van een erger dan zedelooze klucht. Zeker zijn vele
van de omstandigheden van het huwelijk met recht het onderwerp van
een contract, dat vrijwillig en met opzet aangegaan moet worden door
de partijen. Maar het wezenlijke feit van het huwelijk--een liefde,
sterk genoeg om de meest intieme van alle verhoudingen mogelijk en
wenschelijk te maken een onbepaald aantal jaren door--dat kan niet
gemaakt worden tot het onderwerp van een contract. Zoowel uit physiek
oogpunt, als uit psychisch oogpunt kan met geen mogelijkheid een
bindend contract gemaakt worden--en als een contract niet bindend is,
dan is het waardeloos. En het maken van zulke pseudo-contracten over
de toekomst van een huwelijk, vóór er zelfs is vastgesteld of het
huwelijk wel ooit een feit kan worden, is niet alleen onmogelijk,
het is belachelijk.
Het is natuurlijk waar, dat deze onmogelijkheid, deze belachelijkheid
nooit zichtbaar zijn voor de partijen, die het contract maken. Zij
hebben op de zaak toegepast àl de zeer beperkte proeven, die hun door
de conventie zijn toegestaan, en de bevredigende resultaten van deze
proeven, te zamen met het bewustzijn, dat zij een enorme en schijnbaar
onuitputtelijke bron van liefde bezitten, schijnt hun toe voldoende
te zijn tot het nakomen van het contract het geheele leven door,
zoo niet in eeuwigheid.
Als kind van zeven jaar bevond ik mij op een half-tropisch eiland
van de Stille Zuidzee, dat uit het binnenland van vruchten voorzien
werd, vooral van druiven; een donkerkleurige vrouw van de markt bood
dagelijks aan den kleinen Engelschman een groote tros druiven aan. Maar
er kwam een dag, waarop de aangeboden tros beslist geweigerd werd; de
overdaad van druiven had een reactie teweeg gebracht van walging. Een
tijdsverloop van bijna veertig jaren was noodig om den tegenzin tegen
druiven, aldus opgedaan, weer kwijt te raken. Toch kan er geen twijfel
aan bestaan, dat, als men, aan dien jongen op den leeftijd van zes jaar
had gevraagd om een contract te teekenen, dat hem er toe zou binden
om iederen dag druiven aan te nemen, om ze altijd bij zich te houden,
en er iederen dag van te genieten, dat hij dan dat contract even
vroolijk geteekend zou hebben als een stralende bruidegom of zedige
bruid het register in de kerkekamer teekent. Maar is het gemakkelijker
aan een man of vrouw, met onbekende hoedanigheden, die veranderen
of ontaarden kunnen, en met een onnoemelijk aantal geschiktheden om
kwellingen op te leggen of walging op te wekken, gebonden te zijn,
dan aan een heerlijke vrucht? Nog geen der landen van de wereld,
waarin de subtiele invloed van de canonieke wet van het Christendom
zich nog doet voelen, heeft de algemeene waarheid begrepen, die binnen
de praktische ondervinding ligt van een kind van zeven jaar [358].
Het denkbeeld, dat zulk een verhouding als die van het huwelijk op
een zoo zwakke basis kan berusten als een van tevoren opgesteld
contract, is natuurlijk nooit in ruimen kring in zijn uitersten
vorm van kracht geweest en was in vele deelen van de wereld
volkomen onbekend. De Romeinen verwierpen het, zooals we weten,
in duidelijke woorden, en erkenden zelfs op een tamelijk vroeg
tijdstip de wettigheid van het huwelijk door usus, waarmee ze
inderdaad verklaarden, dat het huwelijk een feit moet zijn en
niet alleen maar een vorm zonder inhoud. Er is een vèrverspreide
wettelijke neiging geweest, vooral waar de tradities van de
Romeinsche wet eenigen invloed hebben behouden, om de cohabitatie
van het huwelijk te beschouwen als het wezenlijke feit van de
verhouding. Het was een oude regel zelfs in de Katholieke kerk,
dat het huwelijk aangenomen kon worden van de cohabitatie af
(zie b.v. Zacchia, Questionum Medico-legalium Opus, uitgave van
1688, deel III, p. 234). Zelfs in Engeland behoort de cohabitatie
reeds tot de dingen, die aangenomen worden ten gunste van het
bestaan van een huwelijk (hoewel ze niet noodzakelijk op zich
zelf beschouwd wordt als voldoende), mits de vrouw van onbevlekt
karakter is, en niet een gewone prostituée blijkt te zijn. (Nevill
Geary, The Law of Marriage, hoofdst. III). Als echter, volgens
de gerechtelijke uitspraak van Lord Watson in het geval Dysart
Peerage, een man zijn maitres mee naar een hotel neemt of met
haar naar een winkel van kindergoederen gaat en van haar spreekt
als zijn vrouw, dan wordt er aangenomen, dat hij zoo handelt
terwille van de zedelijkheid, en dit levert geen bewijs van een
huwelijk. In Schotland wordt het huwelijk op veel losser gronden
aangenomen dan in Engeland. Dit kan in verband gebracht worden
met de diep-gewortelde gewoonte in Schotland van huwelijk door
wederzijdsche toestemming. (Geary, op. cit., hoofdst. XVIII;
vergelijk Howard, Matrimonial Institutions, deel I, p. 316).
In het geval Bredalbane (Campbell v. Campbell, 1867), hetgeen
van groot belang was, omdat het ging om de opvolging van
de uitgestrekte bezittingen van den Markies van Bredalbane,
besliste het Huis der Lords, dat zelfs een connectie berustend
op echtbreuk, een huwelijksverhouding kan worden als ze ophoudt
echtbreuk te zijn, enkel door het feit van de toestemming der
partijen, zooals die blijkt uit gewoonte en gerucht, zonder dat
de noodzakelijkheid bestaat, dat het huwelijkskarakter van de
connectie aangeduid wordt door een publieke daad, of dat het
noodig is om den specialen tijd aan te wijzen, waarop deze
toestemming gewisseld werd. Deze beslissing is bevestigd in
het geval Dysart (Geary, loc. cit.; vergelijk C. G. Garrison,
"Limits of Divorce", Contemporary Review, Feb., 1894). Evenzoo,
naar beslist is door Rechter Kekewich in het geval Wagstaff 1907,
moeten, als een man geld nalaat aan zijn "weduwe", op voorwaarde,
dat zij nooit weer trouwen zal, hoewel hij nooit met haar getrouwd
geweest is, en hoewel ze wettelijk met een anderen man getrouwd is,
de bedoelingen van den testamenteur nagekomen worden. Garrison
zegt, in zijn bespreking van dit gezichtspunt van het wettig
huwelijk (loc. cit.), met kracht, dat bij de Engelsche wet het
huwelijk een feit is en niet een contract, en dat, waar "een gedrag
gekarakteriseerd door doel en duurzaamheid van samenleven" bestaat,
er wettelijk een huwelijk bestaat, en dat het huwelijk alleen maar
"een naam is voor een bestaand feit".
In de Vereenigde Staten bestaat ook het huwelijk "door gewoonte
en gerucht" en het is in sommige staten zelfs bevestigd en
uitgebreid door de wet (J. P. Bishop, Commentaries, deel I,
hoofdst. XV). "Hoe de vorm van de ceremonie ook zij, en zelfs
als van iedere ceremonie afgezien werd", zeide rechter Cooley uit
Michigan, in 1875 (in een uitspraak, die als gezaghebbend door de
fæderale gerechtshoven aangenomen werd), "als de partijen op dit
oogenblik overeenkwamen om elkaar tot man en vrouw te nemen, en van
dien tijd af onloochenbaar in die verhouding leefden, dan zou het
bewijs van deze feiten voldoende zijn.... Dit is de gevestigde leer
geweest van de Amerikaansche gerechtshoven". (Howard, op. cit.,
deel III, pp. 177 et seq. Drie en twintig staten sanctionneeren
het huwelijk volgens het gewoonterecht, terwijl achttien iedere
niet vormelijke overeenkomst verwerpen).
Deze wettelijke erkenning door de hoogste rechterlijke
autoriteiten, zoowel in Engeland als in de Vereenigde Staten,
dat het huwelijk in zijn wezen een feit is, en dat geen bewijs van
eenigen vorm van ceremonie vereischt wordt voor de meest volledige
wettelijke erkenning van het huwelijk, brengt ontwijfelbaar zeer
belangrijke verwikkelingen met zich mee. Het werd duidelijk, dat de
hervorming van het huwelijk mogelijk is zelfs zonder verandering
in de wet en dat fatsoenlijke sexueele verhoudingen, zelfs als
ze aangegaan zijn zonder eenigen wettelijken vorm, reeds volle
recht hebben op wettige erkenning en bescherming. Er zijn echter,
we behoeven dit hier nauwelijks bij te voegen, andere overwegingen,
die een hervorming langs dezen weg onvolkomen maken.
Zoo bestaat de neiging, dat met den groei van de beschaving het
opvatten van het huwelijk als een contract meer en meer in discrediet
geraakt. Aan den anderen kant wordt erkend, dat persoonlijke contracten
niet in harmonie zijn met onze algemeene en maatschappelijke houding,
want, als wij het denkbeeld verwerpen, dat een menschelijk wezen zich
bij contract mag verkoopen als slaaf, hoeveel te meer moeten we dan
het denkbeeld verwerpen, dat menschen een contract zouden aangaan voor
de nog intiemere verhouding van een getrouwd man of getrouwde vrouw;
aan den anderen kant voelt men, dat het denkbeeld van van tevoren
opgemaakte contracten in een zaak, waarover het individu zelf geen
contrôle heeft, volkomen onwerkelijk is en als er strenge regels van
billijkheid heerschen, noodzakelijk van geen waarde. Het is waar, dat
er nog voortdurend schrijvers gevonden worden, die hun denkbeelden
verkondigen over de plichten of de voorrechten, die vervat zijn in
het "contract" van het huwelijk, en die de beteekenis van het woord
"contract" in dezen zin niet meer analyseeren dan de Hervormers deden;
maar men kan ternauwernood zeggen, dat deze schrijvers verder gekomen
zijn dan het alphabet van het onderwerp, waarover ze leerstellingen
verkondigen.
Het overbrengen van het huwelijk van de Kerk naar den Staat,
hetgeen wij in de landen, waar het 't eerst voorkwam danken aan het
Protestantisme, en in de Engelsch sprekende landen voornamelijk aan het
Puritanisme, had, terwijl het een noodzakelijk stadium was, ongelukkig
het gevolg, dat het de sexueele verhoudingen verwereldlijkte. Dat is te
zeggen, dat het 't verheven element in de liefde, dat in werkelijkheid
het essentieele deel van zulke verhoudingen is, negeerde, en dat het
alle aandacht concentreerde op die vormelijke en toevallige deelen
van het huwelijk, die alleen op een strenge en nauwkeurige wijze
behandeld kunnen worden, en die eigenlijk alleen het onderwerp kunnen
vormen van contracten. De canonieke wet, hoe fantastisch en onmogelijk
zij ook in vele van haar ontwikkelingen werd, drong tenminste aan op
het natuurlijke en werkelijke feit van het huwelijk als bovenal een
lichamelijke vereeniging, terwijl ze, terzelfder tijd dat huwelijk
niet beschouwde als enkel een wereldlijk zakelijk contract, maar
als een geheiligde en verheven functie, een goddelijk feit, en het
symbool van het goddelijkste feit van de wereld. Tegenwoordig komen
we terug tot de opvatting van de Canonisten over het huwelijk op een
hooger en vrijer plan, wij komen terug tot de verheven beschouwing
van de canonieke wet, terwijl we toch het individualisme behouden,
hetwelk de Puriteinen ten onrechte meenden dat zij konden verkrijgen
op de basis van verwereldlijking, terwijl wij verder erkennen,
dat de geheele zaak behoort tot de persoonlijke sfeer van moreele
verantwoordelijkheid. Zooals Hobhouse, toen hij de geschiedenis van de
ontwikkeling der moderne huwelijks-opvatting naging, terecht gezegd
heeft, het sacramenteele denkbeeld van het huwelijk is weer voor den
dag gekomen, maar op een hooger niveau; "van een sacrament in den
magischen zin is het een sacrament in den ethischen zin geworden". Zoo
zullen wij komen, hoewel wij het wettelijk nog niet bereikt hebben,
tot het huwelijk, gevormd en in stand gehouden door wederzijdsche
toestemming, "een vereeniging tusschen twee vrije en verantwoordelijke
personen, waarbij de wettelijke rechten van beide verzekerd worden"
[359].
Sommigen meenen, dat men, als men het huwelijk beschouwt als een
sacrament, dan ook noodzakelijk het oude Katholieke gezichtspunt
moet aannemen, dat belichaamd is in de canonieke wet, dat het
huwelijk onontbindbaar is. Dat is echter een vergissing. Zelfs de
Canonisten hebben nooit een samenhangende en steekhoudende reden
kunnen opgeven voor de onontbindbaarheid van het huwelijk; die
zich met eenigen grond kon aanbevelen, terwijl Luther en Milton
en Wilhelm von Humboldt, die den godsdienstigen en heiligen
aard van de sexueele vereeniging staande hielden--hoewel ze
voorzichtig waren met het gebruiken van het woord "sacrament"
met het oog op wat er in de kerk onder begrepen wordt--wel verre
van te meenen, dat de heiligheid ervan onontbindbaarheid in zich
sloot, in den tegenovergestelden zin spraken. Dit gezichtspunt kan
zelfs van zuiver Protestantsch standpunt verdedigd worden. "Ik
meen", zegt Mr. G. C. Maberly, "dat de definitie van het Prayer
Book van een sacrament "als een uiterlijk en zichtbaar teeken
van een innerlijke en geestelijke genade", algemeen aangenomen
wordt. In het huwelijk zijn de wettige en physieke vereenigingen
de uiterlijke en zichtbare teekenen, terwijl de innerlijke en
geestelijke genade is de door God gegeven liefde, die maakt,
dat de vereeniging van hart en ziel is: en juist omdat ik dit
gezichtspunt over het huwelijk inneem, meen ik, dat de wettige
en physieke vereeniging moest verbroken worden, telkens als de
geestelijke vereeniging van onzelfzuchtige, goddelijke liefde en
toegenegenheid opgehouden heeft te bestaan. Het schijnt mij toe,
dat de sacramenteele beschouwing van het huwelijk ons dwingt te
zeggen, dat zij, die de wettelijke en lichamelijke vereeniging
voortzetten als de geestelijke vereeniging opgehouden heeft te
bestaan, bezig zijn--om nog eens uit het Prayer Book woorden aan te
halen, die van toepassing zijn op hen, die het uiterlijke teeken
nemen van een ander sacrament, als de innerlijke en geestelijke
genade niet aanwezig is--"hun eigen verdoemenis te eten"."
Als we van het standpunt, dat we nu bereikt hebben, terugzien op de
echtscheidingskwestie, dan zien we, naarmate de moderne wijzen van
beschouwing van de moderne huwelijksverhoudingen duidelijker door
de gemeenschap beginnen erkend te worden, dat die kwestie enorm
vereenvoudigd zal worden. Als het huwelijk niet enkel een contract
is, maar een wijze van zich gedragen, en zelfs een heilige daad,
is het vrije deelnemen van beide partijen noodig om het in stand
te houden. Het denkbeeld in te voeren van misdaad en straf bij de
echtscheiding, het aanmoedigen van wederzijdsche beschuldigingen,
het aan de wereld openbaren van de geheimen van het hart of van de
zinnen, is niet alleen immoreel, het is ten eenenmale misplaatst. In
de kwestie: wanneer een huwelijk opgehouden heeft een huwelijk te
zijn, kunnen de twee betrokken partijen alleen de opperste rechters
zijn; de Staat, als de Staat er bij geroepen wordt, kan alleen de
uitspraak opteekenen, die zij doen, en kan er alleen op letten, dat
er geen onrechtvaardigheid geschiedt bij het ten uitvoer brengen van
de uitspraak [360].
Toen we in het vorige hoofdstuk de richting bespraken, waarin
de sexueele moraal neiging heeft zich te ontwikkelen met de
ontwikkeling van de beschaving, kwamen we tot de conclusie, dat ze
in haar hoofdlijnen vooral persoonlijke verantwoordelijkheid in zich
sloot. Een verhouding, die onder natuurvolken vastgelegd is door
een maatschappelijke gewoonte, die niemand durft te breken, en op
een hooger trap van beschaving door vormelijke wetten, die naar de
letter moeten opgevolgd worden, zelfs als ze gebroken worden naar den
geest, wordt langzamerhand overgebracht in de sfeer van individueele
moreele verantwoordelijkheid. Zulk een overdracht heeft natuurlijk
geen beteekenis, en is zelfs onmogelijk, tenzij de toenemende kracht
van den moreelen band vergezeld gaat van een toenemende kracht van
den vormelijken band. Alleen door het losser maken van de kunstmatige
beperkingen kunnen de natuurlijke beperkingen hun volle heerschappij
uitoefenen. Dat proces heeft plaats op twee wijzen, voor een deel op
een basis van onverschilligheid voor het vormelijke huwelijk, die de
massa overal gekenmerkt heeft en ongetwijfeld teruggaat tot de tiende
eeuw voordat de overheersching van het kerkelijke huwelijk begon, en
voor een deel door de vooruitgaande wijziging van de huwelijkswetten,
die noodzakelijk gemaakt werden door de behoeften van de bezittende
klassen, die er op uit waren de staatserkenning van hun vereenigingen
te verzekeren. Het geheele proces is noodzakelijk een geleidelijk en
zelfs onmerkbaar proces. Het is niet mogelijk de bepaalde data vast te
stellen van de stadiën, waarlangs de Kerk de enorme revolutie bewerkte,
waardoor zij verkreeg en eindelijk aan den Staat overdroeg de volkomen
contrôle op het huwelijk, want die revolutie werd bewerkt zonder
inmenging van eenige wet. Het zal even moeilijk zijn het overgaan te
bemerken van de contrôle op het huwelijk van den Staat op de betrokken
individuen, en nog des te moeilijker omdat, hoewel het essentieele
en intieme persoonlijke feit van het huwelijk niet een eigenlijke
zaak is voor contrôle van den Staat, er toch bepaalde kanten zijn
aan het huwelijk, die zoo nauw de belangen van de gemeenschap raken,
dat de Staat verplicht is er op aan te dringen, dat ze opgeschreven
worden en om aandeel te nemen in de regeling ervan.
Er wordt soms gezegd, dat het resultaat van het losser maken van
de vormelijke gebondenheid van de huwelijksverhouding zou zijn een
neiging tot moreele laksheid. Zij, die dit zeggen, zien het feit
over het hoofd, dat laksheid neiging heeft haar maximum te bereiken
als resultaat van gebondenheid, en dat daar, waar de strenge enkel
uiterlijke autoriteit van een star huwelijk overheerschend is, de
uitersten van ongebondenheid het meest bloeien. Het is, om dezelfde
reden, ook ontwijfelbaar waar, dat ieder plotseling wegnemen van
beperkingen noodzakelijk een reactie met zich brengt naar het
tegenovergesteld uiterste van losbandigheid; een slaaf wordt niet
ineens veranderd in een zelfstandigen vrije. Toch moeten we ons
herinneren, dat de huwelijksorde bestond duizende jaren voordat
er eenige poging gedaan werd om ze door menschelijke wetgeving in
willekeurige vormen te kneden. Zulk een wetgeving was, naar we gezien
hebben, de poging van den menschelijken geest om de eischen van zijn
eigen instincten met meer nadruk te bevestigen. Maar het eindresultaat
ervan is, dat ze de instincten, die ze geïnspireerd hebben, eerder
verstikt en tegenhoudt dan dat zij ze bevordert. Het geleidelijk
verdwijnen ervan geeft aan de natuurlijke orde vrij baan [361].
De groote waarheid, dat dwang niet werkelijk een kracht is aan den
kant van de deugd, maar aan den kant van de ondeugd, is duidelijk
erkend geworden door het genie van Rabelais, toen hij van zijn
idealen maatschappelijken staat, de Abdij van Thelema, zeide,
dat er maar één paragraaf was in het geheele reglement: Fay ce
que vouldras. "Omdat" zeide Rabelais (Boek I, hoofdst. VII),
"vrije menschen, die van goede geboorte en wel opgevoed zijn, en
die zich in goede gezelschappen bewegen, van nature een instinct
hebben en een drang, die hen tot deugdzame daden dwingt en hen
van de ondeugd terughoudt. Indien deze zelfde menschen door
lage onderwerping en dwang ten onder gebracht zijn en ten onder
gehouden worden, dan keeren zij zich af van die edele gezindheid,
waarin ze vrijwillig geneigd waren tot de deugd, om dien band
der dienstbaarheid af te schudden en te verbreken". Zoo dat,
als een man en vrouw, die onder den regel van Thelema geleefd
hadden, elkander huwden, hun wederzijdsche liefde, naar Rabelais
ons vertelt, onverminderd voort zou duren tot den dag van hun dood.
Als het verlies van autonome vrijheid niet leidt tot losbandigen
opstand, loopt ze het tegenovergestelde gevaar en heeft
neiging om te worden een zwak zich verlaten op een uiterlijken
steun. De kunstmatige steun van de regeling van het huwelijk van
Staatswege gelijkt dan op den kunstmatigen steun van het lichaam,
die geleverd wordt door het dragen van het corset. De redenen
voor en tegen het aannemen van een kunstmatigen steun zijn in
beide gevallen dezelfde. Een corset geeft werkelijk een gevoel
van steun; het geeft zonder moeite een tamelijk bevredigend
uiterlijk van fatsoen; het is een werkelijke bescherming tegen
ongevallen. Maar de prijs, ten koste waarvan het dit voordeel
geeft, is groot, en de voordeelen zelf bestaan alleen maar onder
onnatuurlijke omstandigheden. Het corset belemmert den vorm en
de gezonde ontwikkeling van de organen; het verzwakt het stelsel
der vrije spieren; het is onbestaanbaar met volmaakte gratie
en schoonheid; het vermindert de som van de actieve energie,
Het oefent, om kort te gaan, dezelfde soort van invloed uit op
de physieke verantwoordelijkheid als het vormelijk huwelijk op
de moreele verantwoordelijkheid.
Het is maar al te dikwijls vergeten, en moet daarom herhaald
worden, dat getrouwde menschen niet te zamen blijven terwille van
den een of anderen godsdienstigen of wettelijken band; die band
is alleen maar het historisch gevolg van hun natuurlijke neiging
om tezamen te blijven, een neiging, die zelf veel ouder is dan de
geschiedenis. "De liefde zou nu nog in de wereld bestaan, even rein
en even duurzaam", zegt Shufeldt (Medico-Legal Journal, Dec. 1897),
"als de mensch nooit het "huwelijk" had uitgevonden. Waarlijk
verwante paren zouden elkander trouw gebleven zijn zoo lang
het leven duurde. Eerst als de menschen trachten de natuur te
verbeteren, treden misdaad, ziekte en ongeluk op". "Het afschaffen
van het huwelijk in den vorm, zooals die nu in praktijk gebracht
wordt", schreef Godwin meer dan een eeuw geleden (Political
Justice, tweede uitgave, 1796, deel I p. 248), "zal met geen
nadeelen gepaard gaan. Wij zijn geneigd het ons voor te stellen
als de voorbode van brutalen lust en verdorvenheid. Maar het
gebeurt in dit geval werkelijk, evenals in andere gevallen,
dat de positieve wetten, die gemaakt zijn om onze ondeugden in
bedwang te houden, die juist aanwakkeren en vermeerderen". En
waar Professor Law aandringt op de kracht van het monogamisch
gevoelen in de moderne maatschappij, merkt hij naar waarheid op
(International Journal of Ethics, Oct. 1896), dat de opstand
tegen strakke huwelijksbanden "in werkelijkheid berust juist op
het strakker maken van de ware banden van huwelijksgenegenheid,
te zamen met een redelijke en volkomen gepaste vastberadenheid
van den kant van het individu om, in een zoo belangrijke zaak,
niets minder dan het echte artikel aan te nemen". "Als op eenmaal",
zegt Professor Woods Hutchinson (Contemporary Review, Sept. 1905),
"alle huwelijksbanden, die nu bestaan, verbroken of voor onwettig
verklaard werden, dan zouden acht tiende van alle paren binnen
de acht-en-veertig uur hertrouwd zijn, en zeven tiende zouden
met bajonetten niet uit elkaar gehouden kunnen worden". Een
proef van deze soort op kleine schaal was in 1909 te zien in een
Engelsch dorp in Buckinghamshire. Er werd ontdekt dat de kerk
van het kerspel nooit vergunning gekregen had voor het sluiten
van huwelijken, en dat dus alle menschen, die in die kerk in de
laatste halve eeuw getrouwd waren, door geen wettig huwelijk
gebonden waren. Toch maakte, voor zoover als men te weten kon
komen, geen enkel van de paren, die zoo bevrijd waren van den
wettelijken dwang van het huwelijk, gebruik van de verkregen
vrijheid. Gezien zulk een feit is het werkelijk onmogelijk eenige
moreele waarde te hechten aan den vorm van het huwelijk.
Het is zeker onvermijdelijk, dat in een periode van overgang,
de natuurlijke orde tot zekere hoogte verstoord wordt door
het blijven bestaan, zij het dan in een verminderden vorm, van
uiterlijke banden, waarvan men bewust begint te erkennen, dat
ze vijandig zijn aan de gebiedende heerschappij van individueele
moreele verantwoordelijkheid. Dit kunnen we tegenwoordig duidelijk
opmerken. Een overgevoelige angst om te ontsnappen aan uiterlijken
dwang brengt met zich een onderschatten van de beteekenis van
persoonlijke beperking in de huwelijksverhouding. Iedereen
kent waarschijnlijk wel gevallen, waarin een paar jarenlang te
zamen zal leven zonder den wettigen huwelijksband aan te gaan,
niettegenstaande moeilijkheden in hun wederzijdsche verhouding,
die al lang aanleiding zouden hebben gegeven tot een scheiding van
tafel en bed of tot een echtscheiding, als zij wettig getrouwd waren
geweest. Als de moeilijkheden, die onafscheidelijk verbonden zijn aan
de huwelijksverhouding, gecompliceerd worden door de moeilijkheden,
die komen door uiterlijken dwang, dan slaat de ontwikkeling van de
moreele verantwoordelijkheid twee wegen in, en voert tot gevolgen,
die niet geheel bevredigend zijn. Dit heeft men gezien in de Vereenigde
Staten van Amerika en er is door Amerikaansche denkers reeds dikwijls
de aandacht op gevestigd. Het is natuurlijk voornamelijk in vrouwen
opgemerkt, omdat de nieuwe groei van persoonlijke vrijheid en moreele
verantwoordelijkheid zich onder de vrouwen voornamelijk heeft doen
gevoelen. Het eerste ontstaan van deze nieuwe impulsen, vooral als ze
samengaan, wat zoo dikwijls gebeurt, met onervarenheid en onwetendheid,
voert tot ontevredenheid met de natuurlijke orde, tot een eisch van
onmogelijke bestaansvoorwaarden, en tot een ongeschiktheid niet alleen
voor de willekeurige banden van de wet, maar zelfs voor de gezonde en
noodzakelijke banden van het menschelijk maatschappelijk leven. Het is
altijd een harde les voor jonge en idealistische menschen, dat wij,
om de natuur te beheerschen, haar moeten gehoorzamen; dit kan alleen
geleerd worden door aanraking met het leven en door het bereiken van
den vollen menschelijken wasdom.
Dr. Felix Adler vestigde (in een toespraak in de Society of
Ethical Culture in New-York, Nov. 17, 1889) de aandacht op wat
hij beschouwde als de diepst gewortelde oorzaak van een overmatig
voorkomen van echtscheiding in Amerika. "Het valsche denkbeeld van
individueele vrijheid wordt in Amerika algemeen aangenomen", en als
het wordt toegepast op het familieleven, voert het dikwijls tot
ongeduld met de plichten, die het individu òf door zijn geboorte
heeft gekregen òf vrijwillig op zich heeft genomen. "Ik ben
geneigd te gelooven, dat de veelvuldigheid van de echtscheiding
in geen geringe mate moet worden toegeschreven aan den invloed
van democratische denkbeelden--dat is van valsche democratische
denkbeelden--en onze hoop is gevestigd op een hoogere en meer
ware democratie". Een latere Amerikaansche auteur, ditmaal een
vrouw, Anna A. Rogers ("Why American Marriages Fail", Atlantic
Monthly, Sept., 1907) spreekt in denzelfden geest, misschien op
minder geschikte wijze. Zij zegt, dat echtscheidingen in Amerika
zooveel voorkomen om drie redenen: 1. het niet begrijpen van
de vrouw, dat het huwelijk haar werk is in de wereld; 2. haar
aangroeiend individualisme; 3. het verlies van de kunst om te
geven, die vervangen is door een zeer ontwikkelde neiging om
te ontvangen. De Amerikaansche vrouw, zegt deze schrijfster,
heeft bij het ontdekken van haar eigen individualiteit nog niet
geleerd hoe ze die beheerschen moet; die individualiteit is nog
"in hooge mate een nuttelooze, onrustige factor die haarzelf
even weinig vrede brengt als de in haar onmiddellijke nabijheid
levende personen". Haar omstandigheden hebben neiging van haar te
maken "een merkwaardig afwijkende bastaardvorm; een tusschending
tusschen een prachtigen, tamelijk ongemanierden jongen en een
bedorven veeleischende demi-mondaine, die in deze wereld van
niemand oprecht houdt dan van zichzelf alleen". Zij heeft nog
niet geleerd, dat het hoogste vrouwenwerk in de wereld alleen
bereikt kan worden door het vrijwillig aannemen van de beperkingen
van het huwelijk. Dezelfde schrijver voegt er bij, dat de fout
niet alleen berust bij de Amerikaansche vrouwen, maar ook bij de
Amerikaansche mannen. Hun vergoding van hun vrouwen is grootendeels
de oorzaak van die onverdraagzaamheid en zelfzucht, die de oorzaak
zijn van zooveel echtscheidingen; "Amerikaansche vrouwen worden,
als regel, buitensporig vertroeteld en vereerd". Maar de mannen,
die zich hiertoe leenen, voelen niet, dat zij hun vrouwen kunnen
behandelen met dezelfde kameraadschappelijkheid, waarmee de
Franschen hun vrouwen behandelen, of met hetzelfde vertrouwen
haar raad zoeken; de Amerikaansche vrouw is op een onwerkelijk
voetstuk geplaatst. Toch wijst een ander Amerikaansch schrijver
er op (Rafford Pyke, "Husbands and Wives", Cosmopolitan, 1902),
dat maar een klein deel der Amerikaansche huwelijken werkelijk
ongelukkig is, en dat dat voornamelijk in de meer beschaafde
standen voorkomt, waar de vrouwenbeweging ingang vindt; het komt
meer voor, dat de vrouw teleurgesteld is in het huwelijk dan de
man, en dit komt voornamelijk doordat zij niet in staat is haar
individualiteit, niet noodzakelijk ondergeschikt te maken aan,
maar te doen opgaan in een evenboortige met de zijne. "Het huwelijk
wordt tegenwoordig in zijn succes meer en meer afhankelijk van
de aanpassing aan omstandigheden, die psychisch zijn. Terwijl
het in vroegere generaties voldoende was, dat een vereeniging
physiek wederkeerig zou zijn, moet ze in onze eeuw ook psychisch
wederkeerig zijn. En terwijl vroeger de gemeenschap van de belangen
gemakkelijk bereikt werd, wordt dat nu veel moeilijker doordat
de vrouwen van tegenwoordig niet geneigd zijn haar afzonderlijke
persoonlijkheid te doen opgaan in die van haar man. En toch,
als zij dit niet doet, hoe kan ze dan een volkomen en volmaakte
belangstelling hebben in het te zamen leven, en hoe kan hij
dat hebben?"
Professor Münsterburg, de beroemde psycholoog, die zich op een
breeder standpunt plaatst in zijn vrijmoedige, maar waardeerende
studie van Amerikaansche instellingen, The Americans, wijst
er op, dat de invloed van de vrouwen op de moraal in Amerika
niet in alle opzichten bevredigend geweest is, in zooverre
ze neiging heeft gehad ondiepheid en oppervlakkigheid aan te
moedigen. "De Amerikaansche vrouw, die nauwelijks een greintje
opvoeding heeft", merkt hij op (p. 587), "is dadelijk klaar met
een oordeel over ieder mogelijk onderwerp... De aanmatiging van
dit vrouwelijk gebrek aan kennis is het symptoom van een diepen
trek in het vrouwelijk karakter en in de vrouwelijke ziel, en
wijst op gevaren, die voortkomen uit het overheerschen van de
vrouw in het intellectueele leven... En in geen ander beschaafd
land worden ethische opvattingen zoo verteerd door bijgeloof".
Zooals we gezien hebben wordt het huwelijk, volgens de moderne
opvattingen, als een vrijwillige vereeniging erkend, die door twee
vrije, gelijke, en moreel verantwoordelijke persoonlijkheden aangegaan
wordt; men beschouwt die vereeniging eer als een ethisch sacrament
dan als een contract, zoodat het in zijn wezen, als physieke en
geestelijke band buiten de sfeer van de handelingen van den staat
ligt. Het is noodig geweest dit punt uit te werken, voordat wij komen
aan wat aan velen een totaal er aan tegenovergesteld gezichtspunt
van het huwelijk zal toeschijnen. Als de huwelijksvereeniging zelf
geen zaak kan zijn voor een contract, zoo leidt ze toch natuurlijk
tot een feit, dat noodzakelijkerwijze een zaak is van een implicite
of explicite overeenkomst, een zaak bovendien, waarbij de gemeenschap
in haar geheel een werkelijk en gepast belang heeft: dat is het feit
van de voortplanting [362].
De oude Egyptenaren--bij wie de huwelijksinstellingen zoo elastisch
waren en de positie der vrouwen zoo hoog--erkenden een voorloopige en
lichte huwelijksband, met het doel de vruchtbaarheid te onderzoeken
[363]. Bij ons treft de wet zulke vaderlijke maatregelen niet,
zij laat aan de jonge paren zelf de verantwoordelijkheid over
voor alle eventueele proeven, een permissie, waarvan deze paren,
zooals we gezien hebben, in ruime mate gebruik maken, terwijl ze
gewoonlijk het wettelijk huwelijk sluiten vóor de geboorte van hun
kind. Die wettelijke band is de erkenning, dat het inleiden van een
nieuw individu in de gemeenschap niet, als de sexueele vereeniging,
uitsluitend een persoonlijk feit is, maar dat het een maatschappelijk
feit is, een feit, dat den staat wel moet aangaan. En hoe meer wij
onderzoek doen naar de neiging van de moderne huwelijksbeweging,
des te meer zullen we erkennen, dat de houding van vrijheid,
van individueele moreele verantwoordelijkheid bij het vormen van
sexueele verhoudingen gecompenseerd moet worden door een houding van
gestrengheid, van nauwgezet maatschappelijk toezicht in de kwestie
van de voortplanting. Twee personen, die een erotische verhouding
aangaan, zijn, als zij tot de overtuiging komen dat hun verhouding
een werkelijk huwelijk is, dat zijn natuurlijk doel heeft in de
voortplanting, verplicht een contract te onderteekenen, dat, hoewel
het henzelf persoonlijk vrij laat, toch hen allebei moet binden aan
hun plichten jegens hun kinderen [364].
Er is een dubbele noodzakelijkheid voor zulk een handelwijze, zelfs
afgezien van het feit, dat het in de hoogste mate in het belang van
de ouders zelf is. Het is noodig in het belang van het kind. Het is
noodig in het belang van den staat. Een kind kan opgevoed worden, en
goed opgevoed, door een van de ouders, die daartoe in staat is. Maar
om een kind voldoende toe te rusten voor zijn intrede in het leven,
zijn de beide ouders even noodig. De Staat van zijn kant--dat is te
zeggen, de gemeenschap, waarvan de ouders en het kind gelijkelijk
deel uitmaken--is verplicht te weten wie de personen zijn, die
borgen zijn geworden voor een nieuw individu, dat nu in hun midden
is ingeleid. De meest individualistische en de meest socialistische
Staat zijn gelijkelijk verplicht, als ze trouw zijn aan hun belangen,
zoowel hun biologische als hun economische belangen, aan te dringen
op het volle wettige en erkende ouderschap van den vader en de moeder
van ieder kind. Dat wordt duidelijk geëischt door het belang van het
kind; het wordt ook duidelijk geëischt door het belang van den Staat.
De slagboom, die zich in het Christendom tegenover de natuurlijke
erkenning van dit feit gesteld heeft, dat zoo schadelijk is zoowel voor
het kind als voor den staat, is klaarblijkelijk de starheid van het
huwelijkssysteem geweest, meer speciaal zooals het door de canonieke
wet gevormd is. De Canonisten hechtten een waarlijk buitengewoon
groote waarde aan de copula carnalis zooals zij het technisch
noemden. Voor hen lag het centrum van het huwelijk in de vagina;
voor hen had de aanwezigheid of de afwezigheid van een kind weinig
belang. De vagina is, zooals wij weten, niet altijd een even stevig
centrum gebleken tot steun van het huwelijk, en dat centrum wordt nu
langzamerhand overgebracht op het kind. Als wij ons van de Canonisten
afwenden naar de geschriften van de modernen, zooals Ellen Key, die zoo
juist weergeeft wat in den laatsten tijd het meest karakteristiek en
essentieel is in de neigingen der huwelijksontwikkeling, dan schijnen
we een nieuwe wereld te zijn binnengetreden, zelfs een door nieuw licht
bestraalde wereld. Want "in de nieuwe sexueele moraal gaat het licht,
evenals in Corregio's Notte, uit van het kind" [365].
Ongetwijfeld is deze verandering in ruime mate een zaak van gevoel,
van, zooals we soms minachtend zeggen, uitsluitend gevoel, hoewel
er in de menschelijke zaken niets zoo machtig is als dat gevoel, en
de revolutie, bewerkt door Jezus, de latere revolutie, bewerkt door
Rousseau, waren voornamelijk revoluties in gevoel. Maar de verandering
is ook een zaak van de aangroeiende erkenning van belangen en rechten,
en als zoodanig openbaart ze zich in de wet. We kunnen er nauwelijks
aan twijfelen, dat wij bezig zijn een tijd te naderen, waarop algemeen
begrepen zal worden, dat de intrede van ieder kind in de wereld,
zonder uitzondering, voorafgegaan behoorde te worden door het vormen
van een huwelijkscontract, dat, terwijl het op geenerlei wijze den
vader en de moeder aan plichten bindt, of aan eenige voorrechten
jegens elkander, hen beiden bindt aan hun kind en terzelfder tijd
hun verantwoordelijkheid jegens den Staat verzekert. Het is voor den
Staat onmogelijk meer te krijgen, maar het moest hem onmogelijk zijn
minder te eischen. Zulk een contract "huwt" den vader en de moeder,
voor zoover het ouderschap van het individueele kind betreft,
en in geen ander opzicht; het is een contract, dat hun verleden,
tegenwoordige, of toekomstige verhoudingen jegens andere personen
volkomen onaangeroerd laat, anders zou het niet mogelijk zijn het af
te dwingen. In alle deelen van de wereld begint deze elementaire eisch
van maatschappelijke moraal langzamerhand erkend te worden, en daar
hij invloed heeft op honderd duizenden kinderen [366], die jaarlijks
gebrandmerkt worden als "onwettig" door geen daad van henzelf, kan
niemand zeggen, dat de erkenning te vroeg is gekomen. Tot nog toe
schijnt ze nergens volkomen te zijn.
De meeste pogingen of voorstellen tot regeling der rechten
van onwettige kinderen hebben betrekking op het wettigen van
vereenigingen van een minder bindenden graad dan het tegenwoordige
wettige huwelijk. Zulke vereenigingen zouden dan moeten dienen
om andere verkeerdheden tegen te gaan. Zoo zegt een Engelsch
schrijver, die veel studie gemaakt heeft van sexueele kwesties,
in een particulieren brief: "Het beste geneesmiddel voor de
losbandigheid van ongetrouwde mannen en de geestelijke en
lichamelijke ellenden van onthouding bij vrouwen zou te vinden
zijn in een erkend fatsoenlijk systeem van vrije vereenigingen
en proefhuwelijken, waarbij omgang met preventieve middelen in
praktijk gebracht wordt, totdat het paar oud genoeg is om ouders te
worden, en totdat zij voldoende middelen bezitten om een familie
te onderhouden. Het vooruitzicht van een bestaan zonder liefde is
voor jonge mannen en vrouwen van een vurigen aard ondragelijk en
even verschrikkelijk als het vooruitzicht van pijnlijke ziekte
en dood. Maar ik denk, dat de oude orde van zaken binnen kort
zal moeten veranderen".
In de Teutonische landen bestaat er een duidelijk te onderscheiden
gevoelsstrooming in de richting van het instellen van wettige
vereenigingen van een lagere soort dan het huwelijk. Zij bestaan in
Zweden, evenals in Noorwegen, waar bij een onlangs uitgevaardigde
wet het onwettige kind aanspraak heeft op dezelfde rechten met
betrekking tot beide ouders als het wettige kind, den naam van den
vader draagt, en zijn bezittingen erft (Die Neue Generation, Juli,
1901, p. 303). In Frankrijk heeft de bekende rechter Magnard, die
zoo eervol bekend is door zijn houding in gevallen van kindermoord
door jonge moeders, gezegd: "Ik wilde van ganscher harte, dat
naast de instelling van het huwelijk zooals het nu bestaat, een
vrije vereeniging bestond, gevormd door een enkele verklaring
voor een overheidspersoon en die bijna dezelfde familierechten
gaf als het gewone huwelijk". Deze wensch heeft in ruimen kring
weerklank gevonden.
In China worden, hoewel polygamie in de strikte beteekenis niet kan
gezegd worden te bestaan, de belangen van het kind, de vrouw en de
staat gelijkelijk beschermd door den man in staat te stellen een
soort bij-huwelijk aan te gaan met de moeder van zijn kind. "Dank
zij dit systeem", zegt Paul d'Enjoy (La Revue, Sept. 1905),
"dat den man toestaat te trouwen met de vrouw, die hij wenscht,
zonder daarin verhinderd te worden door vorige en niet verbroken
vereenigingen, is het te begrijpen, dat we opmerken, dat er geen
verleide en verlaten meisjes zijn, behalve zulke, die geen wet zou
kunnen redden van wat werkelijk aangeboren verdorvenheid is; en
dat er geen onwettige kinderen zijn, behalve zulke, wier moeders
ongelukkigerwijze dichter bij de dieren staan door haar zinnen,
dan bij menschelijke wezens, door haar verstand en waardigheid".
Het nieuwe wetboek van Japan, dat in vele opzichten zoo
vooruitstrevend is, staat toe, dat een onwettig kind "erkend" zal
worden door het aangeven bij den ambtenaar van den burgerlijken
stand; als een getrouwd man zoo'n kind erkent, dan schijnt het,
dat het kind door zijn vrouw als haar eigen kan aangenomen worden,
hoewel het niet werkelijk gewettigd is. Deze stand van zaken
vertegenwoordigt een overgangsstadium; het kan nauwelijks gezegd
worden, dat het de rechten erkent van de moeder van het "erkende"
kind. Japan, mogen we hier aan toevoegen, heeft het principe
aangenomen van de automatische wettiging door het huwelijk,
van de kinderen die aan het paar geboren zijn vóór het huwelijk.
In Australië, waar vrouwen een grooter aandeel hebben in het
maken en uitvoeren van de wetten dan elders, begint men eenige
belangstelling te wijden aan de rechten van onwettige kinderen. Zoo
kan in Zuid-Wales het vaderschap bewezen worden vòòr de geboorte,
en de vader zorgt (op bevel van de overheid) voor huisvesting
een maand vòor en een maand nà de geboorte, zoowel als voor de
baker, den dokter, en voor kleeding, en stelt een borg, dat hij
zijn verplichtingen zal nakomen; na de geboorte betaalt hij, na
uitspraak van de overheidspersoon een wekelijksche som voor het
onderhoud van het kind. Een "ongehuwde" moeder kan ook zes maanden
lang in een openbare instelling op staatskosten onderhouden worden,
om haar in staat te stellen zich aan haar kind te hechten.
Zulke bepalingen hebben zich ontwikkeld uit het in ruimen kring
erkende recht van de ongetrouwde vrouw om ondersteuning voor haar
kind te eischen van zijn vader. In Frankrijk echter, en in de
wetboeken, die het Fransche voorbeeld volgen, is het wettelijk niet
geoorloofd navraag te doen naar het vaderschap van een onwettig
kind. Het is onnoodig te zeggen, dat zulk een wet even onbillijk
is tegenover de moeder, als tegenover het kind, als tegenover
den staat. In Australië gaat de wet naar het tegenovergestelde,
zeker redelijker uiterste en staat zelfs aan de moeder, die
meerdere minnaars gehad heeft, toe, zelf uit te kiezen, wien ze
verantwoordelijk wil stellen voor haar kind. Het Duitsche wetboek
kiest den middenweg, en komt alleen aan die ongetrouwde moeder
te hulp, die één minnaar heeft gehad. In al zulke gevallen echter
is de hulp, die gegeven wordt, alleen geldelijk; ze verzekert de
moeder geen erkenning of respect, en (naar Wahrmund naar waarheid
gezegd heeft in zijn Ehe und Eherecht) is het nòg noodig aan te
dringen op de "onvoorwaardelijke heiligheid van het moederschap,
dat, onder welke omstandigheden het ook voorkomt, aanspraak heeft
op respect en bescherming van de maatschappij".
We moeten hieraan toevoegen, dat, uit maatschappelijk gezichtspunt,
het niet de sexueele vereeniging is, die wettelijke erkenning
behoeft, maar het kind, dat het product is van die vereeniging. Het
zou bovendien een hopelooze zaak zijn te trachten alle sexueele
verhoudingen te wettigen, maar het is betrekkelijk gemakkelijk
alle kinderen te erkennen.
Er is in vroeger tijd veel geredetwist over den specialen vorm,
dien het huwelijk behoorde aan te nemen. Vele theoretici hebben
hun vernuft ingespannen voor het uitvinden en prediken van nieuwe
en ongewone huwelijksschikkingen, als panacee voor maatschappelijke
nooden; terwijl anderen nog grootere energie hebben ten toon gespreid
bij het bestrijden van zulke voorstellen als revolutionair. We mogen
al zulke besprekingen, van beide zijden, als nutteloos beschouwen.
In de eerste plaats zijn de huwelijksgewoonten veel te fundamenteel,
veel te intiem ingeweven met het wezen van het menschelijk, ja van
het dierlijk samenleven, om ook maar in de geringste mate geschokt
te worden door de theorieën of de praktijken van enkele individuen
of groepen van individuen. De monogamie--de min of meer langdurende
cohabitatie van twee individuen van verschillend geslacht--is het
overheerschend type geweest van de sexueele verhouding onder de
hoogere werveldieren en wel het grootste gedeelte van de geschiedenis
der menschheid door. Dit wordt zelfs toegegeven door hen, die meenen
(zonder eenig redelijk bewijs), dat de mensch door een stadium gegaan
is van sexueele promiscuïteit. Er zijn neigingen geweest tot varieeren
in beide richtingen, maar in het hoogste zoowel als in het laagste
stadium is, voor zoover we zien kunnen, de monogamie de heerschende
regel.
Het moet ook in de tweede plaats gezegd worden, dat het natuurlijk
overheerschen van de monogamie als normaal type van sexueele
verhouding, geenszins variaties uitsluit. Veeleer laat ze die toe. "Er
is niets precies in de Natuur", zooals Diderot zegt. De lijn van
de Natuur is een kromme, die slingert naar beide zijden van den
norm. Zulke slingeringen komen onvermijdelijk voor in harmonie met
veranderingen van de omgeving, en, ongetwijfeld, met eigenaardigheden
van persoonlijke dispositie. Zoolang geen willekeurige en enkel
uiterlijke poging wordt gedaan om de Natuur te dwingen, wordt de
harmonie des levens in stand gehouden. Bij zekere soort van eenden
worden, als er mannetjes te veel zijn, polyandrische families gevormd,
en dan zorgen de twee mannetjes zonder jaloezie voor hun vrouwtje,
maar als de geslachten weer gelijk in aantal worden, wordt de monogame
orde weer ingesteld. De natuurlijke menschelijke afwijkingen van
de monogamische orde schijnen over het algemeen van dezen aard
te zijn en ze schijnen in hooge mate beïnvloed te worden door de
maatschappelijke en economische omgeving. De meest gewone variatie en
degene, die het duidelijkst een biologischen grondslag heeft, is de
neiging tot polygynie, die in alle stadiën van de beschaving gevonden
wordt, zelfs in een niet erkenden en min of meer gemengden vorm in de
hoogste beschaving [367]. We moeten echter niet vergeten, dat erkende
polygynie geen regel is, zelfs niet, waar ze overheerschend is; ze
wordt alleen maar toegestaan; er is nooit zoo'n overvloed van vrouwen,
dat meer dan enkele van de rijkere en meer invloedrijke personen meer
dan één vrouw kunnen hebben [368].
Verder moet men in gedachte houden, dat een zekere elasticiteit
van de formeele zijde van het huwelijk, terwijl ze aan den eenen
kant variaties toelaat van de algemeene monogamische orde, waar die
gezond zijn of noodig om het evenwicht in natuurlijke toestanden te
herstellen, aan den anderen kant zulke variaties in zooverre binnen
de perken houdt, als zij berusten op den storenden invloed van
kunstmatige beperking. Veel van de polygynie, en van de polyandrie
ook, die tegenwoordig onder ons heerscht, is een geheel kunstmatige
en onnatuurlijke vorm van polygamie. Huwelijken, die op een meer
natuurlijke basis zouden ontbonden worden, kunnen wettelijk niet
ontbonden worden, en daarom nemen de betrokken partijen, in plaats van
van deelgenoot te veranderen en zoo de natuurlijke monogamische orde
te bewaren, er andere deelgenooten bij en voeren zoo een onnatuurlijke
polygamie in. Er zullen altijd variaties zijn van de monogame orde en
de beschaving staat tegenover sexueele variaties geenszins vijandig. Of
we deze verhoudingen beschouwen als wettig of als onwettig, ze zullen
er altijd zijn; daar kunnen we zeker van zijn. De maatschappelijke
wijsheid schijnt aan den eenen kant de huwelijksverhouding buigzaam
genoeg te zullen maken om deze afwijkingen tot een minimum terug te
brengen--niet omdat zulke afwijkingen uit hun aard slecht zijn, maar
omdat ze niet met geweld in het leven moesten geroepen worden--en
aan den anderen kant aan deze afwijkingen, als zij voorkomen in
zoodanige mate erkenning te zullen verschaffen, dat ze hun nadeeligen
invloed verliezen en te zorgen, dat er rechtvaardigheid beoefend wordt
jegens alle betrokken partijen. Wij vergeten maar al te dikwijls, dat
het feit dat wij zulke variaties niet willen erkennen, alleen maar
beteekent, dat wij in zulke gevallen een onwettige permissie geven
om onrechtvaardigheid te bedrijven. In die deelen van de wereld,
waar polygynie erkend wordt als een gepermitteerde variatie, is een
man wettelijk gehouden aan zijn natuurlijke verplichtingen jegens al
zijn sexueele deelgenooten en jegens de kinderen, die hij bij die
deelgenooten heeft. In geen deel van de wereld is de polygynie zoo
overheerschend als in de Christelijke landen; in geen deel van de
wereld is het zoo gemakkelijk voor een man om te ontsnappen aan de
verplichtingen, die hij zich door de polygynie op den hals gehaald
heeft. En doordat we een man in staat stellen, zoo gemakkelijk te
ontsnappen aan de verplichtingen van zijn polygame verhoudingen,
moedigen wij hem, als hij gewetenloos is, aan, om ze aan te gaan;
wij stellen een premie op de immoraliteit, die we uit de hoogte
veroordeelen [369]. Onze polygynie bestaat niet wettelijk, en daarom
kunnen de verplichtingen ervan ook geen wettig bestaan hebben. Men
zegt, dat de struisvogel zijn hoofd in het zand steekt om moeilijkheden
te ontloopen door te weigeren er naar te kijken; maar er is nog een
bekend dier, dat zoo doet, en het heet Mensch.
Monogamie, in de fundamenteele biologische beteekenis, is de
natuurlijke orde, waartoe de meerderheid van de sexueele feiten altijd
van nature zal vervallen, omdat ze de verhouding is, die het meest
gepast overeenkomt met alle physieke en geestelijke feiten, die er bij
behooren. Maar als we ons voor oogen stellen, dat sexueele verhoudingen
in de eerste plaats de menschen aangaan, die er bij betrokken zijn,
en als we verder weten, dat het belang van de maatschappij in zulke
verhoudingen beperkt is tot de kinderen, die zij voortbrengen, dan
zullen we ook weten, dat het vaststellen bij de wet van het aantal
vrouwen, met wie een man sexueele gemeenschap zal hebben, en het aantal
mannen, waarmee een vrouw zich zal vereenigen onredelijker is dan het
zou zijn om bij de wet vast te stellen hoeveel kinderen zij zullen
voortbrengen. De Staat heeft het recht om te zeggen, of hij weinig
burgers noodig heeft of veel; maar als hij tracht het aantal sexueele
verhoudingen van zijn leden te regelen, dan beproeft de Staat een
onmogelijke taak en maakt zich tevens schuldig aan een onbeschaamdheid.
Er is altijd in zekere stadiën van de beschaving een neiging om
aan te dringen op een zuiver formeele en uiterlijke eenvormigheid,
en een daarmee overeenkomend onvermogen om te zien, niet alleen
dat zulk een eenvormigheid onwerkelijk is, maar dat ze ook een
nadeelige uitwerking heeft, in zooverre ze weldadige variaties
uitsluit. De neiging is geenszins beperkt tot de sexueele sfeer. In
Engeland is er bij voorbeeld een neiging om bouwwetten te maken,
die wat de huizen betreft, allerlei bepalingen opleggen, die
in theorie weldadig zijn, maar die in de praktijk verkeerde
uitwerking hebben, omdat zij vele eenvoudige en uitstekende
menschelijke woonplaatsen absoluut onwettig maken, alleen
omdat zulke woonplaatsen niet beantwoorden aan bepalingen, die,
onder sommige omstandigheden niet alleen onnoodig zijn, maar
kwaad stichten.
Variatie is een feit, dat zal bestaan of wij het willen of niet; ze
kan alleen gezond worden als we ze erkennen en toestaan. Misschien
moeten we zelfs wel erkennen, dat het een duidelijker sprekende
neiging is in de beschaving dan in meer primitieve maatschappelijke
stadiën. Zoo zegt Gerson (Sexual-Probleme, Sept., 1908, p. 538),
dat, evenals de beschaafde mensch niet tevreden kan zijn met het
ruwe en eentonige voedsel, waar de boer tevreden mee is, het in
sexueele zaken evenzoo gaat; de boerenjongen en het boerenmeisje
zijn in hun sexueele verhoudingen bijna altijd monogaam, maar
beschaafde menschen, met hun meer veelzijdige gevoelige smaak,
hebben neiging om naar verandering te snakken. Senancour (De
l'Amour, deel II, "Du Partage", p. 127) schijnt de mogelijkheid aan
te nemen van huwelijks-variaties, zooals van het samen deelen van
een vrouw, mits er niets gedaan wordt om naijver op te wekken,
of om nadeel toe te brengen aan de reinheid der ziel. Lecky
verklaarde aan het eind van zijn History of European Morals,
dat hij geloofde, dat, terwijl de duurzame vereeniging van twee
personen het normale en overheerschende type is van het huwelijk,
er geenszins uit volgt, dat dit, in het belang der maatschappij,
de eenige vorm zou zijn. Evenzoo zegt Remy de Goncourt (Physique de
l'Amour, p. 186), die toch constateert, dat het paar de natuurlijke
huwelijksvorm is en de duurzame verlenging ervan een voorwaarde van
menschelijke superioriteit, dat de duurzaamheid van de vereeniging
slechts met moeite kan worden tot stand gebracht. Zoo zegt ook
Prof. W. Thomas (Sex and Society, 1907, p. 193), die de monogamie
beschouwt als dienstbaar aan maatschappelijke doeleinden: "Van
het biologisch standpunt gesproken beantwoordt de monogamie in
den regel niet aan de voorwaarden van de hoogste prikkeling,
omdat hier de problematische en bedriegelijke elementen tot
zekere hoogte verdwijnen, en het voorwerp van de belangstelling
zoo gewoon is geworden voor het bewustzijn, dat gevoelsreacties
gewijzigd worden. Dit is de oorspronkelijke verklaring van het
feit, dat getrouwde mannen en vrouwen zoo dikwijls belangstelling
gaan voelen voor anderen dan hun deelgenooten in het huwelijk".
Pepys, wiens onbewuste zelf-analyse zoo vele psychologische
neigingen uitmuntend illustreert, toont duidelijk aan hoe--door
een gevoelslogica, dieper dan eenige intellectueele logica--de
toewijding aan de monogamie bestaat naast een onweerstaanbaren
hartstocht voor sexueele verandering. Met een voortdurend
terugkomende grillige aantrekking tot een lange reeks van vrouwen,
behoudt hij doorloopend een diepe en onveranderlijke genegenheid
voor zijn beminnelijke jonge vrouw. In de intimiteit van zijn
Diary verwijst hij dikwijls naar haar in woorden, die niet geveinsd
kunnen zijn; hij geniet van haar gezelschap; hij is zeer precies
op haar kleeding; hij verheugt zich zeer in haar vorderingen in de
muziek, en besteedt veel geld aan haar opvoeding; hij is bepaald
jaloersch als hij haar in gezelschap vindt van een man. Zijn
bijkomende verhoudingen met andere vrouwen komen onweerstaanbaar
weer voor, maar hij wenscht ze in het geheel niet van langen
duur te maken of toe te staan, dat ze hem te zeer in beslag
nemen. Pepys vertegenwoordigt een gewoon type van den beschaafden
"monogamist", die volkomen oprecht is en ten zeerste overtuigd
in zijn pleidooi voor de monogamie, zooals hij ze begrijpt, maar
die toch tevens gelooft en ook handelt naar het geloof, dat de
monogamie geenszins de behoefte aan sexueele variatie uitsluit. Het
gezegde van Lord Morley (Diderot, deel II, p. 20), dat "de man van
instinct polygaam is", kan in zijn geheel niet aangenomen worden,
maar als wij het zoo uitleggen, dat het beteekent, dat de man
een instinctief monogaam dier is met een bijkomenden wensch naar
sexueele variatie, dan is er veel ten gunste daarvan te zeggen.
Vrouwen moeten even vrij zijn als mannen om haar eigen liefdeleven
te vormen. Velen meenen echter, dat zulk een vrijheid van de zijde
der vrouwen uitgeoefend zal of moest worden binnen nauwer grenzen
(zie b.v., Bloch, Sexual Life of Our Time, hoofdst. X). Voor
een deel meent men, dat deze beperking berust op een grooter
geabsorbeerd zijn van de vrouw in de taak van de geboorte en de
opvoeding van de kinderen, en voor een deel aan een geringeren
omvang van psychische activiteit. "Een man", zegt G. Hirth, (Wege
zur Liebe, p. 342), "heeft niet alleen in zijn intellectueele
horizon plaats voor zeer verschillende belangen, maar zijn macht
van erotische uitzetting is veel grooter en meer onderscheiden
dan die van vrouwen, hoewel hij misschien niet de intimiteit en de
diepte van de toewijding van een vrouw heeft". We mogen wel zeggen,
dat, daar variaties in de sexueele orde onvermijdelijk zullen
plaats vinden hetzij we ze erkennen en er gezag aan toekennen
of niet, er waarschijnlijk geen schade gedaan wordt als we het
gewicht van maatschappelijk en wettig gezag gebruiken aan den
kant, die gewoonlijk beschouwd wordt als de beste, en, voor zoover
als mogelijk is den anderen kant met schande bedekken. Er zijn
vele duidelijk in het oog springende fouten in zulk een houding,
afgezien van het in de hoogste mate belangrijke feit, dat het
hechten van schande aan sexueele verhoudingen een verachtelijke
wreedheid is tegenover de vrouwen, die onvermijdelijk degenen
zijn, die er het meest onder lijden. Niet het minst van belang
is de onrechtvaardigheid en het belemmeren van levensenergie,
die het aan de betere en meer nauwgezette menschen bezorgt ten
gunste van de minder goede en minder nauwgezette. Dit gebeurt
altijd als het gezag zijn macht uitoefent ten voordeele van
een vorm. Toen in de dertiende eeuw Alexander III--een van de
grootste en machtigste heerschers, ten tijde van het Christendom
geconsulteerd werd door den bisschop van Exeter over ondergeschikte
geestelijken, die trouwden ondanks 't verbod van de kerk, raadde
de paus hem, onderzoek te doen naar het leven en het karakter
van de overtreders; als zij geregelde gewoonten hadden en een
ernstigen moraal, dan moesten ze met geweld gescheiden worden en
hun vrouwen moesten weggejaagd worden; als zij mannen waren van
bekend onordelijken aard, dan moest hun toegestaan worden hun
vrouwen bij zich te houden, als ze dat wenschten (Lea, History
of Sacerdotal Celibacy, derde uitgave, deel I, p. 396). Het was
een slimme politiek, en ze werd ook elders door denzelfden paus
gevolgd, maar het is gemakkelijk te zien, dat ze indruischt tegen
de moraal in iedere beteekenis van het woord. Ze verwoestte het
geluk en de werkkracht van de beste mannen; ze liet de slechtste
mannen volkomen vrij. Nu zijn we volkomen bereid om de verkeerde
resultaten van deze politiek te erkennen; ze werd aanbevolen door
een paus en zeven honderd jaar geleden ten uitvoer gebracht. Toch
brengen we in Engeland tegenwoordig precies dezelfde politiek
in praktijk door middel van onze echtscheidingsbepalingen, die
in ruimen kring worden rondgestrooid. Geen van de paren, die
gescheiden zijn--en die nooit op het coelibaat getraind zijn als
de Katholieke geestelijkheid van tegenwoordig--mag weer trouwen;
in werkelijkheid bevelen we de meer nauwgezette onder hen om
celibatairs te worden, en aan de minder nauwgezette geven wij de
permissie om te doen wat ze willen. Dit proces wordt uitgevoerd
ten gevolge van de traagheid van de gemeenschap in het algemeen,
en als het ooit gebeurt, dat er argumenten voor aangehaald worden,
dan zijn die van een zoo verouderden aard, dat ze alleen maar
een medelijdenden glimlach kunnen te voorschijn roepen.
We mogen hier aan toevoegen, dat er nog een reden is, waarom het
brandmerken van sexueele variaties van den norm als "immoreel"
niet zoo onschuldig is als sommigen het doen voorkomen: zulke
variaties schijnen niet ongewoon te zijn onder mannen en vrouwen
van uitmuntende bekwaamheid, wier krachten onbelemmerd noodig zijn
in den dienst van de menschheid. Te pogen zulke menschen te doen
passen in de nauwe vormen, die goed zijn voor de meerderheid, is
niet alleen een onrechtvaardigheid jegens hen als individuen, maar
het is een vergrijp jegens de maatschappij, die redelijkerwijze
mag eischen dat haar beste leden niet zullen belemmerd worden in
haar dienst. Het denkbeeld, dat de mensch, wiens sexueele behoeften
verschillend zijn van die van het gemiddelde, noodzakelijkerwijze
een maatschappelijk slecht persoon moet zijn, is een denkbeeld,
dat niet op feiten berust. Ieder geval moet op zichzelf beschouwd
worden.
Ongetwijfeld is in alle stadiën van de menschelijke cultuur de meest
gewone variatie van de normale monogamie geweest de polygynie of
de sexueele vereeniging van éen man met meer dan een vrouw. Soms
is ze maatschappelijk en wettelijk erkend geworden, en soms niet,
maar ze is altijd voorgekomen. Polyandrie, of de vereeniging van een
vrouw met meer dan een man is betrekkelijk zeldzaam geweest en om
begrijpelijke redenen; mannen zijn gewoonlijk in een betere conditie
geweest, economisch en wettelijk, om een huishouden te organiseeren
met zichzelf als middelpunt; een vrouw is, anders dan een man, door
de natuur en dikwijls door de gewoonte lange tijden achtereen voor
den omgang ongeschikt; een vrouw heeft bovendien haar gedachten en
haar liefde meer op haar kinderen geconcentreerd. Afgezien hiervan
wijzen de biologische mannelijke tradities veel meer op polygynie
dan de vrouwelijke tradities op polyandrie wijzen. Hoewel het waar
is, dat een vrouw een veel grootere mate van sexueelen omgang kan
verdragen dan een man, blijft het ook waar, dat de verschijnselen van
het hofmaken in de natuur het tot den plicht van den man gemaakt hebben
om er op uit te zijn, sexueel zijn attentie te wijden aan de vrouw,
wier rol het geweest is zedig haar keuze uit te stellen, totdat ze
zeker is van haar voorkeur. Polygynische toestanden zijn ook voordeelig
gebleken, daar zij aan de krachtigste en meest succesvolle leden van
een gemeenschap hebben toegestaan het grootste aantal deelgenooten
te hebben en zoo hun eigen superieure eigenschappen over te dragen.
"Polygamie", schrijft Woods Hutchinson (Contemporary Review,
Oct. 1904) die de voordeelen van de monogamie wel degelijk erkent,
"als een instelling van het ras, heeft, onder dieren zoowel als
onder menschen, vele belangrijke voordeelen, en ze heeft zoowel
in menschelijke als in voor-menschelijke tijden geleid tot het
voortbrengen van een zeer hoog type zoowel van individueele
als van maatschappelijke ontwikkeling". Hij wijst er op, dat ze
het verstand, de samenwerking en de verdeeling van den arbeid
vermeerdert, terwijl de scherpe wedstrijd om vrouwen de zwakkere
en minder aantrekkelijke mannen uitschakelt.
Onder onze Europeesche voorouders, evenzeer als onder de Germanen
en de Kelten, bestonden polygynie en andere sexueele vormen
als nu en dan voorkomende variaties. Tacitus merkte polygynie
op in Duitschland, en Caesar vond in Engeland, dat broeders hun
vrouwen te zamen hadden en dan werden de kinderen toegekend aan
den man, aan wien de vrouw het eerst ten huwelijk was gegeven
(zie b.v. van Trail Social England, deel I, p. 103, voor een
bespreking van dit punt). De assistent van den echtgenoot, die kon
worden opgeroepen om de vrouw te bevruchten als de man impotent
was, bestond ook in Duitschland; dit was een Indo-Germaansche
instelling (Schrader, Reallexicon, art. "Zeugungshelfer"). De
daarmee overeenkomende instelling van de bijzit is nog dieper
geworteld en nog verder verspreid. Tot betrekkelijk korten
tijd geleden had,--in overeenstemming met de tradities van de
Romeinsche wet, de bijzit een erkende en geëerde positie, lager
dan die van de vrouw, maar met bepaalde wettelijke rechten,
hoewel het niet altijd wettig of zelfs maar gewoon was voor een
getrouwd man om een bijzit te hebben. In het oude Wales werd,
evenals in Rome, de bijzit erkend en nooit veracht. (R. B. Holt,
"Marriage Laws of the Cymri", Journal Anthropological Institute,
Aug. en Nov. 1898, p. 155), Het feit, dat, als een bijzit het huis
van een getrouwd man betrad, haar waardigheid en haar wettelijke
positie minder waren dan die van de vrouw, bewaarden den vrede
en beschermden de belangen van de vrouw (Een echtgenoot in Korea
kan geen bijzit in zijn huis nemen zonder de toestemming van zijn
vrouw, maar zij maakt maar zelden bezwaren, en schijnt van het
gezelschap te genieten, zegt Louise Jordan Miln, Quaint Korea,
1895, p. 92). Wij moeten ons herinneren, zooals Dufour zegt,
over den tijd van Karel den Groote (Histoire de la Prostitution,
deel III. p. 226), dat in het oude Europa "bijzit" een eervolle
term was; de bijzit was in het geheel niet een maitres, en ze
kon van echtbreuk beschuldigd worden even goed als de vrouw. In
Engeland, op het einde der dertiende eeuw, spreekt Bracton van
de concubina legitima als recht hebbende op bepaalde rechten
en welwillendheden, en zoo was de toestand ook in andere deelen
van Europa, soms verscheidene eeuwen later (zie Lea, History of
Sacerdotal Celibacy, deel I, p. 230). De Christelijke kerk was
in den aanvang dikwijls geneigd de bijzit te erkennen, in ieder
geval ten minste als ze verbonden was aan den ongetrouwden man,
want wij kunnen in de Kerk "den wensch nasporen om iedere duurzame
vereeniging tusschen een man en een vrouw te beschouwen alsof ze
den aard heeft van een huwelijk in de oogen van God, en daarom in
het oordeel van de Kerk" (art. "Concubinage", Smith and Cheetham,
Dictionary of Christian Antiquities). Dit was het gevoelen van den
heiligen Augustinus (die zelf, voor zijn bekeering, een bijzit had,
die blijkbaar een Christin was), en het concilie van Toledo liet
een ongetrouwd man toe, die trouw was aan zijn bijzit. Naarmate
de wet van de Katholieke kerk meer en meer star werd, verloor ze
noodzakelijkerwijze de voeling met de menschelijke nooden. Zoo was
het echter niet in den eersten tijd van de kerk, in de eeuwen,
toen ze de meeste levenskracht had. In die eeuwen werd zelfs
de krachtigste algemeene regel van de monogamie minder streng
toegepast, als zulk een verslapping verstandig scheen. Dit was
bijvoorbeeld zoo in het geval van sexueele impotentie. Zoo zegt
in het begin van de achtste eeuw Gregorius II, in een antwoord
aan Bonifacius, den apostel in Duitschland, op een vraag van
dezen laatsten, dat, als een vrouw door physieke onbekwaamheid
niet in staat is haar huwelijksplichten te vervullen, het aan een
echtgenoot geoorloofd is een tweede vrouw te nemen, hoewel hij
moet blijven voortgaan de eerste te onderhouden. Wat later geeft
Aartsbisschop Egbert van York, voorzichtiger, in zijn Dialogus de
Institutione Ecclesiatica toe, dat, als de eene van twee getrouwde
personen invalide is, de andere met toestemming van de invalidene,
weer mag trouwen, maar dat de invalidene niet weer mag trouwen
tijdens het leven van den ander. Impotentie tijdens het huwelijk
maakte natuurlijk het huwelijk nietig zonder de tusschenkomst van
de kerkelijke wet. Maar Thomas van Aquino en latere theologen geven
toe, dat een buitengewoon groote tegenzin tegen een vrouw een man
in zijn eigen oogen kan rechtvaardigen om zich in zijn betrekking
tot haar als impotent te beschouwen. Deze regels zijn, natuurlijk,
geheel afgescheiden van de permissie om de huwelijkswetten te
breken, die aan koningen en prinsen wordt gegeven; zulke permissies
gelden niet als bewijsmateriaal van de regels van de kerk, want,
zooals het concilie van Constantinopel voorzichtig besliste
in 809, "De goddelijke wet heeft geen macht jegens koningen"
(art. "Bigamy", Dictionary of Christian Antiquities). De wet van
de monogamie werd ook minder streng toegepast in gevallen van
gedwongen of vrijwillige verlating. Zoo bepaalde het concilie van
Vermerie (752). dat, als een vrouw haar man niet wil vergezellen
als hij gedwongen is zijn heer te volgen naar een ander land,
hij weer mag trouwen, als hij geen hoop heeft ooit terug te
keeren. Theodorus van Canterbury (638) zegt o.a. dat een man, als
zijn vrouw door den vijand is weggevoerd en hij haar niet terug
kan krijgen, na verloop van een jaar weer mag trouwen, of, als er
nog eenige kans is, dat hij haar terug kan krijgen, na verloop
van vijf jaar; de vrouw kan dat ook doen. Zulke regels, al zijn
ze niet algemeen, wijzen, zooals Merrick zegt (art. "Marriage",
Dictionary of Christian Antiquities), op een bereidwilligheid
"om tegemoet te komen aan speciale gevallen, als ze zich voordoen".
Toen de canonieke wet star begon te worden en de Katholieke
kerk haar geschiktheid verloor om zich aan het leven aan te
passen, werden sexueele variaties niet langer erkend binnen haar
sfeer. We moeten voor eenige verdere beweging wachten tot de
Hervorming. Velen van de eerste Protestantsche hervormers, vooral
in Duitschland, waren bereid zich in een aanzienlijke mate naar het
leven te schikken in de sexueele verhoudingen. Zoo raadde Luther
aan getrouwde vrouwen, die impotente mannen hadden aan, in geval
er geen wensch bestond of geen gelegenheid tot echtscheiding,
om sexueele verhoudingen te hebben met een anderen man, liefst
met den broeder van den man; de kinderen werden dan gerekend
te zijn van den echtgenoot ("Die Sexuelle Frage bei Luther",
Mutterschutz, Sept. 1908).
In Engeland kon de puriteinsche geest, die zich in zoo ruime mate
bezig hield met de hervorming van het huwelijk, wel niet anders dan
betrokken raken in de kwestie van sexueele variaties, en van tijd
tot tijd vinden wij het voorstel om de polygynie te wettigen. Zoo
publiceerde, in 1658, "A Person of Quality" in Londen een klein
geschriftje, dat aan den Lord Protector was opgedragen, getiteld
A Remedy for Uncleanness. Het was in den vorm van een aantal
vragen gesteld, vragend waarom we niet polygamie zouden toelaten,
om echtbreuk en kindermoord te voorkomen. De schrijver vraagt, of
het niet "zou overeen te brengen zijn met een geest van genade,
en in alle opzichten overeenkomstig de principes van een man,
die godvreezend is en de heiligheid lief heeft, om meer dan een
vrouw te hebben voor zijn eigen gebruik... Hij, die den os of den
ezel neemt van een ander man is ongetwijfeld een overtreder; maar
hij, die zich buiten de verleiding stelt door ze zelf te hebben,
schijnt een recht, eerlijk en welmeenend man te zijn".
Meer dan een eeuw later (1780), heeft ook een knap, geleerd
en beroemd Londensch geestelijke van hoog karakter (die
een rechtsgeleerde was geweest eer hij geestelijke werd),
de Reverent Martin Madan, de polygamie aangeraden in een boek,
genaamd Thelyphthora: or a Treatise of Female Ruin. Madan was in
nauw contact gebracht met de prostitutie door een kapelaanschap
in het Lock Hospital, en, evenals de puriteinsche advocaat van
de polygamie, kwam hij tot de conclusie, dat het alleen door de
hervorming van het huwelijk mogelijk is tegen de prostitutie
te werken en tegen de nadeelen van sexueelen omgang buiten
het huwelijk. Zijn merkwaardig boek wekte veel tegenspraak
en veroordeeling, zoodat hij het wenschelijk vond Londen te
verlaten en buiten te gaan wonen. Voorstellen tot verandering
van het huwelijk zijn sindsdien nooit weer van de kerk gekomen,
maar van moralisten en philosophen, niet zelden echter van
schrijvers van bepaald godsdienstig karakter. Senancour, die een
zoo gevoelige en teere moralist in de sexueele sfeer was, voerde
een gematigde bespreking over polygamie in in zijn De l'Amour
(deel II, p. 117-126). Het scheen hem toe, dat ze niet positief
tegenovergesteld aan en niet positief in overeenstemming met de
algemeene neiging van onze tegenwoordige conventies was, en hij
besloot, dat "de methode van bemiddeling voor een deel zou zijn
niet langer te eischen, dat de vereeniging van een man en een
vrouw alleen zou ophouden met den dood van een van beiden". Cope,
de bioloog, uitte een meer gedecideerde opinie. "Er zijn sommige
gevallen van ontbering", zeide hij, "waarvoor zulk een permissie
het geneesmiddel zou zijn. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn,
als de man of de vrouw het slachtoffer waren geworden van een
ongeneeslijke ziekte; of, als beide partijen kinderloos waren,
of in andere gevallen, die men zich denken kan". Er moest geen
dwang zijn in eenige richting, en volle verantwoordelijkheid,
zooals nu. Zulke gevallen moesten alleen maar als uitzondering
voorkomen, en ze moesten de vijandschap van de maatschappij niet
opwekken. Voor het grootste deel, merkt Cope op, "is de beste
wijze om de polygamie te behandelen ze aan zich zelf over te
laten" (E. D. Cope. "The Marriage Problem", Open Court, Nov. 15
en 22 1888). In Engeland was Dr. John Chapman, de uitgever van
de Westminster Review, een nauw bondgenoot van de leiders van
de beweging der Radicalen in het tijdperk van Victoria, tegen
het geven van voorschriften door den Staat over den vorm van het
huwelijk; hij meende, dat een zekere mate van sexueele variatie
weldadig zou zijn voor de maatschappij. Zoo schreef hij in 1884
(in een vertrouwelijken brief): "Ik denk, dat, naarmate de menschen
minder zelfzuchtig worden, polygamie (d.i. polygynie) en zelfs
polyandrie, in een veredelden vorm, steeds meer zullen voorkomen".
James Hinton, die een paar jaren later veel gedachten en veel
aandacht wijdde aan de sexueele kwestie, en ze zelfs beschouwde
als het grootste van de moreele problemen, was evenzeer voor een
grootere aanpassing aan het leven en aan menschelijke behoeften
van de huwelijksregelingen, en een zooals de Christelijke
kerk in het eerst toeliet. Het huwelijk, verklaarde hij, moet
"ondergeschikt zijn aan den dienst", daar het huwelijk, evenals
de Sabbath, gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor
het huwelijk. Zoo wilde hij, in het geval dat de eene deelgenoot
krankzinnig werd, den anderen deelgenoot toestaan te hertrouwen,
terwijl de aanspraken van den krankzinnigen deelgenoot geldig
bleven in geval van herstel. Dat zou een vorm zijn van polygamie,
maar Hinton was er zorgvuldig op bedacht er op te wijzen, dat
hij met "polygamie" bedoelde "minder een speciale huwelijksorde,
dan wel zulk een orde als het best aan het doel beantwoordt, en
die dus buitengemeen veranderlijk moet wezen. De monogamie moge
goed zijn, zelfs de eenige goede orde, als ze komt bij vrije keuze;
maar een wet ervoor is een ander ding. De sexueele verhouding moet
een natuurlijke zaak zijn. Het ware maatschappelijke leven zal niet
zijn eenige vastgestelde en bepaalde verhouding, als van monogamie,
polygamie, of iets anders, maar een volkomen ondergeschiktheid van
iedere sexueele verhouding aan de rede en het menschelijk welzijn".
Ellen Key, die een enthoesiast voorstandster is van de
monogamie, en die meent, dat de ontwikkeling in de beschaafde
maatschappij van persoonlijke liefde alle gevaar voor het
aangroeien van de polygamie uitsluit, geeft toch toe, dat er
variaties bestaan. Zij heeft dezelfde oplossingen van moeilijke
problemen voor oogen als Goethe voor zich had, toen hij in zijn
Stella trachtte aan te toonen, dat de kracht van banden van
liefde en teedere herinneringen te groot is om toe te laten,
dat ze door nieuwe verbroken zullen worden. Het probleem van
de sexueele variatie echter, merkt zij op (Liebe und Ethik,
p. 12) is, onder moderne voorwaarden van vorm veranderd, het
is niet langer de strijd tusschen den eisch van de maatschappij
van een strenge huwelijksorde en den eisch van het individu van
sexueele bevrediging, maar het is het probleem geworden van het
in harmonie brengen van de veredeling van het ras met verhoogde
eischen van erotisch geluk. Zij wijst er ook op, dat het bestaan
van een deelgenoot, die behoefte heeft aan den zorg van den anderen
deelgenoot als verpleegster of als intellectueele makker, dien
anderen deelgenoot in het geheel niet berooft van het recht op
vaderschap en moederschap, en dat zulke rechten moeten beschermd
worden. (Ellen Key, Ueber Liebe und Ehe, pp. 166-168).
Een op den voorgrond tredend en groot voorstander van de
polygynie, niet als een slechts zelden voorkomende variatie,
maar als een huwelijk van hooger orde dan de monogamie, wordt
tegenwoordig gevonden in Professor Christian von Ehrenfels
van Praag (zie b.v. zijn Sexualethik, 1908; "Die Postulate
des Lebens". Sexual-Probleme, Oct. 1908; en brief aan Ellen
Key in haar Ueber Liebe und Ehe, p. 466). Ehrenfels meent,
dat het aantal mannen, dat ongeschikt is voor een bevredigende
reproductie veel grooter is dan dat van vrouwen, en dat daarom,
als deze buiten beschouwing gelaten worden, een polygynische
huwelijksorde noodig wordt. Hij noemt dit "reproductie-huwelijk"
(Zeugungsehe), en denkt dat het moreel hooger zal staan dan
dit. Het zou gebaseerd zijn op persoonlijke contracten. Ehrenfels
meent, dat de vrouwen geen bezwaar zouden hebben, omdat een vrouw,
naar hij gelooft, minder waarde hecht aan een man als minnaar dan
als vader van haar kind. Ehrenfeld's leer is ernstig aangevallen
van vele zijden, en zijn voorstellen zijn niet in den lijn van
onzen vooruitgang. Eenige radicale wijziging van de bestaande
monogame huwelijksorde is niet te verwachten, zelfs als het
algemeen erkend werd, hetgeen niet kan gezegd worden, dat ze
wenschelijk is. De kwestie van sexueele variaties, moeten we ons
herinneren, is niet een kwestie van het invoeren van een geheel
nieuwen vorm van huwelijk, maar alleen van het erkennen van het
recht van individuen, om buitengewone gevallen van dat huwelijk
aan te nemen, en van het erkennen van de daarmee overeenstemmende
verplichtingen van zulke individuen om de verantwoording op zich te
nemen van ieder van die afwijkende vormen, die ze het beste zullen
vinden. Voor zoover de kwestie van de sexueele variatie van het
huwelijk meer is dan dit, is ze, volgens Hinton, een dynamische
methode om te werken aan de afschaffing van de gevaarlijke
promiscuïteit van de prostitutie. Een strenge huwelijksorde
sluit prostitutie in zich; een buigzame huwelijksorde maakt voor
een groot deel--hoewel misschien niet geheel--de prostitutie
overbodig. De democratische moraal van tegenwoordig is, voor
zoover de aanwijzingen gaan, tegenovergesteld aan een klasse van
quasi-slaven, met verminderde maatschappelijke rechten, zooals de
prostituées altijd in meerdere of mindere mate vormen. Het blijkt
ook tamelijk duidelijk, dat de snel aangroeiende invloed van de
medische hygiëne aan dezelfde zijde werkt. Wij mogen daarom in
de toekomst redelijkerwijze een langzame, maar gestadige toename
verwachten van de erkenning, en zelfs van de uitbreiding van die
variaties in de monogamische orde, die in werkelijkheid nooit
opgehouden hebben te bestaan.
Het is bedroevend, dat het, in dezen tijd van de wereldgeschiedenis,
bijna twee duizend jaar nadat de wijze wetgevers van Rome hun
werk voltooid hadden, nog noodig is tot het besluit te komen,
dat we tegenwoordig eerst in een der eerste stadiën zijn van
het plaatsen van het huwelijk op een redelijke en menschelijke
basis. Ik heb er herhaaldelijk op gewezen in hoe groote mate de
canonieke wet verantwoordelijk geweest is voor deze vertraging in de
ontwikkeling. Men kan inderdaad zeggen, dat de geheele houding van
de Kerk, nadat ze volkomen wereldlijke heerschappij verkregen had,
verantwoordelijk moet gesteld worden. In de vroegere eeuwen was de
houding van het Christendom over het geheel bewonderenswaardig. Het
hield groote idealen hoog, maar het onthield zich van het opdringen van
deze idealen tot iederen prijs; zoo bleven de idealen echt en konden ze
niet ontaarden in enkel huichelachtige ledige vormen; veel buigzaamheid
werd toegestaan, als ze voor het welzijn der menschen scheen noodig
te zijn en als ze ingesteld werd om kwaad en onrechtvaardigheid te
vermijden. Maar, toen de Kerk wereldlijke macht verkreeg, en toen die
macht geconcentreerd raakte in de handen van Pausen, die moreele en
godsdienstige belangen ondergeschikt maakten aan politieke belangen,
toen sloeg men de aanspraken van het verstand en de humaniteit in
den wind. Het ideaal werd niet meer een feit dan het tevoren was,
maar het werd nu behandeld als een feit. De menschelijke verhoudingen
bleven wat zij tevoren waren, even gecompliceerd en verschillend,
maar van nu af aan werd éen streng willekeurig voorbeeld gesteld,
dat bewonderenswaardig was als een ideaal, maar erger dan ledig
als een vorm, en alle afwijkingen daarvan werden behandeld òf als
niet te bestaan òf als verkeerd. Alle leven werd uit de meest vitale
menschelijke instellingen verdreven en eerst nu begint er weer beweging
in te komen.
Als wij--resumeerend--den loop nagaan, die de regeling van het huwelijk
gehad heeft in het Christelijke tijdperk, het eenige tijdperk dat ons
onmiddellijk aangaat, dan is het niet moeilijk de hoofdlijnen ervan
te volgen. Het huwelijk begon als een bijzondere instelling, die de
kerk, zonder ze te kunnen controleeren, bereid was in te zegenen,
zooals ze zoo menige andere wereldlijke zaak inzegende; zij probeerde
nog niet de natuurlijke aanpassing ervan aan menschelijke behoeften te
beperken. Maar langzamerhand en onmerkbaar, zonder tusschenkomst van de
wet, verkreeg het Christendom de volle heerschappij over het huwelijk,
overeenkomstig de reeds ontwikkelde opvattingen over het kwaad van
den lust, de deugd der kuischheid, de doodzonde van de ontucht, en,
na door den invloed van deze heerschende opvattingen de buigzaamheid
van het huwelijk in alle richtingen te hebben beperkt, plaatste ze het
op een verheven, maar smal voetstuk als een sacrament. Om redenen, die
in het geheel niet liggen in de natuur van de sexueele verhoudingen,
maar die waarschijnlijk aan de priester-wetgevers dringend toeschenen,
die haar assimileerden met de wijding tot priester, werd het huwelijk
voor onontbindbaar verklaard. Niets was zoo gemakkelijk om binnen
te gaan als de poort van het huwelijk, maar, evenals een muizenval,
ging ze alleen naar binnen open en niet naar buiten; eens er in, kon
men er levend niet weer uit komen. De regeling van het huwelijk door
de kerk was, terwijl ze, evenals het coelibaat van de geestelijkheid,
een succes was uit het oogpunt van kerkelijke politiek, en zelfs
in het eerst uit het oogpunt van beschaving, want ze bracht orde in
een maatschappelijken chaos, toch op den langen duur een mislukking
uit een oogpunt van maatschappij en moraal. Aan den eenen kant
verviel ze in belachelijke spitsvondigheden en haarkloverijen; aan
den anderen kant had ze, omdat ze niet berustte op hetzij de rede
of op de menschelijkheid, niets van die geschiktheid tot aanpassen
aan de behoeften van het leven, die het Christendom in zijn eersten
tijd in zoo ruime mate behield, terwijl het toch verheven idealen
hoog hield. Aan den traditioneelen kant werd dit huwelijkswetboek
onbeholpen en onpractisch; aan den biologischen kant was het een
wanhopige misgreep. Zoo was dus de weg gebaand tot de opvatting der
Protestanten van het huwelijk als een contract, maar die opvatting
werd minder op den voorgrond gebracht ter wille van zich zelf,
dan als een protest tegen de moeilijkheden en dwaasheden van de
Katholieke canonieke, wet. Deze beschouwing als contract, die nog
in ruime mate bestaat, zelfs nu nog, nam spoedig veel over van de
leerstellingen van de canonieke wet over het huwelijk, en werd in
de praktijk een soort van hervormde en verwereldlijkte canonieke
wet. Ze paste zich eenigszins meer aan aan de moderne behoeften,
maar ze behield veel van de starheid van het Katholieke huwelijk
zonder den sacramenteelen aard ervan, en ze deed nooit een poging
om meer dan in naam een contract te worden. Ze is te beschouwen als
een compromis van deelen, die niet bij elkaar passen en ze is een
overgangsstadium geweest naar het vrije persoonlijke huwelijk. Wij
kunnen die phase herkennen in de neiging, die in de beschaafde landen
duidelijk uitgesproken is, naar een steeds toenemende rekbaarheid
van het huwelijk. Het denkbeeld en zelfs het feit van het huwelijk
door overeenstemming en van de echtscheiding bij gebrek aan die
overeenstemming, waar we nu heen gaan, is in werkelijkheid nooit
geheel uitgestorven geweest. In de Latijnsche landen is het blijven
bestaan in de traditie van de Romeinsche wet; in de Engelsch sprekende
landen is het samengegroeid met den geest van het puritanisme, die er
op aandringt, dat in de dingen die het individu alleen aangaan, het
individu zelf opperste rechter moet zijn. Die leer, toegepast op het
huwelijk, werd in Engeland schitterend tot uitdrukking gebracht door
het genie van Milton, en in Amerika is zij het zuurdeesem geweest,
dat nog voortwerkt in de huwelijkswetgeving naar een onvermijdelijk
doel, dat nog nauwelijks in het zicht is. Het huwelijkssysteem
van de toekomst zal op het oude Christelijke systeem gelijken in
zoover het den geheiligden en sacramenteelen aard zal erkennen
van de sexueele verhouding, en het zal gelijken op de burgerlijke
opvatting in zooverre het er op zal aandringen, dat het huwelijk,
wat de voortplanting aangaat, openlijk door den Staat zal worden
geregistreerd. Maar in tegenstelling met de kerk zal het erkennen,
dat het huwelijk, in zoover het zuiver een sexueele verhouding is,
een persoonlijke zaak is, waarvan de voorwaarden moeten overgelaten
worden aan de personen, die er in betrokken zijn; en in tegenstelling
met de burgerlijke theorie zal het erkennen, dat het huwelijk in
zijn wezen een feit is en geen contract, hoewel het aanleiding kan
geven tot contracten, zoolang die contracten dat essentieele feit niet
raken. En in een opzicht zal het gaan boven de kerkelijke opvatting en
de burgerlijke opvatting beide. De mensch heeft in den laatsten tijd
de heerschappij verkregen over zijn eigen voortbrengende krachten, en
die heerschappij brengt mee een verplaatsen van het centrum van den
ernst van het huwelijk, in zooverre het huwelijk een staatszaak is,
van de vagina naar het kind, dat de vrucht is van den schoot. Het
huwelijk, als een instelling van den Staat, zal zich concentreeren,
niet om de sexueele verhouding, maar om het kind, dat het resultaat
is van die verhouding. In zooverre het huwelijk een onschendbaar
openlijk contract is, zal het van zulk een aard zijn, dat het vanzelf
met zijn bescherming zal dekken ieder kind, dat in de wereld geboren
wordt, zoodat ieder kind een wettigen vader en een wettige moeder
zal hebben. Aan den eenen kant heeft het huwelijk dus neiging om
minder bindend te worden; aan den anderen kant heeft het neiging meer
bindend te worden. Aan den persoonlijken kant is het een intieme en
heilige verhouding, waarmee de Staat niet te maken heeft; aan den
maatschappelijken kant is het het aannemen van het verantwoordelijk
openlijk borg zijn voor een nieuw lid van den Staat. Sommigen onder
ons zijn bezig de eerste van deze beschouwingswijzen van het huwelijk
te bevorderen, anderen de tweede. Beide zijn noodig om een volkomen
harmonie te vormen. Het is noodig de twee beschouwingswijzen van
het huwelijk afzonderlijk te houden, om gelijkelijk rechtvaardigheid
te betrachten jegens het individu en jegens den Staat, maar als het
huwelijk zijn idealen staat bereikt, worden die twee beschouwingswijzen
tot een.
Wij hebben nu de bespreking van het huwelijk, zooals het zich voordoet
aan den modernen mensch, die geboren is in wat in middeleeuwsche
dagen het Christendom genoemd werd, voltooid. Het was geen
gemakkelijk onderwerp om te bespreken. Het is werkelijk een zeer
moeilijk vraagstuk, en eerst na vele jaren zal het mogelijk zijn de
voornaamste richting te ontdekken van de schijnbaar aan elkander
tegenovergestelde en verwarde stroomingen, als men er zelf midden
in is. Voor een Engelschman is het misschien bijzonder moeilijk,
want de Engelschman is vóor alles een eiland-bewoner; in dat feit
liggen alle deugden die hij bezit, zoowel als zijn ondeugden [370].
Toch loont het de moeite te trachten een hoogte te beklimmen, vanwaar
we den stroom van de neiging der maatschappij kunnen beschouwen in
zijn ware proporties en de richting ervan kunnen taxeeren. Het is
noodig dat te doen, als wij waarde hechten aan den vrede van onzen
geest in een eeuw, waarin de geesten van de menschen in beweging
worden gebracht door vele kleine beproevingen, die niets te maken
hebben met hun groote tijdelijke belangen, om nog niets te zeggen
van hun eeuwigheidsbelangen. Als wij een ruim overzicht over de
vaststaande biologische feiten van het leven gekregen hebben, als
wij de groote stroomingen zien, die te zamen het plan vormen van de
menschelijke zaken, dan kunnen wij met kalmte toezien op de kleine
maatschappelijke veranderingen, die in onze eeuw plaats vinden,
zooals zij plaats vinden in iedere eeuw.