HET HUWELIJK

De definitie van het huwelijk.--Het huwelijk in de

dierenwereld.--Het overheerschen van de monogamie.--Het vraagstuk

van het groepen-huwelijk.--De monogamie is een natuurlijk feit,

niet gebaseerd op een wet der menschen.--Neiging om den vorm van

het huwelijk te stellen boven het feit van het huwelijk.--De

geschiedenis van het huwelijk.--Het huwelijk in het oude

Rome.--Germaansche invloed op het huwelijk.--De groote uitbreiding

van dezen invloed.--Het sacrament van het huwelijk.--Oorsprong

en ontwikkeling van de opvatting als sacrament.--De kerk

maakte het huwelijk tot een openbare daad.--Het canonieke

huwelijksrecht.--De gezonde kern hiervan.--Zijn ontwikkeling.--Zijn

onduidelijkheden en dwaasheden.--Eigenaardigheden van het Engelsche

huwelijksrecht.--Invloed van de hervorming op het huwelijk.--De

Protestantsche opvatting van het huwelijk als een wereldlijk

verdrag.--De Puriteinsche huwelijks hervorming.--Milton als

pionier voor de huwelijks hervorming.--Zijn beschouwingen over

echtscheiding.--De achterlijke positie van Engeland op het gebied

van de huwelijkshervorming.--Critiek op de Engelsche wet op de

echtscheiding.--De tradities van het canoniek recht werken nog

voort.--De kwestie van schadevergoeding bij echtbreuk.--Onderlinge

verstandhouding is een beletsel voor echtscheiding.--Echtscheiding

in Frankrijk, Duitschland, Oostenrijk, Rusland enz.--De Vereenigde

Staten.--Onmogelijkheid de echtscheidingsgronden wettig vast te

stellen.--Echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden.--De oorsprong

en de ontwikkeling hiervan--Belemmering door de tradities van het

canoniek recht.--Wilhelm von Humboldt.--Nieuwe voorstanders van

echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden.--De argumenten tegen

het gemakkelijker maken van de echtscheiding.--De belangen der

kinderen.--De bescherming der vrouwen.--De tegenwoordige neiging

in de behandeling van de echtscheidingsbeweging.--Het huwelijk

is geen verdrag.--Het voorstel van een huwelijk voor een aantal

jaren.--Wettelijke beperkingen en nadeelen in de positie van man

en vrouw.--Het huwelijk is geen contract, maar een feit.--Alleen de

bijkomende zaken van het huwelijk, niet de essentieele leenen zich

tot een regeling bij contract.--De wettelijke erkenning van het

huwelijk als feit zonder eenige ceremonie.--Contracteeren van de

persoon is niet te vereenigen met de moderne neigingen.--De factor

van de moreele verantwoordelijkheid.--Het huwelijk als een ethisch

sacrament.--Persoonlijke verantwoordelijkheid sluit vrijheid in

zich.--Vrijheid is de beste waarborg voor bestendigheid.--Onjuiste

denkbeelden over indivudualisme.--De moderne neiging van het

huwelijk.--Met de geboorte van een kind houdt het huwelijk op

een persoonlijke aangelegenheid te zijn.--Ieder kind moet een

wettigen vader en een wettige moeder hebben.--Hoe dit bereikt

kan worden.--De vaste grondslag der monogamie.--De kwestie van

huwelijksvariatie.--Zulke variaties staan niet vijandig tegenover

de monogamie.--De meest gewone variaties.--De buigzaamheid van het

huwelijk houdt variaties in toom.--Huwelijks variaties tegenover

prostitutie.--Het huwelijk op humanen grondslag.--Samenvatting

en besluit.

De bespreking in het vorige hoofdstuk van den aard van de sexueele

moraal, met de korte schets, die zij bevatte van de richting, waarin

die moraal zich beweegt, heeft noodzakelijk vele punten onaangeroerd

gelaten. De vraag blijft nog open, welke bepaalde vormen de sexueele

vereenigingen onder ons beginnen aan te nemen, en welke betrekking

deze vereenigingen hebben op de godsdienstige, maatschappelijke,

en wettelijke tradities, die wij geërfd hebben. Dit zijn zaken,

waarover een vrij groote mate van onzekerheid schijnt te bestaan, te

oordeelen naar de ongewoon revolutionaire of eccentrieke meeningen,

die men er over te hooren krijgt.

Sexueele vereeniging, die tijdelijk of duurzaam cohabitatie van twee

of meer personen in zich sluit, en die tot voornaamste doeleinden

heeft het voortbrengen en de verzorging van een nageslacht, wordt

gewoonlijk huwelijk genoemd. De groep, die zoo gevormd wordt, heet

een familie. Dit is de beteekenis, waarin de woorden "huwelijk" en

"familie" meest eigenlijk gebruikt worden, hetzij we spreken van de

dieren of van den mensch. We zien dus, dat er gelegenheid is voor

variaties, zoowel wat den duur van de vereeniging aangaat, als wat het

aantal van de haar vormende individuen betreft, terwijl de hoofdfactor

voor de bepaling van deze punten het belang van de nakomelingschap

is. In de praktijk echter hebben sexueele vereenigingen, niet alleen

bij den mensch, maar ook bij de hoogere dieren, de neiging langer te

duren dan het belang van de nakomelingschap van een seizoen het eischt,

terwijl het feit, dat bij de meeste soorten het aantal der mannetjes

en der vrouwtjes ongeveer gelijk is, het onvermijdelijk maakt, dat de

familie gevormd wordt door een enkel paar individuen van verschillend

geslacht, zoodat monogamie, hoewel steeds met vele uitzonderingen,

hoofdregel is.

We zien dus, dat het huwelijk zijn middelpunt vindt in het kind

en dat het in den oorsprong geen reden van bestaan heeft buiten de

welvaart van de nakomelingschap. Onder de lager georganiseerde dieren,

die van het begin van hun leven af in staat zijn voor zich zelf te

zorgen bestaat geen familie en geen behoefte aan het huwelijk. Als bij

menschen op de geslachtsvereeniging geen nakomelingschap volgt, dan

kunnen er wel gronden bestaan voor het voortduren van die vereeniging,

maar dit zijn geen gronden, waarbij hetzij de natuur of de maatschappij

eenig direct belang heeft. Het huwelijk, dat zich onder de dieren door

erfelijkheid gevormd heeft op de basis der natuurlijke keuze, en dat

door de lagere menschenrassen voortgezet is door gewoonte en traditie,

door de meer beschaafde rassen door den daarbij komenden regelenden

invloed van wettige instellingen, is geweest huwelijk terwille van

het nageslacht [308]. Zelfs bij beschaafde rassen, bij wie het aantal

kinderlooze huwelijken groot is, is het huwelijk meestal zoo ingericht,

dat het steeds het verwekken van kinderen aanneemt, en de duurzaamheid

in zich sluit, die daarvoor geëischt wordt.

Bij vogels, die, wat hun erotische ontwikkeling betreft,

in de dierenwereld bovenaan staan, is de monogamie dikwijls

overheerschend (volgens sommige schattingen ongeveer 90 percent),

en de vereenigingen zijn meestal duurzaam; denzelfden toestand

vindt men, al is 't niet zoo volkomen, bij sommige van de hoogere

zoogdieren, vooral bij de anthropoide apen; zoo bestaan onder de

gorilla's en oerang-oetans permanente monogamische huwelijken,

waarbij de jongen soms bij de ouders blijven tot hun zesde jaar,

terwijl alles, wat lijkt op loszinnig gedrag van den kant van het

wijfje, door het mannetje streng gestraft wordt. De variaties,

die voorkomen, zijn dikwijls een kwestie van aanpassing aan de

omstandigheden; zoo zegt J. G. Millais (Natural History of British

Ducks, pp. I, 63), dat de lepeleend, hoewel zij normaal monogamisch

is, polyandrisch wordt als er te veel mannetjes zijn, en dat dan

twee mannetjes voortdurend en vriendschappelijk zorg dragen voor

eén wijfje, zonder teekenen van jaloezie; ook bij de monogamische

wilde eenden komen nu en dan polygynie en polyandrie voor. Zie ook

R. W. Schufeldt, "Mating Among Birds", American Naturalist, Maart,

1907; voor huwelijken onder de zoogdieren zie men een belangrijk

geschrift van Robert Müller, "Säugethierchen", Sexual-Probleme,

Jan., 1909, en wat het overheerschen van de monogamie aangaat,

zie men Woods Hutchinson, "Animal Marriage", Contemporary Review,

Oct., 1904, en Sept. 1905.

Men is het onder de historici van het huwelijk lang oneens

geweest over den oorspronkelijken vorm van het menschelijk

huwelijk. Sommigen meenen, dat een oorspronkelijk bestaande

gemengde staat zich langzamerhand in de richting van de

monogamie gewijzigd heeft; anderen beweren, dat de mensch

begon waar de anthropoide aap ophield, en dat de monogamie over

het geheel doorloopend overheerschend geweest is. Deze beide

tegenovergestelde gezichtspunten, in hun uitersten vorm, schijnen

onhoudbaar, en de waarheid zal wel in het midden liggen. Het is

door verschillende schrijvers, en voornamelijk door Westermarck

(History of Human Marriage, hoofdst. IV-VI) aangetoond, dat

er geen gezonde bewijsgronden zijn voor een oorspronkelijken

gemengden staat, en dat er tegenwoordig weinig natuurvolken

zijn, zoo ze er al zijn, die in echte onbeperkte gemengde

staat leven. Deze theorie van een oorspronkelijke promiscuïteit

schijnt ontstaan te zijn, naar J. A. Godfrey aangetoond heeft

(Science of Sex, p. 112), door de gemengde prostitutie, die in

beschaafde maatschappijen bestond, hoewel deze gemengde staat

in werkelijkheid eerder het gevolg was dan de oorzaak van het

huwelijk. Aan den anderen kant kunnen we nauwelijks zeggen,

dat er eenig overtuigend bewijsmateriaal is van oorspronkelijke

strikte monogamie, behalve de onderstelling, dat de eerste mensch

de sexueele gewoonten van den anthropoiden aap voortzette. Het

schijnt echter waarschijnlijk, dat de groote schrede voorwaarts,

die het overgaan van aap tot mensch met zich bracht, samenging

met een verandering in de sexueele gewoonten, die leidde tot het

aannemen van een meer samengesteld systeem dan de monogamie. Het

is moeilijk te zien op welk ander maatschappelijk gebied dan dat

der sekse, de oorspronkelijke mensch werkzaamheid kon vinden voor

de zich ontwikkelende intellectueele en moreele bekwaamheden,

de fijne onderscheidingen en de moreele beperkingen, waarvoor

de strikte monogamie, door de dieren in praktijk gebracht, geen

ruimte liet. Het is even moeilijk te zien, op welke andere basis,

dan die van de sekse, een nauwer verbonden sexueel systeem, de

vereenigde en harmonieuze pogingen, noodig voor maatschappelijken

vooruitgang, zich konden hebben ontwikkeld. Het is waarschijnlijk,

dat tenminste een van de beweegredenen tot de exogamie, of het

huwelijk buiten den groep, is (zooals waarschijnlijk het eerst door

den heiligen Augustinus is aangetoond in zijn De Civitate Dei)

de behoefte, een grooter maatschappelijken kring te stichten en

zoo de maatschappelijke werkzaamheden en den maatschappelijken

vooruitgang te vergemakkelijken. Precies hetzelfde doel wordt

bereikt door een samengesteld huwelijkssysteem, dat een groot

aantal personen samenbindt door gemeenschappelijke belangen. De

strikt kleine en beperkte monogamische familie, hoe uitstekend

ze ook zorgde voor de belangen van het nageslacht, hield geen

belofte in voor een ruimeren maatschappelijken vooruitgang. Wij

zien dit zoowel bij de mieren als bij de bijen, die van alle

dieren de hoogste maatschappelijke organisatie bereikt hebben;

hun vooruitgang was slechts mogelijk door een grondige wijziging

van het systeem van sexueele betrekkingen. Zooals Espinas vele

jaren geleden gezegd heeft (in zijn tot nadenken stemmend boek

Des Sociétés Animales): "Het samenhangen van de familie en de

mogelijkheid van het geboren worden van nieuwe maatschappijen staan

in omgekeerde verhouding". Of, zooals Schurtz onlangs aangetoond

heeft, hoewel het monogame huwelijk in den beginne min of meer

overheerscht heeft, hebben de eerste maatschappelijke instellingen,

de eerste denkbeelden en de eerste godsdienst sexueele gewoonten

met zich gebracht, die een strikte monogamie wijzigden.

De meest primitieve vorm van een samengesteld menschelijk huwelijk

die tot nu toe is uitgebeeld, en die nog schijnt te bestaan, is

wat het groepenhuwelijk genoemd wordt, waarbij al de vrouwen van de

eene klasse beschouwd worden als werkelijke of in ieder geval als

mogelijke echtgenooten van al de mannen in een andere klasse. Dit

is opgemerkt bij sommige stammen uit Midden-Australië, stammen,

die zoo primitief zijn en afgezonderd van uiterlijke invloeden

als men ze maar vinden kan, en het schijnt vroeger onder hen nog

meer te zijn voorgekomen. "In den stam der Urabunna bijvoorbeeld",

zeggen Spencer en Gillen, "hebben een groep van mannen werkelijk

voortdurend en als normale toestand, huwelijksverhoudingen met

een groep vrouwen. Deze staat van zaken heeft niets ter wereld

te maken met polygamie, of ook met polyandrie. Het is eenvoudig

een kwestie van een groep mannen en een groep vrouwen, die wettig

mogen hebben wat wij huwelijksverhoudingen noemen. Er is niets

hoegenaamd abnormaals hierin, en naar alle waarschijnlijkheid

is dit systeem van wat men een proefhuwelijk zou kunnen noemen,

omdat het er toe dient groepen van individuen, die wederkeerig

belang hebben bij elkander's welvaart, min of meer nauw aan

elkaar te binden, een van de machtigste werktuigen geweest in

de eerste stadiën van de voortschrijdende ontwikkeling van het

menschelijk ras" (Spencer en Gillen, Northern Tribes of Central

Australia, p. 74; vergelijk A. W. Howitt, The Native Tribes of

South-East Australia). Het groepenhuwelijk, met de afstamming in de

vrouwelijke lijn, zooals ze in Australië gevonden wordt, schijnt

zich langs verschillende stadiën van vooruitgang te wijzigen

in het individueele huwelijk met de afstamming in de mannelijke

lijn, terwijl een overblijfsel van het groepenhuwelijk misschien

is blijven bestaan in het veel besproken jus primae noctis. (We

moeten hieraan toevoegen, dat Mr. N. W. Thomas, in zijn boek over

Kinship and Marriage in Australia, 1908, tot de conclusie komt,

dat het groepenhuwelijk in Australië niet gedemonstreerd is, en dat

Professor Westermarck in zijn Origin and Development of the Moral

Ideas, evenals in zijn vroegere History of Human Marriage, een

sceptische meening staande houdt jegens het groepenhuwelijk in het

algemeen; hij meent, dat de gewoonte der Urabunna zich misschien

zal ontwikkeld hebben uit het gewone individueele huwelijk, en hij

beschouwt de theorie van het groepenhuwelijk als "het legaat van

de oude theorie der promiscuïteit". Ook Durkheim meent, dat het

Australische huwelijkssysteem niet tot het primitieve behoort,

"Organisation Matrimoniale Australienne", L'Année Sociologique,

achtste jaar, 1905). Het is gemakkelijk te zien dat met het

bereiken van een bepaald niveau van maatschappelijken vooruitgang

een ruim en gecompliceerd systeem van sexueele verhoudingen ophoudt

zijn waarde te hebben, en dat een min of meer gequalificeerde

monogamie neiging heeft te overheerschen als meer in harmonie

met de eischen van maatschappelijke stabiliteit en zich uitende

mannelijke energie.

De beste historische bespreking van het huwelijk is waarschijnlijk

nog de History of Human Marriage door Westermarck, hoewel ze nu

op sommige punten behoefte heeft aan verbetering en aanvulling;

onder andere nieuwere boeken, die handelen over primitieve sexueele

opvattingen mogen we speciaal noemen de Mystic Rose van Crawley,

terwijl de feiten over de verandering van het huwelijk onder

de hoogere menschelijke rassen uiteengezet zijn in de History

of Matrimonial Institutions (3 deelen), dat vele verwijzingen

bevat naar andere boeken. Er is een uitmuntende beknopte, maar

duidelijke en begrijpelijke schets van de ontwikkeling van het

moderne huwelijk in Pollock en Maitland, History of English Law,

deel II.

We moeten vrijheid laten voor variaties, en daarbij moeten we de

uiterste theoretici vermijden, maar we mogen toch tot de conclusie

komen, dat--zooals het vrijwel gelijke aantal mannen en vrouwen

aanduidt--in de menschelijke soort, evenals onder vele van de hoogere

dieren, een min of meer duurzame monogamie over het geheel neiging

heeft gehad te overheerschen. Dat is een feit van groote beteekenis in

zijn verwikkelingen. Want wij moeten ons voor oogen stellen, dat wij

hier staan tegenover een natuurlijk feit. Sexueele verhoudingen volgen,

zoowel in menschelijke als in dierlijke maatschappijen, een natuurlijke

wet, terwijl ze aan beide zijden van den norm varieeren en er is geen

plaats voor de theorie, dat die wet willekeurig opgelegd was. Als alle

kunstmatige "wetten" afgeschaft konden worden, dan zou de natuurlijke

orde van de sexueele verhoudingen toch in hoofdzaak blijven bestaan,

zooals ze op het oogenblik is. Deugd, zeide Cicero, is alleen maar

Natuur tot het uiterste doorgevoerd. Of, zooals Holbach het uitdrukt,

waar hij beweert, dat onze instellingen neigen in de richting, die de

natuur aanwijst, "kunst is alleen maar natuur, werkend met behulp van

de instrumenten, die zij zelf gemaakt heeft". Shakespeare had reeds

zoowat dezelfde waarheid gezien, toen hij zeide, dat de kunst, die

aan de natuur toevoegt, "een kunst is, die de natuur maakt". De wet

en de godsdienst hebben de monogamie gesteund; ze berust niet op deze,

maar op de behoeften van de menschheid, en deze heiligen de monogamie

in voldoende mate [309]. Of, zooals Cope zegt, het huwelijk is niet de

schepping van de wet, maar de wet is de schepping van het huwelijk

[310]. En Crawley legt, in zijn studie over primitieve sexueele

verhoudingen, den nadruk op het feit, dat ons formeele huwelijkssysteem

niet is, zooals zoovele godsdienstige en moreele schrijvers gemeend

hebben, een met geweld onderdrukken van natuurlijke impulsen, die in

meer vloeibaren vorm van het begin af aan in de menschelijke natuur

aanwezig zijn geweest. We moeten wel gelooven, dat onze conventioneele

vormen geen nieuwe elementen van waarde hebben ingevoerd; integendeel

zijn ze in sommige opzichten nadeelig geweest.

Het is noodig in de herinnering te houden, dat de conclusie,

dat het monogame huwelijk natuurlijk is, en een orde te zien

geeft, die in harmonie is met de instincten van de meerderheid

van het volk, in het geheel niet een meegaan met de onderdeelen

van eenig bijzonder systeem van monogamie in zich sluit. Het

monogame huwelijk is een natuurlijk biologisch feit. Als een hoog

geacht psychiater, Dr. Clouston, schrijft (The Hygiene of Mind,

p. 245) "er is maar één natuurlijke wijze om de sexueele nisus

en het instinct van reproductie te bevredigen, namelijk het

huwelijk", dan vereischt de bewering de noodige toelichting eer

ze kan worden aangenomen, of zelfs een begrijpelijke beteekenis

kan krijgen, en als we onder "huwelijk" moeten verstaan den

specialen vorm en de speciale verwikkelingen van de Engelsche

huwelijkswet, of zelfs van de iets meer verlichte Schotsche wet,

is de bewering absoluut valsch. Er is een wereld van verschil,

zooals J. A. Godfrey opmerkt (The Science of Sex, 1901, p. 278),

tusschen het natuurlijke monogame huwelijk en ons wettelijk

systeem; "het eerste is de uiterlijke uitdrukking van het beste,

dat er in de sexualiteit van den mensch is; het tweede is een

schepping, waarbij godsdienstige en moreele bijgeloovigheden een

hoogst belangrijke rol gespeeld hebben, niet altijd ten voordeele

van de gezondheid van het individu en van de maatschappij".

Wij moeten ons derhalve wachten voor de meening, dat er iets stars

of formeels is in de natuurlijke orde der monogamie. Sommige

sociologen zouden zelfs de natuurlijkheid van de monogamie nog

verder willen beperken. Zoo accepteert Tarde de neiging tot

monogamie als natuurlijk onder de tegenwoordige toestanden,

verzacht door meer of minder heimelijk concubinaat, om te

overheerschen over alle andere huwelijksvormen, en hij meent,

dat het niet berust op een of ander onweerstaanbaren invloed,

maar alleen op het feit, dat dit soort van huwelijk door de

meerderheid van de menschen in praktijk wordt gebracht, de meest

beschaafden niet uitgesloten.

Met de erkenning van de neiging tot monogamie zijn we niet aan

het einde van de sexueele moraal, maar eerst aan het begin. Het

is niet de monogamie, die het hoofdpunt is, maar het soort van

leven, dat de menschen in de monogamie leiden. Het aannemen van een

monogamischen regel brengt ons maar een klein eindje verder. Dat

is een feit, dat niet nalaten kan zich op te dringen aan hen,

die de sexueele kwesties van psychologische zijde naderen.

Als de monogamie zoo'n stevige basis heeft, is het onredelijk

te vreezen voor, of te hopen op eenige radicale wijziging in de

instelling van het huwelijk; dit huwelijk, dat men niet alleen uit

godsdienstig of wettelijk oogpunt moet beschouwen, maar als een orde,

die op aarde verscheen zelfs nog eerder dan de mensch. De monogamie is

de meest natuurlijke uiting van een impuls, die als regel niet goed

tot vollen wasdom kan komen onder omstandigheden, die een minder

langen tijd van wederzijdsche gemeenschap en intimiteit met zich

brengen. Variaties, beschouwd als onvermijdelijke slingeringen om

den norm, zijn ook natuurlijk, maar vereeniging in paren moet altijd

de regel zijn, omdat het aantal individuen van de seksen altijd ten

naastenbij gelijk is, terwijl de behoeften van het gemoedsleven,

zelfs afgezonderd van de behoeften van de nakomelingschap, eischen,

dat zulke vereenigingen, gebaseerd op wederzijdsche aantrekking,

zooveel mogelijk duurzaam zullen zijn.

Het moet hier weer herhaald worden, dat het de werkelijkheid is,

en niet de vorm of de duurzaamheid van de huwelijksvereeniging,

die er het essentieele en belangrijke deel van is. Het is niet

de wettelijke of godsdienstige formaliteit, die het huwelijk

heiligt, het is de werkelijkheid van het huwelijk, die den vorm

ervan heiligt. Fielding heeft in Nightingale, den vriend van

Tom Jones, het kleingeestige gezichtspunt van de maatschappij

over het huwelijk bespot, daar deze de werkelijkheid van het

huwelijk verlaagt om den vorm te verheffen. Het kost Nightingale

de grootste moeite een meisje te trouwen, waarmee hij reeds

sexueele gemeenschap gehad heeft, hoewel hij de eenige man is,

die betrekkingen met haar heeft gehad. Op de argumenten van Jones

antwoordt hij: "Het gezond verstand bekrachtigt alles wat je zegt,

maar toch zul je wel weten, dat de opinie van de wereld er zóo

tegen is, dat, als ik met een hoer zou trouwen, al was ze dan

ook de mijne, ik mij zou schamen om ooit weer mijn aangezicht te

vertoonen". Het kan niet gezegd worden, dat Fielding's satyre

zelfs nu nog verouderd is. Zoo schijnt het in Pruisen, volgens

Adèle Schreiber ("Heiratsbeschränkungen", Die Neue Generation,

Febr. 1909), nu nog feitelijk voor een militair officier onmogelijk

te zijn om te trouwen met de moeder van zijn eigen onwettig kind.

De verheerlijking van den vorm ten koste van de werkelijkheid

van het huwelijk is zelfs in poëzie beproefd door Tennyson in het

minst geïnspireerde van zijn werken, The Idylls of the King. In

"Lancelot and Elaine" en "Guinevere" (zooals Julia Magruder

aanduidt, North American Review, April 1905) is Guinevere getrouwd

met koning Arthur, dien zij nooit gezien heeft, toen ze al verliefd

was op Lancelot, zoodat het "huwelijk" slechts een ceremonie was,

en niet een werkelijk huwelijk (vergelijk May Child, "The Weird

of Sir Lancelot", North American Review, Dec. 1908).

Het zal misschien sommigen toeschijnen, dat een zoo conservatieve

appreciatie van de neigingen der beschaving in zaken van sexueele

liefde berust op een vreesachtig hangen aan louter tradities. Dat

is het geval niet. Wij moeten erkennen, dat het huwelijk stevig in

evenwicht gehouden wordt door den druk van twee tegenovergestelde

krachten. Er zijn twee stroomingen in den loop van onze beschaving:

de eene, die zich voortbeweegt naar een steeds grooter wordende

maatschappelijke orde en samenhang, de andere die zich voortbeweegt

naar een steeds grootere individueele vrijheid. Er ligt werkelijke

harmonie ten grondslag aan de schijnbare tegenstelling in deze twee

neigingen, en elk is de onvermijdelijke aanvulling van den ander. Er

kan geen werkelijke vrijheid zijn voor het individu in de zaken, die

dat individu alleen aangaan, tenzij er een samenhangende orde is in

de dingen, die hem aangaan als maatschappelijke eenheid. Het huwelijk

raakt in één opzicht alleen de twee individuen, die het samenstellen,

in een ander opzicht raakt het hoofdzakelijk de maatschappij. De twee

krachten kunnen niet samenwerken om het huwelijk te vernietigen, want

de eene werkt de andere tegen. Zij werken samen om de monogamie in

alle hoofdpunten op de basis, waarop zij sedert onheugelijke tijden

gestaan heeft, staande te houden.

Hier moet aan toegevoegd worden, dat in de niet essentieele

omstandigheden van de monogamie er altijd een voortdurende verandering

geweest is en dat die er altijd zal blijven. Alle traditioneele

instellingen, hoe stevig ze ook wortelen in natuurlijke impulsen,

worden altijd op sommige punten dood en star, en groeien op andere

punten verder. Het is de poging om hun levenskracht in stand te

houden, en hun elastische aanpassing aan de omgeving te bewaren,

die dit systeem van wijzigingen in zaken van nevenbelang in zich sluit.

De eenige weg, waarlangs wij met vrucht de kwestie van de waarde der

veranderingen, die nu plaats vinden in ons huwelijkssysteem, kunnen

naderen, is het beschouwen van de geschiedenis van dat systeem in

het verleden. Op die wijze leeren we de werkelijke beteekenis kennen

van het huwelijkssysteem, en we begrijpen welke veranderingen al

of niet samengaan met een mooie beschaving. Als we bekend zijn met

de veranderingen van het verleden, kunnen we met meer vertrouwen de

veranderingen van het heden onder de oogen zien.

De geschiedenis van het huwelijkssysteem van de moderne beschaafde

volken begint in de latere dagen van het Romeinsche Keizerrijk in

den tijd toen de grond gelegd werd voor die Romeinsche wet, die zoo'n

grooten invloed uitgeoefend heeft in het Christendom. Wij hebben reeds

verwezen [311] naar het belangrijke feit, dat in den laatsten tijd

van het Romeinsche rijk de vrouwen een positie van bijna volkomen

onafhankelijkheid tegenover haar mannen verkregen hadden, terwijl

de autoriteit, die door haar vaders over haar werd uitgeoefend, voor

het grootste deel, nog bijna alleen in naam bestond. Deze hooge staat

van de vrouwen ging, zooals we dat altijd zien, samen met een hoogen

graad van vrijheid in het huwelijkssysteem. De Romeinsche wet had

geen macht om bij het vormen van huwelijken tusschenbeide te komen,

en er waren geen wettelijke vormen van huwelijk. De Romeinen erkenden,

dat het huwelijk een feit was en niet enkel een wettelijke vorm;

in het huwelijk door usus was in het geheel geen ceremonie; het werd

gevormd door het enkele feit van samen te leven een geheel jaar lang;

toch werd zulk een huwelijk beschouwd als even wettig en volkomen alsof

het begonnen was met de heilige rite van de confarreatio. Het huwelijk

was een zaak van eenvoudige persoonlijke overeenkomst, waarbij de man

en de vrouw elkander ontmoetten op den voet van gelijkheid. De vrouw

behield de volle heerschappij over haar bezittingen; de barbaarschheid

van het instellen van een proces tot teruggave van huwelijksrechten

was onmogelijk, echtscheiding was een persoonlijke handeling,

waarop de vrouw even volkomen recht had als de man, en er was geen

inquisitorische tusschenkomst noodig van den magistraat of van het

gerechtshof; wel verklaarde Augustinus, dat een openlijke verklaring

noodig was, maar de echtscheiding zelf was een persoonlijke wettige

daad van de twee personen, die het aanging [312]. Het is interessant

deze verlichte opvatting van het huwelijk op te merken, zooals ze

heerschte in het grootste en krachtigste Keizerrijk, dat ooit over de

wereld geheerscht heeft, niet ten tijde van zijn grootste macht,--want

het maximum van kracht en het maximum van uitbreiding, de knop en

de volle bloem, zijn noodzakelijk onvereenigbaar,--maar ten tijde

van zijn grootste ontwikkeling. In den chaos, die op de ontbinding

van het Keizerrijk volgde, bleef de Romeinsche wet bestaan als een

kostbaar legaat aan de nieuwe zich ontwikkelende naties, maar zijn

invloed was onafscheidelijk verbonden met dien van het Christendom,

dat, hoewel het eerst niet geneigd was geweest zelf huwelijkswetten in

te stellen, langzamerhand een aangroeiend ascetisch gevoel ontwikkelde,

dat gelijkelijk vijandig werd aan de waardigheid van de getrouwde vrouw

en aan de vrijheid van huwelijk en van echtscheiding [313]. Met dien

invloed ging samen de invloed, die van den Bijbel uitging, van het

barbaarsche Joodsche huwelijkssysteem, dat aan den echtgenoot rechten

gaf in huwelijk en echtscheiding, die ten eenenmale aan de vrouw

ontzegd werden; dit was een invloed, die nog grooter kracht kreeg

met de Reformatie, toen de autoriteit, eens aan de Kerk toegekend,

grootendeels op den Bijbel werd overgedragen. Eindelijk was er in

een groot deel van Europa, dat de meest energieke en uitgestrekte

deelen insloot, de invloed van de Germanen, een invloed, die nog

primitiever was dan die van de Joden, die de opvatting deed ontstaan,

dat de vrouw als het ware behoorde tot den veestapel van den man,

en dat het huwelijk een koop was. Al deze invloeden botsten tegen

elkaar en verschenen dikwijls naast elkaar, hoewel ze niet in harmonie

gebracht konden worden. Het resultaat was, dat de vijftien honderd

jaar, die volgden op de volkomen overwinning van het Christendom,

over het geheel de meest lagen toestand laten zien, waartoe het

huwelijkssysteem voor zoover we weten, ooit tijdens den geheelen duur

van de menschelijke geschiedenis zóó langen tijd vervallen is.

In het eerst duurde de heilzame invloed van Rome nog eeniger

mate voort en ontwikkelde zich zelfs opnieuw. In den tijd van de

Christelijke Keizers werd de vrijheid tot echtscheiden afwisselend

in stand gehouden en afgeschaft [314]. Wij vinden zelfs de wijze

en ver-ziende voorzorg van de wet, die zegt, dat een contract

van de twee partijen om nooit te scheiden, geen wettige kracht kon

hebben. Het verbod van Justinianus om echtscheiding te verkrijgen bij

wederzijdsch goedvinden gaf aanleiding tot veel huiselijk verdriet,

en zelfs tot misdaad, hetgeen de oorzaak schijnt geweest te zijn, dat

het onmiddellijk weer opgeheven werd door zijn opvolger. Theodosius,

die nog de oude Romeinsche traditie staande hield van de gelijkheid

van de seksen, verleende aan de vrouw de vrijheid om evenzeer als

de man echtscheiding te verkrijgen voor echtbreuk; dat is een punt,

dat we in het tegenwoordige Engeland nog niet bereikt hebben.

Het schijnt aan alle kanten toegegeven te worden, dat het in ruime mate

de fatale invloed van den inval van de barbaarsche Germanen geweest is,

die, toen zij ze niet konden doen verdwijnen, de edele opvatting van

de gelijkheid van vrouwen met mannen naar beneden haalden, evenals de

waardigheid en de vrijheid van het huwelijk, die zich langzamerhand

door het organiseerend genie van den Romein gevormd hadden tot

een traditie, die nu nog een hooge waarde behoudt. De invloed van

het Christendom had eerst geen verlagenden invloed van deze soort;

want het ascetische ideaal was nog niet overheerschend, priesters

trouwden als of het vanzelf sprak, en er bestond geen moeilijkheid

om de huwelijksorde aan te nemen, die ingesteld werd; het was zelfs

mogelijk er nieuwe levenskracht en vrijheid aan toe te voegen. Maar de

Germanen, met al de primitieve hebzuchtige en strijdlustige instincten

van ongetemde wilden, gingen in het onderwerpen van hun vrouwen veel

verder dan zelfs de oude Romeinen; wel stonden zij aan hun ongetrouwde

meisjes een groote mate van toegevendheid en zelfs sexueele vrijheid

toe,--evenals ook de Christenen hun maagden vereerden [315],--maar

het Germaansche huwelijkssysteem plaatste de vrouw, vergeleken met

de vrouw van het Romeinsche Keizerrijk, in een toestand, die maar

weinig beter was dan die van een huisslaaf.

In den een of anderen vorm, onder de eene of andere vermomming

overheerschte bij de Germanen het systeem van koop van de vrouw, en

altijd, als dit systeem van invloed is, zelfs als de vrouw geëerd

wordt, worden haar voorrechten ingekort [316]. Bij de Teutonische

volken in het algemeen, evenals bij de eerste Engelsche, was het

huwelijk werkelijk een persoonlijke handeling, maar ze nam den vorm

aan van een verkoop van de bruid door den vader, of anderen wettigen

voogd, aan den bruigom. De beweddung was een werkelijk koopcontract

[317]. Het "koophuwelijk" was de meest gewone vorm van huwelijk. De

ring was niet, zooals sommigen hebben gemeend, een teeken van

ondergeschiktheid, maar eerder een vorm van bruidprijs, of arrha,

dat is te zeggen een boetegeld voor het huwelijk en zoo het symbool

ervan [318]. Eerst een teeken van den koop van de bruid, verkreeg

de ring later de beteekenis van onderwerping aan den bruidegom, en

die beteekenis werd in de Middeleeuwen nog nadrukkelijker daaraan

gehecht door andere ceremonies. Zoo moest in Engeland, volgens de

handboeken van York en Sarum de bruid, na het geven van den ring,

den bruidegom te voet vallen, en soms zijn rechter voet kussen. Ook

in Rusland kuste de bruid de voeten van haar man. Op een lateren tijd,

in Frankrijk, werd deze gewoonte verzacht en werd het de gewoonte, dat

de bruid den ring voor het altaar liet vallen, en dan voor de voeten

van haar man bukte om hem op te rapen [319]. Het leenstelsel zette

deze Teutonische invloeden voort en vergrootte ze door zijn militair

karakter. Een leengoed was land, dat gehouden werd op voorwaarde van

militairen dienst, en de aard van den invloed daarvan op het huwelijk

blijkt wel uit dit feit. De vrouw werd gegeven met het leengoed en

haar eigen wil telde in het geheel niet mee [320].

De Christelijke kerk nam eerst de vormen aan van het huwelijk,

zooals ze reeds bestonden in de landen, waar het kwam, de Romeinsche

vormen in de Latijnsche landen met Latijnsche traditie en de

Germaansche vormen in de Teutonische landen. Het eischte alleen maar

(zooals het ook geëischt wordt voor andere burgerlijke contracten,

zooals een gewone verkoop), dat zij geheiligd zullen worden door een

priesterlijke inzegening. Maar het huwelijk werd door de kerk erkend,

zelfs bij afwezigheid van zulk een inzegening. Er was geen speciale

godsdienstige huwelijksdienst, in het Oosten noch in het Westen,

vroeger dan de zesde eeuw. Het was eenvoudig de gewoonte voor het pas

getrouwde paar, nadat de huwelijksceremonies waren afgeloopen, den

dienst in de kerk bij te wonen, naar den gewonen dienst te luisteren

en het sacrament te nemen. Een speciale huwelijksdienst ontwikkelde

zich langzamerhand, en die maakte geen deel uit van het werkelijke

huwelijk. In de tiende eeuw (in ieder geval in Italië en Frankrijk)

begon het de gewoonte te worden het eerste deel van de werkelijke

bruiloft, nog een zuiver tijdelijke daad, buiten de kerkdeur te

vieren. Dit werd spoedig gevolgd door de echte trouwmis, direct op

de gelegenheid toepasselijk, in de kerk. In de twaalfde eeuw leidde

de priester de ceremonie, die nu een indrukwekkend ritueel in zich

sloot, dat buiten de kerk begon en eindigde met de bruidsmis in de

kerk. In de dertiende eeuw leidde de priester, terwijl hij de voogden

van het jonge paar verving, zelf de geheele ceremonie. Tot dien tijd

toe was het huwelijk een zuiver persoonlijke handeling geweest. Zoo

was, na meer dan duizend jaar van het Christendom, niet door de wet,

maar door den langzamen groei van de gewoonte, het kerkelijk huwelijk

ingesteld [321].

Het was ongetwijfeld een gebeurtenis van zeer groot belang, niet alleen

voor de kerk, maar voor de geheele geschiedenis van het Europeesche

huwelijk zelfs tot op dezen dag toe. De geheele wijze van bruiloft

vieren van tegenwoordig is gegrond op die van de Katholieke kerk,

zooals ze in de twaalfde eeuw ingesteld is en geformuleerd werd in

de canonieke wet. Zelfs de afkondigingen vinden hier hun oorsprong,

en het feit, dat in ons modern burgerlijk huwelijk de openlijke

ceremonie plaats vindt op een kantoor en niet in een kerk kan wel

het feit verbergen, maar niet veranderen, dat het huwelijk direct en

ontwijfelbaar afstamt van de publieke kerkelijke ceremonie, die een

belichaming was van den langzamen en slimmen triomf--zoo langzaam

en slim, dat de geschiedenis ervan moeilijk is na te sporen--van

Christelijke priesters over de persoonlijke aangelegenheden van

mannen en vrouwen. Voordat zij deze taak op zich namen was het

huwelijk overal de persoonlijke aangelegenheid van de personen,

die er bij betrokken waren; toen ze die taak volbracht hadden,--en

ze was niet geheel volbracht vóor het concilie van Trente,--was een

niet-officieel huwelijk een zonde geworden en bijna een misdaad [322].

Op het eerste gezicht moet het onze verwondering wekken, dat de kerk,

die, zooals we weten, een steeds grootere neiging had getoond om de

maagdelijkheid te vereeren en om sexueele verhoudingen te minachten,

toch, parallel met die beweging en met den aangroeienden invloed van

het ascetisme, zoo'n grooten ijver getoond heeft om het huwelijk buit

te maken en er een openbaar, waardig en godsdienstig karakter aan

te verleenen. Er was echter geen tegenspraak. De factoren, die het

Europeesche huwelijk, als een geheel genomen, vormden, waren werkelijk

van geheel verschillenden aard en sloten dikwijls onverzoenbare

tegenstellingen in zich. Maar wat de van de kerk uitgaande pogingen

van de wetgevende geestelijkheid betreft, die kwamen voort uit

een bepaald en begrijpelijk standpunt. Juist de geringschatting

van het sexueele instinct sloot, daar het instinct niet uitgeroeid

kon worden, de noodzakelijkheid in zich, er een wettig kanaal voor

te openen, zoo dat het kerkelijk huwelijk, naar men gezegd heeft,

"analoog is met de vergunning tot het verkoopen van sterken drank"

[323]. Bovendien gaf het huwelijk blijk van de macht der kerk om aan de

sexueele verhoudingen, die er door ontstonden, een waardigheid en een

distinctie te verleenen, die ze duidelijk zouden onderscheiden van den

algemeenen stroom van den lust. Sexueel genot is onrein, de geloovige

kan er niet van gebruik maken, eer het gereinigd is door de sacramenten

van de kerk. De heiliging van het huwelijk was het noodzakelijk gevolg

van de heiliging van de maagdelijkheid. Het werd noodig het huwelijk

te heiligen, en daaruit ontwikkelde zich het onverbreekbare sacrament

van het huwelijk. De opvatting van het huwelijk als een godsdienstig

sacrament, een opvatting van vèrstrekkenden invloed, is de groote

bijdrage van de Katholieke kerk tot de geschiedenis van het huwelijk.

Het is van belang in de herinnering te houden, dat, terwijl het

Christendom het denkbeeld van het huwelijk als een sacrament

in den grooten stroom van de geschiedenis der instellingen van

Europa gebracht heeft, dat denkbeeld alleen maar ontwikkeld was

door de kerk, niet er door uitgedacht. Het is een oud en zelfs

primitief denkbeeld. De Joden hielden het huwelijk voor een

magisch-godsdienstigen band, die iets mystieks bevatte, dat op

een sacrament geleek, en die opvatting, zegt Durkheim (L'Année

Sociologique, achtste jaar, 1905, p. 419), is misschien zeer

oud en hangt samen met den over het algemeen magischen aard van

de sexueele verhoudingen. "De enkele daad van de vereeniging,"

merkt Crawley op (The Mystic Rose, p. 318) over natuurvolken,

"is mogelijk een huwelijksceremonie van de sacramenteele

soort... Men mag zelfs aan de vroegste animistische menschen

een vage notie van die soort toekennen, voordat eenige ceremonie

zich kristalliseerde". "Het wezen van een huwelijksceremonie",

gaat dezelfde schrijver voort, "is het "zich vereenigen" van een

man en een vrouw; in de woorden van den dienst in de Engelsche

kerk, "daarvoor zal een man zijn vader en moeder verlaten en

zal vereenigd worden met zijn vrouw; en zij zullen één vleesch

worden". Aan de andere zijde van de wereld, onder de Orang Benuas,

worden de volgende woorden door een van de oudsten van den stam

uitgesproken als een huwelijk ingezegend wordt: "Luistert gij

allen, die tegenwoordig zijt; zij, die verwijderd waren, zijn

nu tezamen gebracht; zij, die tot nu toe gescheiden waren, zijn

nu vereenigd". Huwelijksceremonieën kunnen in alle stadiën van

de cultuur met even veel recht godsdienstig genoemd worden als

iedere andere ceremonie, welke ook. Zij, die gescheiden waren,

zijn nu verbonden, zij, die wederkeerig tabu waren, breken nu

het tabu". Zoo voorkomen de ceremonieën de zonde en wenden het

gevaar af.

De Katholieke opvatting van het huwelijk was, dat is duidelijk, in

de hoofdpunten precies dezelfde als de primitieve opvatting. Het

Christendom ontleende het denkbeeld van sacrament aan de oude

tradities in het volksbewustzijn, en zijn eigen kerkelijke bijdrage

lag daarin, dat het langzamerhand dat denkbeeld een formeelen en

starren vorm gaf, en het voor onverbreekbaar verklaarde. Evenals

onder natuurvolken was het in de toestemming, dat het wezen lag van

het sacrament; de tusschenkomst van den priester was, in principe,

niet noodig om aan het huwelijk zijn godsdienstig bindend karakter

te geven. Het wezen van het sacrament was het wederkeerig aannemen

van elkaar als man en vrouw, en technisch was de priester, die de

ceremonie leidde alleen maar een getuige van het sacrament. Daar

het grondfeit dus de geestelijke daad was van de toestemming,

had het sacrament van het huwelijk het eigenaardige karakter van

te zijn zonder eenig uiterlijk en zichtbaar teeken. Misschien was

het dit feit, instinctief gevoeld als een zwak punt, dat leidde

tot den enormen nadruk die gelegd werd op de onverbreekbaarheid

van het sacrament van het huwelijk, reeds ingesteld door den

heiligen Augustinus. De Canonisten hebben verschillende argumenten

bijgebracht om die onverbreekbaarheid te verklaren, en een dikwijls

herhaald argument is altijd geweest de aanhaling uit de schrift van

den term "éen vleesch" voor getrouwde paren; maar het geliefkoosde

argument van de Canonisten was, dat het huwelijk de vereeniging

voorstelt van Christus met de kerk; die is onverbreekbaar, en

daarom moet het beeld ervan ook onverbreekbaar zijn; (Esmein,

op cit., dl. I, p. 54). Gedeeltelijk dus, mogen we wel gelooven,

deed het denkbeeld van de onverbreekbaarheid van het huwelijk zich

aan den kerkelijken geest voor als een natuurlijke associatie van

denkbeelden: de gelofte van de maagdelijkheid in het kloosterschap

was onverbreekbaar; moest niet de gelofte van sexueele verhouding

in het huwelijk even onverbreekbaar zijn? Het schijnt wel, dat het

niet voor 1164 was, in de Sentences van Peter Lombard, dat er een

duidelijke en formeele erkenning van het huwelijk wordt gevonden

als een van de zeven sacramenten (Howard, op cit., dl. I, p. 533).

De kerk echter had het huwelijk niet alleen gemaakt tot een

godsdienstige daad; zij had het ook gemaakt tot een openlijke daad. De

dienstdoende priester, die nu de autoriteit van het huwelijk was

geworden, was gebonden door al de eischen en verbodsbepalingen van de

kerk, en hij kon zich niet schikken naar de neigingen en belangen van

afzonderlijke paren of hun voogden. Het werd dus onvermijdelijk, dat,

evenals in andere zaken van gelijke soort, een wetboek met kerkelijke

regels te zijner voorlichting ontstond. Deze behoefte van de kerk, die

uit haar aangroeiende heerschappij over de wereldsche zaken voortkwam,

was de oorsprong van de canonieke wetten. Met de ontwikkeling van

de canonieke wetten, werd het geheele gebied van de regeling der

sexueele verhoudingen, en de heerschappij over de afdwalingen ervan,

een uitsluitend kerkelijke zaak. De wereldlijke wet kon voortaan

evenmin direct kennis nemen van echtbreuk als van ontucht of onanie;

bigamie, bloedschande en sodomie waren geen wereldlijke misdaden;

de kerk was oppermachtig in de geheele sexueele sfeer.

Het was in de twaalfde eeuw, dat de canonieke wet het eerst ontstond,

en Gratianus was de meesterlijke geest, die er het eerst vorm aan heeft

gegeven. Hij behoorde tot de rechtsgeleerde school van Bologne, die

de gezonde tradities van de Romeinsche wet geërfd had. De "canones",

die Gratianus opstelde, waren echter niet méer het enkele resultaat van

wettelijke tradities dan het resultaat van in kloosters uitgedachte

theologische overwegingen. Zij waren een antwoord op de praktische

behoeften van den dag voordat deze behoeften tijd gehad hadden stof te

leveren tot fijn uitgesponnen subtiliteiten. Op een eenigszins later

tijd, vóor het einde van de eeuw, werd de invloed der Italiaansche

theologen overheerscht door dien der Gallische theologen van Parijs,

zooals ze vertegenwoordigd werden door Peter Lombard. Het resultaat

was het invoeren van verkeerde gecompliceerde toestanden, die de

canonieke wet bijna hadden beroofd zoowel van haar beslistheid als van

haar geschiktheid zich aan te passen aan de behoeften van de menschen.

Ondanks alle parasitische uitwassen echter, die zich snel begonnen te

vormen om de canonieke wet heen, en die de praktische bruikbaarheid

ervan sterk begonnen te verminderen, had die wetgeving toch in

zich--voornamelijk in het begin en later onduidelijker--een gezonde

kern van werkelijke waarde. De eerste canonieke wetten erkenden,

dat het essentieele feit van het huwelijk de werkelijke sexueele

vereeniging is, uitgevoerd met de bedoeling een permanente verhouding

in het leven te roepen. De copula carnalis, het maken van twee tot "een

vleesch", volgens de phrase van de schrift, een mystiek symbool van de

vereeniging van de kerk met Christus, was het wezen van het huwelijk,

en de wederkeerige toestemming van het paar alleen was voldoende om

een huwelijk te vormen, zelfs zonder eenige godsdienstige inzegening,

of zonder eenige ceremonie. Ook de informeele en niet ingezegende

vereeniging was een werkelijk en bindend huwelijk als de twee partijen

wilden, dat het dat zijn zou [324].

Welke harde dingen ook mogen gezegd zijn over de canonieke wetten,

het moet nooit vergeten worden, dat ze door de middeleeuwen heen

tot het midden van de zestiende eeuw de groote waarheid verder

hebben gedragen, dat het wezen van het huwelijk niet ligt in

riten en vormen, maar in de wederzijdsche toestemming van de twee

personen, die samen trouwen. Toen de Katholieke kerk, in haar

aangroeiende starheid, dat begrip verloor, werd het opgenomen

door de Protestanten en de Puriteinen in hun eerste stadium van

vurige geloofsijver, hoewel ze het weer min of meer loslieten,

toen ze terugvielen in een staat van vormendienst. Het bleef ook

steun ontvangen van moralisten en dichters. Zoo beschrijft George

Chapman, de drama-schrijver, die zoowel moralist was als dichter,

in The Gentleman Usher (1606), het huwelijk zonder godsdienstige

plechtigheid van zijn held en zijn heldin, dat deze laatste ons

aldus voorstelt:--

"May not we now

Our contract make and marry before Heaven?

Are not the laws of God and Nature more

Than formal laws of men? Are outward rites

More virtuous than the very substance is

Of holy nuptials solemnized within?

.... The eternal acts of our pure souls

Knit us with God, the soul of all the world,

He shall be priest to us; and with such rites

As we can here devise we will express

And strongly ratify our hearts' true vows,

Which no external violence shall dissolve".

En tegenwoordig verklaart Ellen Key, de beroemde profetes van de

hervorming van het huwelijk, aan het einde van haar Liefde en

huwelijk dat het ware huwelijk maar éen paragraaf bevat: "Zij,

die elkander liefhebben, zijn man en vrouw".

Het stellen van het huwelijk op deze gezonde en natuurlijke basis had

verder het uitstekende resultaat, dat het den man en de vrouw die zoo

een huwelijk konden aangaan door hun toestemming, zonder eenige égards

voor de wenschen van hun ouders of hun familie, op hetzelfde moreele

niveau plaatste. Hier volgde de kerk evenzeer de latere Romeinen als

de eerste Christenen, als Lactantius en Hieronymus, die verklaard

hadden, dat wat geoorloofd was aan een man ook geoorloofd was aan een

vrouw. Ook de poenitentialiën trachtten voor beide geslachten deze

zelfde zedewet vast te stellen. De Canonisten vergunden ten slotte een

zekere suprematie aan den echtgenoot, hoewel zij, aan den anderen kant,

soms zelfs de hoofdrol in het huwelijk schenen toe te kennen aan de

vrouw, en de poging werd gedaan het woord matrimonium af te leiden

van matris munium, waarmee ze verklaarden, dat de moeder-functie het

hoofdfeit van het huwelijk was [325].

De gezonde elementen in de opvatting van de canonieke huwelijkswet

werden echter al zeer vroeg in ruime mate, zoo niet geheel, te niet

gedaan door de haarkloverijen, die ze op den achtergrond brachten,

en zelfs door hun eigen fundamenteele gebreken. Zelfs in de

dertiende eeuw begon men meer waarde te hechten aan een huwelijk,

dat mondeling gesloten was per verba de praesenti dan aan een,

dat gevormd was door de sexueele vereeniging, terwijl er zooveel

bezwaren opgesteld werden tegen het huwelijk, dat het moeilijk

werd om te weten welke huwelijken geldig waren, een punt van belang,

aangezien een huwelijk aangegaan binnen de verboden graden slechts een

waan-huwelijk was, d.i. een huwelijk, dat aangegaan wordt, terwijl een

van beide partijen niet weet van een werkelijk bestaand beletsel. De

ernstigste en meest onnatuurlijke trek van deze kerkelijke opvatting

van het huwelijk was de in het oog springende tegenspraak tusschen

de uiterste gemakkelijkheid, waarmee de poort van het huwelijk voor

het jonge paar open geworpen werd, zelfs als zij nog weinig meer dan

kinderen waren, en de uiterste gestrengheid, waarmee zij gesloten

en gegrendeld werd als zij er in waren. Dat is nog heden het gebrek

van het huwelijkssysteem, dat wij van de kerk geërfd hebben, maar in

de handen van de canonisten werd er heel sterk de nadruk op gelegd,

zoowel wat het gemak van er in te komen betreft, als de moeilijkheid

van er uit te geraken [326]. Zoowel van het standpunt van rede als van

menschelijkheid moet de poort, die men gemakkelijk binnen kan komen

ook gemakkelijk opengaan om ons uit te laten; of, als de uitgang

noodzakelijk moeilijk is, dan moet er zorg gedragen worden bij het

binnenkomen. Maar geen van deze beide voorzorgen was mogelijk voor

de canonisten. Het huwelijk was een sacrament en allen moesten bij

een sacrament welkom zijn, vooral omdat ze anders in de doodzonde

der ontucht vervallen konden. Aan den anderen kant kon het huwelijk,

daar het een sacrament was, als het eenmaal waarlijk gesloten was,

zonder de ingewikkelde voorwaarden en formaliteiten om het ongeldig

te verklaren, nooit meer opgeheven worden. De instelling, die de

kerk gemaakt had als bolwerk tegen de losbandigheid, werd zelf een

werktuig, dat kunstmatig losbandigheid schiep, zoodat de canonieke

wet op den langen duur een stand van zaken voortbracht, die--in de

oogen van een groot deel van het Christendom--de gezondheid van de

oorspronkelijke opvatting meer dan te niet deed [327].

In Engeland, waar van de negende eeuw af, het huwelijk algemeen

door de kerkelijke en wereldlijke machten als onverbreekbaar

beschouwd werd, was de canonieke wet in hoofdzaak ingesteld

als bij de andere Christelijke landen. Er waren echter bepaalde

punten, die door de Engelsche wet niet waren overgenomen. Bij

de Engelsche wet was een ceremonie in tegenwoordigheid van een

priester noodig om een huwelijk geldig te doen zijn, hoewel in

Schotland de wet van het canonieke recht aangenomen was, dat

toestemming van de partijen alleen, al was ze ook in het geheim

gegeven, voldoende was om een huwelijk te vormen. Verder is het

nageslacht van een onwettig huwelijk, dat in onschuld is aangegaan

en het nageslacht van personen, die later met elkaar trouwen,

wettig volgens de canonieke wet, maar niet volgens de gewone wet

van Engeland (Geary, Marriage and Family Relations, p. 3; Pollock

and Maitland, loc. cit.). De canonisten beschouwden de bezwaren,

verbonden aan het bastaardschap, als een straf, welke opgelegd

werd aan de ouders, die schuldig waren, en meenden daarom, dat de

last niet op de kinderen moest vallen, als er te goeder trouw een

ceremonie had plaats gehad van de zijde van ten minste een van

de ouders. In dit opzicht is de Engelsche wet minder verstandig

en humaan. Het was op het Concilie van Merton, in 1236, dat de

baronnen van Engeland het voorstel verwierpen om de wetten van

Engeland in overeenstemming te brengen met de canonieke wet, dat

is, met de canonieke wet van het Christendom in het algemeen, die

toestaat, dat de kinderen die vóor de bruiloft geboren zijn, zullen

gewettigd worden door een huwelijk, dat er op volgt. Grosseteste

putte zijn welsprekendheid en zijn argumenten uit ten gunste van

de verandering, maar tevergeefs, en de Engelsche wet heeft sinds

dien tijd in dit opzicht alleen gestaan (Freeman, "Merton Priory",

English Towns and Districts). Het voorstel werd verworpen met deze

beroemde woorden: "Nolumus leges Angliae mutare", een formule, die

alleen maar uitdrukking gaf aan een onredelijke en onmenschelijke

halsstarrigheid.

In de Vereenigde Staten heeft het huwelijk, dat volgt na de

geboorte van een of meer kinderen, in vele van de Staten de

uitwerking, de kinderen te legitimeeren, soms (zooals in Maine)

van zelf, maar gewoonlijk (zooals in Massachusetts) door speciale

erkenning van den vader, hoewel de gewone wet in dit geval de

kinderen niet wettigt.

Het optreden van Luther en van de Hervorming veroorzaakte het

verval van de canonieke wet voor zoover het Europa als een geheel

aanging. Het was om vele redenen onmogelijk voor de Protestantsche

hervormers om hetzij de Katholieke opvatting van het huwelijk of het

wankele uitgebreide gebouw van wetten, dat de kerk op die opvatting

had opgetrokken, formeel te bewaren. Echter kan niet gezegd worden,

dat de houding der Protestanten jegens het denkbeeld der Katholieken

een eenigszins duidelijke, logische of consequente houding was. Het was

een opstand, een gemoedsdrang, meer dan een kwestie van beredeneerd

principe. In de onvermijdelijke noodzakelijkheid van dien opstand

tijdens de opkomst van het Protestantisme, ligt zijn rechtvaardiging

en, over het geheel, zijn weldadige gezondheid. Het nam een vorm

aan, die wel vreemd mag schijnen in een godsdienstige beweging; het

verklaarde namelijk, dat het huwelijk niet een godsdienstige, maar

een wereldlijke zaak is. Trouwen, zegt Luther, is "een wereldlijk

iets", en Calvijn stelt het op hetzelfde niveau als het bouwen van

een huis, de landbouw of het maken van schoenen. Maar, terwijl dit

verwereldlijken van het huwelijk een uiting was van den algemeenen

en tot het uiterste gedreven drang van het Protestantisme, waren de

leiders van het Protestantisme het dikwijls onderling niet geheel

eens, en evenmin waren ze helderziend in de zaak. Zelfs Luther

was wat verward op dit punt; soms schijnt hij het huwelijk "een

sacrament" te noemen, soms "een zaak van tijdelijken aard", die

aan den staat overgelaten moet worden [328]. Dit laatste standpunt

is werkelijk overheerschend geweest. Maar in het begin ontstond er

een tijdperk van verwarring, zoo niet van chaos, in de hoofden van

de Hervormers; niet alleen waren ze zelf niet altijd overtuigd;

zij waren het samen niet eens, vooral over de zeer praktische

kwestie der echtscheiding. Luther behoorde, met Calvijn en Beza,

over het geheel tot de strengere partij die alleen echtscheiding

wilde toestaan voor echtbreuk en kwaadwillige verlating; sommigen,

daaronder vele van de eerste Engelsche Protestanten, waren er vóor,

den man vrijheid te geven tot echtscheiding wegens echtbreuk, maar niet

de vrouw. Een andere partij, met Zwingli, werden door Erasmus in een

meer liberale richting geïnfluenceerd, en--het standpunt naderende van

de Romeinsche Keizerlijke wetgeving--lieten ze verschillende oorzaken

toe voor echtscheiding. Sommigen, als Bucer, die Milton voorafging,

wilden zelfs echtscheiding toestaan, als de man niet van zijn vrouw

kon houden. Eerst namen sommigen van de Hervormers het principe van

zelf-scheiding aan, zooals het heerschte bij de Joden en aangenomen

werd door eenige der eerste Concilies van de Kerk. Op deze wijze

meende Luther, dat de oorzaak tot echtscheiding zelf de echtscheiding

bewerkte, zonder eenig rechterlijk besluit, hoewel een besluit van

den rechter noodig was om weer te huwen. Deze kwestie van het weder

huwen en de behandeling van den echtbreker, gaven ook aanleiding tot

oneenigheid. Gewoonlijk werd aangenomen, dat de onschuldige partij

mocht hertrouwen; in Engeland ontstond deze meening in het midden

van de zestiende eeuw, werd door den Aartsbisschop van Canterbury

geldig verklaard en door het Parlement bekrachtigd. Vele hervormers

echter waren er tegen dat de andere partij weer trouwde. Beust,

Beza en Melanchton wilden hem laten ophangen, om zoo de kwestie

van het hertrouwen te beslissen; ook Luther en Calvijn wilden hem

ter dood brengen, maar daar de burgerlijke wetten die maatregel

slechts langzaam aannamen, veroorloofden ze hem om weer te trouwen,

zoo mogelijk in een ander gedeelte van het land [329].

Het slot was, dat het Protestantisme een opvatting van het huwelijk

opstelde, voornamelijk gebaseerd op den wettelijken en economischen

factor,--een factor die wel niet voorbijgezien werd door de Canonisten,

maar door hen strikt ondergeschikt geacht werd--en het beschouwde in

hoofdzaak als een contract. Zoodoende onstond er aan de negatieve

zijde een werkelijke vooruitgang, want zij braken de macht van

een verouderd en kunstmatig systeem, maar aan de positieve zijde

keerden ze enkel terug tot een opvatting, die overheerschend is in

barbaarsche maatschappijen, en die het duidelijkst aan den dag treedt,

als het huwelijk het meest op een koop gelijkt. De stappen, door het

Protestantisme gedaan, deden een groote verandering ontstaan in den

aard van het huwelijk, maar niet noodzakelijk eenige groote verandering

in den vorm. Het huwelijk was niet langer een sacrament, maar het was

nog altijd een openbare en niet een persoonlijke zaak en werd nog, hoe

inconsequent ook, in de kerk ingezegend. En daar het Protestantisme

geen eigen wetboek had, sloot het zich zoowel in Duitschland als

in Engeland aan bij het algemeene principe van de kanonieke wet,

ze veranderend om in overeenstemming te komen met haar eigen houding

en behoeften [330]. Het was de latere Puriteinsche beweging, eerst in

Nederland (1580), dan in Engeland (1653), en daarna in Nieuw-Engeland,

die een ernstige en samenhangende opvatting van het Protestantsche

huwelijk invoerde en het op burgerlijke basis begon te stellen.

De Engelsche Hervormers onder Edward VI en zijn verlichte

raadgevers, waaronder Aartsbisschop Cranmer, beschouwden het

huwelijk liberaal, en waren bereid vele bewonderenswaardige

hervormingen door te voeren. De vroege dood van dien koning

oefende een grooten invloed uit op de wettelijke geschiedenis van

het Engelsche huwelijk. De Katholieke reactie onder Koningin Mary

bracht de meer radicale hervormers tot zwijgen, terwijl de daarop

volgende troonsbestijging van Koningin Elizabeth, wier houding

jegens het huwelijk illiberaal en ouderwetsch was, naderend tot

de houding van haar vader, Hendrik VIII (zooals bijvoorbeeld

bleek uit haar bepaalden tegenstand tegen het huwelijk van de

geestelijkheid), een duurzamen invloed uitgeoefend heeft op de

Engelsche wet. Ze werd minder liberaal dan die van de andere

Protestantsche landen en kwam dichter bij die van de Katholieke

landen.

De hervorming van het huwelijk echter, die door de Puriteinen

beproefd werd, begon in Engeland in 1644, toen er een wet

aangenomen werd, die inhield "dat het huwelijk geen sacrament was,

en niet speciaal behoorde bij de kerk van God, maar gewoon was

onder de menschen en van openbaar belang in iedere gemeenschap". De

wet voegde er echter bij, dat het gepast was, dat het huwelijk

ingezegend werd door "een wettigen bedienaar van het Woord". De

meer radicale wet van 1653 verwierp deze voorwaarde, en maakte het

huwelijk zuiver wereldlijk. De afkondigingen moesten in de kerk

gedaan worden (door beambten, die daarvoor speciaal aangesteld

waren), of (als de partijen dat wenschten) op de markt. Het

huwelijk moest voltrokken worden door een vrederechter; de

leeftijd waarop een huwelijk gesloten mocht worden, werd voor

een man gesteld op zestien jaar, voor een vrouw op veertien

(Scobell's Acts and Ordinances, blz. 86, 236). De Restauratie

schafte deze verstandige wet af en voerde weer tradities in van

de canonieke wet, maar de Puriteinsche opvatting van het huwelijk

werd overgebracht naar Amerika, waar ze wortel schoot en bloeide.

Het was bovendien uit het Puritanisme, zooals het door Milton

vertegenwoordigd werd, dat de eerste echt moderne, zij het ook

nog onvolkomen opvatting van de huwelijksverhouding bestemd was te

ontstaan. De eerste Hervormers handelden in deze zaak voornamelijk

uit een duister instinct van natuurlijken opstand in een omgeving van

plebejisch materialisme. De Puriteinen werden bewogen door hun gevoel

voor eenvoud en burgerlijke orde als voorwaarden van godsdienstige

vrijheid. Milton verklaarde, in zijn Doctrine and Discipline of

Divorce, uitgegeven in 1643, toen hij vijf en dertig jaar oud was,

dat het feit van het huwelijk meer waarde had dan de vorm van het

huwelijk, en dat het individu het geestelijk recht had dien vorm

te regelen. Hij had de beteekenis begrepen van die opvatting van

persoonlijke verantwoordelijkheid, die de grondslag is van de sexueele

verhoudingen, zooals zij tegenwoordig aan de menschen beginnen toe te

schijnen. Als Milton niets nagelaten had dan zijn geschriften over het

huwelijk en de echtscheiding, dan zouden die voldoende geweest zijn

om hem tot een genie te stempelen. Het Christendom moest anderhalve

eeuw wachten eer een ander genie van den eersten rang, Wilhelm von

Humboldt, zich met even groote autoriteit en even duidelijk uitsprak

ten gunste van het vrije huwelijk en de vrije echtscheiding.

Aan Milton komt de eer toe en we moeten hem er nu nog dankbaar

voor zijn, de eerste te zijn geweest, die in het Christendom

de leer heeft verkondigd, dat het huwelijk een persoonlijke

zaak is, en dat het daarom moet kunnen ontbonden worden

met wederzijdsch goedvinden, of zelfs op den wensch van een

van de beide partijen. Wij hebben aan hem, zegt Howard, "de

stoutmoedigste verdediging van de vrijheid tot echtscheiden te

danken, die zich ooit vertoond heeft. In het abstracte genomen,

en op beide geslachten van toepassing, is het misschien wel de

sterkste verdediging, die door een enkele aanroep van autoriteit

geschieden kan", hoewel zijn argumenten, daar ze gebaseerd zijn op

rede en ondervinding, dikwijls weinig door zijn gezag ondersteund

worden; hij spreekt in waarheid de taal van den modernen socialen

hervormer, en Milton's geschriften over dit onderwerp worden

tegenwoordig geschat onder de belangrijkste van al zijn werken

(Masson, Life of Milton, deel III; Howard, op. cit., vol. II,

p. 86, deel III, p. 251; C. B. Wheeler, "Milton's Doctrine and

Discipline of Divorce", Nineteenth Century, Jan. 1907).

Het huwelijk, zegt Milton, "is niet enkel een vereeniging van het

vleesch, maar het is een menschelijk verbond; waar dat verbond

niet bestaat, kan geen werkelijk huwelijk zijn" (Doctrine of

Divorce, boek I, hoofdstuk XIII); het is "een verbond, waarvan het

wezen niet bestaat in gedwongen gemeenschap en in een onoprechte

vervulling van plichten, maar in ongeveinsde liefde en vrede"

(Ib., hoofdstuk VI). Ieder huwelijk, dat minder is dan dit, is

"een afgodsbeeld, van geenerlei waarde in de wereld". Het zwakke

punt in Milton's voorstelling van de zaak is, dat hij nooit

openlijk dezelfde macht van initiatief in het huwelijk en in de

echtscheiding toekent aan de vrouw als aan den man. Er is echter

niets in zijn argument, dat verhindert dat het ook op de vrouw

zal worden toegepast, een toepassing, die, al handhaaft hij ze

nooit, hij toch ook nooit ontkent; en sommigen veronderstellen,

dat hij aanneemt, dat de vrouwen de gelijken zijn van de mannen;

hij eischt van haar geestelijke kameraadschap; hoe bereid Milton

ook mag geweest zijn om volkomen gelijkstelling tot echtscheiding

te geven aan de vrouw, het zou voor een Puritein van de zeventiende

eeuw niet mogelijk geweest zijn gehoor te krijgen voor zulk

een leer; zijn argumenten zouden dan nog meer onverschilligheid

ontmoet hebben, als dat mogelijk was geweest, dan waarop zij in

werkelijkheid gestuit zijn. (Het sonnet vol verontwaardiging van

Milton over de ontvangst van zijn boek is wel bekend).

Milton zegt, dat in het conventioneele Christelijke huwelijk

uitsluitend waarde wordt gehecht aan de vereeniging des

vleesches. Zoolang die vereeniging mogelijk is, hoeveel antipathie

er ook bij het paar bestaat, hoezeer ze zich ook vergist hebben

"door dwaling, verborgen gebrek, of ongeluk", hoezeer het hun

ook onmogelijk is "te leven in eensgezindheid of tevredenheid

al hun dagen", toch blijft het huwelijk nog voortbestaan,

de twee moeten samen hun weg gaan, (op. cit., Bk. I). Het is

de canonieke wet, zegt hij, die het mis heeft, "ongetwijfeld

door toedoen van den duivel", want de canonieke wet voert tot

losbandigheid (op. cit.). Het is, zegt hij, de afwezigheid van

een redelijke vrijheid, die de oorzaak is van losbandigheid,

en het zijn de mannen, die de voorrechten van de losbandigheid

wenschen te behouden, die zich verzetten tegen het invoeren van

een redelijke vrijheid.

De juiste grond voor echtscheiding is "ongeschiktheid, gebrek aan

begaafdheid of tegenzin, ontstaande uit een niet te veranderen

oorzaak in den aard van een der partijen, die de voornaamste

weldaden van den huwelijksomgang, troost en vrede verhindert

en waarschijnlijk altijd zal verhinderen". Zonder de "diepe en

ernstige waarheid" van wederzijdsche liefde, is het huwelijk

"niets dan de ledige schaal van een uiterlijk samenleven",

uitsluitend huichelarij, en moet het ontbonden worden (op. cit.).

Milton gaat verder dan het gewone Puriteinsche standpunt,

en verwerpt niet alleen gerechtshoven en overheidspersonen,

maar is voor de "zelfscheiding"; want echtscheiding kan niet

rechtens behooren tot eenige burgerlijke of aardsche macht, daar

"dikwijls de redenen tot het zoeken van echtscheiding zoo diep

in de primitieve en onschuldige genegenheden der natuur liggen,

dat het niet binnen het rechtsgebied van de wet ligt, er zich mee

te bemoeien". Hij voegt er bij, dat er, om onrechtvaardigheid

te voorkomen, speciale punten voor den overheidspersoon kunnen

gebracht worden, die echter in geen geval het recht zou moeten

hebben, om echtscheiding te verbieden (op. cit., Bk. II,

hoofdst. XXI)., Sprekende van een standpunt, dat we nu zelfs

nog niet bereikt hebben protesteert hij tegen de dwaasheid om

"een gerechtshof het recht te geven om te redeneeren over en

zich te verdiepen in de onbegrijpelijke en geheime redenen tot

antipathie tusschen man en vrouw".

In den modernen tijd was Hinton gewoon de huwelijkswet te

vergelijken bij de wet op het houden van den Sabbath, zooals die

door Jezus gebroken werd. Wij vinden precies dezelfde vergelijking

bij Milton. De Sabbath, meent hij, was gemaakt voor God. "Toch,

als het welzijn van den mensch in de weegschaal komt, hooren

we die stem van oneindige goedheid en zachtmoedigheid, dat

"de Sabbath gemaakt is voor den mensch en niet de mensch voor

den Sabbath". Welke zaak is ooit meer gemaakt geweest voor den

mensch alleen, en minder voor God, dan het huwelijk?" (op. cit.,

Bk. I, hoofdst. XI). "Als de mensch de heer is over den Sabbath,

kan hij dan minder zijn dan heer van het huwelijk?"

Milton stond in dit opzicht, evenals in andere opzichten, buiten

zijn tijd. Zijn opvatting van het huwelijk maakte op het leven van

zijn tijdgenooten niet meer indruk dan zijn Paradise Lost. Zelfs

zijn eigen Puriteinsche partij, die de wet van 1653 had ingevoerd,

had, vreemd genoeg, nagelaten gevallen van echtscheiding en van

ongeldigheidsverklaring van huwelijken over te dragen op de wereldlijke

gerechtshoven, wat tenminste een stap in de goede richting zou geweest

zijn. De Puriteinsche invloed werd overgebracht naar Amerika en vormde

het zuurdeesem, dat nog voortwerkt in de liberale, hoewel te nauwkeurig

in bijzonderheden gaande wet op de echtscheiding van vele Vereenigde

Staten. De Amerikaansche procedure van het wereldlijk huwelijk volgde

die, opgesteld door de Engelsche Gemeenschap, en het gezegde van den

grooten Kwaker, George Fox, "Wij trouwen niemand, maar we zijn er als

getuigen bij tegenwoordig" [331], (wat inderdaad de gezonde kern was

in de canonieke wet) wordt beschouwd als de geest van de huwelijkswet

van den conservatieven, maar toch vrijzinnigen staat Pennsylvanië,

waar, nog in 1885, een wet werd aangenomen, die nadrukkelijk aan

mannen en vrouwen het recht gaf hun eigen huwelijk in te zegenen [332].

In Engeland zelf kwamen de hervormingen in de huwelijkswet, die

de Puriteinen bewerkt hadden, met de restauratie weer zeer in het

gedrang. Nog twee en een halve eeuw spraken de Engelsche geestelijke

rechtbanken recht volgens wat in zijn kern was de oude kanonieke

wet. Echtscheiding was moeilijker te bereiken geworden dan vóór de

hervorming, en het lot van de getrouwde vrouw was ten gevolge daarvan

zwaarder. Van de zestiende eeuw tot de tweede helft van de negentiende

was de Engelsche wet bijzonder hard en streng, veel minder liberaal dan

die van eenig ander Protestantsch land. Echtscheiding was in de gewone

Engelsche wet niet bekend, en een speciale acte van het Parlement,

met enorm groote kosten, was noodig om ze in speciale gevallen te

verkrijgen [333]. Men nam zelfs een houding van zelfgenoegzaamheid

aan over het in stand houden van dit systeem. Het werd als moreel

beschouwd. Er was een algeheele afwezigheid van de erkenning, dat er

niets meer immoreel is dan het bestaan van een onwerkelijke sexueele

vereeniging, niet alleen uit het standpunt van theoretische moraal,

maar ook van de praktische moraal, want geen gemeenschap zou een

meerderheid van zulke vereenigingen kunnen dulden [334]. In 1857 werd

er eindelijk met veel moeite een wet doorgehaald, die het systeem

hervormde. Het was een eenigszins onsamenhangende en tijdelijke

maatregel, en hij werd, naar erkend werd, alleen ingevoerd als een

stap in de richting van verdere hervorming; maar zij beheerscht nog

in haar wezen de Engelsche wetgeving van tegenwoordig, en heeft in

de oogen van velen een duurzamen standaard van moraal ingesteld. De

geest van blind conservatisme,--Nolumus leges Angliae mutare,--die

zich weder vastgenesteld had na de groote beweging van de hervorming

en het puritanisme, blijft nog bestaan. In huwelijkskwesties en

in kwesties van echtscheiding zijn de Engelsche wetgeving en het

Engelsche gevoel gelijkelijk ten achter bij het Latijnsche land

Frankrijk en het puriteinsch aangelegde land de Vereenigde Staten.

De schrijver van een kundige en gematigde verhandeling

over The Question of the English Divorce komt, waar hij de

eigenaardigheden van de Engelsche wet op de echtscheiding

opsomt, tot de conclusie, dat ze is: 1. onbillijk; 2. immoreel;

3. met zich zelf in tegenspraak; 4. onlogisch; 5. onzeker; en

6. niet in overeenstemming met de tegenwoordige behoeften. Ze

werd slechts ongaarne opgenomen in een wetsontwerp, dat in

1857 aan het Parlement werd voorgelegd, waartegen hardnekkig

tegenstand geboden werd een geheel seizoen lang, niet alleen op

godsdienstige gronden door de tegenstanders van de echtscheiding,

maar ook door de vrienden van de echtscheiding, die een meer

liberalen maatregel eischten. Ze behandelde de seksen ongelijk,

daar ze aan den man maar niet aan de vrouw echtscheiding toestond

alleen voor echtbreuk. Toen hij met de wet voor den dag kwam,

excuseerde de Procureur-Generaal zich over dit gebrek, zeggende,

dat er niet bedoeld was, dat het een definitieve maatregel zou

zijn, maar alleen een schrede naar een volgende wetgeving. Dat

is meer dan een halve eeuw geleden, maar de schrede verder is

nog niet gedaan. Hoe onvolledig en onvolkomen de maatregel ook

was, hij schijnt toch door velen beschouwd te zijn als in de

hoogste mate revolutionair en gevaarlijk. De schrijver van een

artikel over "Modern Divorce" in de Universal Review voor Juli

1859 toch verklaarde, terwijl hij in principe het oprichten van

een speciaal echtscheidingshof goedkeurde, dat "het nieuwe hof

neiging had het huwelijk als een maatschappelijke instelling te

vernietigen en de vrouwelijke kuischheid te niet te doen", en dat

"iedereen nu naar zijn eigen wil man en vrouw is". "Niemand",

voegt hij er bij, "zal er nu met recht over twisten, dat er niet

talrijke huwelijks-onverkwikkelijkheden zijn".

Toch is volgens deze wet, het voor een vrouw zelfs niet mogelijk

echtscheiding te verkrijgen voor de echtbreuk van haar man, tenzij

hij ook wreed jegens haar is en haar verlaat. Eerst beteekende

"wreedheid" physieke wreedheid en dan van ernstigen aard. Maar

na verloop van tijd strekte de beteekenis van het woord zich uit

tot de pijn den geest aangedaan, en tegenwoordig kunnen koelheid

en verwaarloozing op zich zelf reeds bijna de wreedheid vormen,

hoewel de Engelsche gerechtshoven dikwijls ten zeerste geaarzeld

hebben, om de ernstigste vormen van verfijnde wreedheid aan te

nemen, omdat er geen "physiek" element bij betrokken was. We kunnen

echter met zeer veel waarschijnlijkheid verwachten dat de tijd zal

komen, waarop, volgens een rechtsgeleerd schrijver (Montmorency,

"The Changing Status of a Married Woman", Law Quarterly Review,

April 1897), "men van bijna iedere daad van wangedrag op zich zelf

zal meenen, dat ze zooveel ellende veroorzaakt aan het onschuldige

slachtoffer, dat het de wreedheid vormt die vereischt wordt door de

wet van 1857". (De kwestie van de wreedheid wordt in bijzonderheden

besproken in de Commentaries on Marriage, Divorce and Separation,

1891, deel I, hoofdst. XLIX; vergelijk Howard, op. cit., deel II,

p. 111).

Er kan niet veel twijfel aan bestaan of de wreedheid alleen

is een reden tot echtscheiding. In vele Staten van Amerika,

waar de echtscheiding veel gemakkelijker te verkrijgen is dan in

Engeland, wordt wreedheid erkend als op zich zelf een voldoende

reden, hetzij de vrouw de eischeres is of de man de eischer. De

daden van wreedheid, die aangegeven werden, zijn soms van heel

weinig beteekenis. Zoo zijn er echtscheidingen uitgesproken in

Amerika op grond van het "wreede en onmenschelijke gedrag" van

een vrouw, die de knoopen van haar man niet wilde aannaaien, of

omdat een vrouw "den beklaagde een geweldigen slag gegeven had

met haar tournure", of omdat de man de nagels van zijn teenen

niet knipt, of omdat "ons geheele huwelijk door mijn man mij

nooit mee uit rijden heeft genomen. Dit is een bron geweest van

zieleleed en krenking". In veel andere gevallen, moeten we er aan

toevoegen, is de wreedheid begaan door den man, zelfs ook door de

vrouw--want hoewel meestal wèl is het toch niet altijd de man,

die de bruut is--van een gruwelijken en hartverscheurenden

aard (Report on Marriage and Divorce in the United States,

uitgegeven door Hon. Carroll D. Wright, arbeidscommissaris,

1889). Maar zelfs in de vele schijnbaar nietige gevallen--zooals

van een man, die zich niet wascht, en een vrouw, die voortdurend

blijk geeft van een driftig karakter, moet toegegeven worden,

dat omstandigheden, die in de gewone verhoudingen van het leven

dragelijk kunnen zijn, ondragelijk worden in de intieme verhouding

van de sexueele vereeniging. Als een feit heeft men, na zorgvuldig

onderzoek bevonden, dat de Amerikaansche gerechtshoven nauwkeurig

de gevallen nagaan, die voor hen gebracht worden, en dat ze niet

zorgeloos zijn in het geven van echtscheidingsvonnissen.

In 1859 werd een overdreven waarde gehecht aan de grove redenen

tot echtscheiding, aan de verwaarloozing van fijne, maar even

noodlottige bezwaren tegen het voortzetten van het huwelijk. Dit

werd aangetoond door Gladstone, die er tegen was echtbreuk te

maken tot een reden tot echtscheiding. "Wij hebben vele redenen",

zegt hij, "die noodlottiger zijn voor de groote verplichting,

die het huwelijk oplegt, zooals ziekte, idiotisme, misdaad, die

straf voor het leven met zich brengt". Tegenwoordig beginnen we

niet alleen zulke redenen als deze te erkennen, maar ook andere

van een veel intiemer aard die, zooals Milton lang geleden erkend

heeft, niet vastgesteld kunnen worden in wetten, of bepleit

in gerechtshoven. De huwelijksband is niet alleen een physieke

vereeniging, en wij moeten leeren, zooals de schrijver van The

Question of English Divorce (p. 49) opmerkt, "dat andere dan

physieke afwijkingen feitelijk van veel meer belang zijn voor

het veroorzaken van ongeluk in het huwelijk".

In Engeland en Wales zijn er meer mannen dan vrouwen, die

om echtscheiding verzoeken, en het aantal vrouwen, dat er om

vraagt, bedraagt ongeveer 40 percent van het geheel. Het aantal

echtscheidingen neemt toe, hoewel het aantal niet groot is, in

1907 ongeveer 1300, waarvan minder dan de helft weer trouwden. Hoe

onvoldoende de wet op de echtscheiding is blijkt wel uit het feit,

dat in hetzelfde jaar door de overheidspersonen ongeveer 7000

bevelen tot rechterlijke scheiding werden uitgevaardigd. Deze

scheidingsbesluiten geven niet alleen geen recht om weer te

trouwen, maar zij maken het onmogelijk om echtscheiding te

verkrijgen. Zij zijn in werkelijkheid een officieele permissie

om verhoudingen aan te gaan buiten het Staatshuwelijk om.

In de Vereenigde Staten werden in de jaren 1887-1906 bijna 40

percent van de echtscheidingen uitgesproken wegens "verlating",

hetgeen in de verschillende Staten verschillend uitgelegd wordt,

en dikwijls moet beteekenen een scheiding met wederzijdsch

goedvinden. Van de overigen waren er 19 pCt. wegens ontrouw,

en evenveel wegens wreedheid; maar terwijl de echtscheidingen

toegestaan aan de mannen wegens de ontrouw van hun vrouwen bijna

driemaal zoo groot in aantal zijn als het aantal toegestaan aan

vrouwen wegens de echtbreuk van den man, is het ten opzichte van

de wreedheid juist andersom, de vrouwen verkrijgen 27 percent van

haar echtscheidingen op dezen grond en de mannen maar 10 percent.

In Pruisen neemt het aantal echtscheidingen toe. In 1907 waren er

achtduizend echtscheidingen, en de oorzaak was in de helft van de

gevallen echtbreuk, en in ongeveer duizend gevallen kwaadwillige

verlating. In de gevallen van verlating waren de mannen bijna

tweemaal zoo dikwijls de schuldige partij als de vrouwen, in

gevallen van echtbreuk maar een vijfde tot een achtste deel.

Er kan niet de geringste twijfel aan zijn, dat de moeilijkheid, de

verwarring, de inconsequentie en de scandaleuze indecentie, die de

echtscheiding en de methoden om ze te verkrijgen karakteriseeren,

geheel en alleen het gevolg zijn van het verborgen voortbestaan van

tradities, die aan den eenen kant gebaseerd zijn op de leerstellingen

van de canonieke wet van de onverbreekbaarheid van het huwelijk en

de zonde van sexueel verkeer buiten het huwelijk, en aan den anderen

kant op het primitieve denkbeeld van het huwelijk als een contract,

dat economisch de vrouw ondergeschikt maakt aan den man en haar

persoon, of in ieder geval het recht haar te beschermen, maakt tot

zijn bezitting. Alleen als we ons duidelijk voor oogen stellen, hoe

diep deze tradities geworteld zijn in het godsdienstige, wettelijke,

maatschappelijke en gevoelsleven van Europa, kunnen we begrijpen hoe

het mogelijk is, dat barbaarsche ideeën over huwelijk en echtscheiding

nu nog kunnen bestaan in een stadium van de beschaving, dat, in vele

opzichten, zulke ideeën lang te boven is.

De opvatting van de canonieke wet over de abstracte godsdienstige

heiligheid van het huwelijk, overgebracht op de moreele sfeer, maakt

dat een breuk van de huwelijksverhouding een openlijk kwaad lijkt;

de opvatting van de ondergeschiktheid bij contract van de vrouw

maakt zulk een breuk van haar kant, en zelfs, door overdraging van

denkbeelden, van zijn kant, tot een persoonlijke beleediging. Deze

twee ideeën van kwaad bloeien zelfs nu nog, ieder afzonderlijk naast

elkaar in den volksgeest.

De economische ondergeschiktheid van de vrouw als een soort van

bezitting valt duidelijk in het oog als we bedenken, dat een man

groote sommen gelds kan eischen, en die dikwijls ook krijgt, van den

man, die zijn bezit sexueel nadert en door zulk een overtreding het

beschadigt in de oogen van zijn meester [335]. Aan een psycholoog zou

het duidelijk zijn, dat een echtgenoot, die niet in staat geweest is

om zoo de liefde en het respect van zijn vrouw te winnen en vast te

houden, dat het voor haar volkomen gemakkelijk en natuurlijk is de

toenaderingen van iederen anderen man te verwerpen, haar minstens

evenveel schadevergoeding schuldig is als zij of haar deelgenoot

aan hem; terwijl, als de fout werkelijk aan haar kant is, als zij

zoo weinig in staat is om liefde en vertrouwen te beantwoorden,

en zoo gemakkelijk een prooi wordt voor een buitenstaander, dan

moest de man wel verre van eenige vergoeding in geld te eischen,

zich meer dan volkomen gecompenseerd rekenen, dat hij bevrijd is van

de noodzakelijkheid om zulk een vrouw te onderhouden. Als er geen

valsche tradities waren, zou dat duidelijk zijn. Het zou werkelijk

niet onredelijk zijn, dat een man veel zou moeten betalen om zich te

bevrijden van een vrouw, als hij blijkbaar een ernstige fout heeft

begaan toen hij haar koos. Maar te bevelen, dat een man feitelijk

schadevergoeding zou krijgen, omdat hij zich niet in staat heeft

getoond om de liefde van een vrouw te winnen, is een denkbeeld, dat

niet zou kunnen voorkomen in een beschaafde maatschappij, die niet

verdraaid was door overgeërfde vooroordeelen [336]. Toch staan de zaken

nu in de beschaafde landen zoo, dat het wettelijk voor een echtgenoot

mogelijk is een verzoek in te dienen tot schadevergoeding tegen den

minnaar van zijn vrouw te zamen met een verzoek om echtscheiding of

tot een scheiding van tafel en bed. Op deze wijze is echtbreuk geen

misdaad, maar een persoonlijke beleediging [337].

Terzelfder tijd echter komt de invloed van de canonieke wet

inconsequent aan den dag en beweert, dat een huwelijksbreuk een

openlijke overtreding is, een zonde die door den Staat veranderd wordt

in iets, dat bijna of geheel een misdaad is. Dit wordt duidelijk

aangetoond door het feit, dat in sommige landen de echtbreker kans

loopt op gevangenisstraf, een kans, die tegenwoordig wel nauwelijks tot

daden komt. Maar precies hetzelfde denkbeeld wordt duidelijk gemaakt

door de leer van de "geheime verstandhouding", die, in theorie, in

vele landen nog strikt wordt in acht genomen. Volgens de leer van de

geheime verstandhouding moeten de voorwaarden, die noodig zijn om

de echtscheiding mogelijk te maken, in geen geval geleverd worden

door wederzijdsch goedvinden. In de praktijk is het onmogelijk min

of meer geheime verstandhouding te voorkomen, maar als ze voor het

gerecht bewezen wordt, is het een absoluut beletsel voor het toestaan

van de echtscheiding, hoe gerechtvaardigd en gebiedend de eisch tot

echtscheiding ook wezen mag.

De Engelsche wet op de echtscheiding van 1857 weigerde

echtscheiding als er geheime verstandhouding was, zoowel als

wanneer er een tegen-aanklacht was tegen den eischer, en de wet

op de oorzaken tot echtscheiding van 1860 leverde de machinerie om

de bolwerken tegen de echtscheiding te verzekeren. De kwestie der

geheime verstandhouding wordt besproken door G. P. Bishop (op cit.,

dl. II, hoofdst. IX). "Hoe rechtvaardig een zaak ook moge zijn",

merkt Bishop op, "als de partijen in geheime verstandhouding

staan bij de behandeling ervan, zoodat in werkelijkheid beide

partijen klagers zijn, terwijl medegedeeld is dat de eene klager

en de andere beklaagde is, dan kan het proces geen voortgang

hebben. Alle gedrag van deze soort verstoort den loop der

gerechtigheid en valt binnen het algemeene denkbeeld van bedrog

jegens het gerechtshof. Dat is in principe overal de leer".

Het is volkomen duidelijk, dat het uit maatschappelijk of moreel

standpunt het beste is, dat, als een man en een vrouw niet langer te

zamen kunnen leven, ze dan vriendschappelijk uit elkaar zullen gaan,

en in harmonische overeenstemming alle maatregelen nemen, die door hun

scheiding noodig gemaakt zijn. De wet verbiedt hen belachelijkerwijze

om dat te doen, en verklaart, dat zij in het geheel niet van elkaar

kunnen gaan, tenzij ze van elkaar willen gaan als vijanden. Om tot nog

grooter punt van dwaasheid en immoraliteit te komen gaat de wet voort

met te zeggen, dat, als zij er feitelijk in geslaagd zijn vijanden van

elkaar te worden in die mate, dat ieder bezwaren heeft in te brengen

tegen den ander, dat ze dan in het geheel niet gescheiden kunnen

worden! [338] Dat is te zeggen, dat als een getrouwd paar een graad

van scheiding bereikt heeft, die het dringend noodzakelijk maakt,

dat ze gescheiden zullen worden, niet alleen in hun eigen belang,

maar terwille van de moreele belangen van de maatschappij, opdat ook

hun verhoudingen tot andere betrokken partijen geregeld zullen worden,

dan kunnen ze in het geheel niet scheiden.

Het is duidelijk, dat deze voorzorgen van de wet geheel

tegenovergesteld zijn aan de eischen van rede en moraliteit. Toch

is het tevens even duidelijk, dat geen pogingen van juristen, hoe

vernuftig en humaan die pogingen ook mogen zijn, de tegenwoordige

wet in harmonie kunnen brengen met de eischen van de moderne

beschaving. Het zijn niet de juristen, die falen; zij hebben

hun best gedaan, en in Engeland komt het door de vernuftige en

zorgvuldige wijze, waarop de rechters tot dusverre de wet gedrongen

hebben tot harmonie met de moderne behoeften, dat onze verouderde

echtscheidingswetten nog zijn blijven bestaan. Het is het systeem, dat

verkeerd is. Dat systeem is het ongelukkige gevolg van de canonieke

wet, die ontstond naar aanleiding van opvattingen, die al lang dood

zijn. Het plaatst de persoon, die de theoretische onverbreekbaarheid

van den huwelijksbond in gevaar brengt, in de positie van een

misdadiger. Zulk een misdadiger te helpen of bij te staan is op

zichzelf een vergrijp, en daar men den misdadiger niet wil straffen,

moet, volgens een merkwaardig inconsequente methode, de helper van

den misdadiger gestraft worden. Wij zeggen niet openlijk, dat de

verdediger in een geval van echtscheiding een misdadiger is, dat zou al

te duidelijk de belachelijkheid ervan aantoonen, en bovendien zou het

nauwelijks overeen te brengen zijn met de permissie voor het eischen

van schadevergoeding, die op een verschillend denkbeeld gebaseerd

is. Wij zijn aangewezen op twee opvattingen van echtscheiding, beide

slecht, geen van beide overeen te brengen met de andere, en geen van

beide zoo, dat ze zich laat doorvoeren tot haar logische gevolgen.

Het resultaat is, dat, als een volkomen deugdzaam echtpaar komt en

echtscheiding verlangt, hun wordt gezegd, dat daar geen sprake van

kan zijn, want in zulk een geval moet er een "beklaagde" zijn. Zij

worden dus gestraft voor hun deugd. Als zij beide echtbreuk begaan,

dan wordt hun gezegd, dat van echtscheiden geen sprake kan zijn,

want in zulk een geval moet er een "klager" zijn. Eerst werden zij

gestraft voor hun deugd; nu werden zij op precies dezelfde wijze

gestraft voor hun gebrek aan deugd. Het paar moet zijn toevlucht

nemen tot een wijze van handelen, die beiden zeer tegenstaat. Als

maar de vrouw alleen echtbreuk wil begaan, of de man alleen en als

hij dan tevens een daad van wreedheid aan zijn vrouw wil plegen, als

dan vervolgens de onschuldige partij er toe wil afdalen om detectives

te gebruiken en getuigen op te zoeken, dan hebben beiden de wet op hun

hand en deze verleent hun spoedig de permissie om te hertrouwen. Mits,

natuurlijk, de partijen dit geregeld hebben zonder "onderlinge

verstandhouding". Dat is te zeggen, dat onze wet, met haar kerkelijke

tradities achter zich tot de vrouw zegt: Wees een zondares, of tot den

man: Wees een zondaar en een misdadiger--dan zullen we alles doen wat

je wilt. De wet stelt een premie op zonde en misdaad. Om dwaasheid op

dwaasheid te stapelen zegt ze, dat dit gedaan wordt ter wille van de

"publieke moraal". Aan hen, die dit standpunt innemen, schijnt het toe,

dat het afschaffen van de wetten op de echtscheiding de grondslagen

van de maatschappij zou ondermijnen. Toch kan er maar weinig twijfel

aan bestaan, dat, hoe eerder zulke "moraal" ondermijnd, en volkomen

vernietigd is, des te beter het voor de ware moraal zal zijn.

Er is in Engeland een invloedrijke beweging ter hervorming

van de echtscheiding, op grond, dat de tegenwoordige wet

onrechtvaardig, onlogisch en immoreel is, vertegenwoordigd door

de Divorce Law Reform Union. Zelfs de vroegere president van

het echtscheidingsgerechtshof, Lord Gorell, verklaarde in 1906

van den katheder, dat de Engelsche wet ellendige gevolgen heeft,

en "vol is van inconsequenties, afwijkingen en onbillijkheden,

die bijna aan absurditeit grenzen". De punten in de wet, die

het meeste protest uitgelokt hebben, als zijnde het meest ten

achteren bij de wet van andere naties, zijn de groote kosten

van de echtscheiding, de ongelijke beoordeeling van de seksen,

de onmogelijkheid om echtscheiding te verkrijgen voor verlating

en in gevallen van ongeneeslijke krankzinnigheid, en het feit,

dat vonnissen tot scheiding van tafel en bed de gescheiden

partijen niet in staat stellen weer te trouwen. Vonnissen tot

scheiding van tafel en bed worden door den overheidspersoon

uitgesproken wegens wreedheid, echtbreuk en verlating. Deze

scheiding van tafel en bed is inderdaad de directe afstammeling

van de canonieke echtscheidingswet a mensa et thoro, en ook

de onmogelijkheid om weer te trouwen, die ze in zich sluit,

is niets dan een overblijfsel van de traditie van de canonieke

wet. Tegenwoordig vaardigen de overheidspersonen--en dan oefenen

ze hun bevoegdheid, naar toegegeven wordt, op zorgvuldige en

voorzichtige wijze uit--jaarlijks ongeveer 7,000 vonnissen uit

tot scheiding van tafel en bed, zoodat de bevolking elk jaar

toeneemt met 14,000 individuen, meestal op den leeftijd van

sexueele kracht, en weinig meer dan kinderen, wien door de wet

verboden is een wettig huwelijk te sluiten. Zij leveren een

aanzienlijke bijdrage tot de groote voorwaartsche beweging,

die, zooals in het vorige hoofdstuk aangetoond is, de moraal

van onze eeuw kenmerkt. Maar het is ten zeerste ongewenscht,

dat vrije huwelijken op hulpelooze wijze zullen gevormd worden

door paren, die geen keuze hebben in deze zaak, want het is niet

waarschijnlijk, dat onder zulke omstandigheden een hoog niveau

van persoonlijke verantwoordelijkheid kan bereikt worden. De

zaak zou gemakkelijk verholpen kunnen worden door geheel en al

afstand te doen van een traditie van de canonieke wet, die niet

langer eenige levenskracht of beteekenis heeft, en door aan het

vonnis van den overheidspersoon tot scheiding van tafel en bed

de kracht van een echtscheidingsvonnis te verleenen.

Nieuw-Zeeland en de Australische koloniën, met Victoria aan

het hoofd, hebben in 1889 echtscheidingswetten aangenomen, die,

hoewel ze min of meer naar het Engelsche model gevormd zijn, een

bepaalde vooruitgang zijn. Zoo zijn in Nieuw-Zeeland de gronden tot

echtscheiding echtbreuk van beide zijden, kwaadwillige verlating,

gewoonte-dronkenschap, en veroordeeling tot gevangenisstraf voor

den tijd van eenige jaren.

Het is natuurlijk, dat de Engelschman zeer gevoelig is voor deze vlek

in de wetten van Engeland, en dat hij wenscht dat een systeem, dat

zoo blootstaat aan bijtend sarcasme, spoedig zal verdwijnen. Het is

natuurlijk, dat ieder menschelijk wezen ongeduldig wordt bij het zien

van zooveel vernielde levens, van zooveel ellende aan onschuldige

menschen aangedaan--en aan personen, die, zelfs als ze technisch

schuldig zijn, dikwijls het slachtoffer zijn van onnatuurlijke

omstandigheden--door het blijven voortbestaan van een middeleeuwsch

systeem van kerkelijke tyrannie en van inquisitorische onbeschaamdheid

in een tijd, waarop we sexueele verhoudingen beginnen te beschouwen als

het onschendbare geheim van de personen, die er van nabij in betrokken

zijn, en nu we meer en meer ons verlaten op de verantwoordelijkheid

van het individu bij het aangaan en het in stand houden van zulke

verhoudingen.

Als wij onze gedachten echter niet concentreeren op speciale landen en

als we de algemeene beweging van de beschaving in zake de echtscheiding

in den laatsten tijd in het oog vatten, dan kan er niet de minste

twijfel bestaan aan de richting van die beweging. Engeland was een

halve eeuw geleden een pionier in die beweging, en tegenwoordig beweegt

iedere beschaafde natie zich in dezelfde richting voort. Frankrijk brak

in 1885 met de oude kerkelijke traditie van de onontbindbaarheid van

het huwelijk door een wet op de echtscheiding, die in sommige opzichten

zeer verstandig is. De vrouw kan echtscheiding verkrijgen op gelijke

gronden als haar man (hoewel zij kans heeft op gevangenschap voor

echtbreuk), de medeplichtige neemt een zeer ondergeschikte plaats in

in aanklachten voor echtscheiding, en faciliteiten voor echtscheiding

worden gegeven op grond van eenvoudige injures graves (daarvan zooveel

mogelijk uitgesloten alleen incompatibilité d'humeur), terwijl de

rechter de macht heeft, die hij dikwijls met succes aanwendt, om onder

vier oogen een verzoening tot stand te brengen, of om zonder openlijk

verhoor een echtscheidingsvonnis uit te spreken. De invloed van

Frankrijk is ongetwijfeld bij het vormen van de echtscheidingswetten

van de andere Latijnsche landen groot geweest.

In Pruisen bestond vroeger een verlichte wet op de echtscheiding,

waarbij het mogelijk was om zonder schandaal te scheiden,

als het duidelijk was gebleken, dat man en vrouw niet samen in

overeenstemming konden leven. Maar de Duitsche wet van 1900 voerde, wat

de echtscheiding betreft, bepalingen in, die--terwijl ze in sommige

opzichten liberaler zijn dan de Engelsche wetten, vooral doordat

ze echtscheiding toelaten bij verlating en krankzinnigheid--over het

geheel een schrede achteruit zijn vergeleken bij de vroegere Pruisische

wet en de zaak op een ruwer en grover basis plaatsen. Twee jaar nadat

de wet in werking trad nam het aantal echtscheidingen af; daarna

pasten het publiek en de rechtbanken zich aan aan de nieuwe bepalingen

(meer speciaal aan een, die echtscheiding toestond voor ernstige

verwaarloozing van huwelijksplichten) en het aantal echtscheidingen

begon met groote snelheid toe te nemen. "Maar", merkt Hirschfeld

op, "hoe pijnlijk is het nu geworden om over echtscheidingszaken

te lezen! De eene partij scheldt de andere partij uit, komt met

beschuldigingen van de platste soort, gebruikt detectives om de

noodige bewijzen te krijgen van "oneerbaar en immoreel gedrag",

terwijl vroeger alleen noodig was, dat de beide partijen wisten,

dat ze zich in elkander vergist hadden, dat ze niet bij elkander

pasten en dat ze niet langer samen konden leven. Zoo zien we, dat het

beperken van de individueele verantwoordelijkheid in sexueele zaken

niet alleen geen praktisch resultaat gehad heeft, maar dat het voert

tot schadelijke gevolgen van een ernstige soort" [339]. In Engeland

heeft een dergelijke stand van zaken geheerscht sinds den tijd,

dat de echtscheiding ingesteld werd, maar deze toestand schijnt te

gewoon geworden te zijn, dan dat iemand er last of displeizier door zou

ondervinden. Toch heeft ze, zooals Adner zegt [340], zich voortbewogen

in een richting, die tegenovergesteld is aan de algemeene neiging

van de beschaving, niet alleen doordat ze de inquisitorische macht

der publieke gerechtshoven vermeerderd heeft, maar ook doordat ze den

nadruk gelegd heeft op zuiver uiterlijke redenen tot echtscheiding en

de fijne innerlijke oorzaken, die met de verfijning van de beschaving

voortdurend in belangrijkheid toenemen, buiten beschouwing laat.

In Oostenrijk heerschte tot kort geleden de canonieke wet absoluut,

en het huwelijk was onontbindbaar, zooals het nu nog is voor

de Katholieke bevolking. De resultaten voor het huwelijksgeluk

waren in de hoogste mate bedroevend. Een halve eeuw geleden deed

Gross-Hoffinger onderzoek naar het huwelijksgeluk van 100 paren in

Venetië uit alle maatschappelijke klassen, voor de vuist genomen,

en hij geeft een uitvoerige beschrijving van de resultaten. Hij vond,

dat 48 paren beslist ongelukkig waren, slechts 16 waren ontwijfelbaar

gelukkig, en zelfs onder deze was er maar éen geval, waarin het geluk

het gevolg was van wederzijdsche trouw, en werd het geluk in de andere

gevallen alleen bereikt, doordat de kwestie der trouw ter zijde gesteld

was [341]. Dit beeld is, naar we hopen, niet meer waar. Er is een

invloedrijke vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk,

die een blad uitgeeft, genaamd Die Fessel of "de keten". "De een was

geketend aan den ander", vertelt het ons. "In zekere omstandigheden

moet dit de ergste en kwellendste straf geweest zijn, die men zich

denken kan. De meest dwaze en stuitende paringen vonden plaats. Wel

waren er vele vriendschappelijke keten-gemeenschappen. Maar er waren

er een heeleboel meer, die een eindelooze hoeveelheid leed berokkende

aan een van de twee". Deze aanhaling, moeten we er aan toevoegen,

heeft niets te maken met wat de Canonisten, den technischen term

ontleenende aan de ketens van een gevangene, suggestief noemden

de vinculum matrimonii; ze werd vele jaren geleden geschreven over

de galeistraf van het oude Fransche systeem voor veroordeelden. Ze

wordt echter weer in de herinnering gebracht door den titel, die de

vereeniging tot hervorming van het huwelijk in Oostenrijk aan haar

officieele orgaan gegeven heeft.

Rusland, waar de huwelijkswetten geregeld zijn door de Heilige Synode,

geholpen door de juristen, staat bijna alleen onder de groote landen in

den verstandigen eenvoud van zijn regeling van de echtscheiding. Vóor

1907 was echtscheiding in Rusland zeer moeilijk te verkrijgen, maar

in dat jaar werd het voor een getrouwd paar mogelijk om van elkaar te

gaan met wederzijdsch goedvinden, om, nadat ze een jaar lang gescheiden

geleefd hadden, daardoor het recht te verkrijgen op echtscheiding,

die hen in staat stelt om te hertrouwen. Deze regeling is in

overeenstemming met de humane opvatting van de sexueele verhouding,

die in Rusland altijd overheerscht heeft, waar, naar wij ons moeten

herinneren, de strenge en onnatuurlijke idealen van gedwongen celibaat,

door de Westersche kerk gekoesterd, nooit geheel zijn doorgedrongen; de

geestelijken van de Oostersche kerk mogen trouwen, hoewel het huwelijk

plaats moet vinden voordat ze priester worden, en zij zouden geen

sympathie kunnen hebben voor den anti-sexueelen toon van de regeling

van het huwelijk, die gemaakt is door de geestelijkheid van het Westen.

Ook Zwitserland, dat beschouwd wordt als het politieke

laboratorium van Europa, staat apart in de liberaliteit van de

echtscheidingswetgeving. Een echtscheiding voor twee jaar, die

vernieuwd kan worden, kan in Zwitserland verkregen worden, als er

zijn "omstandigheden, die een ernstig beletsel zijn voor het in stand

houden van den huwelijksband". Aan het Groothertogdom Luxemburg komt

ten slotte de eer toe van steeds het groote principe van echtscheiding

met wederzijdsch goedvinden met kracht te hebben gehandhaafd onder

wettelijke voorwaarden, zooals door Napoleon in 1803 was ingesteld. De

kleinere landen zijn de grootere meestal vooruit in zaken van de

echtscheidingswet. De Noorsche wet is liberaal. De nieuwe Rumeensche

wet staat echtscheiding toe met wederzijdsch goedvinden, mits beide

ouders evenveel van hun bezittingen aan hun kinderen geven. Het kleine

vorstendom Monaco heeft onlangs een verstandige regeling ingevoerd,

en staat echtscheiding toe, onder andere voor alcoholisme, syphilis

en epilepsie, en beschermt op deze wijze het toekomstige ras.

Buiten Europa wordt het leerrijkste voorbeeld van de neiging tot

echtscheiden ongetwijfeld geleverd door de Vereenigde Staten van

Amerika. De echtscheidingswetten van de Vereenigde Staten zijn

voornamelijk op een Puriteinsche basis gegrond, en daarin treedt niet

alleen de Puriteinsche liefde voor persoonlijke vrijheid, maar ook de

Puriteinsche vormelijkheid op den voorgrond [342]. In sommige staten,

voornamelijk in Jowa, zijn de wetgevers voortdurend bezig geweest met

het aannemen, veranderen, afschaffen en weer invoeren van bepalingen

van hun echtscheidingswetten, en Howard heeft aangetoond hoeveel

verwarring en ongemak er voortkomt door het steeds beuzelen van de

wetgeving over kleinigheden.

Deze rustelooze vormelijkheid heeft wel eenigszins de over het algemeen

breede en liberale neiging van de huwelijkswet in Amerika verborgen,

en heeft de critiek van buitenlanders op Amerikaansche instellingen

aangemoedigd. Het is een feit, dat het algemeen voorkomen van de

echtscheiding in Amerika ten zeerste overdreven is. De verhouding van

gescheiden personen in de bevolking schijnt minder te zijn dan eén

percent, en, tegenovergesteld aan wat zoo dikwijls beweerd wordt, is

het geenszins regel, dat gescheiden personen dadelijk weer trouwen. De

speciale toestanden van het leven in de Vereenigde Staten in aanmerking

genomen, zijn er niet veel scheidingen en de aard ervan geeft in het

geheel geen blijk van een lagen graad van moraal. Een onpartijdig en

bekwaam beoordeelaar van het Amerikaansche volk, Professor Münsterberg,

merkt op, dat de werkelijke oorzaak, die voornamelijk aanleiding geeft

tot echtscheiding in de Vereenigde Staten--niet de zuiver wettelijke

voorwendsels, die noodig gemaakt zijn door de vormelijkheid van de

wet--het ethische bezwaar is van uiterlijk te blijven voortleven in

een huwelijk, dat opgehouden heeft geestelijk eensgezind te zijn. "Het

zijn voornamelijk de vrouwen" zegt hij, "en gewoonlijk de allerbeste

vrouwen, die er de voorkeur aan geven den stap te wagen, met al de

moeilijkheden die er aan verbonden zijn, boven het voortzetten van

een huwelijk, dat geestelijk huichelachtig en immoreel is" [343].

De bevolking van de Vereenigde Staten koestert meer dan eenige

andere bevolking idealen van individualisme; onder hen vindt men

ook de menschen onder wie, meer dan onder anderen, de grootste

mate bestaat van wat Reibmayr noemt "bloed-chaos". Onder zulke

omstandigheden zijn de moeilijkheden van het huwelijksleven natuurlijk

buitengewoon groot, en heeft de huwelijksvereeniging kans te stooten

op subtiele bezwaren, die de wet niet formuleeren kan [344]. Er kan

niet veel twijfel aan bestaan, of de praktische slimheid van het

Amerikaansche volk zal hen vroeger of later in staat stellen dit

feit te erkennen, en het zal ten slotte den Puriteinschen drang van

zijn echtscheidingswetgeving volgende--zooals die in zijn resultaat

voorspeld is door Milton--overeenkomen om aan zijn burgers zelven de

verantwoordelijkheid toe te vertrouwen in een zoo persoonlijke zaak

als hun huwelijksverhoudingen, met, natuurlijk, het recht bij de

gerechtshoven om er op toe te zien, dat er geen onrechtvaardigheden

begaan worden. Het wekt inderdaad verwondering, dat het Amerikaansche

volk, dat gewoonlijk zoo weinig inmenging van den Staat kan verdragen,

in deze zaak zoo lang zulke inmenging in een zoo persoonlijke zaak

verdragen heeft.

De echtscheidingsbeweging beperkt zich niet tot het Christendom; ze

is een kenteeken van de moderne beschaving. In Japan is het aantal

echtscheidingen grooter dan in eenig ander land, de Vereenigde Staten

niet uitgesloten [345]. De krachtigste en meest vooruitstrevende

landen zijn die, waar het sterkst aangedrongen wordt op reinheid

in de sexueele vereenigingen. In de Vereenigde Staten werd er vele

jaren geleden op gewezen, dat echtscheiding het meest voorkomt daar,

waar de standaard van opvoeding en moraal het hoogst is. Het waren de

Nieuw-Engelsche Staten, met strenge tradities van moreele vrijheid,

die de leiding hebben gegeven bij het toestaan van faciliteiten tot

echtscheiden. De echtscheidingsbeweging is niet, zooals sommigen

dwazelijk gemeend hebben, een beweging, die leidt tot immoraliteit

[346]. Immoraliteit gaat onvermijdelijk samen met het onverbreekbare

huwelijk; de nadruk, die er gelegd wordt op de heiligheid van

een zuiver vormelijke vereeniging, is niet bevorderlijk voor de

ontwikkeling van de moreele verantwoordelijkheid wat de verbintenissen

aangaat, die in haar schaduw groeien en voorwaardelijk heilig zijn. Als

we er aan den anderen kant, door het instellen van faciliteiten tot

echtscheiding, op aandringen, dat sexueele verhoudingen werkelijk

zullen zijn, is dat de zaak van de moraal in de hand werken. De

landen, waar echtscheiding met wederzijdsch goedvinden het langst

heeft bestaan, behooren waarschijnlijk tot de moreelste en niet tot

de minst moreele landen.

Men heeft er zijn verwondering over geuit, dat, hoewel echtscheiding

bij wederzijdsch goedvinden zich al twee duizend jaar geleden

aan de met rechtszin begaafde Romeinen aanbevolen heeft als een

klaarblijkelijk rechtvaardige en verstandige maatregel, die oplossing

zelfs tegenwoordig nog zoo weinig door de moderne staten bereikt is

[347]. Overal, waar de maatschappij op een stevig georganiseerde

basis berust, en waar de eischen van de rede en der menschelijkheid

voldoende overwogen worden--zelfs als het algemeene niveau van de

beschaving niet in elk opzicht hoog is--daar vinden we een neiging

tot echtscheiding met wederzijdsch goedvinden.

In Japan wordt het huwelijk, overeenkomstig het burgerlijk

wetboek, ongeveer zooals het in het oude Rome was, gesloten

door het mededeelen van het feit aan den ambtenaar van den

burgerlijken stand in tegenwoordigheid van twee getuigen, onder

toestemming (in het geval van jonge paren) van het hoofd van

hun familie. Er kan ook een ceremonie zijn, maar die wordt door

de wet niet geëischt. Echtscheiding wordt op precies dezelfde

wijze verkregen, enkel door de inschrijving te laten schrappen,

mits de man en de vrouw beiden boven de vijf en twintig jaar oud

zijn. Voor jongere paren, die ongelukkig getrouwd zijn, en voor

gevallen, waarin wederzijdsch goedvinden niet verkregen kan worden,

bestaat er gerechtelijke echtscheiding. Deze wordt toegestaan

voor verschillende speciale redenen, waarvan de voornaamste is

"zware beleediging, zoodat het samenleven ondragelijk wordt"

(Ernest W. Clement, "The New Woman in Japan", American Journal of

Sociology, Maart 1903). Zulk een systeem schijnt, evenals zooveel

anders, dat door Japansche organisatie bereikt is, verstandig,

voorzichtig en krachtig te zijn.

In het heel andere en veel oudere huwelijkssysteem van China

is de echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden even goed

ingericht. Zulk een echtscheiding met wederzijdsch goedvinden

vindt plaats voor "incompatibilité d'humeur", of als man en vrouw

het beiden wenschen. Er zijn echter verschillende verouderde

en eigenaardige regelingen in de Chineesche huwelijkswetten, en

echtscheiding is verplichtend voor echtbreuk van de vrouw of voor

ernstige physieke nadeelen, toegebracht door de eene partij aan

de andere. (De huwelijkswetten van China zijn volledig uiteengezet

door Paul d'Enjoy, La Revue, Sept. 1908).

Bij de oude bewoners van Wales, hadden de vrouwen zoowel voor

als na het huwelijk, groote vrijheid, veel meer dan toegestaan

werd door het Christendom of door de gewone Engelsche wet. "In de

praktijk konden man en vrouw van elkaar gaan, als een van tweeën

of beiden het wenschten" (Rhys en Brynmor-Jones, The Welsh People,

p. 214). Zoo was het ook in het oude Ierland. Vrouwen hadden een

zeer hooge positie, en de huwelijksband was zeer los, zoodat hij

in de praktijk, naar het scheen, ontbindbaar was bij wederzijdsch

goedvinden. Voor zoover de wetten van de Brehonen aantoonen, zegt

Ginnell (The Brehon Laws, p. 212), "was de huwelijksverhouding

buitengemeen los, en de echtscheiding even makkelijk, en kon op

even geringen grond verkregen worden als nu het geval is in sommige

Staten van Noord-Amerika. Het schijnt wel, dat ze gemakkelijker

te verkrijgen was voor de vrouw dan voor den man. Als ze op haar

verzoek verkregen werd, dan nam ze alle bezittingen mee, die zij

haar man had aangebracht, of die haar man op haar had vastgezet

bij hun huwelijk, en bovendien zooveel van de bezittingen van

haar man als waarop het scheen, dat haar vlijt haar aanspraak gaf".

Zelfs in de oudste Fransche geschiedenis vinden we, dat

echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden zeer gewoon was. Het was

voldoende om in duplicaat een formeel document op te stellen van

dezen inhoud: "Daar er tusschen N. en zijn vrouw oneenigheid is in

plaats van liefde, zooals God bevolen heeft, en omdat het daarom

voor hen onmogelijk is samen te leven, heeft het hen behaagd uit

elkander te gaan en zij hebben dat gedaan". Ieder van de partijen

was zoodoende vrij om in een klooster te gaan of om een andere

vereeniging aan te gaan (E. de la Bedollière, Histoire des Moeurs

des Français, deel I, p. 317). Zulk een gewoonte, hoe ze ook mocht

overeenkomen met het gronddenkbeeld van toestemming, belichaamd

in de canonieke wet, was te zeer strijdig met de kerkelijke leer

van de sacramenteele onontbindbaarheid van het huwelijk om in

stand te blijven, en ze werd geheel afgeschaft.

Het feit, dat we echtscheiding bij wederzijdsch goedvinden maar zelden

in het Christendom vinden voor het begin van de negentiende eeuw,

dat het toen een man vereischte van het geweldige en revolutionaire

genie als Napoleon, om ze weer in te voeren, en dat zelfs hij niet in

staat was dit met effect te doen, is klaarblijkelijk een gevolg van

de groote overwinning, die de ascetische geest van het Christendom,

zooals die vastgelegd is in de canonieke wetten, verkregen had

over de zielen en de lichamen van de menschen. Zoo gebukt gingen de

Europeesche tradities en instellingen onder dezen geest, dat zelfs

de vulcanische opstand van de Reformatie, zooals we gezien hebben,

ze niet kon afschudden. Toen de Protestantsche Staten, zooals ook

natuurlijk was, de heerschappij op zich namen over wereldsche zaken,

die in handen van de kerk waren geweest, en toen ze aan den invloed

der geestelijken die dingen ontworsteld had, die tot de sfeer van

het individueele geweten behoorden, toen zou men zoo denken, dat het

huwelijk en de echtscheiding onder de eerste zouden behoord hebben, die

op die wijze werden overgedragen. Toch was, zooals we weten, Engeland

bijna evenzeer onderworpen aan den geest en zelfs aan de letter

van de canonieke wet in de negentiende als in de veertiende eeuw,

en zelfs tegenwoordig blijft de Engelsche wet, hoewel ze niet langer

door de publieke opinie gesteund wordt, aan dezelfde tradities getrouw.

Er schijnt echter weinig twijfel aan te bestaan, of de moderne

echtscheidingsbeweging moet onvermijdelijk neigen naar het doel,

een huwelijk ontbindbaar te maken, indien beide partijen dat wenschen

onder juiste omstandigheden en beperkingen, indien een der partijen dat

wenscht. Er wordt tegenwoordig de wil van twee personen vereischt om

een huwelijk te vormen; de wet eischt dit onvoorwaardelijk [348]. Het

is logisch, zoowel als rechtvaardig, dat de wet ook de volgende stap

zal doen, die de historische ontwikkeling van het huwelijk met zich

brengt, en er ook op aan zal dringen, dat de wil van twee personen

noodig zal zijn om het huwelijk in stand te houden. Deze oplossing

is ongetwijfeld de eenige weg om te ontkomen aan de ruwheden, de

indecenties, de niet te ontwarren ingewikkeldheden, die in de wet

ingevoerd zijn door de vergeefsche pogingen om in bijzonderheden

te voorzien in al de mogelijkheden van huwelijksoneenigheden, die

onder de voorwaarden van de moderne beschaving kunnen ontstaan. Het

is bovendien, daar mogen we gerust op zijn, de eenige oplossing, die

de aangroeiende moderne zin voor persoonlijke verantwoordelijkheid in

sexueele zaken, die we in het vorige hoofdstuk hebben nagespoord--de

verantwoordelijkheid van vrouwen zoowel als van mannen--geneigd zal

zijn aan te nemen.

De fijne en samengestelde aard van de sexueele verhoudingen in een

hooge beschaving en de ongelukkige gevolgen van de regeling ervan

door den Staat al in 1792 zijn bijzonder goed uiteengezet door

Wilhelm von Humboldt in zijn Ideeen zu einem Versuch die Grenzen

der Wirksamkeit des Staates zu bestimmen. "Een vereeniging, die

zoo nauw verbonden is met den aard zelf der respectieve individuen

moet wel vergezeld gaan van de meest nadeelige gevolgen, als de

Staat tracht ze bij de wet te regelen, of, door de kracht van zijn

instellingen, haar op iets anders doet berusten dan uitsluitend

op genegenheid. Als wij ons bovendien in herinnering brengen,

dat de Staat alleen de nadeelige eindresultaten voor het ras kan

nagaan, dan zullen we nog meer bereid zijn om de rechtvaardigheid

van deze conclusie toe te geven. We mogen met rede betoogen, dat

de bezorgdheid voor het ras slechts leidt tot dezelfde resultaten

als de grootste bezorgdheid voor de mooiste ontwikkeling van

den innerlijken mensch. Want, na zorgvuldig opmerken, heeft

men gevonden, dat de ononderbroken vereeniging van een man met

een vrouw het weldadigst is voor het ras, en het is evenmin

te ontkennen, dat geen andere vereeniging voortkomt uit ware,

natuurlijke en harmonieuze liefde. En verder mogen we opmerken,

dat zulk een liefde leidt tot hetzelfde resultaat, als juist die

verhoudingen, die wet en gewoonte neiging hebben om in het leven

te roepen. De grondfout schijnt te zijn, dat de wet beveelt;

terwijl zulk een verhouding zich niet voegen kan naar uiterlijke

schikkingen, maar geheel afhankelijk is van neiging; en overal

waar dwang of leiding in botsing komen met neiging, daar wenden ze

die nog verder van het juiste pad af. En daarom schijnt het mij

toe, dat de Staat niet alleen de banden in dit geval losser moet

maken en aan den burger grooter vrijheid moet laten, maar dat hij

geheel zijn werkzame bezorgdheid moet afwenden van het huwelijk,

en het, zoowel in het algemeen als in bijzondere wijzigingen, moet

overlaten aan de vrije keuze van de individuen en de verschillende

contracten, die ze hierover willen aangaan. Ik zou mij zelfs niet

laten afbrengen van het aannemen van dit principe door de vrees,

dat alle familieverhoudingen zouden worden verstoord, want hoewel

zoo'n vrees gerechtvaardigd zou kunnen zijn door overwegingen van

bijzondere omstandigheden en plaatsen, zou ze niet best kunnen

stand houden bij een onderzoek naar den aard van de menschen en van

de staten in het algemeen. Want de ondervinding leert ons dikwijls,

dat juist waar de wet geen boeien heeft aangelegd, de moraal het

zekerste bindt; het denkbeeld van uiterlijke dwang is er een, dat

geheel vreemd is aan een instelling, die, zooals het huwelijk,

alleen berust op neiging en een innerlijk gevoel van plicht; en

de resultaten van zulke gedwongen instellingen beantwoorden in het

geheel niet aan de bedoelingen, die er aan ten grondslag liggen".

De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij · 第 59 / 71 题