werking zien van een natuurlijke wet als de invloeden van een groot
beschavingscentrum, dat zijn invloed zelfs uitoefent op hen, die
buiten de wettig erkende instelling van het huwelijk staan. Maar
wij vinden geheel dezelfde neiging in Jamaica, waar de bevolking
veelal uit kleurlingen bestaat, en waar men nauwelijks kan zeggen,
dat de druk van een hooge beschaving heerscht. Het wettig huwelijk
wordt hier in nog grootere mate vermeden dan in Londen; er wordt
b.v. weinig zorg besteed aan het wettigen van de kinderen door
het huwelijk. Er werd bevonden door een commissie, aangesteld om
onderzoek te doen naar de huwelijkswetten in Jamaica, dat drie
van iedere vijf geboorten onwettig zijn, dat is te zeggen, dat
formeele onwettigheid opgehouden heeft immoreel te zijn, omdat
het de erkende gewoonte geworden is van de meerderheid van de
bewoners. Er is geen maatschappelijk gevoel tegen onwettigheid. De
mannen keuren het verval van het wettig huwelijk goed, omdat
zij zeggen, dat de vrouwen beter in huis werken, als zij niet
getrouwd zijn; de vrouwen keuren het goed, omdat zij zeggen, dat
mannen trouwer zijn, als ze niet gebonden zijn door een wettig
huwelijk. W. P. Livingstone heeft dat in zijn belangwekkend boek,
Black Jamaica (1899) voortreffelijk blootgelegd. De menschen
erkennen, vertelt hij ons (p. 210), dat "trouw samenleven huwelijk
beteekent", zij zeggen, dat zij "getrouwd zijn, maar niet door den
dominee". Een reden tegen het wettige huwelijk is, dat zij niet
geneigd zijn de kosten te dragen van de officieele sanctie. (In
Venezuela, mogen we er aan toevoegen, waar ook de meerderheid
der geboorten plaats vindt buiten het officieele huwelijk,
zegt men, dat de voornaamste reden niet is moreele laksheid,
maar dezelfde tegenzin om de kosten van de officieele sanctie te
dragen). Dikwijls laten de paren zich later, soms als zij volwassen
zoons en dochters hebben, wettig trouwen. (Ook in Abyssinië,
zooals Hugues Le Roux zegt, waar de menschen Christenen zijn en
het huwelijk onverbreekbaar en de ceremonie kostbaar is, is het
gewoonte, dat getrouwde menschen hun vereeniging niet wettigen,
voordat zij oud beginnen te worden, Sexual-Probleme, April,
1908, p. 217). Het is van beteekenis, dat deze stand van zaken in
Jamaica, evenals elders, samengaat met de superioriteit van de
vrouwen. "De vrouwen van de boerenklasse", merkt Livingstone op
(p. 212), "zijn nog feitelijk onafhankelijk van de mannen en zijn
meermalen hun meerderen, zoowel lichamelijk als geestelijk." Zij
weigeren zich te verbinden aan een man, die mogelijk nergens voor
zal deugen, die een last kan worden in plaats van een hulp en
een beschermer. Zoo lang de vereenigingen vrij zijn, is er kans
op, dat ze duurzaam zijn. Als ze wettig gemaakt worden, bestaat
er gevaar dat ze ondragelijk worden en eindigen zullen, doordat
een van de partijen de andere verlaat. "De noodzakelijkheid van
wederzijdsche vriendelijkheid en verdraagzaamheid biedt den besten
waarborg voor duurzaamheid" (p. 214). Er wordt echter gezegd,
dat onder den invloed van godsdienstigen en maatschappelijken
druk de menschen meer geneigd worden om "fatsoenlijke denkbeelden"
aan te nemen over sexueele verhoudingen, hoewel het schijnt, dat
naar het gezegde van Livingstone, zulke fatsoenlijkheid veelal een
afname van werkelijke moraliteit in zich sluit. Livingstone wijst
echter op een ernstig gebrek in de tegenwoordige toestanden,
waardoor het immoreele mannen gemakkelijk gemaakt wordt aan
de verantwoordelijkheid als vader te ontsnappen, en dat is
de afwezigheid van een wettelijken dwang tot het inschrijven
van den naam van den vader op de geboortebewijzen (p. 256). In
ieder land, waar de meerderheid der geboorten onwettig is, is
het een maatschappelijke behoefte, dat de namen van beide ouders
behoorlijk op alle geboortebewijzen ingevuld worden. Het is een
onvergeeflijke fout geweest van het gouvernement van Jamaica, dat
het de eenvoudige maatregel verwaarloosde van aan "ieder kind, dat
in het land geboren werd, een wettigen vader" te geven (blz. 258).
Wij zien dus, dat we tegenwoordig een positie bereikt hebben,
waarin--gedeeltelijk ten gevolge van economische oorzaken en
gedeeltelijk ten gevolge van oorzaken, die dieper wortelen in de
neigingen, die de beschaving met zich brengt--vrouwen meer dan vroeger
los worden van wettige sexueele betrekkingen tot mannen en dat beide
seksen minder geneigd zijn dan in vroegere stadiën van de beschaving
om hun onafhankelijkheid te offeren, als zij zulke betrekkingen
aangaan. "Ik heb nog nooit van een vrouw boven de zestien jaar
gehoord, die, voordat de oorspronkelijke gewoonten in verval waren
gekomen na de komst van de blanken, niet een man gehad had", schreef
Curr van de Australische zwarten [268]. Zelfs wat sommige deelen van
Europa betreft, kan men nu nog bijna hetzelfde zeggen. Maar in al de
rijkere, meer energieke en vooruitstrevende landen heerschen geheel
verschillende toestanden. Het huwelijk vindt laat plaats en een zeker
aantal mannen, en een nog grooter aantal vrouwen (die de mannen in
de algemeene bevolking overtreffen), trouwen nooit [269].
Eer wij ingaan op de noodlottige beteekenis van dit feit van het
aangroeiend aantal volwassen ongetrouwde vrouwen, wier sexueele
betrekkingen niet erkend worden door den Staat en die in ruimen
kring in het geheel niet erkend worden, kan het goed zijn een kort
overzicht te geven van de twee groote historische stroomingen, die
beide nog onder ons werken, die invloed hebben op de plaats van de
vrouwen, de eene, die de maatschappelijke gelijkheid van de vrouwen
begunstigt en de andere, die de maatschappelijke onderwerping van de
vrouwen begunstigt. Het is niet moeilijk deze beide stroomingen na
te gaan zoowel in toestanden als in beschouwingen, in de praktische
en in de theoretische moraal.
Op zekeren tijd werd de theorie wijd verspreid, dat in de eerste
stadiën van de maatschappij vóór het bestaan van het patriarchale
tijdperk, dat de vrouwen plaatste onder de bescherming van den man,
er een matriarchaal tijdperk geweest is, waarin de vrouwen de hoogste
macht bezaten [270]. Bachofen was, een halve eeuw geleden, de groote
kampioen voor dit gezichtspunt. Hij vond een typisch voorbeeld
van een matriarchalen staat onder de oude Lyciërs in Klein-Azië,
bij wie, volgens Herodotus, het kind den naam krijgt van de moeder,
en haar stand volgt, niet dien van den vader [271]. Die volken waren,
naar Bachofen meent, gynaecocratisch; de macht was in handen van de
vrouwen. Het kan niet gezegd worden, dat deze opinie, in den vorm
waarin Bachofen die had, nog eenigen belangrijken aanhang heeft. Wat
de wijd-verspreide overheersching aangaat van de moederafstamming,
er is niet den minsten twijfel aan, dat die in zeer ruimen kring
overheerscht heeft. Maar zoo'n afstamming door de moeder, heeft
men erkend, sluit in het geheel niet noodzakelijk in zich de macht
van de moeder, en moeder-afstamming kan zelfs samengaan met een
patriarchaal systeem [272]. Er is zelfs een neiging geweest naar
het tegenovergestelde uiterste van Bachofen over te slaan en te
ontkennen, dat de moederafstamming eenigen specialen eisch van égards
voor vrouwen met zich bracht. Dat schijnt echter ternauwernood in
overeenstemming met het bewijsmateriaal, en kon zelfs bij afwezigheid
van bewijsmateriaal nauwelijks als waarschijnlijk beschouwd worden. Het
schijnt wel, dat we als type van de matriarchale familie die kunnen
nemen, welke gebaseerd is op het ambil anak huwelijk van Sumatra,
waarin de man leeft in de familie van de vrouw, niets betaalt en een
ondergeschikte positie inneemt. Het voorbeeld van de Lyciërs is hier
van belang, want, zooals Herodotus vermeldt, hoewel er niets is dat
aantoont, dat er iets van den aard van een gynaecocratie in Lycië was,
weten wij, dat de vrouwen in al deze streken van Klein-Azië zeer geacht
waren en veel invloed hadden, waarvan de sporen ontdekt kunnen worden
in de oudste literatuur en geschiedenis van het Christendom. Een
beslissend en beter bekend voorbeeld van den gunstigen invloed van
de moederafstamming op de positie van de vrouw wordt geleverd door
het beena huwelijk van het oude Arabië. Onder zulk een systeem is de
vrouw niet ontheven van de onderwerping, die in den koop besloten
is, en die altijd een schaduw op haar werpt van de inferieuriteit
behoorende bij den eigendom, maar zij zelf is eigenares van de tent en
van de bezittingen van het huishouden, en zij geniet de waardigheid,
die altijd samengaat met het bezit van eigendom en de macht zich van
haar echtgenoot te bevrijden [273].
Ook is het onmogelijk te vermijden, dat men de primitieve neiging
tot moeder-afstamming en den nadruk, die er gelegd wordt op het feit
dat de moeder meer aandeel aan de voortplanting heeft dan de vader,
in verband brengt met de neiging om in de primitieve godenwereld de
godin eerder dan den god op den voorgrond te plaatsen, een neiging,
die onmogelijk nalaten kan eer te geven aan de sekse, waartoe de
voornaamste godheid behoort, en die de groote rol verklaart, welke
vrouwen vroeger dikwijls speelden in de godsdienstige handelingen. Zoo
namen de vrouwen vroeger, volgens tradities die onder de stammen
van Midden-Australië nog voortleven, een zeer groot aandeel in de
uitvoering van de heilige ceremoniën, die nu beschouwd worden als
uitsluitend te vallen binnen het terrein der mannen, en bij een der
stammen, die de oude gewoonten schijnt in stand te houden, nemen de
vrouwen nog heden feitelijk deel aan deze ceremoniën [274]. In Europa
schijnt de toestand vrijwel dezelfde geweest te zijn. Wij merken
ook, zoowel in de Keltische godenwereld als onder de volken aan de
Middellandsche zee op, dat, terwijl de oude goden op den achtergrond
geraakt zijn, de godinnen nog uit de duisternis te voorschijn komen,
grooter dan de goden [275]. In Ierland, waar aan oude gewoonten en
tradities altijd zeer taai vastgehouden is, hebben de vrouwen een
zeer hooge positie behouden en veel vrijheid, zoowel vòor als nà het
huwelijk. "Iedere vrouw", zeide men, "is vrij te gaan waar zij wil",
en na het huwelijk had ze een betere positie en grootere vrijheid tot
echtscheiden dan verleend werd hetzij door de Christelijke Kerk of
door de Engelsche gewone wet [276]. Het is minder moeilijk te erkennen,
dat speciaal de moederafstamming gunstig was aan den hoogen staat van
vrouwen, als wij ons voor oogen stellen, dat zelfs onder ongunstige
omstandigheden vrouwen in staat zijn geweest een grooten druk uit te
oefenen op de mannen en met succes de pogingen weerstonden, die ten
doel hadden haar te tyranniseeren [277].
Als we de positie van de vrouw in de groote rijken van de oudheid
beschouwen, dan vinden we over het geheel, dat, in hun eerste stadium,
het stadium van groei, zoowel als in hun laatste stadium, het stadium
van vruchtdragen, de vrouwen over 't algemeen een gunstige positie
innemen, terwijl in hun middelste stadium, gewoonlijk het stadium van
overheerschende militaire organisatie op een patriarchale basis, de
vrouwen er minder gunstig aan toe zijn. Deze kringloop schijnt bijna
een natuurlijke wet te zijn van de ontwikkeling van maatschappelijke
groepen. Ze was al zeer duidelijk in den standvastigen en ordelijken
groei van Babylonië. In de vroegste tijden had een Babylonische vrouw
volkomen onafhankelijkheid en gelijke rechten met haar broeders
en haar echtgenoot; later (zooals blijkt uit de wet van Hamurabi)
waren de rechten van de vrouw meer omschreven, niet haar plichten;
in een nog later stadium in de nieuw Babylonische tijden verkreeg ze
weer gelijke rechten met haar echtgenoot [278].
In Egypte was de positie der vrouwen het hoogst, maar ze schijnt
wel de geheele Egyptische geschiedenis door hoog te zijn geweest,
en voortdurend verbeterd te zijn, terwijl het feit, dat er weinig
waarde werd gehecht aan kuischheid vóor het huwelijk en dat
huwelijkscontracten geen nadruk legden op de jonkvrouwelijkheid
schijnt te wijzen op de afwezigheid van de opvatting van vrouwen als
bezit. Meer dan drie duizend jaar geleden erkende men mannen en vrouwen
als gelijken in Egypte. De hooge positie van de vrouw in Egypte blijkt
duidelijk uit het feit, dat haar kind nooit onwettig was; onwettigheid
werd niet erkend, zelfs niet in het geval van het kind van een slavin
[279]. "Het is de glorie van de Egyptische moraal", zegt Amélineau,
"dat ze het eerst de waardigheid der vrouw tot uitdrukking gebracht
heeft" [280]. Het denkbeeld huwelijksautoriteit was ten eenen male
onbekend in Egypte. Er kan geen twijfel aan zijn, of de hooge positie
der vrouw onder twee beschavingen, zoo stabiel, zoo levenskrachtig,
zoo lang levend, en zoo van invloed op de menschelijke beschaving
als die van Babylonië en Egypte, is een feit van groote beteekenis.
Onder de Joden schijnt er geen tusschenstadium geweest te zijn van
onderwerping van de vrouwen, maar in plaats daarvan doorloopend
een geleidelijke vooruitgang van volkomen onderwerping van de vrouw
als echtgenoote tot steeds grootere vrijheid. In het eerst kon de
man zijn vrouw zonder oorzaak verstooten naar zijn wil. (Dit was
niet een uitbreiding van het patriarchale gezag, maar een zuivere
huwelijksautoriteit). De beperkingen van deze autoriteit namen
geleidelijk toe en beginnen merkbaar te worden reeds in het Boek
van Deuteronomium. De Mishnah ging verder en verbood echtscheiding
altijd wanneer de toestand van de vrouw medelijden inboezemde
(zooals bij krankzinnigheid, gevangenschap, enz.). Omstreeks
1025 v. C. was echtscheiding niet langer mogelijk, behalve om
wettige redenen of met goedvinden van de vrouw. Terzelfder tijd
begon de vrouw het recht van echtscheiding te verkrijgen in dezen
vorm, dat zij den man kon dwingen haar te verstooten op straffe
van boete in geval van weigering. Nà de echtscheiding werd de
vrouw een onafhankelijke vrouw met haar eigen rechten, en mocht
zij de huwelijksgift, die de man haar bij het huwelijk gegeven
had, meenemen. Zoo gaf de buigzame rechtspraak van de Rabbi's
niettegenstaande het Joodsche respect voor de letter van de wet,
in harmonie met den groei van de beschaving een steeds aangroeiende
mate van sexueele rechtvaardigheid en gelijkheid aan de vrouwen.
Onder de Arabieren is de neiging tot vooruitgang ook in vele
opzichten gunstig geweest aan de vrouwen, vooral wat erfenissen
aangaat. De wetgeving van den Koran wijzigde dezen regel, zonder
hem geheel af te schaffen, en plaatste de vrouwen in een veel
betere positie. Dit wordt grootendeels toegeschreven aan het
feit, dat Mohammed behoorde niet tot Medina, maar tot Mecca,
waar nog sporen van matriarchale gewoonten bestonden (W. Marçais,
Des Parents et des Alliés Successibles en Droit Musulman).
Er mag wel op gewezen worden--want het is niet altijd erkend--dat
zelfs dat stadium van beschaving, dat de ondergeschiktheid en
de onderwerping van de vrouw en haar rechten in zich sluit,
in werkelijkheid zijn oorsprong heeft in de behoefte aan
bescherming van de vrouwen, en dat het zelfs soms een teeken
is van het verkrijgen van nieuwe voorrechten door vrouwen. Zij
worden als het ware, opgesloten, niet om haar van haar rechten
te berooven, maar om die rechten te beschermen. In het latere,
meer stabiele stadium van de beschaving, als de vrouwen niet
meer blootgesteld zijn aan dezelfde gevaren, wordt dit motief
vergeten en de bewaking van de vrouwen en haar rechten schijnt,
en is ook inderdaad geworden, een druk, eerder dan een voordeel.
Van den staat van de vrouwen in Rome in de vroegste tijden, weten we
weinig of niets; het patriarchale systeem stond reeds op stevigen
grondslag, toen de Romeinsche geschiedenis vaste vormen begon te
krijgen en het sloot gewoonlijk buitengewoon strenge ondergeschiktheid
van de vrouw aan haar vader eerst en dan aan haar echtgenoot in
zich. Maar niets is zekerder, dan dat de positie van de vrouwen in
Rome beter werd, met het vooruitgaan van de beschaving, precies op
dezelfde wijze als in Babylonië en Egypte. In Rome echter waren het
de aangroeiende verfijning van de beschaving en de uitbreiding van
het Rijk, verbonden met de prachtige ontwikkeling van het systeem van
de Romeinsche wet, die de positie van de vrouwen bepaalden. In de
laatste dagen van de Republiek begonnen de vrouwen reeds hetzelfde
niveau te bereiken van de mannen, en later aanvaardden de groote
rechtsbesluiten van Antonius, geleid door hun theorie van de wet der
natuur, de opvatting van de gelijkheid der seksen als een principe van
het wetboek der rechtvaardigheid. De ondergeschiktheid van de vrouw
aan haar vader kwam geheel in discrediet, en dit ging door totdat,
in de dagen van Justinianus, onder den invloed van het Christendom,
de positie der vrouwen minder goed begon te worden [281]. In de beste
dagen maakten de oudere vormen van het Romeinsche huwelijk plaats
voor een vorm (blijkbaar oud, maar tot dusverre niet beschouwd als
eervol) die in de wet neerkwam op een tijdelijk toevertrouwen van de
vrouw door haar familie aan den man. Zij was onafhankelijk van haar
echtgenoot (meer speciaal daar ze tot hem kwam met haar bruidsschat)
en alleen in naam afhankelijk van haar familie. Het huwelijk was een
persoonlijk contract, desgewenscht vergezeld van een godsdienstige
ceremonie, en daar het een contract was, kon het, om iedere reden
ontbonden worden, in tegenwoordigheid van bevoegde getuigen en met
gepaste wettelijke vormen, nadat het oordeel ingewonnen was van den
familieraad. Toestemming was het hoofdpunt van zulk een huwelijk en
daarom werd er geen schande gehecht aan de ontbinding ervan. Het had
ook geen slechten invloed op het geluk of de zede van de Romeinsche
vrouwen [282]. Zulk een systeem is ongetwijfeld meer in harmonie met
het moderne beschaafde gevoel dan eenig systeem, dat ooit tijdens
het Christendom bestaan heeft.
Ook in Rome was het wel duidelijk, dat dit systeem niet slechts een
uitvinding der wet was, maar het natuurlijke gevolg van een verlicht
gevoel, dat gunstig was aan de gelijkheid van mannen en vrouwen,
dikwijls zelfs op het gebied van de sexueele moraal. Plautus,
die den ouden slaaf Syra laat vragen, waarom er in dit opzicht
[283] niet dezelfde wet is voor den man en de vrouw, was maar een
voorganger van den wetgever Ulpianus, die schreef: "Het schijnt
wel zeer onbillijk, dat een man kuischheid van zijn vrouw eischt,
terwijl hij er zelf geen voorbeeld van geeft" [284]. Zulke eischen
liggen dieper dan maatschappelijke wetgeving, maar het feit, dat deze
vragen zich voordeden aan de typische Romeinsche mannen geeft blijk
van de algemeene houding jegens de vrouwen. In het laatste stadium
van de Romeinsche maatschappij slonk de band van het patriarchale
systeem voor zoover de vrouwen aanging tot een enkelen draad,
die haar bond aan haar vader en haar volkomen vrij liet tegenover
haar echtgenoot. "De Romeinsche matrone van het Keizerrijk", zegt
Hobhouse, "was meer volkomen haar eigen meesteres dan de getrouwde
vrouw van welke vroegere beschaving ook, mogelijk met uitzondering
van een zekere periode in de Egyptische geschiedenis, en, moet er
aan toegevoegd worden, dan de vrouw van welke latere beschaving ook,
tot op onze eigene generatie toe" [285].
Op grond van de gezegden van twee satyrische schrijvers,
Juvenalis en Tacitus, hebben vele menschen verondersteld, dat
de Romeinsche vrouwen van den lateren tijd overgegeven waren
aan losbandigheid. Het is echter vruchteloos bij satirici te
zoeken naar eenig juist beeld van een groote beschaving. Hobhouse
(loc. cit., p. 216) komt tot het besluit, dat de Romeinsche vrouwen
over het geheel waardig de plaats innamen als gezellinnen van
haar mannen, hun raadgeefsters en vriendinnen, de plaats, die ze
ook ingenomen hadden toen een streng systeem haar wettelijk in
hun macht stelde. De meeste autoriteiten schijnen tegenwoordig
van deze opinie te zijn, hoewel Friedländer zich vroeger meer
twijfelachtig uitdrukte. Zoo zegt Dill in zijn oordeelkundig
Roman Society (p. 163), dat de positie van de Romeinsche vrouw,
zoowel wettelijk als feitelijk, onder het Keizerrijk beter werd;
zonder dat ze minder deugdzaam of minder geëerbiedigd werd, werd ze
ontwikkelder en meer aantrekkelijk; met minder beperkingen had zij
grootere bekoringen en grooteren invloed, zelfs in publieke zaken,
en was ze meer en meer de gelijke van haar echtgenoot. "In de
laatste eeuw van het Westersch Keizerrijk kwam er geen afwijking
in de positie en den invloed van de vrouwen". Ook Donaldson
schrijft in zijn merkwaardige schets, Woman (p. 113), dat er
geen achteruitgang in zeden was in het Romeinsche Keizerrijk;
"de losbandigheid van het heidensche Rome is niets vergeleken bij
de losbandigheid van Christelijk Afrika, Rome en Gallië, als we
eenig geloof kunnen hechten aan de beschrijving van Salvianus". De
beschrijving van Salvianus van het Christendom is waarschijnlijk
overdreven en eenzijdig, maar precies hetzelfde kan gezegd worden
in zelfs nog hoogere mate van de beschrijvingen van het oude Rome,
die nagelaten zijn door knappe heidensche satirici en ascetische
Christelijke predikers.
Het wordt dus noodig aanmerkelijk meer dan twee duizend jaar
over te springen, vóor we komen aan een stadium van beschaving,
dat eenigermate de hoogte nadert van het laatste stadium van de
Romeinsche maatschappij. In de achttiende en de negentiende eeuw
vinden we, het eerst in Frankrijk, dan in Engeland, nog eens een
moreele en wettelijke beweging, die streeft naar de gelijkmaking
van vrouwen met mannen. Wij vinden ook een lange serie pioniers van
die beweging, die aan de ontwikkeling ervan voorafgaan: Mary Astor,
"Sophia, a Lady of Quality", Ségur, Mrs. Wheeler, en niet te vergeten
Mary Wollstonecraft in A Vindication of the Rights of Woman, en John
Stuart Mill in The Subjection of Women [286].
De groote Europeesche stroom van invloeden in deze zaak heeft,
sedert historische tijden, daar kunnen we nauwelijks aan twijfelen
als we het samenstel der verschijnselen ervan in aanmerking nemen, het
onderhouden van een ongelijkheid ten nadeele van de vrouwen met zich
gebracht. De mooie nalatenschap van de Romeinsche Wet aan Europa was
wel gunstig voor de vrouwen, maar die nalatenschap raakte verspreid
en voor het grootste deel verloren in den overheerschenden invloed
van de Germaansche gewoonte te zamen met de krachtig georganiseerde
Christelijke kerk. Niettegenstaande niet alle feiten in dezelfde
richting wijzen, en er dientengevolge eenig verschil van meening
is, schijnt het toch wel te zijn, dat over het geheel zoowel de
Germaansche gewoonte als de Christelijke godsdienst niet gunstig waren
voor de gelijkheid van vrouwen met mannen. De Germaansche gewoonte
in deze zaak werd bepaald door twee beslissende factoren: (1) het
bestaan van het koophuwelijk, dat, zooals Crawly heeft aangetoond,
geenszins noodzakelijk de verlaging van de vrouwen in zich sluit,
heeft zeker neiging haar in een inferieure positie te plaatsen, en (2)
bezig zijn met oorlog, wat altijd samen is gegaan met een depreciatie
van vreedzame en vrouwelijke bezigheden en onverschilligheid voor de
liefde. Het Christendom was bij zijn oorsprong gunstig voor de vrouwen,
omdat het de meest essentieel vrouwelijke gemoedsbewegingen vrijmaakte
en verheerlijkte, maar toen het een vastgestelde en georganiseerde
godsdienst werd met bepaald ascetische idealen, werd de geheele
stemming voor de vrouwen ongunstig. Het had ze van den beginne
uitgesloten van iedere priesterlijke functie. Het beschouwde ze nu als
de speciale vertegenwoordigsters van het verachte sekse-element in het
leven [287]. De excentrieke Tertullianus had eens verklaard, dat de
vrouw was janua Diaboli; bijna zeven honderd jaar later schreef zelfs
de zachtzinnige en philosophische Anselm: Femina fax est Satanae [288].
Zoo was bij de Franken, waar de gewoonte van het monogame
huwelijk overheerschte, een vrouw nooit vrij; zij kon niet koopen
of verkoopen of erven zonder de permissie van hen, aan wie ze
toebehoorde. Zij ging door schenking over in het bezit van haar
echtgenoot, en als hij den huwelijksdag vaststelde, gaf hij haar
ouders kleine geldstukjes als arrha, en op den dag na het huwelijk
kreeg zij van hem een geschenk, de morgengabe. Een weduwe behoorde
weer aan haar ouders (Bedollière, Histoire de Moeurs des Français,
deel I, p. 180). Het is waar, dat de Salische wet een geldelijke
boete eischte voor het aanraken van een vrouw, zelfs voor het
drukken van haar vinger, maar het is duidelijk, dat de overtreding,
die zoo begaan werd een overtreding was jegens den eigendom, en in
het geheel niet jegens de heiligheid van de persoonlijkheid eener
vrouw. De Duitsche echtgenoot van den ouden tijd kon zijn kinderen
verkoopen, en soms zijn vrouw, zelfs als slaven. In de elfde
eeuw hoort men nog van gevallen van het verkoopen van kinderen
en vrouwen, hoewel het niet langer door de wet erkend wordt.
De tradities van het Christendom waren gunstiger voor de sexueele
gelijkheid dan de Germaansche zeden, maar toen ze met deze vermengd
raakten, voegden zij er hun eigen speciale bijdrage bij van de
onreinheid der vrouw. Deze geestelijke minderwaardigheid van de
vrouw bleek duidelijk uit de beperkingen, die soms der vrouwen
opgelegd werden in de kerk, en zelfs in het recht om een kerk
binnen te treden; op sommige plaatsen werden zij gedwongen in
de narthex te blijven, zelfs in kerken die niet bij kloosters
behoorden (zie voor deze regels Smith en Cheetham, Dictionary of
Christian Antiquities, art. "Sexes, Separation of").
Door de poging om het begrip man van sexualiteit te ontdoen
en het begrip vrouw met sexualiteit te overladen, verlaagde
het Christendom noodzakelijk de positie van de vrouw en het
begrip vrouwelijkheid. Zooals Donaldson terecht opmerkt, waar
hij hier den nadruk op legt (op. cit., p. 182): "Ik mag een
man wel definieeren als een mannelijk menschelijk wezen en een
vrouw als een vrouwelijk menschelijk wezen... Wat de eerste
Christenen deden, was het schrappen van het "mannelijk" uit de
definitie van man, en het "menschelijke wezen" uit de definitie
van vrouw". De godsdienst schijnt in het algemeen een machtig
deprimeerende invloed geweest te zijn op de positie van de vrouw,
niettegenstaande het beroep dat hij op de vrouw doet. Westermarck
meent (Origin and Development of the Moral Ideas, deel I, p. 669),
dat de godsdienst "waarschijnlijk de krachtigste oorzaak is
geweest van de onderwerping van de vrouw aan de macht van den man".
Er is wel eens gezegd, dat de Christelijke neiging om vrouwen in
een inferieure positie te plaatsen zoover ging, dat een kerkbesluit
formeel ontkende, dat vrouwen zielen hadden. Dit dwaze verhaal
is inderdaad op papegaaienmanier door een groot aantal schrijvers
herhaald. De bron van het verhaal wordt waarschijnlijk gevonden in
het feit, dat door Gregorius van Tours in zijn geschiedenis vermeld
wordt (deel VIII, hoofdst. XX), dat op het concilie van Mâcon,
in 585, een bisschop er over in twijfel was of het woord "mensch"
ook de vrouw in zich sloot, maar hij werd door de andere leden van
het concilie overtuigd, dat het dat wel deed. Dezelfde moeilijkheid
heeft zich in later tijd aan rechtsgeleerden voorgedaan, en ze
is niet altijd zoo gunstig voor de vrouw opgelost als door het
Christelijk concilie van Mâcon.
De geringe waardeering van de vrouwen, die zelfs in de
oudste kerk heerschte, wordt door de Christelijke geleerden
toegegeven. "Wij moeten", schrijft Merrick (art. "Marriage",
Smith and Cheetham, Dictionary of Christian Antiquities),
"zelfs bij de grootsten van de Christelijke kerkvaders een
beklagenswaardige geringschatting van de vrouwen opmerken,
en dientengevolge van de huwelijksverhouding. Zelfs de heilige
Augustinus kan geen rechtvaardiging voor het huwelijk vinden,
behalve in een ernstig, bepaaldelijk aangenomen verlangen om
kinderen te hebben; en in overeenstemming met dit gezichtspunt
wordt alle huwelijksgemeenschap, behalve voor dit uitsluitend doel,
streng veroordeeld. Als het huwelijk gezocht wordt om de kinderen,
dan is het te rechtvaardigen; als het aangegaan wordt als een
remedium om erger kwaad te vermijden, dan is het vergefelijk;
het denkbeeld van het wederkeerige gezelschap, de hulp en het
gemak, dat de een van den ander behoort te hebben, zoowel in
voorspoed als in tegenspoed, bestond ternauwernood en kon ook
ternauwernood bestaan".
Van het standpunt der vrouw komt Lily Braun, in haar belangrijk
werk over de vrouwenkwestie (Die Frauenfrage, 1901, pp. 28 et
seq.) tot het besluit, dat, in zooverre het Christendom der
vrouwen gunstig gestemd was, wij dien gunstigen invloed moeten
zien in het plaatsen van de vrouwen op hetzelfde moreele niveau
als de mannen, zooals geïllustreerd wordt door het gezegde van
Jezus: "Laat hij, die zonder zonden is den eersten steen werpen",
waarmee hij bedoelde, dat iedere sekse verplicht is tot dezelfde
trouw. Het heeft, voegt zij er aan toe, niet meer bereikt dan
dit. "Het Christendom, dat de vrouwen met zooveel enthusiasme
aannamen als een bevrijding en waarvoor ze als martelaren stierven,
heeft haar hoop niet vervuld".
Zelfs wat de moreele gelijkheid van de seksen in het huwelijk
aangaat, was de positie van de Christelijke autoriteiten soms
dubbelzinnig. Een van de grootste Kerkvaders, de heilige Basilius,
maakte in de laatste helft van de vierde eeuw onderscheid tusschen
echtbreuk en ontucht, als ze begaan werden door een getrouwd man;
met een getrouwde vrouw was het echtbreuk; met een ongetrouwde
vrouw was het enkel ontucht. In het eerste geval mocht een vrouw
haar echtgenoot niet weer ontvangen; in het tweede geval wel
(art. "Adultery", Smith en Cheetham, Dictionary of Christian
Antiquities). Zulk een beslissing sloot, door de hoogste waarde te
hechten aan een onderscheid, dat voor de vrouw geen verschil kon
maken, een gebrek aan erkenning van haar moreele persoonlijkheid
in zich. Vele van de Vaders echter, zooals Jeronimus, Augustinus
en Ambrosius, konden niet inzien, waarom de zedelijke wet niet
dezelfde zou zijn voor den man als voor de vrouw, maar daar het
gevoelen van de latere Romeinen zoowel van de wettelijke als van
de populaire zijde reeds dat gezichtspunt naderde, was de invloed
van het Christendom ternauwernood noodig om het te verkrijgen. Het
verkreeg eindelijk formeele sanctie in de Romeinsche canonieke
wet, die besliste, dat echtbreuk gelijkelijk begaan wordt door
beide partijen van het huwelijk in twee graden: (1) simplex,
van de getrouwden met de ongetrouwden, en (2) duplex, van de
getrouwden met de getrouwden.
Er kan echter nauwelijks gezegd worden, dat het Christendom er in
slaagde dit gezichtspunt van de moreele gelijkheid van de seksen
in de praktische actueele moraal opgenomen te krijgen. Het
werd in theorie aangenomen; het werd niet uitgevoerd in de
praktijk. W. G. Summer komt, als hij deze kwestie bespreekt,
tot het besluit (Folkways, blz. 359-361): "Waarom bestaan deze
gezichtspunten niet in de mores? Ongetwijfeld omdat zij dogmatisch
van vorm zijn, uitgedacht of opgelegd door theologische autoriteit
of door philosofische beschouwing. Zij groeien niet uit de
levenservaring en kunnen er niet aan getoetst worden. De redenen
voor die gezichtspunten liggen ten slotte in de physiologische
feiten, waardoor de eene een vrouw is en de andere een man". We
zullen later echter meer over dit punt zeggen.
Het was waarschijnlijk niet zoozeer de kerk als wel de Germaansche
gewoonte en de ontwikkeling van het leenstelsel, met de mannelijke
en militaire idealen, die het kweekte, welke voornamelijk beslissend
waren bij het vastleggen van de inferieure positie van de vrouwen in de
middeleeuwsche wereld. Zelfs de ideeën van ridderlijkheid, waarvan men
dikwijls gemeend heeft dat ze speciaal gunstig waren voor de vrouwen,
schijnen voor haar van geringe praktische beteekenis geweest te zijn.
In zijn groote werk over de ridderschap toont Gautier o.a. aan,
dat de geest van het leenstelsel, evenals de militaire geest
altijd en overal, over het geheel een minachting voor vrouwen
met zich bracht, zelfs als zij ze nu en dan idealiseerde. "Gaat
in uw geschilderde en vergulde kamers", lezen we in Renaus de
Montauban, "zit in de schaduw, maakt het u aangenaam, drinkt,
eet, doet handwerkjes, verft zijde, maar bedenkt, dat gij u niet
met onze zaken bemoeien moet. Onze zaak is het stalen zwaard te
zwaaien. Zwijgt!" En als de vrouw aanhoudt, dan wordt ze in haar
gezicht geslagen tot bloedens toe. De man had een wettig recht
om zijn vrouw te slaan, niet alleen voor echtbreuk, maar ook als
ze hem tegensprak. De vrouwen waren echter niet geheel zonder
macht, en in een verzameling van Coutumes wordt vermeld, dat
een man zijn vrouw alleen maar resnablement, d.i. met verstand,
mocht slaan. (Wat het recht van den man betreft om zijn vrouw
te slaan, zie men ook Hobhouse, Morals in Evolution, deel I,
p. 234. In Engeland werd de man eerst onder de regeering van
Karel II, van wien zooveel moderne bewegingen dateeren, beroofd
van dit wettige recht).
In de oogen van den edelman uit den tijd van het leenstelsel
wedijverde, mogen we er aan toevoegen, de schoonheid van een paard
dikwijls met succes met de schoonheid van een vrouw. In Girbers
de Metz rijden twee edellieden Garin en zijn neef Girbert langs
een raam, waar een mooi meisje zit met het aangezicht van een
roos en het blanke vleesch van een lelie. "Zie, neef Girbert,
zie! Bij de heilige Maria, wat een mooie vrouw!" "O", antwoordt
Girbert, "wat een mooi dier is mijn paard!" "Ik heb nooit zoo
iets moois gezien, als dit jonge meisje met haar frissche kleur
en haar donkere oogen", zegt Garin. "Ik ken geen paard, dat te
vergelijken is met het mijne", antwoordt Girbert. Als de mannen zoo
geabsorbeerd zijn in de dingen, die tot den oorlog behooren, dan
is het niet te verwonderen, dat het aan jonge meisjes overgelaten
is amoureuse avances te maken. "In alle chansons de geste", merkt
Gautier op, "zijn het de jonge meisjes, die de avances maken,
dikwijls geheel zonder terughouding", hoewel, voegt hij er bij,
de vrouwen als deugdzamer voorgesteld worden. (L. Gautier, La
Chevalerie, p. 236-50).
In Engeland schijnt, volgens Pollock en Maitland (History of
English Law, deel II, p. 437), een levenslange onmondigheid van
de vrouwen, zooals bij de Germaansche volken, nooit bestaan te
hebben. "Van den tijd van Willem den Veroveraar af", zegt Hobhouse
(op. cit., deel I, p. 224), "wordt de ongetrouwde Engelsche vrouw,
als ze haar meerderjarigheid bereikt, volkomen toegerust met alle
wettelijke en civiele rechten, evenzeer een persoonlijkheid voor
de wet als de Babylonische vrouw drie duizend jaar geleden geweest
is". Maar de ingewikkelde Engelsche wet gaf aan de ongetrouwde
vrouwen voor deze privileges een tegenwicht door de inconsequente
wijze, waarop ze de getrouwde vrouw wikkelde in eindelooze
omhulsels van onverantwoordelijkheid, behalve als ze de groote
overtreding beging van haar heer en meester te beleedigen. De
Engelsche vrouw, gaat Hobhouse voort (loc. cit.) was, zoo al niet
de slavin van haar echtgenoot, toch ten minste zijn leenplichtig
vazal; als zij hem beleedigde, dan was het "hoogverraad", de
opstand van een onderdaan tegen den koning in een miniatuur
koninkrijk, en een ernstiger misdaad dan moord. Moord kon zij
in zijn tegenwoordigheid niet begaan, want haar persoonlijkheid
was in de zijne opgenomen; hij was verantwoordelijk voor de
meeste van haar misdaden en vergrijpen (het was dit feit, dat
hem het recht gaf haar te kastijden), en hij kon zelfs niet in
een contract met haar treden, want dat zou zijn in een contract
treden met zich zelf. "Het wezen zelf en het wettelijke bestaan
van een vrouw is geschorst tijdens het huwelijk", zeide Blackstone,
"of is tenminste belichaamd en samengevoegd met dat van haar man,
onder wiens bescherming zij alles doet. Zoo'n groote gunsteling",
voegde hij er aan toe, "is de vrouwelijke sekse van de wetten
van Engeland". "De sterkte van de vrouwen was haar zwakte", zegt
Hobhouse, waar hij de beteekenis uitlegt van de Engelsche wet. "Zij
overwon door toe te geven. Haar liefelijkheid moest bewaard worden
voor het tumult van de wereld, haar geur zacht en frisch gehouden,
ver van het stof en den rook van den strijd. Daarom had ze behoefte
aan een kampioen en een bewaker".
In Frankrijk nam de vrouw van de middeleeuwen en van de Renaissance
vrijwel dezelfde positie in in het huis van haar echtgenoot. Hij
was haar heer en meester, het hoofd en de ziel van "het vrouwelijke
en zwakke schepsel", die hem "volkomen liefde en gehoorzaamheid"
verschuldigd was. Zij was zijn voornaamste dienstbode, de oudste
van zijn kinderen, zijn vrouw en onderdaan; zij teekende zich
"uw nederige en gehoorzame dochter en vriendin", als zij aan
hem schreef. De historicus, De Maulde la Clavière, die op dit
punt bewijsmateriaal heeft samengebracht in zijn Femmes de
la Renaissance, merkt op, dat, hoewel de man zoo'n verheven
en superieure positie in het huwelijk bekleedde, hij het toch
gewoonlijk was, en niet de vrouw, die klaagde over de bezwaren
van het huwelijk.
Wet en gewoonte namen aan, dat een vrouw min of meer onder de
bescherming van den man zou staan, en zelfs de idealen van een mooie
vrouwelijkheid, die in deze maatschappij ontstonden, tijdens de feudale
en in latere tijden, waren door dezelfde opvatting getint. Zij sloot
in zich de ongelijkheid van de vrouwen vergeleken bij de mannen, maar
onder de maatschappelijke toestanden van een feudale maatschappij
was zulk een ongelijkheid in het voordeel van de vrouw. Mannelijke
kracht was de voornaamste factor in het leven en het was noodig, dat
iedere vrouw een deel er van aan haar zijde zou hebben. Dit gezonde
en verstandige denkbeeld bleef bestaan, zelfs nadat de groei der
beschaving kracht tot een veel minder beslissenden factor maakte in
het maatschappelijk leven. In het Engeland van den tijd van koningin
Elisabeth moest geen vrouw zonder meester zijn, hoewel de vrouwelijke
onderdanen van koningin Elisabeth in haar souverein een schitterend
voorbeeld hadden van een vrouw, die een mooie en werkdadige rol in
het leven kon spelen en toch volkomen zonder meester bleef. Nog later,
in de achttiende eeuw, spreekt een zoo fijn moralist als Shaftesbury,
in zijn Characteristics van minnaars van getrouwde vrouwen als van
schenders van den eigendom. Als zulke opvattingen nog heerschten
zelfs in de beste geesten, dan is het niet te verwonderen, dat
zij in dezelfde eeuw, en zelfs in de volgende eeuw in de praktijk
doorgevoerd werden door minder welopgevoede menschen, die ongestraft
vrouwen kochten en verkochten.
Schrader wijst er op, in zijn Reallexicon (art. "Brautkauf"), dat
oorspronkelijk de aankoop van een vrouw was de aankoop van haar
persoon, en niet alleen van het recht om haar te beschermen. De
oorspronkelijke opvatting bleef waarschijnlijk in Groot-Brittannië
lang bestaan, omdat dit zoo ver afgelegen was van de centra der
beschaving. In de elfde eeuw wilde Gregorius VII, dat Lafranc
het verkoopen van vrouwen in Schotland en op andere plaatsen in
Engeland zou doen ophouden. (Pike, History of Crime in England,
deel I, p. 99). De gewoonte stierf echter in ver verwijderde
landelijke districten nooit geheel uit.
Zulke zaken zijn er zelfs in Londen gedaan. Zoo lezen wij in het
Annual Register voor 1767 (p. 99): "Ongeveer drie weken geleden
verkocht een metselaarsknecht in Marylebone een vrouw, waarmee
hij verscheidene jaren had samengewoond, aan een mede-arbeider
voor een kwart guinje en een pint bier. De werkman ging heen met
zijn aankoop, en sindsdien heeft zij het fortuintje gehad een
legaat te krijgen van 200 pondsterling, en wat zilver, dat haar
nagelaten werd door een oom, die in Devonshire overleed. Het paar
trouwde verleden Vrijdag."
De geestelijke J. Edward Vaux (Church Folk-lore, tweede uitgave,
p. 146) vertelt twee authentieke gevallen, waarin vrouwen door
haar mannen openlijk op de markt gekocht waren, en dat in de
negentiende eeuw. In het eene geval werd de vrouw, met haar
eigen volkomen toestemming naar de markt gebracht met een touw
om den hals, verkocht voor een halven kroon en naar haar nieuwe
huis gebracht, twaalf mijlen ver door haar nieuwen man, die haar
gekocht had; in het andere geval kocht een herbergier de vrouw
van een anderen man voor twee pinten jenever.
Het is dezelfde opvatting van de vrouw als bezitting, die, zelfs
tegenwoordig nog, oorzaak is geweest, dat in veel wetboeken
paragrafen behouden zijn gebleven, die een man veroordeelen tot
het betalen van een schadevergoeding in geld aan de vrouw, tevoren
een maagd, met wie hij omgang heeft gehad en die hij daarna heeft
verlaten (Natalie Fuchs, "Die Jungferschaft im Recht und Sitte",
Sexual-Probleme Feb., 1908). De vrouw is "onteerd" door sexueelen
omgang; verlaagd in haar marktwaarde, precies evenals een nieuw
kleedingstuk "tweede-hands" wordt, zelfs als het maar ééns is
gedragen. Een man zou het denkbeeld ver van zich werpen, dat zijn
persoonlijke waarde zou kunnen verminderen door een aantal daden
van sexueelen omgang.
Dit feit heeft zelfs sommigen er toe geleid "de afschaffing van
de physieke maagdelijkheid" aan te raden. Zoo raadt de Duitsche
schrijfster van Una Poeninentium (1907), in overweging nemende,
dat de bescherming van de vrouw zeker niet zoo goed verzekerd is
door een stukje slijmvlies als door de aanwezigheid van een trouwe
en zorgvuldige ziel van binnen, aan om meisjes reeds als kind door
een operatie het hymen weg te nemen. Het is ongetwijfeld waar,
dat het onevenredige belang, dat er gehecht wordt aan het hymen,
geleid heeft tot een verkeerde en ongezonde opvatting omtrent de
vrouwelijke "eer", en de vrouwelijke reinheid.
Gewoonte en wet passen zich langzamerhand aan aan de veranderde
maatschappelijke toestanden, die niet langer de onderwerping van de
vrouw eischen, hetzij in haar eigen belang of in het belang van de
gemeenschap. Tegelijk met deze veranderingen is een verschillend ideaal
van vrouwelijke persoonlijkheid bezig zich te ontwikkelen. Evenwel
wordt het oude ideaal van de heerschappij van den man over de vrouw nog
steeds min of meer bewust bekrachtigd onder ons. De man zegt dikwijls
aan de vrouw welke werkzaamheden zij niet doen moet, welke plaatsen
zij niet moet bezoeken, met welke menschen ze niet moet omgaan,
welke boeken ze niet lezen moet. Hij matigt zich het recht aan haar te
controleeren, zelfs in persoonlijke zaken, die geen betrekking op hem
hebben, krachtens het oude mannelijke voorrecht van den sterkste, dat
de vrouw, zooals de oude aartsvaderlijke juristen zeiden, ondergeschikt
maakte aan den man. Het begint echter meer en meer erkend te worden,
dat zulk een rol niet past voor den modernen man. De moderne man is
er niet langer voor toegerust, zooals Rosa Mayer aangetoond heeft in
een verhandeling, die tot nadenken stemt, om de overheerschende rol
te spelen in de verhouding tot zijn vrouw. De "edele wilde", die een
woest leven leidt op berg en in bosch, die gevaarlijke dieren najaagt
en zoo noodig vijanden scalpeert, kan nu en dan zijn spade zacht en met
effect doen neerkomen op het hoofd van zijn vrouw, misschien tot haar
dankbare bevrediging [289]. Maar de moderne man, die meestal zijn dagen
tam aan een lessenaar doorbrengt, die er op gedrild is stilzwijgend
de beleedigingen en vernederingen te verdragen, die superieuren of
patroniseerende klanten hem kunnen aandoen, deze typisch moderne man
kan niet langer met succes de rol van den "edelen wilde" aannemen,
als hij thuiskomt. Hij is werkelijk zoo ten eenenmale ongeschikt voor
die rol, dat zijn vrouw het hem kwalijk neemt, als hij tracht haar
te spelen. Hij begint dit langzamerhand te erkennen, zelfs afgezien
van eenige bewustheid van de algemeene richting van de beschaving. De
moderne verstandige man erkent, dat, als een kwestie van principe,
zijn vrouw recht heeft op gelijkheid met hemzelf; de moderne man van
de wereld voelt, dat het zoowel belachelijk als lastig zou zijn, als
hij zijn vrouw niet ongeveer dezelfde soort van vrijheid toestond,
die hij zelf heeft. En bovendien, terwijl de moderne man tot zekere
hoogte vrouwelijke eigenschappen gekregen heeft, heeft de vrouw in
overeenkomstige mate mannelijke eigenschappen gekregen.
Hoe kort en alleen op de hoofdpunten ingaande deze discussie
noodzakelijkerwijze geweest is, zal ze toch gediend hebben om ons van
aangezicht tot aangezicht te brengen met het grondfeit in de sexueele
moraal, dat de groei van de beschaving in den tegenwoordigen tijd
onvermijdelijk gemaakt heeft: persoonlijke verantwoordelijkheid. "Het
verantwoordelijke menschelijke wezen, man of vrouw, is het centrum
van de moderne zedenleer evenals van de moderne wet"; dat is de
conclusie van Hobhouse in zijn bespreking over de evolutie van
de menschelijke moraal [290]. De beweging, die er is onder ons om
sexueele verhoudingen te bevrijden van een buitensporige gebondenheid
aan vastgestelde en willekeurige regels, zou onmogelijk geweest zijn en
nadeelig, als er niet mee samen was gegaan een groei van den zin voor
persoonlijke verantwoordelijkheid onder de leden van de gemeenschap. Ze
zou geen jaar hebben kunnen bestaan zonder te degenereeren in
losbandigheid en wanorde. Vrijheid in sexueele verhoudingen sluit
in zich wederzijdsch vertrouwen en dat kan alleen maar berusten op
een basis van persoonlijke verantwoordelijkheid. Waar geen vertrouwen
kan zijn op persoonlijke verantwoordelijkheid, daar kan geen vrijheid
zijn. Op de meeste gebieden van moreele werkzaamheid wordt deze zin
voor persoonlijke verantwoordelijkheid verkregen in een tamelijk vroeg
stadium van maatschappelijken vooruitgang. De sexueele moraal is het
laatste gebied van de moraal, dat in de sfeer van de persoonlijke
verantwoordelijkheid kan gebracht worden. De gemeenschap legt de
verschillende samengestelde en kunstmatige wetten van sexueele moraal
op aan haar leden, vooral aan haar vrouwelijke leden, en natuurlijk is
ze altijd zeer wantrouwend aangaande haar vermogen om deze wetten na
te komen, en is zeer zorgvuldig om haar, voor zoover dat mogelijk is,
geen persoonlijke verantwoordelijkheid in de zaak te laten. Maar een
oefening in zelfbedwang, als die doorgevoerd is een lange reeks van
generaties door, is de beste voorbereiding voor de vrijheid. De wet,
die aan de vroegere generaties opgelegd is geweest, is, zooals de
oude theologie de zaak uitlegde, de leerschool geweest om de latere
generaties tot Christus te brengen; of, zooals de nieuwe wetenschap
precies hetzelfde denkbeeld uitdrukt, de latere generaties zijn immuun
geworden en hebben ten slotte een soort van vrijstelling gekregen
tegen de ziektestof, die de vroegere generaties zou hebben vernietigd.
Het proces, waardoor een volk verstand krijgt van persoonlijke
verantwoordelijkheid gaat langzaam, en misschien kan ze niet geheel
voldoende verkregen worden door rassen, die een hoogen graad
van zenuworganisatie missen. Dat geldt vooral van de sexueele
moraal, zooals bij de aanraking van een hoogere met een lagere
beschaving dikwijls gebleken is. Het is telkens weer vooorgekomen,
dat zendelingen--zeer tegen hun eigen wensch--dat behoeven we
niet te zeggen--door het straffe moreele systeem, dat zij vonden,
omver te werpen, en door ervoor in de plaats te stellen de vrijheid
van de Europeesche gewoonten onder volken die geheel onvoorbereid
waren voor zulk een vrijheid, hoogst nadeelig op de zedelijkheid
gewerkt hebben. Dit is het geval geweest onder de vroeger goed
georganiseerde en zeer moreele Baganda van Centraal-Afrika,
zooals vermeld is in een officieel rapport door Kolonel Lambkin
(British Medical Journal, Oct. 3, 1908).
Ook wat Polynesia aangaat, wees R. L. Stevenson er in zijn
belangwekkend boek In the South Seas (hoofdst. V) op, dat, terwijl
vóór het komen van de blanken de Polynesiërs over het geheel
kuisch waren, en de jonge menschen zorgvuldig bewaakt werden,
het nu geheel anders is.
Zelfs in Fiji, waar, volgens Lord Stanmore--die
Generaal-gevolmachtigde van de Zuidzee, en een onafhankelijk
beoordeelaar was--het streven van de zendelingen "wonderbaarlijk
wel geslaagd" geweest is, waar allen ten minste in naam zich
Christenen noemen, waardoor het leven en de volksaard zeer
veranderd zijn, heeft de kuischheid zeer geleden. Dit heeft een
commissie over den toestand van de inboorling-rassen in Fiji
aangetoond. Mr. Titchett, die verslag geeft over deze commissie
(Australasian Review of Reviews, Oct., 1897) merkt op: "Niet
weinige, door de commissie gehoorde getuigen verklaren, dat de
moreele vooruitgang op Fiji als merkwaardig knoeiwerk voor den dag
komt. De afschaffing van de veelwijverij is bij voorbeeld niet in
ieder opzicht gunstig uitgevallen voor de vrouwen. De vrouw heeft
het zware werk te doen op Fiji; en toen het onderhoud van den man
verdeeld was over vier vrouwen was de last op iedere vrouw minder
dan nu, nu hij door één gedragen moet worden. In den heidenschen
tijd werd de kuischheid van de vrouw bewaakt door de knots;
een trouwelooze vrouw, een ongehuwde moeder werden kortweg ter
dood gebracht. Het Christendom heeft het knotsrecht afgeschaft,
en alleen moreele beperking of de vrees voor de straffen van
de wereld hiernamaals nemen voor de begrensde verbeelding van
de bewoners van Fiji niet geheel de plaats ervan in. Zoo is de
standaard van de kuischheid in Fiji bedroevend laag".
We moeten ons altijd herinneren, dat, als het hoog georganiseerde
systeem van gemengde geestelijke en physieke beperkingen
weggenomen is, kuischheid teerder begint te worden en onstabiel
van evenwicht. De controleerende invloed van persoonlijke
verantwoordelijkheid, hoe waardevol en essentieel die ook is,
kan niet voortdurend en onafgebroken de vulcanische krachten
in bedwang houden van den liefdeshartstocht, zelfs in hooge
beschavingen. "Geen volmaaktheid van moreelen aanleg bij een
vrouw," heeft Hinton terecht gezegd, "geen kracht van wil,
geen wensch en besluit om "goed" te zijn, geen macht van den
godsdienst of contrôle van de gewoonten, kan verzekeren wat genoemd
wordt de deugd van de vrouw. Het gevoel van volkomen toewijding,
waarmede de een of andere man haar kan vervullen, zal ze allemaal
wegvagen. Waar de maatschappij zich op die basis wil oprichten,
kiest ze onvermijdelijk wanorde, en zoo lang ze voortgaat die te
kiezen, zal ze steeds hetzelfde resultaat hebben".
Wij moeten nog verder ingaan op deze persoonlijke verantwoordelijkheid
in zaken van sexueele moraal, in den vorm waarin ze zich onder ons doet
gevoelen, en onderzoek doen naar alles wat er onder begrepen is. Het
belangrijkste punt is ongetwijfeld economische onafhankelijkheid. Die
is werkelijk van zooveel belang, dat men nauwelijks kan zeggen,
dat er moreele verantwoordelijkheid bestaat in den besten zin van
het woord, waar de economische onafhankelijkheid ontbreekt. Moreele
verantwoordelijkheid en economische onafhankelijkheid zijn werkelijk
identiek; zij zijn maar twee kanten van hetzelfde maatschappelijke
feit. De verantwoordelijke persoon is de persoon, die voor zijn daden
kan instaan en, als het noodig is, ervoor kan betalen. De economisch
afhankelijke mensch kan een crimineele verantwoordelijkheid op zich
nemen; hij kan met een leege portemonnaie in de gevangenis gaan of in
den dood. Maar in de gewone sfeer van alledaagsche moraal wordt die
groote straf niet van hem gevergd; als hij ingaat tegen de wenschen
van zijn familie of zijn vrienden of van zijn gemeente, dan kunnen
ze hem den rug toekeeren, maar ze kunnen gewoonlijk niet de uiterste
straffen van de wet tegen hem eischen. Hij kan zijn eigen persoonlijke
verantwoordelijkheid uitoefenen, hij kan vrij zijn eigen weg kiezen
en zich daar op handhaven voor de oogen van zijn medemenschen, op
voorwaarde, dat hij in staat is er voor te betalen. Zijn persoonlijke
verantwoordelijkheid heeft weinig of geen beteekenis, indien ze niet
tevens economische onafhankelijkheid is.
Naarmate de beschaafde maatschappijen tot rijpheid komen,
beginnen de vrouwen een steeds grootere mate zoowel van moreele
verantwoordelijkheid als van economische onafhankelijkheid te
krijgen. Iedere nieuwe vrijheid der vrouwen en iedere schijnbare
gelijkheid van mannen en vrouwen, zelfs als ze inderdaad den
schijn aanneemt van meerderheid is onwerkelijk, indien ze niet op
economische onafhankelijkheid gebaseerd is. Ze wordt dan alleen
maar geduld; het is de vrijheid, die aan een kind gegeven wordt,
omdat het er zoo lief om vraagt of omdat het misschien schreeuwen
zal, als men ze hem weigert. Dit is slechts parasitisme [291]. De
basis van economische afhankelijkheid verzekert een meer werkelijke
vrijheid. Zelfs in maatschappijen, die door wet en gewoonte de vrouwen
in strikte onderworpenheid houden, geniet de vrouw, die toevallig in
het bezit is van eigendom een hooge mate van onafhankelijkheid zoowel
als van verantwoordelijkheid [292]. De groei van een hooge beschaving
schijnt inderdaad zoo nauw verbonden te zijn met economische vrijheid
en onafhankelijkheid van de vrouwen, dat het moeilijk te zeggen is
wat oorzaak is en wat gevolg. Herodotus merkte in zijn mooi verslag
over Egypte, een land dat hij beschouwde als meer bewonderenswaardig
dan alle andere landen, met verbazing op, dat de vrouwen de mannen
thuis lieten om het weefgetouw te behandelen en dat ze zelf naar de
markt gingen om zaken te doen of om handel te drijven [293]. Het is
de economische factor in het maatschappelijk leven, die de moreele
verantwoordelijkheid van de vrouwen verzekert en die voornamelijk de
positie bepaalt van de vrouw tegenover haar man [294].
In dit opzicht keert de beschaving in haar laatste stadium terug
tot hetzelfde punt, dat ze innam bij het begin, toen, zooals reeds
opgemerkt is, wij grootere gelijkheid met de mannen vonden en tevens
grootere economische onafhankelijkheid [295].
In al de toonaangevende moderne beschaafde landen, hebben, in de
laatste eeuw, gewoonte en wet samengewerkt om een steeds grootere
economische onafhankelijkheid aan de vrouwen te verzekeren. In
sommige opzichten heeft Engeland de leiding gehad daardoor,
dat het het eerst het kapitalistisch systeem gevormd heeft en de
vrouwen langzamerhand heeft ingelijfd in de scharen der arbeiders
[296], waardoor de verandering in de wet onvermijdelijk werd, die,
in 1882, aan een getrouwde vrouw het bezit verzekerde van haar eigen
verdienste. Dezelfde beweging met dezelfde gevolgen zien we elders. In
de Vereenigde Staten, evenals in Engeland, bestaat er een groot leger
van vijf millioen vrouwen, dat zich snel uitbreidt, die haar eigen
brood verdienen, en haar positie is in verhouding tot de mannelijke
arbeiders zelfs beter dan in Engeland. In Frankrijk zijn van de vijf
en twintig tot de zeven en twintig percent van de werklieden in de
meeste van de voornaamste industrieën--de vrije beroepen, handel,
landbouw, fabrieksindustrieën--vrouwen, en in sommige van de grootste,
zoo als de huis-industrieën en textiel-industrieën, zijn meer vrouwen
aan het werk dan mannen. In Japan, zegt men, dat drie vijfden van de
fabrieksarbeiders vrouwen zijn, en al de textiel-industrieën zijn in
handen van de vrouwen [297]. Deze beweging is een zichtbare uitdrukking
van de moderne opvatting van persoonlijke rechten, persoonlijke
waarde en persoonlijke verantwoordelijkheid, die, zooals Hobhouse
opmerkt, de vrouwen gedwongen heeft zelf haar leven aan te pakken,
en die tegelijkertijd de oude huwelijkswetten tot een anachronisme
gemaakt heeft en het verouderde idee van vrouwelijke onschuld van de
wereld weggevaagd heeft als niets dan een stuk valsch sentiment [298].
Er kan geen twijfel aan zijn, dat het binnentreden van de vrouwen
in het gebied van den industriearbeid, in wedijver met de mannen
en onder ongeveer dezelfde omstandigheden als zij, ernstige
vragen van een andere soort doet rijzen. Dat de beschaving in het
algemeen neigt naar de economische onafhankelijkheid en de moreele
verantwoordelijkheid van de vrouwen, ligt voor de hand. Maar
het is in het geheel niet absoluut zeker, dat het beste is voor
de vrouwen, en daarom voor de gemeenschap, dat zij al de gewone
beroepen en bezigheden zullen uitoefenen, en dat onder dezelfde
omstandigheden. Niet alleen hebben de omstandigheden van de
beroepen en betrekkingen zich ontwikkeld in overeenstemming
met de speciale geschiktheden van de mannen, maar het feit,
dat het sexueele proces, waardoor het ras zich voortplant, een
onvergelijkelijk grootere hoeveelheid tijd en energie eischt
van de vrouwen dan van de mannen, verhindert de vrouwen in den
regel zich zoo uitsluitend als mannen te wijden aan industrieel
werk. Voor sommige biologen schijnt het inderdaad duidelijk te
zijn, dat de vrouw buiten het huis en de school in het geheel
niet werken moet. "Iedere natie, die zijn vrouwen laat werken
is veroordeeld," zegt Woods Hutchinson (The Gospel According to
Darwin, p. 199). Dit is een uiterste opvatting. Toch beschouwt
ook Hobhouse Hobson, die deze kwestie van den economischen
kant bekijkt, den invloed van de industrie, die de vrouwen uit
haar huis verjaagt, als "een invloed, die strijdig is met de
beschaving". De verwaarloozing van het tehuis, zegt hij, is,
"over het geheel, het ergste nadeel, dat de moderne industrie
toegebracht heeft aan ons leven, en het is moeilijk in te zien
hoe dit goedgemaakt kan worden door een toename van materieele
producten. Het fabrieksleven voor de vrouwen ondermijnt behalve
in uiterst zeldzame gevallen, de moreele en physieke gezondheid
van de familie. De eischen van het fabrieksleven zijn niet overeen
te brengen met de positie van een goede moeder, een goede vrouw,
of een goede huisvrouw. Behalve in geheel uiterste gevallen kan
geen vermeerdering van het loon van de familie opwegen tegen
deze verliezen, waarvan de waarde op een qualitatief hooger
niveau staat". (J. A. Hobson, Evolution of Modern Capitalism,
hoofdst. XII; vergelijk wat in hoofdstuk I van dit werk gezegd
is). Men begint nu te erkennen, dat de eerste pioniers van de
vrouwenbeweging, die werkten om "de onderwerping van de vrouw" te
doen verdwijnen, toch nog beheerscht werden door de oude idealen
van die onderwerping, volgens welke de mannelijke sekse in alle
opzichten de superieure is. Wat goed was voor een man, dachten
ze, moest ook goed zijn voor een vrouw. Dat is de bron geweest
van alles wat de eerste uitingen der "vrouwenbeweging" zoo onvast
maakte, soms ook zoo roerend en dwaas. Men merkte niet, dat, voor
alles, de vrouwen haar rechten moeten laten gelden op haar eigen
vrouwelijkheid als moeders van het ras, en daardoor de eerste
wetgevers op het gebied der sekse, en het groote levensgebied,
dat van haar sekse afhankelijk is. Deze speciale positie van
de vrouw zal waarschijnlijk een aanpassing van de economische
verhoudingen aan haar behoeften noodig maken, hoewel het niet
waarschijnlijk is, dat zulk een aanpassing inbreuk zou maken op
haar onafhankelijkheid en haar verantwoordelijkheid. Wij hebben,
zooals Juliette Adams zegt, de rechten van de mannen gehad, die
de rechten van de vrouw opofferden, gevolgd door de rechten van
de vrouw die het kind opofferden; dat moet gevolgd worden door de
rechten van het kind, die de familie weer in eere herstellen. Het
is reeds noodig geweest dit punt in het eerste hoofdstuk van
dit boek aan te raken en het zal in het laatste hoofdstuk weer
noodig zijn.
De vraag naar de middelen, waardoor de economische zelfstandigheid
van de vrouwen geheel verzekerd zal worden, en naar de rol, die de
gemeenschap tot haar beveiliging zal moeten spelen, met inachtneming
van de bijzondere barings-functiën van de vrouw, is, van het standpunt
dat ons op het oogenblik bezig houdt, bijzaak. Er kan echter geen
twijfel zijn aan de werkelijkheid van de beweging in die richting,
welke twijfel er ook mag zijn aan het aanpassen ten slotte van de
onderdeelen. Op deze plaats behoeven wij alleen maar op sommige van
de algemeene en meer duidelijk zichtbare veranderingen te wijzen,
waarin de groei van de verantwoordelijkheid van de vrouw de sexueele
moraal raakt.
De eerste en meest merkbare wijze, waarop deze zin voor moreele
verantwoordelijkheid werkt, is een aandringen op werkelijkheid in de
verhoudingen tusschen de seksen. De moreele onverantwoordelijkheid
van de vrouw heeft, met haar economische afhankelijkheid te zamen, er
toe geleid, dat zij de sexueele gebeurtenis, die biologisch van het
grootste gewicht is, alleen maar als een vroolijke en alledaagsche
gebeurtenis beschouwt, op zijn hoogst als een gebeurtenis, die
haar een triomf gegeven heeft over haar mededingsters en over den
superieuren man, die, van zijn kant, gewillig zich er toe leent om
voor het oogenblik de rol van overwonneling te spelen. "Gallanterie
voor de dames", wordt ons verteld van den held van de grootste en
meest typische Engelsche roman, "behoorde tot zijn grondbeginselen
van eer, en hij vond, dat hij evenzeer verplicht was een oproep tot
liefde aan te nemen alsof het een oproep was geweest om te vechten";
hij gaat heldhaftig mee naar huis met een dame van hoogen stand, die
hij ontmoet op een maskerade, hoewel hij toen zeer verliefd was op een
meisje, waar hij later mee trouwt [299]. De vrouw, wier macht alleen
in haar bekoorlijkheden ligt, en die vrijheid heeft den last van de
verantwoordelijkheid op de schouders van den man te laden [300], kan
gemakkelijk de rol van verleidster spelen en daardoor onafhankelijkheid
en gezag uitoefenen in de eenige vormen, die voor haar openstaan. De
man van zijn kant, die het denkbeeld van "eer" invoert in een gebied,
waaruit het natuurlijke denkbeeld van verantwoordelijkheid verbannen
is, is bereid, als een dame het hem vraagt, in de arena af te dalen
volgens de oude legende, en haar handschoen terug te halen, zelfs
als hij haar die later verachtelijk in het gezicht gooit. De oude
opvatting van gallanterie, die Tom Jones zoo goed belichaamt, is het
directe gevolg van een systeem, dat de moreele onverantwoordelijkheid
en economische afhankelijkheid van de vrouwen in zich sluit, en is
tegenovergesteld aan de opvattingen van sexueele gelijkheid, die in
vroegere en latere beschaafde stadiën geheerscht hebben, evenzeer
als aan de biologische tradities van een natuurlijken vorm van het
hofmaken in de wereld in het algemeen.
Terwijl ze haar eigen sexueele leven controleeren, en zich duidelijk
voor oogen stellen, dat haar verantwoordelijkheid voor zulk
controleeren niet langer op de schouders geschoven kan worden van
de andere sekse, zullen de vrouwen indirect invloed hebben op het
sexueele leven van de mannen, zooals deze reeds invloed uitoefenen
op dat van de vrouwen. Op welke wijze die invloed in hoofdzaak zal
uitgeoefend worden, is nog niet te voorspellen. Volgens sommigen
zijn, evenals vroeger de mannen hun vrouwen kochten en maagdelijkheid
voor het huwelijk eischten in het zoo gekochte artikel, op dezelfde
wijze tegenwoordig onder de betere klassen de vrouwen in staat
haar mannen te koopen en op haar beurt zijn ze geneigd kuischheid
te eischen [301]. Dat is echter een te simpele wijze van de zaak
te beschouwen. Het is genoeg er op te wijzen, dat de vrouwen niet
aangetrokken worden door maagdelijke onschuld in een man en dat zij
dikwijls goede reden hebben om zulk een onschuld met wantrouwen aan
te zien [302]. Toch mogen we wel gelooven, dat de vrouwen er meer en
meer de voorkeur aan zullen geven een zekere critiek uit te oefenen
op het verleden van haar man. Hoezeer een vrouw ook instinctief
moge wenschen, dat haar man ingewijd zal zijn in de kunst van het
hofmaken, mag zij er toch dikwijls wel aan twijfelen of de beste
inwijding verkregen kan worden bij de gewone prostituée. Prostitutie
is, zooals we gezien hebben, ten slotte evenmin overeen te brengen
met complete sexueele verantwoordelijkheid als het patriarchale
huwelijks-systeem, waarmee ze nauw verbonden is geweest. Ze is een
schikking, die in hoofdzaak bepaald wordt door de behoeften van de
mannen, hoezeer ze ook toevallig aan verschillende behoeften van
de vrouwen tegemoet gekomen is. De mannen hebben het zoo ingesteld,
dat een groep van vrouwen afgezonderd zou worden om uitsluitend hun
sexueele behoeften te dienen, terwijl een andere groep opgevoed
zou worden in ascetisme als candidaten voor het privilege van te
voorzien in de behoeften van hun huishouden en familie. Dat dit in
veel opzichten een uitmuntend systeem geweest is, blijkt wel voldoende
uit het feit, dat het zoo'n langen tijd gebloeid heeft, ondanks de
invloeden, die het tegenwerkten. Maar het is klaarblijkelijk alleen
maar mogelijk gedurende een zeker stadium van de beschaving en in
verband met een bepaalde maatschappelijke organisatie. Het komt niet
volkomen overeen met een democratisch stadium van de beschaving,
dat in zich sluit de economische onafhankelijkheid en de sexueele
verantwoordelijkheid van beide seksen gelijkelijk in alle klassen
van de maatschappij. Het is mogelijk, dat de vrouwen dit feit eerder
beginnen te erkennen dan de mannen.
Het wordt ook door velen geloofd, dat de vrouwen zullen erkennen,
dat een hooge trap van moreele verantwoordelijkheid niet gemakkelijk
overeen te brengen is met de praktijk van het veinzen, en dat
economische afhankelijkheid het bedrog--dat altijd de toevlucht is
van de zwakken--zal berooven van iedere moreele rechtvaardiging, die
het zou kunnen bezitten. Hier is het echter noodig met voorzichtigheid
te spreken, of we zouden onrechtvaardig worden jegens de vrouwen. We
moeten opmerken, dat in de sexueele sfeer de mannen ook dikwijls
de zwakken zijn, en neiging hebben hun toevlucht te nemen tot het
hulpmiddel van de zwakken. Met de erkenning van dat feit moeten
we ook erkennen, dat vele van de dwaze meeningen, die eeuwenlang
geheerscht hebben in den mannelijken geest bij het beschouwen van de
vrouwelijke wijzen van doen, voor een groot deel veroorzaakt zijn door
teleurstellingen in vrouwen. De mannen hebben voortdurend de dubbele
fout begaan, de veinzerij van de vrouwen òf voorbij te zien òf er te
veel waarde aan te hechten. Dit feit heeft er altijd toe bijgedragen om
het onvermijdelijk moeilijk pad van de vrouwen door den kronkelweg van
het sexueele gedrag nog moeilijker te maken. Pepys, die zoo levendig
en zoo open een beeld geeft van de deugden en gebreken van den gewonen
mannelijken geest, vertelt hoe eens, toen hij Mevr. Martin bezocht,
haar zuster Doll heenging om een flesch wijn te halen en verontwaardigd
terugkwam, omdat een Hollander haar in een stal getrokken en met haar
had willen stoeien. Daar Pepys zichzelf dikwijls vrijheden met haar
veroorloofd had, scheen het hem toe, dat haar verontwaardiging op den
Hollander "het beste bewijs was van de onoprechtheid van de vrouw,
dat er ter wereld maar wezen kon" [303]. Hij neemt zonder meer aan,
dat een vrouw, die het voorrecht van familiariteit heeft toegekend aan
een man, dien zij kent en naar we hopen, respecteert, ook bereid zou
moeten zijn om met genoegen de brutale attenties aan te nemen van den
eersten den besten dronken vreemdeling, dien zij op straat tegenkomt.
Het was het aannemen van de onoprechtheid in de vrouwen, dat den
ultra-mannelijken Pepys bracht tot een tamelijk dwaze vergissing. Op
dit punt ontmoeten wij iets, wat aan sommigen een ernstig bezwaar voor
de volle moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen toegeschenen
heeft. Veinzen, zeggen Lombroso en Ferrero, is bij de vrouw "bijna
physiologisch", en zij geven verschillende gronden aan voor deze
uitspraak [304]. De theologen, van hun kant, zijn tot hetzelfde besluit
gekomen. "Een biechtvader moet niet dadelijk de woorden van een vrouw
gelooven", zegt Vader Gury, "want vrouwen hebben gewoonlijk neiging om
te liegen" [305]. Deze neiging, waarvan men gelooft, dat de vrouwen
als sekse haar hebben, hoezeer een groot aantal individueele vrouwen
er vrij van zijn, kunnen we naar waarheid zeggen, dat in groote mate
het resultaat is van de onderworpenheid van de vrouwen en daardoor
waarschijnlijk verdwijnen zal, zoodra de onderworpenheid verdwijnt. In
zoover ze echter "bijna physiologisch" is, en op onvernietigbare
vrouwelijke eigenschappen gebaseerd is, zooals schaamtegevoel,
gevoeligheid en sympathie, die een organische basis hebben in de
vrouwelijke constitutie en daarom nooit geheel kunnen veranderen,
schijnt het wel nauwelijks waarschijnlijk dat de vrouwelijke
veinzerij zal verdwijnen. Het beste, dat men kan verwachten is, dat
ze in toom zal gehouden worden door den ontwikkelden zin van moreele
verantwoordelijkheid, en, na teruggebracht te zijn tot zijn eenvoudige
natuurlijke verhoudingen, als begrijpelijk erkend zal worden.
Het is onnoodig op te merken, dat er geen sprake kan zijn van
eenige aangeboren moreele meerderheid van het eene geslacht
boven het andere. Deze kwestie werd vele jaren geleden uitvoerig
behandeld door een van de meest fijngevoelige moralisten van
het liefdeleven. "Alles te zamen genomen", besloot Senancour (De
l'Amour, deel II, p. 85), "hebben we geen reden om de meerderheid
van de eene sekse boven de andere vast te stellen. Beide seksen,
met hun dwalingen en goede bedoelingen, vervullen gelijkelijk de
doeleinden der natuur. We mogen wel gelooven, dat bij ieder van
de twee afdeelingen van de menschelijke soort de som van goed
en kwaad ten naastenbij gelijk is. Als we bijvoorbeeld, wat de
liefde aangaat, het zichtbaar losbandig gedrag van de mannen
met de schijnbare ingetogenheid van de vrouwen vergelijken, dan
zou het een onjuiste waardeering zijn, want het aantal fouten
begaan door vrouwen met mannen is noodzakelijk hetzelfde als dat
van mannen met vrouwen. Er bestaan onder ons minder nauwgezette
mannen dan volkomen eerlijke vrouwen, maar het is gemakkelijk te
zien hoe de weegschaal in evenwicht komt. Als deze kwestie van
de moreele meerderheid van het eene geslacht boven het andere
niet onoplosbaar was, dan zou ze nog zeer gecompliceerd blijven
met betrekking tot de geheele soort, of zelfs de geheele natie,
en iedere strijd schijnt hier nutteloos".
Deze conclusie is in overeenstemming met de algemeen compenseerende
en aanvullende verhouding van vrouwen met mannen.
Kort geleden, bij een rondvraag over de kwestie of vrouwen moreel
inferieur zijn aan mannen, met een speciale verwijzing naar
geschiktheid voor loyaliteit (La Revue, Jan. 1, 1909), waarbij
verscheidene beroemde Fransche mannen en vrouwen hun meening te
kennen gaven, verklaarden sommigen, dat vrouwen gewoonlijk de
meerderen zijn; anderen beschouwden het eerder als een kwestie
van verschil dan van meerderheid of minderheid; allen waren het
er over eens, dat, als zij dezelfde onafhankelijkheid genieten
als mannen, vrouwen even loyaal zijn als mannen.
Het is ongetwijfeld waar, dat--gedeeltelijk als een resultaat van
oude tradities en opvoeding, gedeeltelijk van echt vrouwelijke
karakter-eigenschappen--vele vrouwen beschroomd zijn wat haar
recht op moreele verantwoordelijkheid aangaat en niet geneigd
ze te aanvaarden. En er is een poging gedaan om haar houding te
rechtvaardigen door te beweren, dat de rol van de vrouw in het leven
van nature die is van zelfopoffering, of, om het gezegde in een meer
technischen vorm te stellen, dat de vrouwen van nature masochistisch
zijn; en dat er, zooals Krafft-Ebing zegt, een natuurlijke "sexueele
onderwerping" is van de vrouw. Het is in het geheel niet duidelijk, dat
het gezegde absoluut waar is, en als het waar was, zou het niet dienen
om de moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen te niet te doen.
Bloch (Beiträge zur Aetiologie der Psychopathia Sexualis, deel
II p. 178), ontkent, in overeenstemming met Eulenburg met klem,
dat er zulk een natuurlijke "sexueele onderwerping" van de vrouwen
bestaat, en beschouwt die als kunstmatig in het leven geroepen,
het resultaat van de maatschappelijk inferieure positie van
de vrouwen, en beweert, dat zulke onderwerping in veel hoogere
mate een physiologische eigenaardigheid is van mannen dan van
vrouwen. Het schijnt duidelijk, dat de opvatting, dat vrouwen
vooral geneigd zijn tot zelfopoffering, weinig biologische waarde
heeft. Zelfopoffering, die afgedwongen wordt, hetzij door physieken
of moreelen dwang, is den naam zelfopoffering niet waard; als ze
met bedoeling geschiedt, is ze eenvoudig het opofferen van een
minder goed om een grooter goed te verkrijgen. Zoo zou men van een
man, die een goed diner verorbert, kunnen zeggen, dat hij zijn
honger "opoffert". Zelfs binnen de sfeer van de traditioneele
moraal heeft de vrouw, die haar "eer" opoffert ter wille van
haar liefde voor een man, door haar opoffering iets verkregen,
dat zij meer op prijs stelt. "Wat een triomf is het voor een
vrouw", heeft een vrouw gezegd, "vreugde te geven aan den man,
dien zij lief heeft!" En in een moraal, gegrond op een gezonde
basis, wordt hier geen "opoffering" geëischt. Eerder kan er gezegd
worden, dat de biologische wetten van het aanzoek in hun grond meer
zelfopoffering eischen van den man dan van de vrouw. Zoo geeft,
volgens Gérard den leeuwenjager, de leeuwin zich aan den sterksten
van haar leeuw-minnaars; zij moedigt ze aan om onder elkaar te
strijden om den voorrang, terwijl zij op haar buik ligt om naar
het gevecht te kijken en van plezier met haar staart kwispelt,
ieder vrouwelijk wezen wordt door vele mannelijke wezens het
hof gemaakt, maar zij neemt er maar éen aan; het is niet van
het vrouwtje, dat erotische zelfopoffering geëischt wordt, maar
van het mannetje. Dat is werkelijk een deel van de goddelijke
compensatie van de natuur, want daar het grootste deel van den
last der sekse op de vrouw rust, is het gepast, dat zij minder
geroepen wordt tot afstand doen.
Zoo schijnt het wel waarschijnlijk, dat de toename van de moreele
verantwoordelijkheid er toe leiden zal het gedrag van een vrouw
begrijpelijker te maken voor anderen [306]; het zal er in ieder
geval toe leiden, dat anderen er zich minder mee bemoeien. Dit
geldt zeer bijzonder voor de verhoudingen van de seksen. Vroeger
waren het de mannen, die zich in vele vormen van deugd moesten
oefenen; terwijl maar éen deugd voor de vrouwen openstond. Dat is
niet langer mogelijk. Als we de vrouw belasten met de voornaamste
verantwoordelijkheid voor haar eigen sexueel gedrag, dan berooven
we daarmee dat gedrag van zijn duidelijk openlijk karakter als
een deugd of als een ondeugd. Sexueele vereeniging is zoowel voor
de vrouw als voor den man een physiologisch feit; het kan ook een
geestelijk feit zijn; maar het is geen maatschappelijk feit. Het is
integendeel een daad, die, meer dan alle andere daden, terugtrekking
en heimelijkheid voor hare voltrekking noodig heeft. Dat is inderdaad
een algemeen menschelijk, bijna zoölogisch feit. Bovendien wordt
deze eisch van heimelijkheid meer speciaal gedaan door de vrouw,
ten gevolge van haar grootere ingetogenheid, die, zooals we reden
hebben om te gelooven, een biologische basis heeft. Niet voordat een
kind geboren is of ontvangen, heeft de gemeenschap eenig recht zich te
interesseeren voor de sexueele daden van haar leden. De sexueele daad
gaat de gemeenschap niet meer aan, dan eenige andere persoonlijke
physiologische daad. Het is onbeschaamd, zoo niet ergerlijk, hier
navraag te doen. Maar de geboorte van een kind is een maatschappelijke
gebeurtenis. Niet wat den schoot ingaat, maar wat die schoot baart, is
van belang voor de maatschappij. De maatschappij wordt uitgenoodigd
een nieuwen burger te ontvangen. Ze heeft recht te eischen, dat
die burger een plaats in haar midden waardig zal zijn, en dat hij
behoorlijk zal worden geïntroduceerd door een verantwoordelijken
vader en een verantwoordelijke moeder. De sexueele moraal draait,
zooals Ellen Key gezegd heeft, heelemaal om het kind.
Bij dit laatste punt van onze bespreking over de sexueele moraal
zullen we misschien de enorme verandering kunnen opmerken, die de
ontwikkeling bij de vrouwen van de moreele verantwoordelijkheid in
zich sluit. Zoolang alle verantwoordelijkheid aan de vrouwen ontzegd
werd, zoolang een vader of een man, gesteund door de gemeenschap,
zich verantwoordelijk stelde voor het sexueele gedrag van de vrouw,
voor haar "deugd", was het noodig, dat de geheele sexueele moraal zou
draaien om den ingang van de vagina. Het werd absoluut het hoofdpunt
voor het behoud van de moraal, dat alle oogen van de gemeenschap steeds
zouden gericht zijn op dat punt, en ook de geheele huwelijkswet moest
er op gericht zijn. Dat is niet langer mogelijk. Als een vrouw haar
eigen moreele verantwoordelijkheid op zich neemt, in sexueele evenals
in andere zaken, dan wordt het niet alleen ondragelijk, maar ook zonder
beteekenis voor de gemeenschap, in haar meest intieme physiologische
of geestelijke daden te speuren. Zij is zelf direct verantwoordelijk
aan de maatschappij, zoodra zij een maatschappelijke daad doet,
en niet vóor dien tijd.
Vooral met betrekking tot het moederschap is de verwerkelijking van
alles, wat in de nieuwe moreele verantwoordelijkheid van de vrouwen
besloten is, van beteekenis. Onder een systeem van moraal, waarbij
een man vrijgelaten wordt de verantwoordelijkheid op zich te nemen
voor zijn sexueele daden, terwijl een vrouw niet even vrij is om dat
ook te doen, wordt een premie gesteld op sexueele daden, die niet
uitloopen op voortplanting, en wordt er een straf gesteld op de daden,
die tot de voortplanting leiden. De reden is, dat bij de eerste klasse
van daden de mannen voornamelijk bevrediging vinden; en dat in de
andere klassen de vrouwen voornamelijk bevrediging vinden. Want het
tragische in de oude sexueele moraal was, dat, terwijl ze alleen de
mannen verantwoordelijk stelde voor sexueele daden, waarin de man
en de vrouw beiden deel namen, de vrouwen zoowel maatschappelijk
als wettelijk in de onmogelijkheid gesteld werden zich het feit van
de mannelijke verantwoordelijkheid ten nutte te maken, tenzij ze de
voorwaarden vervuld hadden, die de mannen voor haar gemaakt hadden,
en die ze zichzelf toch niet oplegden. De daad van sexueelen omgang,
die de daad was, waarin de mannen het meeste genoegen vonden, was
onder alle omstandigheden een daad van gering maatschappelijk belang;
de daad van het ter wereld brengen van een kind, die voor de vrouwen
de meest werkelijk bevredigende van alle sexueele daden is, werd als
een misdaad beschouwd, tenzij de vrouw van tevoren de voorwaarden
vervuld had, die door den man geëischt werden. Dat was misschien het
ongelukkigste en zeker het onnatuurlijkste van de resultaten van de
patriarchale regeling van de maatschappij. Ze heeft nooit bestaan
in een of anderen grooten Staat, waar de vrouwen wetgevende macht
bezeten hebben.
Natuurlijk is er door abstracte theoretici gezegd, dat de
vrouwen de zaken zelf in de hand hebben. Zij moeten nooit van
een man houden, eer zij hem veilig in de wettige banden van het
huwelijk vast hebben. Zulk een argument dient nergens toe, want
het neemt geen nota van het feit, dat, terwijl liefde en zelfs
monogamie natuurlijk zijn, het wettige huwelijk alleen maar een
uiterlijke vorm is, met een zeer zwakke macht om de natuurlijke
impulsen ten onder te brengen, behalve wanneer deze impulsen zwak
zijn, en in het geheel geen macht om ze duurzaam ten onder te
brengen. Beschaving sluit in zich den groei van het vooruitzien,
en van zelfbeheersching in beide seksen; maar het is dwaas deze
fijnste en laatste uitloopers van de beschaving bloot te stellen
aan een druk, waartegen ze nooit bestand zouden kunnen zijn. Hoe
dwaas het is, is kort en bondig, aangetoond door Lea in zijn
bewonderenswaardige History of Sacerdotal Celibacy.
Vergelijken wij verder de geschiktheid van de beide geslachten op
dit bijzondere gebied met elkaar, dan moeten wij er aan denken,
dat mannen meer kracht van vooruitzien en zelfbeheersching
bezitten, niettegenstaande de bescheidenheid en terughouding van
de vrouwen. De sexueele sfeer is oneindig veel uitgebreider bij
de vrouwen, zoodat, als de werkzaamheid eenmaal opgewekt is, het
veel moeilijker is ze meester te worden of te beheerschen. Het
is derhalve oneerlijk jegens de vrouwen, en het begunstigt in
ongepaste mate de mannen, als een te hooge prijs wordt gesteld op
vooruitzien en zelfbeheersching in sexueele zaken. Daar de vrouwen
de overheerschende rol spelen in deze zaak der sexueele sfeer,
moeten haar natuurlijke behoeften, eer dan die van de mannen,
den standaard aangeven.
Met het erkennen van de moreele verantwoordelijkheid van de
vrouwen vinden de natuurlijke levensverhoudingen weer hun juiste
oriënteering. Het moederschap wordt in zijn oude heiligheid
hersteld. Het wordt de zaak van de vrouw zelf, en niet van
de maatschappij of van eenig individu, om de voorwaarden
te bepalen, waaronder het kind zal ontvangen worden. De
maatschappij heeft het recht te eischen, dat de vader in ieder
geval het feit van het vaderschap zal erkennen, maar ze moet de
voornaamste verantwoordelijkheid voor al de omstandigheden van de
kindervoortbrenging overlaten aan de moeder. Dat is het gezichtspunt,
dat nu grond wint in alle beschaafde landen, zoowel in theorie als
in de praktijk [307].