Prostitutie in verband met ons huwelijkssysteem.--Huwelijk en
moraal.--De definitie van het begrip "moraal".--Theoretische
moraal.--Hare verdeeling in traditioneele en ideëele
moraal.--Praktische moraal.--Praktische moraal gegrond op
gewoonte.--Het eenige onderwerp van de wetenschappelijke
zedeleer.--De reactie tusschen theoretische en praktische
moraal.--Sexueele moraal in het verleden als toepassing van
economische moraal.--De vereeniging van starheid en laksheid
in deze moraal.--Het ontstaan van een bijzondere sexueele
moraal en de ontwikkeling van moreele idealen.--Uitingen van
de sexueele moraal.--Gebrek aan eerbied voor de vormen van het
huwelijk.--Proef-huwelijk.--Het huwelijk nà de conceptie van een
kind.--Verschijnselen in Duitschland, de Angelsaksische landen,
Rusland, enz.--De positie der vrouw.--De historische neiging,
die de gelijkheid van vrouwen met mannen begunstigt.--De theorie
van het matriarchaat.--De moederfamilie.--Vrouwen in Babylonië,
Egypte, Rome.--De achttiende en de negentiende eeuw.--De
historische neigingen, die de moreele onbevoegdheid der vrouw
begunstigen.--De tweestrijd door het Christendom verwekt.--Invloed
van de Germaansche gewoonte en van het leenstelsel.--De
ridderschap.--De vrouw in Engeland.--De vrouwenhandel.--Het
afnemen van de onderworpenheid der vrouw.--Ongeschiktheid van
den modernen man om te heerschen.--Het toenemen van de moreele
verantwoordelijkheid bij vrouwen.--De daarmee samengaande
ontwikkeling van economische onafhankelijkheid.--Het toenemen
van het aantal werkende vrouwen.--Het binnendringen van de vrouw
in de moderne industrie.--In hoeverre dit maatschappelijk te
rechtvaardigen is.--De sexueele verantwoordelijkheid der vrouw
en de gevolgen ervan.--De beweerde moreele inferioriteit van
vrouwen.--De "zelfopoffering" van vrouwen.--De maatschappij heeft
geen belang bij sexueele verhoudingen.--De voortplanting is het
eenige sexueele belang van den staat.--De zeer hooge beteekenis
van het moederschap.
Het is noodig geweest de verschijnselen van de prostitutie zeer
uitgebreid te behandelen, omdat, hoe wij onszelf ook persoonlijk
daarvan verwijderd willen houden, zij ons in werkelijkheid tot de kern
van de sexueele kwestie voeren, in zooverre ze een maatschappelijk
probleem vormen. Als we de prostitutie oppervlakkig beschouwen als
een objectief verschijnsel, als een kwestie van maatschappelijke
krachten, dan zien we, dat ze niet alleen een toevallig en weg
te nemen uitvloeisel van ons tegenwoordig huwelijkssysteem is,
maar een samenstellend deel ervan, zoodat dit, als ze er niet
was, uiteen zou vallen. Dit zal waarschijnlijk duidelijk zijn aan
allen, die de voorafgaande uiteenzetting van de verschijnselen
van de prostitutie hebben gevolgd. Er is echter meer te zeggen dan
dit. Niet alleen is de prostitutie tegenwoordig, zooals ze meer dan
twee duizend jaar geweest is, het bolwerk van ons huwelijkssysteem,
maar als we het huwelijk beschouwen niet van den buitenkant als een
vormelijke instelling, maar van den binnenkant, door te letten op
de beweegredenen die tot een huwelijk voeren, dan vinden we, dat
het in een groot aantal gevallen zelf in zekere opzichten een vorm
van prostitutie is. Hierop is reeds zoo dikwijls de nadruk gelegd en
van zoovele zeer verschillende standpunten, dat het wel nauwelijks
noodzakelijk kan schijnen hier dieper op dit punt in te gaan. Maar
deze kwestie is van het grootste belang voor de sexueele moraal. Onze
maatschappelijke toestanden zijn niet gunstig aan de ontwikkeling van
een hoog moreel gevoel in de vrouw. Het verschil tusschen de vrouw,
die zich verkoopt in prostitutie en de vrouw, die zich verkoopt in
het huwelijk, is volgens het reeds door ons aangehaalde gezegde van
Marro, "alleen een verschil in prijs en in duur van het contract". Of,
zooals Forel het uitdrukt, het huwelijk is "een fatsoenlijker vorm
van prostitutie", dat is te zeggen, een wijze om uit geldelijke
overwegingen sexueele verhoudingen aan te gaan. Het huwelijk is
niet alleen een fatsoenlijker vorm van prostitutie, het is een vorm,
geheiligd door de wet en den godsdienst, en de kwestie der moraal wordt
er buiten gelaten. De moraal mag straffeloos beleedigd worden, als
maar de wet en de godsdienst ingeroepen zijn. Zoo is het essentieele
beginsel der prostitutie onder ons gewettigd en geheiligd. Daarom is
het zoo moeilijk eenige ernstige verontwaardiging te wekken, of eenige
met redenen omkleede bezwaren staande te houden tegen de prostitutie
op zich zelf beschouwd. Het plausibelste argument is dat van hen
[253], die, terwijl ze het huwelijk verlagen tot het niveau van de
prostitutie, zeggen, dat de prostituée een onderkruipster is, die
minder dan de marktprijs, d.i. het huwelijk, aanneemt voor de sexueele
diensten, die zij bewijst. Maar zelfs dit lage standpunt is moeilijk
vast te houden. De prostituée wordt werkelijk zeer goed betaald, als
men in aanmerking neemt hoe weinig zij in ruil geeft; de getrouwde
vrouw wordt werkelijk buitengewoon slecht betaald, in aanmerking
genomen hoeveel zij dikwijls geeft en hoeveel zij noodzakelijk
opgeeft. Terwille van het voordeel van economische afhankelijkheid
van haar echtgenoot, moet zij, zooals Ellen Key opmerkt, de rechten
op haar kinderen opgeven, evenals al haar bezittingen, haar werk, en
haar eigen persoon, zoodat haar minder overblijft dan elke ongetrouwde
vrouw, zelfs, kunnen we er bij voegen, minder dan elke prostituée. De
prostituée toch geeft nooit het recht op haar eigen persoon op zooals
de getrouwde vrouw verplicht is te doen; de prostituée, anders dan de
getrouwde vrouw, behoudt haar vrijheid en haar persoonlijke rechten,
hoewel deze gewoonlijk niet van veel waarde zijn. Het is eerder de
vrouw dan de prostituée, die de onderkruipster is.
Het is in het geheel niet alleen in de laatste jaren, dat ons
huwelijkssysteem voor de rechtbank der moraal geroepen is. Veertig
jaar geleden klaagde James Hinton het met gloeiende woorden aan,
toen hij de immoraliteit en de zelfzuchtige losbandigheid
beschreef, die ons huwelijkssysteem met den mantel van
wettigheid en heiligheid bedekt. "Er is iets ongezonds in onze
huwelijksverhoudingen", schreef Hinton. "Niet alleen zijn ze in
de praktijk vreeselijk, maar zij beantwoorden niet aan gevoelens
en overtuigingen, die veel te veel in ruimen kring verspreid zijn,
om ze buiten beschouwing te kunnen laten. Wie heeft nooit gehoord
van vrouwen van erkende verdiensten, die er in toestemmen de
geliefde te worden van een getrouwd man; van reine en eenvoudige
meisjes, die zeggen, dat zij niet kunnen inzien, waarom zij een
wettig huwelijk zouden moeten sluiten; van vrouwen, die zeggen
dat zij, als zij liefhebben, geen wettigen band zouden willen
hebben; waarom is het noodzakelijk--of wordt het door goede en
wijze mannen noodzakelijk geacht--dat de eene sekse in bittere
en soms noodlottige onwetendheid wordt gelaten? Deze dingen
(en hoevele meer) wijzen op iets, dat diep ongezond is in de
huwelijksverhoudingen. Dit moet onderzocht worden en wel tot den
grond toe".
Al vroeger, in 1847, heeft Gross-Hoffinger, in zijn Die Schicksale
der Frauen und die Prostitution--een merkwaardig boek, waarvan
Bloch met een weinig overdrijving zegt, dat het opzienbarende
beteekenis heeft--met kracht er op gewezen, dat het probleem der
prostitutie in werkelijkheid het probleem is van het huwelijk,
en dat we de prostitutie alleen kunnen hervormen door het huwelijk
te hervormen, dit beschouwd als een dwang-instelling, die berust
op een verouderde economische basis. Gross-Hoffinger was een
voorganger van Ellen Key.
Meer dan anderhalve eeuw geleden heeft een man van een zeer
verschillend type de moraal van zijn tijd scherp geanalyseerd, met
een brutale vrijmoedigheid, die aan zijn tijdgenooten een stuitend
cynische houding toescheen jegens hun heilige instellingen,
zoodat zij gevoelden, dat hun niets overbleef dan zijn boeken
te verbranden. Waar hij in zijn Fable of the Bee (1714, p. 64)
het moderne huwelijk beschreef, met alle wantoestanden, die in dat
huwelijk bekrachtigd zijn, schreef Mandeville: "De fijne mijnheer,
waar ik van sprak, behoefde geen grootere zelfverloochening te
toonen dan de wilde, en deze handelt meer in overeenstemming
met de wetten van natuur en waarheid dan hij. De man, die aan
zijn lust voldoet, op de wijze, die de gewoonte van zijn land
hem toestaat behoeft geen veroordeeling te vreezen. Laat hij
wellustiger zijn dan geiten of stieren, laat hem, zoodra de
ceremonie voorbij is, zich verzadigen en uitputten aan vreugde
en extases van genot, laat hij zijn lust afwisselend aanwakkeren
en verzadigen, zoo overvloedig als zijn kracht en mannelijkheid
het hem willen veroorloven. Hij kan veilig lachen om de wijze
menschen, die hem zouden kunnen veroordeelen: al de vrouwen en
meer dan negen van de tien mannen zijn op zijn hand; ja, hij kan
zich zelfs verhoovaardigen op de kracht van zijn ongebreidelde
hartstochten, en hoe meer hij wentelt in wellust en alles in
zich er op spant om uitgelaten wellustig te zijn, des te eerder
zal hij de welwillendheid ondervinden en de liefde winnen van de
vrouwen, niet van de jonge, ijdele, en wulpsche alleen, maar van
de voorzichtige, ernstige, en verstandigste matrones".
Zoo is de aanklacht, ingebracht tegen ons huwelijkssysteem van
het standpunt van moraal, deze, dat het de sexueele verhouding
ondergeschikt maakt aan overwegingen van geld en van wellust. En
dat is juist het kenmerk van de prostitutie.
Het eenige wettige moreele doel van het huwelijk--of we het beschouwen
uit het ruimere biologische standpunt of uit het oogpunt van de
menschelijke maatschappij--is die van een sexueele keuze, gedaan
overeenkomstig de wetten van de sexueele keuze, en die tot direct doel
heeft een samenleven van volkomen wederkeerige liefde en als indirect
doel de voortplanting van het ras. Als niet de voortplanting deel
uitmaakt van het doel van het huwelijk, dan heeft de maatschappij er
niets hoegenaamd mee te maken en dan heeft ze geen recht haar stem
te laten hooren. Maar als de voortplanting een van de doeleinden
van het huwelijk is, dan is het uit biologische en maatschappelijke
gezichtspunten dringend noodig, dat geen invloeden behalve de juiste
natuurlijke invloed der sexueele keuze bij het vormen der paren zullen
gelden, want indien bij de sexueele keuze tusschenbeide gekomen wordt,
is het waarschijnlijk, dat het nageslacht nadeel zal ondervinden en
de belangen van het ras zullen geschaad worden.
Men moet natuurlijk goed begrijpen, dat het denkbeeld van het
huwelijk als een vorm van sexueele vereeniging, gebaseerd niet
op biologische, maar op economische overwegingen, zeer oud is,
en dat het soms gevonden wordt in maatschappijen, die bijna in
den natuurstaat zijn. Ieder keer echter, dat het huwelijk op een
zuivere basis van bezit, en zonder voldoenden eerbied voor de
sexueele keuze voorgekomen is onder betrekkelijk primitieve en
krachtige volken, is het in hooge mate van zijn slechte gevolgen
ontdaan door de besliste erkenning van zijn enkel economisch
karakter, en door de afwezigheid van iedere poging om, ook maar
in naam, andere sexueele verhoudingen te onderdrukken, die op een
natuurlijker basis berustten en buiten dezen kunstmatigen vorm van
het huwelijk ontstaan waren. Vooral polygamie werkte er toe mede om
vereenigingen op economische basis te verbinden aan vereenigingen
op natuurlijke sexueele basis. Ons modern huwelijkssysteem heeft
echter een kunstmatige starheid gekregen, die de mogelijkheid van
deze natuurlijke veiligheidsklep en vergoeding uitsluit. Welke de
werkelijke moreele inhoud ervan ook zij, een modern huwelijk is
altijd "wettig" en "heilig". Wij zijn zoo gewend aan economische
huwelijksvormen, dat, zooals Sidgwick naar waarheid opmerkte
(Method of Ethics, dl. II, hoofdst. XI) als van die vormen
gesproken wordt als van "gewettigde prostitutie" het voortdurend
voorkomt, dat men voelt, dat "de phrase buitensporig en paradox
is".
Een man, die om geld of ambitie trouwt, wijkt af van de biologische
en moreele doeleinden van het huwelijk. Een vrouw, die zich voor het
leven verkoopt, staat moreel op hetzelfde niveau als eene, die zich
voor een nacht verkoopt. Het feit, dat het loon grooter schijnt te
zijn, dat ter vergoeding van het verleenen van bepaalde huiselijke
diensten en bepaalde persoonlijke gedienstigheden--diensten en
gedienstigheden, waarin ze misschien in het geheel niet deskundig
is--zij zich een schuilplaats verzekert, waar ze gevoed en gekleed en
geherbergd wordt voor het leven, maakt geen verschil in het moreele
aanzien van de zaak. De moreele verantwoordelijkheid is, we behoeven
het nauwelijks te zeggen, zeker evenzeer aan den kant van den man
als aan dien van de vrouw. Verkeerde resultaten zijn dikwijls het
gevolg van de onwetendheid en de onverschilligheid van de mannen,
die dikwijls weinig of niets af weten van den aard der vrouwen en
van de kunst van liefhebben. De onnoozelheid, waarmee zelfs mannen,
die, naar men zou meenen, toch niet zonder ervaring konden zijn,
als echtgenoote een vrouw kiezen, die, hoe mooi en bekoorlijk zij
ook zijn mag, geen van de eigenschappen bezit, die haar minnaar
werkelijk verlangt, is een voortdurend wonder. Zich te onthouden van
het onderzoeken en beproeven van het humeur en de eigenaardigheden
van de vrouw, die hij tot echtgenoote wenscht, is ongetwijfeld een
beminnelijke trek van nederigheid aan de zijde van den man. Maar het
is wel zeker, dat een man nooit tevreden moest zijn met minder dan
het beste van wat de ziel en het lichaam van een vrouw kunnen geven,
hoe onwaardig hij zich ook moge voelen voor zulk een bezit. Deze eisch,
we moeten het opmerken, is het hoogste belang van de vrouw zelf. Een
vrouw kan een man tenminste een deel van de geheimen van het heelal
openbaren. De vrouw, die neerdaalt tot het niveau van een candidate
voor een inrichting voor behoeftigen, verlaagt zich.
Onze beschouwing over de psychische sexueele feiten heeft ons dus,
zullen we zien, gebracht tot de kwestie der moraal. Telkens weer is
bij het uiteenzetten van de verschijnselen der prostitutie noodig
geweest het woord "moreel" te gebruiken. Dat woord is echter vaag
en kan zelfs op een dwaalspoor leiden, omdat het verschillende
beteekenissen heeft. Tot dusverre is het aan den intelligenten lezer
overgelaten geweest, zooals hij wel bemerkt zal hebben, uit het verband
op te maken in welke beteekenis het woord gebruikt werd. Maar op het
punt waar we nu zijn gekomen, is het, voordat wij overgaan tot het
bespreken van de sexueele psychologie, noodig, om dubbelzinnigheid
te vermijden, den lezer in herinnering te brengen, wat precies de
voornaamste beteekenissen zijn, waarin het woord "moreel" gewoonlijk
gebruikt wordt.
De moraal, waarmee ethische verhandelingen te maken hebben, is
theoretische moraal. Ze handelt over datgene, wat menschen behoorden
te doen--of wat voor hen goed is te doen. Socrates b.v. houdt zich
in zijn dialogen van Plato met die theoretische moraal bezig,
als hij de vraag bespreekt: wat de menschen in hun handelingen
"moeten" zoeken? De groote massa der ethische literatuur--tot nog
kort geleden toe mochten we zeggen de geheele literatuur--handelt
over deze kwestie. Die theoretische moraal is eer een studie dan een
wetenschap, want de wetenschap kan alleen gebaseerd zijn op wat is,
niet op wat behoorde te zijn.
Zelfs in de sfeer van de theoretische moraal zijn er twee zeer
verschillende soorten van moraal, zoo verschillend, dat de eene de
andere soms zelfs als vijandig beschouwt, of op zijn best alleen,
uit beleefdheid, met een tintje van minachting als "moreel". Deze
twee soorten van moraal zijn de traditioneele moraal en de
ideëele moraal. De traditioneele moraal is gebaseerd op de lang
ingestelde gewoonten van een gemeenschap en bezit de stabiliteit
van alle theoretische ideeën, die gebaseerd zijn op het vroegere
maatschappelijke leven en die ieder individu, dat in de gemeenschap
geboren is, van zijn vroegste jaren af omringen. Het wordt de
stem van het geweten, die automatisch spreekt ten gunste van al de
regels, die zoo stevig ingeprent zijn, zelfs als het individu zelf
ze niet meer aanneemt. Vele menschen bij voorbeeld, die in hun jeugd
opgevoed zijn in de puriteinsche heiliging van den Zondag, zullen
zich herinneren, hoe, lang nadat zij opgehouden hadden te gelooven,
dat zulk een heiliging "goed" was, toch, bij het schenden ervan,
het protest van de automatisch gewekte stem van het "geweten" hooren,
dat is te zeggen de uitdrukking in het individu van gewoonteregels,
die wel opgehouden hebben voor hem bindend te zijn, maar die dat wel
waren voor de gemeenschap waarin hij werd opgevoed.
Ideëele moraal aan den anderen kant heeft geen betrekking op het
verleden van de gemeenschap, maar op de toekomst ervan. Ze is
gebaseerd, niet op de oude maatschappelijke daden, die verouderd
beginnen te worden, en misschien zelfs tegenmaatschappelijk in hun
werking, maar op nieuwe maatschappelijke daden, die tot nog toe alleen
in praktijk gebracht worden door een kleine, hoewel aangroeiende
minderheid van de gemeenschap. In den nieuwen tijd is Nietzsche
een op den voorgrond tredend voorvechter geweest van de ideëele
moraal, de heldhaftige moraal van den pionier, van het individu
van de komende gemeenschap, tegenover de traditioneele moraal,
of, zooals hij het noemde, kudde-moraal, de moraal van de groote
menigte. Deze twee soorten van moraal zijn noodzakelijkerwijze aan
elkander tegenovergesteld, maar wij moeten in herinnering houden,
dat ze beide gezond zijn en even slecht gemist kunnen worden, niet
alleen door hen, die ze aannemen, maar door de gemeenschap, waarin
ze beide samenwerken om ze in evenwicht te houden. We hebben ze bij
voorbeeld beide zien toepassen op de kwestie van de prostitutie;
traditioneele moraal verdedigt de prostitutie, niet om haar zelfs
wille, maar terwille van het huwelijkssysteem, dat ze als kostbaar
genoeg beschouwt om een opoffering waard te zijn, terwijl de ideëele
moraal weigert de noodzakelijkheid der prostitutie aan te nemen,
en uitziet naar de verbeteringen in het huwelijkssysteem die de
prostitutie zullen veranderen en verminderen.
Maar geheel buiten de theoretische moraal, of de kwestie wat de
menschen "moesten" doen, blijft de praktische moraal, of de kwestie wat
in werkelijkheid de menschen doen. Dit is de werkelijk fundamenteele
en essentieele moraal. Het Latijnsche mores en het Grieksche êthos
hebben beide betrekking op de gewoonte, op de dingen, die zijn, en
niet op de dingen, die behoorden te zijn, behalve in de indirecte
en tweede beteekenis, dat datgene wat de leden van de gemeenschap
werkelijk gezamenlijk, of "en masse" doen, is hetgeen zij voelen,
dat zij moeten doen. In de eerste plaats echter werd een moreele daad
gedaan, niet omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar om
redenen van veel dieper en veel instinctiever aard [254]. Ze werd
niet gedaan omdat men voelde, dat ze gedaan moest worden, maar men
voelde, dat ze gedaan moest worden, omdat het werkelijk de gewoonte
was geworden ze te doen.
De daden van een gemeenschap worden bepaald door de levensbehoeften van
die gemeenschap onder de speciale omstandigheden van haar beschaving,
haar tijd en haar land. Als het de algemeene gewoonte is voor kinderen
om hun bejaarde ouders te dooden, dan wordt er altijd bevonden, dat
deze gewoonte het best is niet alleen voor de gemeenschap maar voor
de oude menschen zelf, die het wenschen; de daad is zoowel praktisch
als theoretisch moreel [255]. En als, zooals bij ons, de ouden in
leven worden gehouden, dan is die daad ook praktisch en theoretisch
moreel; ze hangt op geenerlei wijze af van eenige wet of regel, die
ons verbiedt iemand het leven te benemen, want wij dragen immers roem
op het dooden van onzen medemensch onder den patriottischen naam van
"oorlog", en zijn er tamelijk onverschillig onder als dit dooden
door ons systeem van industrie geëischt wordt, maar het dooden van
oude menschen bevredigt tegenwoordig geen enkele maatschappelijke
behoefte; hun behoud daarentegen wel. Het dooden van een mensch is
werkelijk zooals bekend is een daad, die op verschillende tijden en
in verschillende landen zeer varieert in haar moreele waarde. Het was
in Engeland twee eeuwen en minder geleden volkomen moreel een mensch
te dooden voor geringe vergrijpen tegen den eigendom, want zulk een
straf scheen aan den algemeenen zin van de beschaafde gemeenschap
wenschelijk toe. Tegenwoordig zou het beschouwd worden als zeer
immoreel. Wij beginnen er nu eerst aan te twijfelen, of het wel
moreel is een meisje ter dood te veroordeelen of haar leven lang in
de gevangenis te sluiten, dat bij de geboorte haar kind doodde, alleen
omdat ze tegen alle natuurlijke instincten in, gedreven werd door het
primitieve instinct van zelfverdediging. Er kan niet gezegd worden,
dat we er al aan zijn gaan twijfelen of het moreel is menschen in den
oorlog te dooden, hoewel we het dooden van vrouwen en kinderen, of
zelfs van niet-vechtenden in het algemeen niet meer goedkeuren. Iedere
eeuw en ieder land heeft zijn eigen moraal.
"De gewoonte, in de strikte beteekenis van het woord", zegt Westermarck
terecht, "sluit een moreelen regel in zich... De maatschappij is de
school, waar de menschen leeren onderscheid te maken tusschen goed
en kwaad. De leermeester is de gewoonte" [256]. De gewoonte is niet
alleen de basis van de moraal, maar ook van de wet. "Gewoonte is
wet" [257]. Het veld der theoretische moraal is zoo'n betooverende
speelplaats geworden voor knappe philosofen, dat er soms gevaar is
geweest om te gelooven, dat het ten slotte niet de theoretische
moraal is, maar de praktische, de kwestie van wat de menschen in
de massa der gemeenschap werkelijk doen, die de werkelijke stof
levert voor de moraal [258]. Als wij meer precies definieeren wat
wij praktisch met moraal bedoelen, dan kunnen we zeggen, dat zij is
samengesteld uit de gewoonten, die de meerderheid van de leden van
een gemeenschap beschouwt als bevorderlijk aan het welvaren van de
gemeenschap op een bepaalden tijd en een bepaalde plaats. Het is om
deze reden--d.i. omdat het een kwestie is van wat is en niet alleen
van wat sommigen meenen dat moest zijn--dat de praktische moraal het
gepaste onderwerp vormt voor de wetenschap. "Als het woord "ethica"
gebruikt moet worden als naam voor een wetenschap", zegt Westermarck,
"dan kan het onderwerp van die wetenschap alleen zijn het bestudeeren
van het moreele bewustzijn als een feit" [259].
De History of European Morals van Lecky is een studie in
praktische, veeleer dan in theoretische moraal. Het groote werk
van Westermarck, The Origin and Development of the Moral Ideas
is een meer modern voorbeeld van de objectief wetenschappelijke
bespreking van de moraal, hoewel dit misschien niet duidelijk uit
den titel blijkt. Het is in zijn wezen een beschrijving van de
werkelijke historische feiten van wat geweest is, en niet van wat
"behoorde" te zijn. Morals in Evolution van Mr. L. T. Hobhouse,
dat op bijna denzelfden tijd uitkwam, is evenzeer een werk,
dat, terwijl het onloochenbaar feiten behandelt, d.z. regels en
instellingen, en de taak verwerpt van te zijn "de geschiedenis van
het levensgedrag", zich toch beperkt tot die regels, die "inderdaad
het normale gedrag vormen van den gemiddelden mensch" (deel I,
p. 26). Met andere woorden, het is in zijn kern een geschiedenis
van praktische moraal en niet van theoretische moraal. Een van
de scherpzinnigste en fijnste van de nu levende schrijvers,
M. Jules de Gaultier, heeft in verschillende van zijn boeken,
en vooral in zijn La Dépendance de la Morale et l'Indépendance
des Moeurs (1907), het begrip moraal op vrijwel gelijke wijze
ontleed. "Regels, die betrekking hebben op het levensgedrag,
zijn evenals andere regels door de ervaring gegeven, zoodat de
moraal, of de som van de wetten, die op een of ander tijdstip
van de historische ontwikkeling op het menschelijk handelen
zijn toegepast, van gewoonten afhangt". Ik verwijs ook naar de
meesterlijke uitbeelding van deze opvatting over de moraal in La
Morale et la Science des Moeurs van Lévy-Bruhl (er bestaat een
Engelsche vertaling van).
Praktische moraal is dus het stevige, natuurlijke feit, dat de
biologische grondslag vormt van de theoretische zedeleer, hetzij
deze traditioneel of ideëel is. De buitensporige vrees, die in zoo
hooge mate onder de menschen verspreid is, om de moraal te kwetsen,
is misplaatst. Wij kunnen de moraal niet kwetsen, al kunnen we ons
zelf kwaad doen. De moraal is gebaseerd op de natuur en kan op zijn
hoogst alleen maar gewijzigd worden. Zooals Crawley terecht zegt [260],
zelfs de categorische eischen van onze moreele tradities, wel verre
van zooals dikwijls algemeen geloofd wordt, pogingen te zijn om de
natuur te onderdrukken, ontstaan uit een pogen om de natuur te hulp
te komen; zij zijn eenvoudig een poging om de natuurlijke aandriften
in bepaalde termen te vatten. Het nadeel ervan is, dat ze, zooals
alles wat star en dood wordt, meestal langer duren dan het tijdperk,
waarin zij een weldadige, levende reactie vormden op de omgeving. Zoo
roepen zij nieuwe vormen van de ideëele moraal in het leven; en de
praktische moraal ontwikkelt nieuwe vormen, die in overeenstemming
zijn met nieuwe levende verhoudingen, om in de plaats te komen van
oudere en verdorde tradities.
Er bestaat duidelijk een nauw verband tusschen theoretische moraal en
praktische of eigenlijke moraal. Want niet alleen is de theoretische
moraal het bewust worden van erkende gewoonten, die in het algemeene
leven in de gemeenschap belichaamd zijn, maar, na aldus bewust geworden
te zijn, werkt ze terug op die gewoonten en ondersteunt of wijzigt ze,
door zijn eigen groei. Deze inwerking is verschillend, naarmate wij
te doen hebben met de eene of andere scherp bepaalde afdeeling van de
theoretische moraal: de traditioneele moraal, die den levensgroei van
moreele gewoonten tegenhoudt, of de ideëele en vooruitstrevende moraal,
die den levensgroei van moreele gewoonten bevordert. Praktische moraal,
of eigenlijke moraal kan gezegd worden tusschen deze twee afdeelingen
van de theoretische moraal in te staan. De praktijk volgt altijd op
de vooruitstrevende theoretische moraal, in zoover natuurlijk ideëele
moraal vooruitstrevend is en niet, zooals zoo dikwijls gebeurt, op
niets uitloopt. Traditioneele moraal volgt altijd de praktijk. Het
resultaat is, dat, terwijl de werkelijke moraal, die te eeniger tijd
op een of andere plaats gewoonte is, altijd in nauw verband staat met
de theoretische moraal, ze toch nooit precies met een van haar vormen
kan overeenkomen. Ze bereikt de ideëele moraal en is de traditioneele
moraal altijd vooruit.
Het was hier noodig om bepaaldelijk de drie voornaamste vormen te
definieeren, waarvoor het woord "moraal" gebruikt wordt, hoewel ze
onder den een of anderen vorm wel aan den lezer bekend moeten zijn. Bij
de bespreking van de prostitutie is het gemakkelijk geweest het gewone
gebruik te volgen, waarbij de speciale beteekenis van het woord uit
den samenhang bleek. Maar nu we ons voor het oogenblik direct met de
speciale beteekenis van de evolutie der sexueele moraal bezig houden,
moeten we meer precies zijn in het formuleeren van de woorden, die we
gebruiken. In dit hoofdstuk, behalve als het anders vastgesteld is,
houden wij ons in de eerste plaats bezig met de eigenlijke moraal,
met het werkelijk gedrag, zooals het voorkomt in de massa van de
gemeenschap, en alleen in de tweede plaats met de vooruitstrevende
of de traditioneele moraal.
Sexueele moraal is, evenals andere soorten van moraal, noodzakelijk
samengesteld uit geërfde tradities, gewijzigd door aanpassing aan
de veranderende maatschappelijke omgeving. Als de invloed van de
traditie te veel uitgesproken wordt, dan geraakt het moreele leven
veelal in verval en verliest zijn geschiktheid om zich aan het leven
aan te passen. Als het aanpassingsvermogen te groot wordt, wordt het
moreele leven onvast en verliest zijn autoriteit. Het is alleen door
een redelijke synthese van bouw en functie--van wat het traditioneele
genoemd wordt met wat het ideëele genoemd wordt--dat het moreele
leven zijn autoriteit kan bewaren, zonder zijn praktische waarde
te verliezen. Velen, zelfs onder hen die zich moralisten noemen,
hebben dit moeilijk kunnen begrijpen. In een vergeefsch streven naar
een onbestaanbaar streng logisch redeneeren hebben zij òf te veel den
nadruk gelegd op den ideëelen invloed op de praktische moraal, òf, nog
meer, op den traditioneelen invloed, die zich aan hen heeft opgedrongen
door de indrukwekkende autoriteit, die haar gezegden schijnen te
hebben. De resultaten hiervan in de sfeer, met welke wij hier te doen
hebben, zijn dikwijls ongelukkig geweest, want geen maatschappelijke
impuls geraakt zoo gemakkelijk in opstand tegen verouderde tradities,
is zoo geneigd tot vulkanische uitbarstingen als de geslachtsdrift.
Wij zijn gewend ons tegenwoordig huwelijkssysteem te identificeeren met
"moraal" in het abstracte, en voor vele menschen, misschien wel voor de
meeste, is het moeilijk zich voor oogen te stellen, dat de langzame en
onmerkbare beweging, die in den tegenwoordigen tijd voortdurend op het
maatschappelijke leven inwerkt evenals in iederen anderen tijd, onze
sexueele moraal ten diepste raakt. Een overgang van waardebepalingen
heeft voortdurend plaats; wat eens de eigenlijke standaard was der
moraal wordt immoreel, wat eens zonder twijfel immoreel was, wordt
moreel. Zulk een proces is bijna even verwarrend als twee duizend
jaar geleden voor de Europeesche wereld de groote strijd tusschen
de stad Rome en de Christelijke kerk was, toen het noodig werd te
erkennen, dat, wat Marcus Aurelius, het groote voorbeeld van moraliteit
getracht had uit te roeien, omdat het zonder twijfel immoreel [261]
was, beschouwd begon te worden als de hoogste standaard der moraal. De
klassieke wereld beschouwde liefde en medelijden en zelfopoffering als
weinig beter dan zwakheid en soms als nog erger; de Christelijke wereld
beschouwde ze niet alleen als moreele zaken, maar incarneerde ze in een
God. Onze sexueele moraal heeft ook natuurlijke menschelijke emoties
buiten beschouwing gelaten en is niet in staat om hen te begrijpen,
die verklaren dat het vasthouden aan verkeerde traditioneele wetten,
die tegenovergesteld zijn aan de levensbehoeften van menschelijke
maatschappijen, niet moreel is, maar immoreel.
De reden waarom de geleidelijke evolutie van de moreele ideeën, die
voortdurend in de sexueele sfeer plaats vindt, tenminste onder ons,
een stadium begint te bereiken waarop er een tegenstelling schijnt te
zijn tusschen verschillende standaards ligt in het feit, dat tot nog
toe in het geheel geen specifiek sexueele moraal [262] bestond. Dat zal
misschien eerst verwonderlijk toeschijnen aan ieder, die nadenkt over
het ontzettende gewicht, dat gewoonlijk gehecht wordt aan "sexueele
moraal". En het is ongetwijfeld waar, dat wij een moraal hebben, die
wij toepassen op de sexueele sfeer. Maar die moraal is er een, die
voornamelijk behoort tot de sfeer van den eigendom en ze heeft zich
in zeer ruime mate ontwikkeld op een basis van bezit. Al de historici
over moraal in het algemeen en van het huwelijk in het bijzonder,
hebben dit feit op den voorgrond gesteld en het geïllustreerd met
een massa historisch materiaal. Wij hebben tot nog toe geen algemeen
erkende sexueele moraal, die op de specifieke sexueele feiten van het
leven gebaseerd is. Dat wordt eerst recht duidelijk als wij ons het
grondfeit voor oogen stellen, dat de sexueele verhouding gebaseerd is
op liefde, op zijn allerminst op sexueel verlangen, en dat die basis
zoo'n diepen grond heeft, dat ze zelfs physiologisch is, want als zulk
sexueel verlangen niet bestaat, is het physiologisch onmogelijk voor
een man omgang met een vrouw te hebben. Iedere specifieke sexueele
moraal moet op dat feit gebaseerd zijn. Maar onze zoogenaamde "sexueele
moraal", wel verre van op dat feit gebaseerd te zijn, tracht het
geheel buiten beschouwing te laten. Het maakt contracten, het regelt
sexueele verhoudingen van tevoren, het neemt op zich duurzaamheid
van sexueele inclinaties te garandeeren. Dat is te zeggen, dat het
overwegingen invoert van een soort, die volkomen gezond zijn in de
economische sfeer, waartoe deze overwegingen rechtens behooren, maar
die belachelijk weinig passen bij de sexueele sfeer, waarop ze plechtig
worden toegepast. De economische verhoudingen van het leven in den
ruimsten zin zijn, zooals we zullen zien, buitengemeen belangrijk in
de evolutie van eene gezonde sexueele moraliteit, maar zij behooren tot
de voorwaarden van zijn ontwikkeling en vormen niet zijn basis [263].
Het feit dat, uit het standpunt van de wet, het huwelijk
oorspronkelijk een instelling is om de eigendomsrechten te
verzekeren en de erfenisrechten, wordt geïllustreerd door de
Engelsche echtscheidingswet van tegenwoordig. Volgens deze wet
heeft een man, als zijn vrouw sexueelen omgang heeft met een
anderen man dan haar echtgenoot, het recht echtscheiding aan te
vragen; als echter de man omgang heeft met een andere vrouw dan de
zijne, dan heeft zij geen recht op echtscheiding; dat kan alleen
als hij bovendien wreed jegens haar geweest is, of haar verlaten
heeft; uit een standpunt van ideëele moraal is zulk een wet in
't oog springend onbillijk; ze is dan ook in bijna alle beschaafde
landen afgeschaft behalve in Engeland.
Maar van het standpunt van bezit en erfenis is ze zeer begrijpelijk
en om die reden heeft ze nog den steun van de meerderheid der
Engelschen. Als de vrouw omgang heeft met andere mannen, dan is
er gevaar, dat het bezit van den man geërfd zal worden door een
kind, dat het zijne niet is. Maar de sexueele omgang van den man
met andere vrouwen wordt niet door zulk een gevaar gevolgd. De
ontrouw van de vrouw is een ernstige beleediging van den eigendom;
de ontrouw van den man is geen beleediging van den eigendom,
en daarom kan ze met geen mogelijkheid beschouwd worden als
een reden tot echtscheiding uit het wettelijk standpunt. Het
feit, dat echtbreuk van den man gecompliceerd met wreedheid,
zulk een reden is, is alleen maar een concessie aan het moderne
gevoel. Toch heeft, zooals Helene Stöcker naar waarheid zegt
("Verschiedenheit im Liebesleben des Weibes und des Mannes",
Zeitschrift für Sexualwissenschaft, Dec., 1908) een getrouwd man,
die een niet erkend kind heeft bij een vrouw buiten het huwelijk,
een daad gedaan, die even ernstig tegenmaatschappelijk is als een
getrouwde vrouw, die een kind heeft zonder te erkennen, dat haar
man niet de vader is. In het eerste geval heeft de man, in het
tweede geval de vrouw, een te groote verantwoordelijkheid gelegd
op een ander persoon. (Hetzelfde punt is op den voorgrond gesteld
door den schrijver van The Question of English Divorce, p. 56).
Ik leg hier den nadruk op het economisch element in onze sexueele
moraal, omdat dat het element is, hetwelk er een soort van
standvastigheid aan gegeven heeft en in de wet is vastgelegd. Maar
als we onze sexueele moraal van een ruimer standpunt beschouwen,
dan kunnen we wel niet anders of we zien het oude element van
ascetisme, dat er godsdienstigen hartstocht en godsdienstige
heiliging aan gegeven heeft. Onze sexueele moraal is dus in
werkelijkheid een bastaard, geboren uit de vereeniging van
eigendoms-moraal en primitieve ascetische moraal, die geen van
beide in de ware verhouding staan tot de levensfeiten van het
sexueele leven. Het is werkelijk het eigendoms-element, dat, met
een paar inconsequenties tenslotte het hoofdelement geworden is
van onze wet, maar het ascetische element heeft een belangrijke
rol gespeeld bij het vormen van het populaire gevoel en bij het
scheppen van een houding van afkeuring jegens sexueelen omgang per
se, hoewel zulke omgang beschouwd wordt als een essentieel deel
van de op eigendom gebaseerde en godsdienstig gesanctionneerde
instelling van het wettig huwelijk.
De verheerlijking van de maagdelijkheid leidde in onmerkbare
overgangen, tot het bestempelen van de "ontucht" als doodzonde,
en ten slotte als een werkelijke wereldsche "misdaad". Er wordt
soms gezegd, dat het niet voor het Concilie van Trente geweest
is, dat de Kerk formeel allen in den ban deed, die meenden,
dat de huwelijksstaat hooger was dan de maagdelijke staat,
maar men had die meening min of meer vormelijk reeds vroeger
geuit, bijna van de vroegste tijden van het Christendom af, en
dat blijkt duidelijk uit de brieven van Paulus. Alle theologen
zijn het er over eens, dat ontucht een doodzonde is. Caramuel,
de beroemde Spaansche theoloog, die ongewone concessies deed
aan de eischen van de rede en van de natuur, meende, dat ontucht
alleen maar een kwaad is, omdat het verboden is, maar Innocentius
XI verwierp deze clausule formeel. Ontucht als een doodzonde werd
langzamerhand verwereldlijkt tot ontucht als een misdaad. Ontucht
was in Frankrijk in de achttiende eeuw nog een misdaad, zooals
Tarde bij zijn historische nasporingen van een crimineel proces
in Périgord ontdekte; echtbreuk was ook een zonde en werd streng
gestraft, volkomen onafhankelijk van eenige klacht van een van
de beide partijen (Tarde, "Archéologie Criminelle en Périgord",
Archives de l'Anthropologie Criminelle, Nov. 15, 1898).
De Puriteinen uit de dagen van Cromwell in Engeland (evenals de
Puriteinen in Genève) volgden het voorbeeld der Katholieken en
namen beleedigingen van de geestelijkheid tegen de kuischheid in
de wereldsche wet op. Bij een acte van het Parlement, aangenomen
in 1653, werd ontucht strafbaar gesteld met gevangenisstraf van
drie maanden voor beide partijen. Bij dezelfde acte werd echtbreuk
van de vrouw (van den man wordt niets gezegd) gemaakt tot misdaad,
zoowel voor haar als voor haar deelgenoot in de schuld en daarom
wordt ze strafbaar gesteld met den dood (Scobell, Acts and
Ordinances, p. 121)
De werking van een valsche moraal, zooals onze sexueele moraal geweest
is, is als die van een tweesnijdend zwaard. Aan den eenen kant voert
ze tot een geheime en huichelachtige laksheid, aan den anderen kant
ondersteunt ze een star en dood reglementenboek, waarvan maar zoo
weinigen de voorschriften constant kunnen opvolgen, dat de theoretische
moraal daardoor verlaagd wordt tot een min of meer ledigen vorm. "Het
menschelijk ras zou veel winnen", zeide de wijze Senancour, "als de
deugd niet zoo moeilijk gemaakt werd. De verdienste zou dan niet zoo
groot zijn, maar wat is het nut van een hoogte van volkomenheid, waarop
men zich maar zelden kan handhaven?" [264]. Tegenwoordig hebben wij,
zooals Ellen Key, een latere moralist, het uitdrukt, alleen maar een
immoraliteit, die de ondeugd begunstigt en de deugd niet te bereiken
maakt; en zij roept dan ook met vergefelijke overdrijving uit,
dat het prediken voor den jongen mensch van een gezondere moraal,
zonder tevens de maatschappij te veroordeelen, die de overheerschende
immoraliteit aanmoedigt, "erger is dan dwaasheid, dat het misdaad is".
In de richting, waarin Senancour een eeuw geleden en Ellen Key nu,
groote pioniers zijn, bewegen de nieuwe vormen van de vooruitstrevende
of ideale theoretische moraal zich voorwaarts, volgens de algemeene
neiging in de moraal, van de traditioneele moraliteit en zelfs van
de praktijk.
Er is een groote moderne beweging, die duidelijk aantoont, dat de
sexueele moraal zich tegenwoordig beweegt naar een nieuw standpunt. Dit
is de veranderende houding van de massa der gemeenschap zoowel jegens
het burgerlijk huwelijk als jegens het godsdienstig huwelijk, en de
aangroeiende neiging om staatsinmenging in sexueele verhoudingen af
te keuren, onafhankelijk van de kinderproductie.
Er is ongetwijfeld onder de onderste lagen der bevolking van
Europa altijd een neiging geweest sexueele verhoudingen aan te
gaan zonder de officieele heiliging totdat zulke verhoudingen
zich goed bevestigd hebben en totdat de hoop op een nageslacht
gerechtvaardigd is. Deze neiging heeft zich gecristalliseerd in
erkende gewoonten onder ontelbare landelijke gemeenschappen, die
weinig last hebben van de storende invloeden van de buitenwereld of
de beperkende invloeden van theologisch Christelijke begrippen. Maar
in den tegenwoordigen tijd is deze neiging niet beperkt tot de meer
primitieve en afgezonderde gemeenschappen van Europa, onder wie ze
juist begint uit te sterven. Het is een ontwijfelbaar feit, zegt
Professor Bruno Meyer, dat veel meer dan de helft van den sexueelen
omgang nu plaats vindt buiten het huwelijk [265]. Vooral onder de
intelligente klassen en in bloeiende en vooruitgaande gemeenschappen is
deze beweging merkbaar. Wij zien door de geheele wereld het praktische
gezond verstand van de menschen zich vormen in de richting, waarvan
de ideëele moralisten de pioniers geweest zijn, die onveranderlijk
voorafgaan aan den nieuwen groei van de praktische moraal.
De vrijwillig kinderlooze huwelijken van tegenwoordig hebben de
mogelijkheid bewezen van zulke vereenigingen buiten het wettig
huwelijk, en zulke vrije verbintenissen kunnen voor vooruitstrevende
menschen het huwelijk vervangen [266]. De geleidelijke maar gestadige
verhooging van den leeftijd voor het aangaan van een wettig huwelijk
wijst ook in dezelfde richting, hoewel ze niet alleen wijst op een
toename van vrije verbintenissen, maar op een toename van alle vormen
van normale en abnormale sexualiteit buiten het huwelijk. Zoo waren
in Engeland en Wales in 1906 maar 43 van de 1000 getrouwde mannen en
146 van de 1000 getrouwde vrouwen minderjarig, terwijl de gemiddelde
leeftijd voor de mannen 28.6 jaar en voor de vrouwen 26.4 jaar
was. Voor de mannen is de leeftijd zoowat acht maanden gestegen in
de laatste veertig jaar, voor de vrouwen meer. In de groote steden,
als Londen, waar de mogelijkheid voor buitenechtelijk verkeer grooter
is, is de leeftijd voor het wettige huwelijk hooger dan op het land.
Als wij den leeftijd, waarop gemiddeld een wettig huwelijk gesloten
wordt, moeten beschouwen als de leeftijd, waarop de bevolking
in sexueele verbintenissen treedt, dan is die ongetwijfeld
te laat. Beyer, een toonaangevend Duitsch neuroloog, vindt,
dat er even ernstige bezwaren zijn tegen vroege als tegen late
huwelijken, en komt tot de conclusie, dat in gematigde streken de
beste leeftijd voor vrouwen om te trouwen is het een en twintigste
jaar, en voor mannen het vijf en twintigste jaar.
Toch zijn, onder slechte economische omstandigheden en met
een starre huwelijkswet vroege huwelijken in ieder opzicht
verkeerd. Bij de armen zijn zij een teeken van groote armoede. De
allerarmsten trouwen het eerst, omdat zij het gevoel hebben, dat
hun toestand niet erger worden kan. (Dr. Michael Ryan heeft veel
belangwekkend bewijsmateriaal verzameld over de oorzaken van het
vroege huwelijk in Ierland in zijn Philosophy of Marriage, 1837,
blz. 58-72). Onder de armen is een vroeg huwelijk dus altijd een
ongeluk. "Vele goede menschen", zegt Mr. Thomas Holmes, secretaris
van de Howard Association en zendeling bij de politiehoven
(in een interview, Daily Chronicle, Sept. 8, 1909), "raden
jongens en meisjes aan te trouwen om te voorkomen wat zij noemen
"schande". Dit houd ik voor geheel verkeerd, en het leidt tot veel
grootere verkeerdheden, dan die het met mogelijkheid kan afwenden".
Vroege huwelijken zijn een van de meest gewone oorzaken,
zoowel voor de prostitutie als voor echtscheiding. Zij leiden
in onnoemelijk veel gevallen tot prostitutie, zelfs als
geen uiterlijke scheiding plaats vindt. Het feit, dat zij tot
echtscheiding leiden, blijkt uit de veelbeteekenende omstandigheid,
dat in Engeland, hoewel maar 146 van de 1000 vrouwen onder de
een en twintig zijn bij haar huwelijk, toch van de vrouwen, die
betrokken zijn in echtscheidingsprocessen er 280 van de 1000 onder
de een en twintig waren bij haar huwelijk, en deze tegenspraak
is zelfs nog grooter dan ze schijnt, want in de gegoede klassen,
die zich alleen de luxe van een echtscheiding kunnen veroorloven,
is de normale leeftijd bij het huwelijk veel hooger dan voor de
bevolking in het algemeen. Onervarenheid, zooals lang geleden
bewezen werd, door Milton (die deze les te zijnen koste geleerd
had), leidt tot schipbreuk in het huwelijk. "Zij, die het wildst
geleefd hebben", schreef hij, "blijken het meeste succes te hebben
in hun huwelijk, omdat hun ongebonden genegenheden die ze naar
believen konden eindigen, zoovele echtscheidingen geweest zijn,
waardoor ze ondervinding hebben opgedaan".
Miss Clapperton raadt, wat de beschaafde standen betreft, zeer
vroeg huwen aan, zelfs nog tijdens het studentenleven, dat dan tot
zekere hoogte naast het huwelijksleven zou kunnen voortgezet worden
(Scientific Meliorism, hoofdst. XVII). Ook Ellen Key raadt het
vroege huwen aan. Maar zij voegt er wijselijk aan toe, dat zulks de
noodzakelijkheid in zich sluit van gemakkelijk echtscheiden. Dat
is werkelijk de eenige voorwaarde, waaronder vroeg huwen in het
algemeen wenschelijk kan zijn. Jonge menschen--tenzij zij een zeer
eenvoudige en rustige natuur hebben--kunnen nòch den loop van hun
eigen ontwikkeling en hun sterkste behoeften voorspellen, nòch
nauwkeurig den aard en de kwaliteit van een andere persoonlijkheid
taxeeren. Een huwelijk, dat op zeer jeugdigen leeftijd gesloten is,
houdt spoedig op in eenig opzicht behalve den naam een huwelijk te
zijn. Soms vraagt een jong meisje om scheiding van haar echtgenoot
op den dag na haar huwelijk.
De meer of minder duurzame vrije vereenigingen, die onder ons in
Europa gevormd worden, moeten gewoonlijk niet anders beschouwd worden
dan als proefhuwelijken. Dat is te zeggen, dat zij een voorzorg
zijn, die wenschelijk gemaakt wordt door de onzekerheid, zoowel
aangaande de harmonie als de vruchtbaarheid van een vereeniging,
voordat de werkelijke proef is genomen, en door de onmogelijkheid
in de praktijk om op andere wijze een vergissing goed te maken,
ten gevolge van de verouderde starheid van de meeste Europeesche
echtscheidingwetten. Zulke proefhuwelijken worden dus geëischt door
de voorzichtigheid en de wijsheid en naarmate het vooruit zien in de
toekomst met de ontwikkeling van de beschaving toeneemt, en voortdurend
onder ons toeneemt, mogen we verwachten, dat er een evenredige
ontwikkeling zal zijn in de veelvuldigheid van het proefhuwelijk en in
de houding van de maatschappij jegens zulke vereenigingen. De eenige
uitweg--die een radicale hervorming in de Europeesche huwelijkswetten
even goedkoop en even gemakkelijk zal maken als de echtscheiding in
een vrij huwelijk--kan nog niet verwacht worden, want de wet komt
altijd achteraan bij de publieke opinie en het praktische levensgedrag.
Als wij de zaak echter uit een ruimer historisch standpunt beschouwen,
dan zien we, dat we ons in tegenwoordigheid van een verschijnsel
bevinden, dat, hoewel het door moderne omstandigheden begunstigd wordt,
toch zeer oud is en ver verspreid en dat, wat Europa betreft, dateert
uit den tijd, toen de kerk voor het eerst het kerkelijk huwelijk
trachtte op te dringen, zoodat het feitelijk een voortzetting is van
de oude Europeesche gewoonte van het privaathuwelijk.
Proefhuwelijken gaan door onmerkbare nuances over in de groep van
gewoonten bij het hof maken, die, terwijl ze de jonge menschen
toestaan den nacht te zamen door te brengen, in een positie
van meerdere of mindere intimiteit, toch als regel, feitelijken
sexueelen omgang uitsluiten. Nachtelijke vrijage bloeit onder
de soliede, krachtig gebouwde bevolking van streken in Europa,
die niet door aanraking met vreemden gedesorganiseerd zijn. Zij
schijnt vooral veel voor te komen in Teutonische en Keltische
landen, en is bekend onder verschillende namen, als Probenächte,
fensterln, Kiltgang, hand-fasting, bundling, sitting-up, courting
on the bed, etc. Zij is in Wales welbekend; zij wordt ook gevonden
in verschillende Engelsche graafschappen b.v. in Cheshire; zij
bestond in het Ierland van de achttiende eeuw (volgens de Travels
van Richard Twiss) in Nieuw-Engeland was zij bekend als tarrying;
in Holland bestaat zij ook. In Noorwegen, waar het nacht-loopen
genoemd wordt, wegens den verren afstand tusschen de verschillende
erven, moet zij nog algemeen bestaan, hoewel de geestelijken er
tegen preeken; het meisje trekt verscheidene extra rokken aan en
gaat daarmee naar bed, en de jonge man komt door het raam naar
binnen en gaat bij haar in bed; zij praten den geheelen nacht door
en zij behoeven niet te trouwen, tenzij het meisje zwanger wordt.
Rhys en Brynmor-Jones (Welsh People, blz. 582-4) geven een
interessante mededeeling over deze nachtelijke vrijage met
talrijke verwijzingen naar de literatuur. Wat Duitschland betreft,
zie men b.v. Rudeck, Geschichte der öffentlichen Sittlichkeit,
blz. 146-154. Wat het proefhuwelijk over het algemeen aangaat,
worden veel feiten en verwijzingen gegeven door M. A. Potter
(Sohrab und Rustem, blz. 129-137).
De gewoonte van vrije huwelijksverbintenissen, die gewoonlijk
gewettigd worden vòor of nà de geboorte van kinderen, schijnt
tamelijk veel voor te komen in vele, misschien wel in alle
landelijke districten van Engeland. De vereeniging wordt gewettigd,
als ze bevredigend blijkt te zijn, zelfs als er geen uitzicht
is op kinderen. In sommige graafschappen moet het een bijna
algemeene gewoonte zijn, dat vrouwen sexueele verhoudingen hebben
vóor het wettig huwelijk; soms trouwt een vrouw met den eersten
man, dien ze probeert; soms probeert ze verschillende mannen,
eer ze den man vindt, die haar past. Zulke huwelijken vallen
natuurlijk, over het geheel, beter uit dan huwelijken, waarin
de vrouw, die niets weet van hetgeen haar te wachten staat en
geen andere ondervinding ter vergelijking heeft, geneigd is zich
teleurgesteld te voelen of te meenen, dat ze "het beter had kunnen
treffen". Zelfs als wettige erkenning niet gezocht wordt voor nà
de geboorte van kinderen, volgt daar nog in het geheel niet uit,
dat er moreele corruptie aan verbonden is. Zoo in sommige deelen
van Staffordshire, waar het algemeen voorkomt, dat de vrouwen
een kind hebben vóor het huwelijk, zijn zij, niettegenstaande
deze "corruptie", naar wij vernemen (Burton, City of the Saints,
Appendix IV), "zeer goede buurvrouwen, uitstekende, hardwerkende
en liefhebbende echtgenooten en moeders".
"De lagere maatschappelijke klassen, vooral de boeren", merkt
Dr. Ehrhard op ("Auch ein Wort zur Ehereform", Geschlecht und
Gesellschaft, jaargang I. afl. 10), "weten beter dan wij, dat het
huwelijksbed de grondslag is van het huwelijk. Daarom hebben zij
de primitieve gewoonte van het proefhuwelijk behouden, dat in
de Middeleeuwen zelfs nog in de beste kringen in praktijk werd
gebracht. Het heeft het verdere voordeel, dat het huwelijk niet
gesloten wordt, voor het gebleken is vruchtbaar te zijn. Het
proefhuwelijk toont natuurlijk aan, dat de maagdelijkheid niet
geschat wordt op meer dan haar juiste waarde". Wat dit punt
aangaat, mogen we vermelden, dat in vele deelen van de wereld, een
vrouw hooger geschat wordt, als ze vóor haar huwelijk sexueelen
omgang gehad heeft (zie b.v., Potter, op. cit., blz. 164 et
seq.). Ofschoon maagdelijkheid een van de sexueele attracties is,
die een vrouw kan bezitten, een attractie die gebaseerd is op een
natuurlijk instinct, zoo kan toch een overdreven aandacht voor
deze maagdelijkheid, niet anders beschouwd worden dan als een
sexueele perversie, die verwant is aan paedophilia, de sexueele
aantrekking tot kinderen.
In zeer kleine dicht bijeen liggende gemeenten vertoont de
primitieve gewoonte van het proefhuwelijk neiging tot verval,
als er een groote invasie plaats heeft van vreemdelingen, die niet
opgevoed zijn in die gewoonte (welke voor hen geen verschil schijnt
te vertoonen met de losbandigheid van de prostitutie), en die niet
de verplichtingen op zich willen nemen, welke het proefhuwelijk
oplegt. Dit gebeurde bij de zoogenaamde "eiland-gewoonte"
van Portland, die tot in de negentiende eeuw bleef bestaan;
volgens deze zede leefde een vrouw voor het huwelijk met haar
minnaar, totdat ze zwanger was en trouwde dan met hem; zij was
hem altijd strikt trouw, terwijl ze met hem leefde, maar als ze
niet zwanger werd kon het paar overeenkomen, dat zij niet voor
elkander bedoeld waren, en de betrekking afbreken. Het gevolg was,
dat er jaren achtereen geen onwettige kinderen geboren werden,
en weinig huwelijken kinderloos waren. Toen zich echter de
Portland-cementhandel ontwikkelde, profiteerden de uit Londen
geïmporteerde werklieden van de gewoonte van het eiland, maar
ze weigerden hun verplichtingen na te komen als er zwangerschap
volgde. Dientengevolge geraakte de gewoonte in onbruik (zie
b.v. de noot van den vertaler bij Sexual Life of Our Time van
Bloch p. 237, en de aanhalingen daar gegeven van Hutchins,
History and Antiquities of Dorset, deel II, p. 820).
Maar niet alleen op het land, ook in de groote steden zijn
huwelijken in den beginne vrije vereenigingen. Zoo constateerde in
Parijs Després meer dan dertig jaar geleden, (La Prostitution à
Paris, p. 137), dat in de meeste arrondissementen der stad negen
van de tien wettige huwelijken de bevestiging zijn van een vrije
verbintenis; hoewel, ofschoon dit het gemiddelde was, het er in
een paar arrondissementen maar drie van de tien waren. Het is in
Parijs tegenwoordig tamelijk wel hetzelfde; tenminste de helft
van de huwelijken zijn, naar men zegt, van deze soort.
In Germaansche landen zijn vrije verbintenissen een zeer oude
en vastgewortelde gewoonte. Zoo zegt Ellen Key, dat in Zweden
de meerderheid van de bevolking op deze wijze hun getrouwde
leven begint (Liebe und Ehe, p. 123). De regeling wordt weldadig
bevonden, en "huwelijkstrouw is even groot als vrijheid voor het
huwelijk ongebonden is". In Denemarken heeft de conceptie van
veel kinderen ook plaats voordat de vereeniging van de ouders
gewettigd is (Rubin en Westergaard, aangehaald door Gaedeken,
Archives d'Anthropologie Criminelle, Feb. 15, 1909).
In Duitschland zijn onwettige huwelijken niet alleen zeer talrijk,
in Berlijn is het aantal 17 percent, en in sommige steden nog veel
grooter, maar conceptie voor het huwelijk heeft plaats in bijna
de helft van de huwelijken, en soms in de meerderheid. Zoo heeft
in Berlijn bij meer dan 40 percent van alle wettige eerstgeboren
kinderen de conceptie plaats gehad vóor het huwelijk, terwijl
in sommige landelijke provincies (waar het aantal onwettige
geboorten lager is) het aantal huwelijken, dat volgt op conceptie
voor het huwelijk, veel grooter is dan in Berlijn. De toestanden
van het landelijk Duitschland zijn speciaal onderzocht door een
commissie van Luthersche geestelijken en ze zijn eenige jaren
geleden uiteengezet in twee deelen, Die geschlechtlich-sittlichen
Verhältnisse im Deutschen Reiche, die vol zijn van inlichtingen
omtrent de sexueele moraliteit in Duitschland. In Hannover,
wordt in dit werk gezegd, zeggen de meeste autoriteiten,
dat omgang vóor het huwelijk regel is. Op zijn minst wordt een
probe, of proef, beschouwd als een vanzelfsprekend iets, dat het
huwelijk voorafgaat, omdat niemand "een kat in den zak" wenscht
te koopen. Ook in Saksen, zegt men, heeft een meisje bijna altijd
omgang vóor het huwelijk, òf haar eerste kind wordt geboren of in
ieder geval ontvangen buiten het huwelijk. Dit wordt beschouwd
als een gewettigd probeeren van de bruid, voordat men haar voor
goed neemt. "Men koopt nog geen pijp van een stuiver zonder ze
te probeeren", vertelde men aan een Duitsch geestelijke. Rondom
Stettin wordt in twaalf districten (bijna de helft van alle),
sexueele omgang voor het huwelijk beschouwd als gewoonte, en in
de andere, zoo het al niet bepaald de gewoonte is, komt het toch
zeer veel voor, en wordt door de publieke opinie niet gestreng
of zelfs in het geheel niet veroordeeld. In sommige districten
volgt het huwelijk onmiddellijk op de zwangerschap. In de buurt
van Dantzig komt, volgens het Luthersche comité, omgang vóor het
huwelijk voor in meer dan de helft van de gevallen, maar er volgt
niet altijd een huwelijk op de zwangerschap. Bijna al de meisjes,
die gaan dienen, hebben minnaars, en menschen op het land zeggen
soms aan hun dienstmeisjes, als zij ze huren, dat ze 's avonds en
's nachts mogen doen wat ze willen. Deze toestand schijnt gunstig
te zijn voor de echtelijke trouw. Het Duitsche boerenmeisje,
merkt een andere autoriteit op (E. H. Meyer, Deutsche Volkskunde,
1898, pp. 154, 164) heeft haar eigen kamer; zij mag haar minnaar
ontvangen; het is geen schande als zij zich aan hem geeft. Het
aantal vrouwen, dat het huwelijk als maagd ingaat is niet groot
(dit heeft meer speciaal betrekking op Baden), maar de publieke
opinie beschermt ze, en die opinie is niet gunstig aan het niet
nakomen van de verantwoordelijkheden, die sexueele verhoudingen met
zich brengen. De Duitsche vrouw is minder kuisch vóor het huwelijk
dan haar Fransche of Italiaansche zuster. Maar, voegt Meyer er
aan toe, zij is waarschijnlijk trouwer na het huwelijk dan deze.
Het wordt door velen aangenomen, dat deze staat van Duitsche
moraliteit zooals hij tegenwoordig is, een nieuw verschijnsel is,
en het teeken van een snelle nationale ontaarding. Dat is in het
geheel niet het geval. In dit verband mogen we de bewijsgronden
aannemen van Katholieke priesters, die door de ondervinding van den
biechtstoel in staat zijn met gezag te spreken. Een oud priester
uit Beieren schrijft het volgende (Geschlecht und Gesellschaft,
1907, Bd. II, Heft 1): "Op ethische congressen hooren we den
lof verkondigen van "den goeden ouden tijd", toen trouw en
zedelijkheid onder de bevolking heerschten. Of dat juist is,
is een andere kwestie. Toen ik een jong priester was hoorde ik
van even zoovele en even zoo ernstige zonden als nu ik een oud
man ben. De zedelijkheid van de menschen is niet grooter en ook
niet minder. De dwaling is het geloof, dat de immoraliteit uit de
steden komt en het land vergiftigt. De menschen praten alsof het
land zuiver een paradijs van onschuld was. Ik wil onze menschen van
het land geenszins immoreel noemen, maar uit een ervaring van vele
jaren kan ik zeggen, dat er in sexueele opzichten geen verschil
is tusschen stad en land. Ik heb meer dan honderd verschillende
gemeenten leeren kennen, en op de meest verschillende plaatsen,
in de bergen en op de vlakte, op arm land en op rijk land. Maar
overal vind ik dezelfde moraal en gebrek aan moraal. De menschen
zijn overal hetzelfde, hoewel er op het land dikwijls beter
Christenen zijn dan in de steden".
Als we echter veel verder teruggaan dan menschenheugenis, dan
schijnt het zeer waarschijnlijk, dat de sexueele gewoonten van
het Duitsche volk van den tegenwoordigen tijd niet in hun wezen
verschillen--hoezeer ook nu en dan met de verandering van tijden
en omstandigheden zich veranderingen mogen voorgedaan hebben--van
wat zij waren bij het begin der Duitsche geschiedenis. Dit is de
meening van een van de grondigste kenners van Indo-Germaansche
oertoestanden. In zijn Reallexicon (art. "Keuschheit") wijst
O. Schrader er op, dat de dikwijls aangehaalde Tacitus, strikt
beschouwd, alleen kan dienen om te bewijzen, dat de vrouwen kuisch
waren na het huwelijk, en dat er geen prostitutie bestond. Er
kan geen twijfel aan bestaan, en, voegt hij er aan toe, het
vroegste historische bewijsmateriaal wijst er op, dat vrouwen
in het oude Duitschland niet kuisch waren vóor het huwelijk. Dit
feit is verborgen gebleven door de neiging van de oude klassieke
schrijvers om de Noordelijke volken te idealiseeren.
Zoo moeten we ons duidelijk voor oogen stellen, dat het begrip
"Duitsche deugd" dat aan de wereld door een lange reeks van
Duitsche schrijvers zoo bekend is geworden, in het geheel geen
bijzondere graad van toewijding aan de deugd der kuischheid
beteekent. Tacitus schijnt werkelijk op die plaats, die in
Duitschland meer aangehaald wordt dan eenige andere plaats in
de klassieke literatuur, terwijl hij met juistheid den nadruk
legt op de late puberteit van de Duitschers en hun ruwe wijze
van straffen van echtelijke ontrouw aan den kant van de vrouw,
er op te doelen, dat zij ook kuisch waren. Maar we moeten altijd
in herinnering houden, dat Tacitus schreef zoowel als sarcastisch
moralist als historicus, en dat hij, als hij in vervoering raakte
over de deugden van de Duitsche barbaren, een oog gevestigd
had op de galerij met Romeinen, wier ondeugden hij wenschte te
hekelen. Vrijwel dezelfde verwarring is geschapen door Gildas,
die, waar hij de gevolgen beschreef van de overwinning der
Saksen in Engeland, schreef als prediker zoowel als historicus,
en dezelfde moreele opzet (zooals Dill gezegd heeft) maakt het
beeld van Salvianus over de ondeugden van het Gallië van de vijfde
eeuw onwaar [267].
De vrijheid en de verdraagzaamheid van de sexueele gewoonten onder
de Russen is tamelijk welbekend. Zooals een Russisch correspondent
mij schrijft, "het liberalisme van de Russische manieren stelt
jonge mannen en jonge meisjes in staat volkomen onafhankelijkheid
te genieten. Zij bezoeken elkaar alleen, zij wandelen samen alleen,
en zij komen thuis zoo laat ze willen. Zij hebben een vrijheid van
beweging zoo volkomen als van volwassen personen; sommigen maken
er gebruik van om over politiek te praten en anderen om elkaar
het hof te maken. Zij kunnen zich ook alle boeken verschaffen,
die zij willen; zoo zag ik op de tafel van een meisjesstudentje,
dat ik kende, de Elements of Social Science, dat toen in Rusland
verboden was; dit meisje woonde bij haar tante, maar ze had haar
eigen kamer, waar alleen haar vrienden mochten binnen komen;
haar tante of andere familieleden kwamen er nooit. Natuurlijk
ging zij uit en kwam zij weer thuis op de tijden, die zij zelf
wilde. Vele andere vrouwelijke studenten genieten in haar families
dezelfde vrijheid. Dit is nu geheel anders dan in Italië, waar
meisjes geen vrijheid van bewegen hebben, en nòch alleen kunnen
uitgaan, nòch heeren alleen kunnen ontvangen, en waar, geheel
verschillend van Rusland, een meisje, dat sexueelen omgang gehad
heeft buiten het huwelijk, werkelijk "verloren" en "onteerd" is"
(vergelijk Sexual-Probleme, Aug., 1908, p. 506).
Het schijnt wel dat vrijheid van sexueele verhoudingen in
Rusland--afgezonderd van den invloed van de oude gewoonte--in
groote mate noodzakelijk gemaakt is door de moeilijkheid van het
echtscheiden. Getrouwde paren, die zich geen echtscheiding konden
verschaffen, gingen uiteen en vonden nieuwe deelgenooten zonder
wettig huwelijk. In 1907 werd echter een poging gedaan om dit
defect in de wet te herstellen; een liberale echtscheidingswet
is ingevoerd, terwijl wederzijdsch goedvinden met scheiding voor
den tijd van meer dan een jaar erkend wordt als een voldoende
grond tot echtscheiden (Bijblad bij Geschlecht und Gesellschaft,
Bd. II, Heft 5, p. 145).
In de laatste jaren heeft zich onder de ontwikkelde jonge
mannen en vrouwen in Rusland een neiging ontwikkeld tot sexueele
losbandigheid, die, hoewel ze ongetwijfeld ondersteund wordt door
de oude tradities van sexueele vrijheid, geenszins verward moet
worden met die vrijheid, omdat ze direct berust op oorzaken van een
geheel verschillende orde. De ingespannen revolutionaire pogingen,
die in de laatste jaren van de afgeloopen eeuw gedaan zijn om
politieke vrijheid te verkrijgen, hebben het jongere en meer
energieke deel van de ontwikkelde klassen in beslag genomen, hebben
een groote mate van geestelijke spanning met zich mee gebracht en
gingen vergezeld van een neiging tot ascetisme. Het vooruitzicht
van den dood stond hun voortdurend voor oogen, en het zich inlaten
met sexueele zaken zou gevoeld zijn als niet in harmonie met den
revolutionairen geest. Maar in deze eeuw is er in ruimen kring
een einde gekomen aan de revolutionaire werkzaamheid. Deze is in
hooge mate vervangen door een belangstelling in sexueele kwesties
en een toegeven aan sexueele ongebondenheid, die dikwijls een
eenigszins losbandig en zinnelijk karakter aanneemt. Vereenigingen
van "vrije liefde" zijn door de studenten van beide seksen gevormd
tot het aankweeken van deze neigingen. Een roman van Artzibascheff,
Ssanin, is van grooten invloed geweest op het verspreiden van
deze neigingen. Het is niet waarschijnlijk, dat deze beweging, in
haar meer buitensporige vormen, van langen duur zal zijn. (Voor
een verslag hierover zie men bv. van Werner Daya, "Die Sexuelle
Bewegung in Russland", Zeitschrift für Sexualwissenschaft,
Aug., 1908; ook "Les Associations Erotiques en Russe", Journal
du Droit International Privé, Jan., 1909, waarvan een beknopt,
doch volledig overzicht in de Revue des Idées, Febr., 1909).
De beweging voor de sexueele vrijheid in Rusland ligt echter
veel dieper dan deze mode van sexueele losbandigheid; ze wordt
gevonden in ver verwijderde en niet aan de mode onderhevige deelen
van het land, en ze staat in verband met zeer oude gewoonten.
Het is interessant, dat bij zulke mannelijke, krachtige, tot
schitterende praestaties bekwame volken, zooals de Duitschers
en de Russen, zich zoo lang een sexueele vrijheid heeft staande
gehouden, die men dikwijls ten onrechte als immoreel aangeduid
heeft, want wat in harmonie is met de zeden van een volk, kan
niet immoreel zijn. Het is misschien echter nog interessanter
de ontwikkeling na te gaan van dezelfde neiging onder nieuwe
bloeiende en in hooge mate vooruitgaande gemeenschappen, die
de gewoonte van sexueele vrijheid niet geërfd hebben, of ze nu
eerst weer zien herleven. We kunnen bv. het voorbeeld nemen van
Australië en Nieuw-Zeeland. Het kan zijn, dat deze ontwikkeling
niet van den jongsten datum is. De openlijkheid van de sexueele
vrijheid in Australië, en de verdraagzaamheid waarmee ze beoordeeld
werd, waren al dertig jaar geleden duidelijk merkbaar voor hen,
die uit Engeland kwamen om in het Zuidelijk vasteland te leven,
en waren ongetwijfeld al vroeger merkbaar. Ze schijnt echter
toegenomen te zijn met het aangroeiend bewustzijn van een eigen
beschaving. "Na zorgvuldig onderzoek", zegt H. Northcote, een
geestelijke, die vele jaren in het zuidelijk halfrond gewoond
heeft (Christianity and Sex Problems, Hoofdst. VIII), "vind ik
voldoende bewijsgronden, dat in de laatste jaren verkeer buiten
het huwelijk in sommige deelen van Australië bepaald aan het
toenemen is". Coghlan, de voornaamste autoriteit in Australische
statistieken constateert hetzelfde meer precies in zijn Childbirth
in New South Wales, dat eenige jaren geleden uitkwam: "Het veel
voorkomen van geboorten, waarvan de conceptie voor het huwelijk
heeft plaats gehad--een zaak, die tot nu toe weinig is begrepen--is
nu geheel onderzocht. In Nieuw Zuid-Wales waren in zes jaar 13.336
huwelijken, waarbij conceptie vóor het huwelijk voorkwam, en,
daar het geheele aantal huwelijken 49.641 was, volgden minstens
zeven van de honderd huwelijken na de conceptie. In dienzelfden
tijd bedroeg het aantal onwettige geboorten 14.779; er waren dus
28.145 gevallen van conceptie bij ongetrouwde vrouwen; in 13.366
gevallen ging het huwelijk vooraf aan de geboorte van een kind,
zoodat de kinderen gewettigd werden in meer dan zeven en veertig
van de honderd gevallen. Een studie van de cijfers van geboorten
bij conceptie vóor het huwelijk maakt het duidelijk, dat in een
zeer groot aantal gevallen het verkeer vóor het huwelijk niet is
een vooruit loopen op een huwelijk, dat reeds vastgesteld is,
maar dat de huwelijken aan de partijen opgedrongen worden, en
niet aangegaan zouden geworden zijn als het niet was geweest om
den toestand van de vrouw" (vergelijk Powys, Biometrika, deel I,
1901-'02, p. 30). Dat een huwelijk, naar Coghlan het uitdrukt,
"aan de partijen opgedrongen" zou worden is natuurlijk niet
wenschelijk in het algemeen moreel belang, en het is ook een teeken
van onvolkomen moreele verantwoordelijkheid bij de partijen zelf.
Het bestaan van zulk een toestand in een jong land, dat behoort tot
een deel van de wereld, waar het algemeene niveau van welvaart,
verstand, moraal en maatschappelijke verantwoordelijkheid
waarschijnlijk wel hooger is dan in eenig ander land, bewoond door
menschen van het blanke ras, is voor ons, die trachten de richting
te voorspellen, waarin de beschaafde moraal zich voortbeweegt,
een feit van de allergrootste beteekenis.
Er wordt soms gezegd, of ten minste te verstaan gegeven, dat in deze
beweging de vrouwen alleen maar een lijdelijke rol spelen, en dat het
initiatief ligt bij de mannen, die waarschijnlijk gedreven worden
door de begeerte zich aan de verantwoordelijkheid van het huwelijk
te onttrekken. Dit is in het geheel niet het geval.
Op de actieve rol, die Duitsche meisjes in sexueele zaken
spelen is herhaaldelijk gewezen door de Luthersche dominées in
hun breedvoerige en in bijzonderheden gaande verslagen. Van het
district Dantzig wordt gezegd "de jonge meisjes geven zich aan de
jonge mannen, of verleiden hen zelfs". De militaire manoeuvres zijn
dikwijls een bron van onkuischheid in landelijke districten. "De
fout ligt niet alleen bij de soldaten, maar vooral bij de meisjes,
die half dol worden, als ze een soldaat zien", wordt vermeld van
het district Dresden. En bij het samenvatten van de toestanden in
Oostelijk Duitschland zegt het rapport: "In sexueele losbandigheid
staan de meisjes niet achter bij de jonge mannen; zij laten zich
maar al te gemakkelijk verleiden; zelfs volwassen meisjes gaan
dikwijls met halfwas jongens, en meisjes geven zich dikwijls aan
verscheiden mannen achtereen. Het is in het geheel niet altijd
de jonge man, die de oorzaak is van de verleiding, het zijn zeer
dikwijls de meisjes, die de jonge mannen verleiden tot sexueelen
omgang; zij wachten niet altijd tot de mannen naar haar kamer
komen, maar gaan naar de kamers van de mannen en wachten ze op
in hun bed. Met deze neiging tot sexueelen omgang is het niet te
verwonderen, dat vele menschen meenen, dat na haar zestiende jaar
geen meisje meer maagd is. Onkuischheid is onder de arbeidende
bevolking op het land zeer algemeen, en ze komt evenveel voor
bij beide geslachten" (op. cit., deel I, p. 218).
Onder vrouwen van de ontwikkelde klassen zijn de toestanden
eenigszins anders. De remmen zijn hier innerlijk zoowel als
uiterlijk veel sterker. De jonkvrouwelijkheid wordt, ten
minste wat het physieke aangaat, meestal bewaard tot lang na
den meisjesleeftijd, en als ze verloren is gegaan, wordt dat
verlies verborgen met een nauwgezette zorg en voorzichtigheid,
die niet bekend zijn onder de werkmansbevolking. Toch blijven de
grondneigingen dezelfde. Wat Engeland betreft, schrijft Geoffrey
Mortimer geheel naar waarheid (Chapters on Human Love, 1898,
p. 117), dat de twee groepen van vrouwen, die in voortdurende
geheime verstandhouding leven met een enkelen minnaar, en van
vrouwen, die zich onbevreesd aan mannen geven uit de kracht van
haar hartstochten, "veel grooter zijn, dan algemeen geloofd
wordt. In alle klassen van de maatschappij zijn er vrouwen,
die alleen in naam jonkvrouwelijk zijn. Velen hebben kinderen
gehad zonder dat iemand ze zelfs van gemeenschap met een man zou
durven verdenken; maar de meesten nemen middelen in acht om de
conceptie te voorkomen. Een dokter in een kleine provinciestad
vertelde mij, dat zulke onregelmatige verbintenissen in zijn
district regel waren en geenszins uitzondering". Wat Duitschland
betreft zegt Frau Adams-Lehmann, een vrouwelijke dokter, in een
werk over de handelingen van de Duitsche maatschappij tot het
bestrijden van venerische ziekten (Sexualpädagogik, p. 271):
"Ik kan zeggen, dat ik op mijn spreekuur zeer weinig jonkvrouwen
van boven de dertig zie. Deze vrouwen", voegt zij er aan toe,
"zijn verstandig, moedig en natuurlijk, dikwijls de besten van
haar sekse; en wij moesten haar onzen moreelen steun geven. Zij
bereiden den weg voor een nieuwe eeuw".
Er wordt dikwijls gezegd, dat de uitgesproken neiging, die men
tegenwoordig waarneemt om zoolang mogelijk zich te behelpen zonder
de formeele ceremonie van het bindende huwelijk ongelukkig is, omdat
ze de vrouwen in een onvoordeelige positie plaatst. In zooverre de
maatschappelijke omgeving, waarin zij leeft, sexueele verhoudingen
zonder vormelijk huwelijk met afkeuring beschouwt, is het gezegde
klaarblijkelijk waar, hoewel men aan den anderen kant moet opmerken,
dat als de maatschappelijke omgeving het wettige huwelijk ernstig
begunstigt, ze werkt als een drijfkracht in de richting van het
wettigen van vrije verbintenissen. Maar als de afwezigheid van den
formeelen huwelijksband in sexueele verhoudingen een werkelijk en echt
nadeel was voor vrouwen dan zouden ze zich niet steeds meer gereed
toonen er afstand van te doen. En zij, die nauwkeurig bekend zijn
met de feiten, verklaren dat de afwezigheid van een formeel huwelijk
dikwijls meerdere égards voor de vrouwen geeft en dat ze zelfs gunstig
is aan de trouw en den duur van de vereeniging. Dit schijnt waar
te zijn voor menschen van de meest verschillende maatschappelijke
klassen en zelfs voor verschillende rassen. Het is waarschijnlijk
gebaseerd op fundamenteele psychologische feiten, want het gevoel
van dwang pleegt altijd een toestand van verbittering en opstand te
voorschijn te roepen. Wij hebben op deze plaats niet te onderzoeken
in hoeverre het formeele huwelijk gebaseerd is op natuurlijke feiten;
dat is een kwestie, die wij in een later stadium zullen bespreken.
Dat vrije verbintenissen voor vrouwen de voorkeur verdienen boven
dwanghuwelijken, blijkt wel uit het geval van de arbeidende klassen
van Londen, onder wie sexueele verhoudingen vóór het huwelijk
niet ongewoon zijn, en met toegevendheid beschouwd worden. Dat
wordt, bij voorbeeld, duidelijk te kennen gegeven in het groote
werk van C. Booth, Life and Labour of the People. "Het wordt
zelfs gezegd van ruwe arbeiders", lezen wij bij voorbeeld in
het laatste deel van dit werk (p. 41), "dat zij zich het best
gedragen, als ze niet getrouwd zijn met de vrouw, met wie ze
leven". Het bewijs op dit punt maakt dikwijls te meer indruk,
omdat het geleverd wordt door menschen, die er werkelijk zeer ver
vandaan zijn, er algemeene conclusies op te willen baseeren. Zoo
wordt in hetzelfde boek een geestelijke aangehaald, die zegt:
"Deze menschen spelen het klaar tamelijk vreedzaam samen te
leven zoo lang zij niet getrouwd zijn, maar als ze trouwen,
schijnt dit altijd aanleiding te geven tot oneenigheid".