Guiffrida-Ruggeri (Atti della Società Romana di Antropologia, 1897,

p. 216), vond bij het onderzoek van acht en twintig prostituées

onregelmatigheden in de volgende orde van afnemende frequentie:

neiging van de wenkbrauwen elkaar te ontmoeten, gebrek aan

symmetrie van het hoofd, druk aan den wortel van den neus,

onvoldoende ontwikkeling van de kuiten, hypertrichosis en andere

afwijkingen van haar, vooruitstekend jukbeen, vooruitspringend

voorhoofd en abnormale inplanting van de tanden, Darwinsche

oor-tuberkel, dunne verticale lippen. Deze kenteekenen zijn ieder

afzonderlijk van weinig of geen belang, hoewel ze te samen niet

zonder beteekenis zijn als een aanwijzing van algemeene afwijking.

Later komt Ascarilla, in een uitgebreide studie (Archivio di

Psichiatria, 1906, afl. VI, p. 812), over de vingerafdrukken van

prostituées tot de conclusie, dat zelfs in dit opzicht prostituées

eenigermate een klasse vormen, die morphologische inferieuriteit

vertoont met normale vrouwen. De modellen vertoonen ongewone

eenvoudigheid en gelijkvormigheid en de beteekenis hiervan wordt

aangetoond door het feit, dat een zelfde gelijkvormigheid vertoond

wordt door de vingerafdrukken van krankzinnigen en doofstommen

(De Sanctis en Toscano, Atti Società Romana Antropologia, deel

VIII, 1901, afl. II.)

In Chicago heeft Dr. Harriet Alexander, te zamen met

Dr. E. S. Talbot en Dr. J. G. Kiernan in het Bridewell of

verbeteringshuis dertig prostituées onderzocht; alleen de

"domme" klasse van beroepsprostituées komen in deze instelling,

en het kan daarom geen verwondering wekken dat zij meer bepaalde

teekenen van degeneratie vertoonden. In ras waren bijna de helft

van degenen die onderzocht werden Keltisch Iersch. Bij zestien

waren de zygomatische processen ongelijk en zeer in het oog

springend. Andere asymmetrieën van het gezicht waren gewoon. In

drie gevallen waren de hoofden van Mongoolsch type; zestien waren

epignatisch, en elf prognatisch; vijf vertoonden remming van

den groei van het gezicht. Brachycephalie was overheerschend

(zeventien gevallen); de rest was mesaticephalitisch; geen

was dolichocephalitisch. Abnormaliteiten in den vorm van den

schedel waren er vele, en vijf en twintig hadden verkeerd gevormde

ooren. Vier waren beslist krankzinnig, en een was een epileptica

(H. C. Alexander, "Physical Abnormalities in Prostitutes", Chicago

Academy of Medicine, April 1893; E. S. Talbot, Degeneracy, p. 320;

Id., Irregularities of the Teeth, vierde uitgave, p. 141).

Het schijnt over het geheel wel, voor zoover het bewijsmateriaal

op het oogenblik strekt, dat prostituées niet volkomen normale

vertegenwoordigsters zijn van den stand, waarin zij geboren zijn. Er

is een keuze-proces geweest van individuen, die door haar aangeboren

eigenschappen afwijken van het normale gemiddelde, en die dus

in lichte mate ongeschikt zijn voor het normale leven [184]. De

psychische eigenaardigheden, die met zulk een afwijking samengaan,

zijn niet altijd bepaald ongunstig; het licht neurotische meisje van

lagen stand--dat niet houdt van hard werken, uit geringe energie, en

dat misschien gulzig is en zelfzuchtig--kan zelfs een verfijning boven

haar stand schijnen te bezitten. Terwijl er echter onder prostituées

een neiging tot afwijking is, moet het duidelijk erkend worden, dat

die neiging gering is zoolang wij de geheele klasse van prostituées

onpartijdig beschouwen. Die navorschers, die tot de conclusie

zijn gekomen dat prostituées een zeer gedegenereerde en abnormale

klasse zijn, hebben alleen maar speciale groepen van prostituées

geobserveerd, meer speciaal degenen, die dikwijls in de gevangenis

gevonden worden. Het is onmogelijk een juist denkbeeld te vormen van

prostituées als we ze alleen in de gevangenis bestudeeren, evenmin

als het mogelijk zou zijn een juist denkbeeld te vormen van dominees,

dokters of advocaten door ze alleen in de gevangenis te bestudeeren;

dit blijft waar, al komt een veel grooter deel der prostituées dan van

de leden der meer geachte beroepen in de gevangenis; dat feit verklaart

ongetwijfeld voor een deel de grootere abnormaliteit van prostituées.

We moeten natuurlijk in de herinnering houden dat de speciale

levensvoorwaarden van prostituées er toe leiden het optreden van

bepaalde beroeps-eigenaardigheden te veroorzaken, die volkomen

kunstmatig verkregen zijn en niet aangeboren. Zoo kunnen we

verklaren de geleidelijke wijziging van de vrouwelijke secundaire

en tertiaire sexueele eigenaardigheden, en het optreden van

mannelijke eigenaardigheden, zooals de veel voorkomende diepe stem,

enz. [185]. Maar als we voldoende rekening houden met deze kunstmatig

verkregen eigenaardigheden, blijft het toch waar, dat de vergelijking

der uitkomsten van de verschillende onderzoekingen die tot dusverre

gedaan zijn, mogen ze dan niet geheel overtuigend zijn, er toch op

schijnen te wijzen dat, zelfs afgezonderd van het overheerschen van

kunstmatig verkregen afwijkingen, de beroepskeuze, die individuen

afzondert van de algemeene bevolking van een zelfde maatschappelijke

klasse, die anthropometrische eigenaardigheden hebben; deze varieeren,

maar behooren toch tot dezelfde soort. De gedane waarnemingen schijnen

aan te duiden, dat prostituées over het algemeen niet in gewicht

boven het middelmatige zijn, niet in gestalte; dat ze korter armen

hebben, hoewel de handen langer zijn (dit is zoowel in Italië als

in Rusland gevonden); zij hebben dunner enkels en zwaarder kuiten

en betrekkelijk nog zwaarder dijen. De geraamde schedelinhoud,

de omtrek en de doorsnede van den schedel zijn eenigszins beneden

het middelmatige, niet alleen wanneer ze vergeleken worden met

respectabele vrouwen, maar ook in vergelijking van misdadigsters;

er is een neiging tot brachycephalie (in Italië en Rusland beide); de

wangbeenderen springen gewoonlijk vooruit en de kaken zijn ontwikkeld;

het haar is donkerder dan bij respectabele vrouwen, hoewel niet zoo

donker als bij dieveggen; het is gewoonlijk overvloedig, niet alleen op

het hoofd maar ook op de schaamdeelen en elders; men heeft bevonden,

dat de oogen bepaald donkerder waren dan die van hetzij respectabele

vrouwen, hetzij misdadigsters [186].

Voor zoover het bewijsmateriaal gaat, dient het om aan te toonen,

dat prostituées over het algemeen het type naderen dat we zooals in

het voorafgaande deel aangetoond is, met reden kunnen beschouwen als

speciaal te wijzen op ontwikkelde sexualiteit. Het is echter onnoodig

deze kwestie te bespreken voordat onze anthropometrische kennis van

prostituées meer omvattend en meer precies is.

3. De moreele rechtvaardiging van de prostitutie.--Er zijn

moralisten--zij zijn er altijd geweest en vele van hen zijn menschen

wier opinie de ernstigste achting verdient--die meenen, dat mits

de hygiënische voorwaarden verbeterd worden, het bestaan van de

prostitutie geen ernstig probleem ter oplossing biedt. Ze is, zeggen

zij, op zijn slechtst, een noodzakelijk kwaad, en, op zijn best, een

weldadige instelling, het bolwerk van het tehuis, de onvermijdelijke

keerzijde van het huwelijk. "De immoreele bewaakster van de publieke

moraal", is de definitie van prostituées gegeven door een schrijver,

die de zaak van een laag standpunt beschouwt, en een ander, die de

zaak meer verheven bekijkt, schrijft: "De prostituée vervult een

maatschappelijke zending. Zij is de bewaakster van de maagdelijke

kuischheid, het afvoerkanaal voor overspelige begeerte, de beschermster

van getrouwde vrouwen, die een laat moederschap vreezen; het is

haar rol op te treden als schild voor "het gezin"". "Als vrouwelijke

Decii", zeide Balzac in zijn Physiologie du Mariage van prostituées,

"offeren zij zich op voor de republiek en maken van haar lichamen een

borstwering ter bescherming van respectabele families". Op dezelfde

wijze noemde Schopenhauer prostituées "menschelijke slachtoffers

op het altaar der monogamie". Lecky vereenigt, in een vele malen

aangehaalde passage der rhetorica [187] het hoogere en het lagere

standpunt over de prostituée in de menschelijke maatschappij, en

hij tracht er zelfs een priesterlijk karakter aan te geven. "Het

uiterste type van de ondeugd", verklaarde hij, "is ten slotte de meest

krachtdadige bewaakster van de deugd. Als zij er niet was, zou de

ongerepte reinheid van onnoemelijk veel huizen besmet zijn, en niet

weinige van de vrouwen, die in den trots van haar niet in verleiding

gebrachte kuischheid aan de prostituée denken met een siddering van

verontwaardiging, zouden zonder haar de ellenden van berouw en van

wanhoop gekend hebben. Op die eene onteerde en onwaardige gestalte

zijn al de hartstochten geconcentreerd, die de wereld met schande

hadden kunnen vullen. Zij blijft, terwijl geloofsbelijdenissen en

maatschappijen opkomen en te gronde gaan, de eeuwige priesteres van

de menschelijkheid, bezoedeld door de zonden van het volk" [188].

Ik weet niet, of de Grieken ernstig gedacht hebben over de moreele

rechtvaardiging van de prostitutie. Zij hadden haar geen bijzonder

hinderlijke vormen laten aannemen en voor het grootste deel waren ze

bereid haar te aanvaarden. De Romeinen namen ze gewoonlijk ook aan,

maar, naar ons toeschijnt, niet zoo gemakkelijk. Er was een strenge,

ernstige, bijna Puriteinsche geest in de Romeinen van de oude garde en

soms schijnen zij de behoefte gevoeld te hebben zich te verzekeren,

dat de prostitutie werkelijk moreel te rechtvaardigen was. Het

is van belang op te merken, dat zij zich graag in de herinnering

brachten dat Cicero gezegd had, dat hij blij was als hij een man uit

een bordeel zag komen, omdat hij anders misschien de vrouw van zijn

buurman onteerd zou hebben [189].

De maatschappelijke noodzakelijkheid van de prostitutie is het

oudste van al de argumenten van moralisten, die het dulden van

prostituées prediken; en als we de eeuwige geldigheid aannemen van

het huwelijkssysteem, waarmee tegelijk de prostitutie zich ontwikkeld

heeft, en van de theoretische moraal, die op dat systeem gebaseerd is,

dan is dit een zeer krachtig, zoo niet een onweerlegbaar argument.

De komst van het Christendom, met zijn speciale houding jegens

het "vleesch" veroorzaakte noodzakelijk een enorme toename van

belangstelling voor de moreele gezichtspunten van de prostitutie. Toen

de prostitutie niet veroordeeld werd, werd het natuurlijk noodzakelijk

haar te rechtvaardigen; het was niet mogelijk voor een kerk met min of

meer ascetische idealen zulk een zaak met welwillende onverschilligheid

te behandelen. Als regel schijnen we wel overal te vinden, dat de

meer onafhankelijke geestelijken, die geen verantwoording hadden,

geneigd waren ze te veroordeelen, terwijl die theologen, die de zware

verantwoordelijkheden van kerkelijk staatmansschap op hun schouders

geladen hadden, over 't algemeen getoond hebben de prostitutie

te rechtvaardigen, zij het dan ook aarzelend. Hiervan hebben we

een uiterst belangrijk voorbeeld in den heiligen Augustinus, na

den heiligen Paulus den voornaamsten stichter van de Christelijke

kerk. In een verhandeling in 386 geschreven om de goddelijke regeling

van de wereld te rechtvaardigen, verklaart hij dat, evenals de beul,

hoe terugstootend hij ook zijn mag, een noodzakelijke plaats in

de maatschappij inneemt, evenzoo de prostituée en haars gelijken,

hoe vuil en leelijk en slecht zij ook zijn mogen, noodzakelijk zijn;

verban de prostituées uit de maatschappij en gij zoudt de wereld met

wellust bezoedelen: "Aufer meritrices de rebus humanis, turbaveris

omnia libidinibus" [190]. Aquino, de eenige theologische denker van

het Christendom, die tegelijk met Augustinus genoemd kan worden,

was in deze kwestie van de prostitutie van dezelfde meening als

hij. Hij hield vol, dat ontucht doodzonde was, maar hij nam de

noodzakelijkheid aan van de prostitutie, als een nuttig deel van

den bouw der maatschappij, en hij vergelijkt ze bij de afvoerkanalen

van een paleis [191]. "Prostitutie in steden is gelijk aan het riool

in een paleis; neem de riolen weg en het paleis wordt een onreine,

stinkende plaats". Liquori, de meest invloedrijke theoloog van den

nieuweren tijd, was van dezelfde meening.

Deze aarzelende en half toegevende houding jegens de prostitutie

hebben de theologen inderdaad over het algemeen aangenomen. Sommige

wilden, in navolging van Augustinus en Aquino, de prostitutie dulden

om grooter kwaad te voorkomen; anderen waren er geheel en al tegen; en

weer anderen wilden ze in de steden toelaten, maar nergens anders. Het

werd echter algemeen door theologen aangenomen, dat de prostituée

recht heeft op haar loon, en dat ze niet verplicht is het terug te

geven [192]. De vroegere moralisten van het Christendom vonden het

niet moeilijk staande te houden, dat er geen zonde in is een huis

te verhuren aan een prostituée tot het uitoefenen van haar bedrijf;

absolutie werd hiervoor altijd gegeven en onthouding niet geëischt

[193]. Ontucht bleef echter altijd een zonde en van de twaalfde

eeuw af heeft de kerk een reeks van pogingen gedaan om prostituées

te bekeeren. Alle Katholieke theologen zijn van meening, dat een

prostituée verplicht is de zonde der prostitutie te biechten, en de

meeste theologen, hoewel niet alle, hebben gemeend, dat ook een man

den omgang met een prostituée moet biechten. Terzelfder tijd, dat er

een zekere toegevendheid was jegens de prostituée zelf, was de kerk

altijd zeer streng jegens hen, die leefden van de voordeelen van het

bevorderen van de prostitutie, jegens de lenones. Zoo weigerde het

Concilie van Elvira, dat bereid was zonder boetedoening de prostituée

die trouwde, te ontvangen, absolutie te geven, zelfs bij hun dood,

aan personen, die schuldig geweest waren aan lenocinium [194].

Het protestantisme, dat den biechtstoel opgeruimd had, kon in deze,

evenals in vele andere zaken van sexueele moraal gewoonlijk aan de

noodzakelijkheid ontsnappen eenige bepaalde en verantwoordelijke

uitleggingen te geven over de moreele positie van de prostitutie. Zoo

het al eenige meening te kennen gaf, of eenige praktische voorschriften

trachtte in te leiden, dan grondde het zich natuurlijk op de

bijbelsche bevelen tegen de ontucht, zooals ze uitgedrukt zijn door

den heiligen Paulus, en het toonde geen genade voor de prostitutie,

noch verdraagzaamheid. Deze houding, de houding der Puriteinen, was

des te gemakkelijker in Protestantsche landen, met uitzondering van

speciale districten op bepaalde tijden--zooals Genève en Nieuw-Engeland

in de zeventiende en de achttiende eeuw--omdat theologen in deze landen

eerder geroepen zijn geweest godsdienstige vermaningen te geven dan

praktische politiek toe te passen. Deze laatste taak hebben ze aan

anderen overgelaten, en zoo is er dikwijls een zekere verwarring en

onzekerheid ontstaan in den geest van den protestantschen leek. Deze

weifelende houding der theologen wordt in Engeland zeer duidelijk

gemaakt door Burton, een nadenkend en ernstig auteur, die een eeuw

na de hervorming schrijft. Hij verwijst met gemengden bijval naar

"onze Pseudo-Katholieken", die streng zijn jegens echtbreuk, maar

toegevend jegens ontucht; zij zijn het misschien eens met Cato, dat

de laatste aangemoedigd moet worden om erger verkeerdheden thuis

te vermijden, en die meent, dat bordeelen "even noodzakelijk zijn

als kerken" en dat het goed is heele huizen "vol courtisanen in de

steden te houden". "Zij houden het voor onmogelijk", gaat hij voort,

"dat niets uitvoerende jonge menschen als ze jong, rijk en vroolijk

zijn, dat zooveel knechts en monniken, fatsoenlijk zouden leven,

zij noemen het een te tyrannieken last hen te dwingen kuisch te zijn,

en kunnen absoluut niet toestaan, dat arme mannen, jongere broeders

of soldaten trouwen zouden, evenmin als zieke menschen, ordebroeders,

priesters of bedienden. Om dus zoowel den een als den ander tevreden

te stellen, verdragen zij deze soort van bordeelen en schuilhoeken en

doen er een oogje voor toe. Vele argumenten hebben zij om te bewijzen,

dat ze wettig en noodzakelijk zijn, en dat ze geduld moeten worden,

evenals de woeker; zonder kwestie is er in de politiek niets tegen

in te brengen, maar veel in den godsdienst" [195].

Niet voor het begin van de volgende eeuw is het oude argument

van Augustinus ter moreele rechtvaardiging van de prostitutie in

het protestantsche Engeland moedig en beslist uiteengezet door

Bernard Mandeville in zijn Fable of the Bees; toen het boek voor

het eerst uitkwam, scheen men het zoo stuitend te vinden, dat het

verboden werd. "Als courtisanen en sletten vervolgd moesten worden

met zooveel gestrengheid als sommige menschen het zouden willen",

schreef Mandeville, "wat voor sleutels en grendels zouden we dan wel

moeten hebben om de eer van onze vrouwen en meisjes te bewaren?... Het

is duidelijk, dat het noodig is een deel der vrouwen op te offeren

om het andere deel te beschermen en vuilheid van nog erger soort

te voorkomen. Daaruit meen ik dat ik met recht mag besluiten, dat

kuischheid gesteund kan worden door uitspatting, en dat de beste der

deugden de hulp noodig heeft van de ergste der ondeugden" [196]. Na

den tijd van Mandeville begon deze beschouwing van de prostitutie

gewoon te worden in protestantsche zoowel als in andere landen,

hoewel ze gewoonlijk niet zoo duidelijk uitgedrukt werd.

Het kan van belang zijn een paar meer moderne voorbeelden samen

te brengen van gezegden, die voor de moreele rechtvaardiging van

de prostitutie spreken.

Zoo legt in Frankrijk Meusnier de Querlon in zijn geschiedenis van

Psaphion, geschreven in het midden van de achttiende eeuw, vele

zeer belangwekkende overdenkingen over het leven en de positie

van de prostituée in den mond van een Grieksche courtisane. Zij

verdedigt haar beroep met veel bekwaamheid en zegt dat, terwijl

mannen zich verbeelden dat prostituées alleen maar de verachte

slachtoffers zijn van hun genoegens, deze vermeende tyrannen

in werkelijkheid het slachtoffer worden; dat zij de behoeften

bevredigen van de vrouwen, die zij onder hun voeten vertrappen,

en dat zij zelve in gelijke mate de verachting verdienen,

waarmee zij haar behandelen. "Wij betalen walging met walging,

zooals zij zeker wel moeten bemerken. Wij geven hun dikwijls

niets dan een standbeeld, en als zij zich verhit aan ongevoelige

bekoorlijkheden te goed doen, genieten wij in rustige koelheid

hun zinnelijkheid. Dan hernemen wij onze rechten. Wat warm bloed

heeft deze trotsche schepsels aan onze voeten gebracht en ons

meesteressen gemaakt van hun lot. Aan welke zijde, vraag ik u,

is het voordeel?" Maar alle mannen, voegt zij er bij, zijn niet

zoo onrechtvaardig jegens de prostituée, en zij gaat voort,

niet zonder lichte ironie, een lofrede te houden op het nut,

het gemak en de voordeelen van het bordeel.

Een groot aantal van de moderne schrijvers over de prostitutie

noemen met nadruk den maatschappelijk weldadigen aard ervan. Zoo

eindigt Charles Richard zijn boek over dit onderwerp met deze

woorden: "Het gedrag van de maatschappij jegens de prostitutie

moet uitgaan van het principe van dankbaarheid zonder valsche

schaamte, voor het nut ervan en medelijden voor de arme schepsels,

ten koste van wie dit nut verkregen wordt" (La Prostitution devant

le Philosophe, 1882, p. 171). "Het huwelijk duurzaam maken is het

moeilijk maken", merkt een Amerikaansch medisch schrijver op;

"het moeilijk maken is het uitstellen; het uitstellen is in

de gemeenschap houden een toenemend aantal sexueel volkomen

individuen, met normale, of in gevallen waar langdurige

onderdrukking is geweest, overmatige sexueele begeerte. Het

maatschappelijk kwaad is het natuurlijk gevolg van de physieke

natuur van den mensch, zijn geërfde impulsen, en de kunstmatige

omstandigheden, waaronder hij gedwongen is te leven" ("The Social

Evil", Medicine, Augustus en September, 1906). Woods Hutchinson

beschouwt, terwijl hij met sterke afkeuring van de prostitutie

spreekt en prostituées beschouwt als "de ergste exemplaren van haar

sekse", toch de prostitutie als een maatschappelijke werking van

de hoogste waarde. "Uit een medisch-economisch gezichtspunt noem

ik haar een van de groote selectieve en elimineerende factoren

van de natuur en van de hoogste waarde voor de gemeenschap. We

kunnen ze in het ruwe karakteriseeren als een veiligheidsklep

voor de instelling van het huwelijk" (The Gospel According to

Darwin, p. 193; cf. het artikel van denzelfden schrijver over

"The Economics of Prostitution", opgesomd in Boston Medical and

Surgical Journal, November 21, 1895). Adolf Gerson zegt in ongeveer

denzelfden geest ("Die Ursache der Prostitution", Sexual-Probleme,

September 1908), dat "prostitutie een van de middelen is die de

natuur gebruikt om de teelkracht der menschen te beperken, en

vooral om den tijd der sexueele rijpheid te verschuiven". Molinari

meent, dat de maatschappelijke voordeelen van de prostitutie van

het begin af op verschillende wijzen tot uiting zijn gekomen;

door bijvoorbeeld de meer overmatige uitingen van de sexueele

impuls onvruchtbaar te maken nam de prostitutie de noodzakelijkheid

weg van kindermoord op overtollige kinderen en leidde ze tot het

tegengaan van die primitieve methode om de bevolking te beperken

(G. de Molinari, La Viriculture, p. 45). Op geheel andere wijze dan

die, vermeld door Molinari, heeft de prostitutie zelfs in zeer late

tijden geleid tot het laten varen van kindermoord. In de Chineesche

provincie Ping-Yang zegt Matignon, was het vele jaren geleden niet

ongewoon voor arme ouders om 40 percent van hun pasgeboren meisjes

te dooden, of zelfs allemaal, want zij waren te duur om ze op te

voeden en ze brachten niets in, omdat mannen, die wilden trouwen,

gemakkelijk een vrouw konden krijgen in de naburige provincie

Wenchu, waar vrouwen zeer gemakkelijk te krijgen waren. Nu

maakt echter de betere verbinding met Shang-Hai per stoomboot

het zeer gemakkelijk voor meisjes de bordeelen van Shang-Hai te

bereiken, waar zij geld kunnen verdienen voor haar families;

de gewoonte haar te dooden is daarom uitgestorven (Matignon,

Archives d'Anthropologie Criminelle, 1896. p. 72). "Onder de

tegenwoordige omstandigheden", schrijft Dr. F. Erhard ("Auch

ein Wort zur Ehereform", Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang

1, Heft 9), "is prostitutie (in de ruimste beteekenis, vrije

verhoudingen medegerekend) noodig, opdat jonge menschen de vrouwen

eenigermate kunnen leeren kennen, want conventioneele conversatie

is daarvoor niet voldoende; een juiste kennis van de vrouwelijke

gedachtengang is echter noodig voor een goede keuze, daar het maar

zelden mogelijk is zich te verlaten op de betrouwbaarheid van het

instinct. Het is ook goed, dat mannen zich de horens afloopen vóor

het huwelijk, want de polygame neiging zal ergens doorbreken. De

prostitutie zal alleen die mannen bederven, aan wie niet veel

te bederven is, en als zij zoo het verlangen naar het huwelijk

verliezen, dan zouden hun ongeboren kinderen reden hebben dankbaar

te zijn". Neisser, Näcke en vele anderen hebben voor de prostitutie

gepleit en zelfs voor bordeelen, als "noodzakelijk kwaad".

Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat velen zelfs van de sterkste

voorstanders van de moreele voordeelen der prostitutie meenen, dat

eenige verbetering nog wel wenschelijk is. Zoo verwacht Bérault een

tijd, waarop van overheidswege bewaakte bordeelen minder veracht

zullen zijn. Verschillende verbeteringen kunnen ze, meent hij,

in de naaste toekomst "ontdoen van de barbaarsche eigenschappen,

die ze voor de sceptische of onwetende menigte verachtelijk

maken, terwijl hun tastbare voordeelen een einde zullen maken

aan de minachting, die opgewekt wordt door hun cynisch aanzien"

(La Maison de Tolérance, Thèse de Paris, 1904).

4. De beschavingswaarde van de prostitutie.--Het moreele argument voor

de prostitutie is gebaseerd op het geloof, dat ons huwelijkssysteem zoo

oneindig kostbaar is, dat een instelling, die als bolwerk ervoor dient

in stand gehouden moet worden, hoe leelijk of hoe verwerpelijk op zich

zelf zij ook is. Er is echter een ander argument ter ondersteuning

van de prostitutie, waarop ternauwernood de nadruk valt dien het

verdient. Ik bedoel haar invloed, voor zoover ze een element van

vroolijkheid en afwisseling, dat op een of andere wijze noodzakelijk

is, voegt in de geordende samenstelling van het moderne leven, een

verlichting van den sleur der mechanische routine een afleiding in de

saaie en fatsoenlijke eentonigheid ervan. Dit is wat anders dan de

meer specifieke functie van de prostitutie als een veiligheidsklep

voor overtollige sexueele energie, en dit kan zelfs van beteekenis

worden voor hen, die weinig of geen omgang hebben met prostituées. Dit

element kunnen we noemen de beschavingswaarde van de prostitutie.

Het zijn niet alleen de algemeene eigenschappen van de beschaving,

maar meer speciaal de eigenschappen van het stadsleven, die dezen

factor van beteekenis maken. Het stadsleven legt door den druk van

de concurrentie een zeer strenge en veel krachten eischende routine

op van vervelend werk. Terzelfder tijd maakt het mannen en vrouwen

meer gevoelig voor nieuwe indrukken, meer verlangend naar opwinding

en verandering. Het vermeerdert de gelegenheden tot maatschappelijken

omgang; het vermindert de kansen op ontdekking van onwettigen omgang,

terwijl het meteen het sluiten van een huwelijk verzwaart, want doordat

het de maatschappelijke ambities en de uitgaven verhoogt, verschuift

het den tijd, waarop een huisgezin kan opgezet worden. Het stadsleven

verschuift het huwelijk en maakt toch de middelen van vergoeding voor

het huwelijk meer dringend noodzakelijk [197].

Er kan niet de minste twijfel aan zijn, dat dit de beweegreden is--de

poging om de onvolkomen gelegenheden voor zelfontwikkeling, die onze

mechanische en arbeidzame maatschappij vol beperkingen aanbiedt, aan

te vullen--die een van de voornaamste oorzaken vormt, die vrouwen

er toe brengt, tijdelijk of voor goed, het leven van prostituée te

kiezen. Wij hebben gezien, dat de economische factor, zooals vroeger

gemeend werd, geenszins de hoofdrol speelt bij deze keuze. En er is

ook geen reden om te veronderstellen, dat een buitengewoon sterke

sexueele impuls de leidende factor is. Maar een groot aantal jonge

vrouwen keeren zich instinctief naar het leven van prostituée, omdat

zij bewogen worden door een duisteren drang, die ze haast zelf niet

kunnen verstaan of uitleggen, en waarvan ze zich dikwijls schamen

hem te openbaren. Het is daarom verwonderlijk, dat deze beweegreden

zoo'n groote plaats inneemt, zelfs in de formeele statistieken van

de prostitutie. Merrick vond in Londen, dat 5000, of bijna een derde

van de prostituées, die hij onderzocht, met liefde een tehuis of een

betrekking opgaven "voor een leven van pleizier", en hij acht dit

de hoofdreden voor de prostitutie [198]. In Amerika vond Sanger dat

"neiging" bijna bovenaan stond onder de oorzaken voor de prostitutie,

terwijl Woods Hutchinson vond, dat "liefde tot vertoon, weelde

en ijdelheid" op verre na de eerste plaats innamen. "Verveling en

tegenzin tegen het werk" is de reden, die aangegeven wordt door een

groot aantal Belgische meisjes, als zij aan de politie haar wensch

te kennen geven om als prostituées ingeschreven te worden. In Italië

meent men, dat een gelijke beweegreden een belangrijke rol speelt. In

Rusland komt "verlangen naar vermaak" op de tweede plaats onder de

oorzaken van de prostitutie. Ik geloof, dat er geen twijfel aan kan

zijn, dat, zooals een oplettend waarnemer van het Londensche leven

gezegd heeft, het probleem van de prostitutie "in den grond is een

wild en onweerstaanbaar verlangen naar opwinding, een ernstige en

opzettelijke opstand tegen de eentonigheid van alledaagsche idealen,

en de geestdoodende verveling van het alledagsleven" [199]. Het is

deze factor van de prostitutie, mogen we redelijker wijze besluiten,

die voornamelijk verantwoordelijk is voor het feit, waarop F. Schiller

[200] gewezen heeft, dat met de ontwikkeling van de beschaving de

toevoer van prostituées neiging heeft grooter te worden dan de vraag.

Charles Booth schijnt van dezelfde meening te zijn, en citeert

(Life and Labor of the People, Third Series, deel VII, p. 364) uit

een rapport van een reddingsgenootschap: "De algemeene opvatting

is, dat deze vrouwen verlangend zijn een leven van zonde te

verlaten. De duidelijke en eenvoudige waarheid is, dat zij, voor

het meerendeel, in het geheel geen behoefte hebben om gered te

worden. Zoovele van deze vrouwen beschouwen de prostitutie niet

als een zonde en willen ze niet als zoodanig beschouwen. "Ik

word iederen avond meegenomen om in een restaurant te eten en

daarna naar een publieke vermakelijkheid te gaan; waarom zou ik

dat opgeven?"" Merrick, die vond, dat vijf percent van de 14.000

prostituées, die in de Millbank gevangenis kwamen, gewend waren

godsdienstige gebruiken te vereenigen met het uitoefenen van haar

beroep, zegt ook naar aanleiding van haar gevoelens over moraal:

"Ik ben er van overtuigd, dat er vele arme mannen en vrouwen zijn,

die in het geheel niet begrijpen, wat het woord "immoraliteit"

beteekent. Uit beleefdheid zullen ze misschien ja zeggen op wat

ge zegt, maar zij begrijpen uw bedoeling niet als gij spreekt

van deugd of reinheid; gij spreekt eenvoudig over hen heen"

(Merrick, op. cit., p. 28). Dezelfde houding kan men overal

onder prostituées vinden. In Italië vermeldt Ferriani een

meisje van vijftien jaar, dat, toen ze beschuldigd werd van

onbetamelijkheid met een man in een park, met veel tranen en

veel verontwaardiging ontkende. Hij bracht haar eindelijk tot

bekentenis, en vroeg haar toen: "Waarom heb je geprobeerd mij

te doen gelooven, dat je geen kwaad gedaan hadt?" Zij aarzelde,

glimlachte, en zeide: "Omdat zij zeggen, dat meisjes niet moeten

doen, wat ik doe, maar dat ze moeten werken. Maar ik ben, wat ik

ben, en het gaat hen niet aan". Deze houding is dikwijls meer dan

een instinctief gevoel; bij intelligente prostituées wordt het

dikwijls een wel-overwogen overtuiging. "Ik kan alles dragen,

als het moet", schreef de schrijfster van het Tagebuch einer

Verlorenen (p. 291), "zelfs ernstige en edele minachting, maar

geen spot. Minachting--ja, als ze verdiend is. Als een arm en

mooi meisje met een moe en bitter hart alleen staat in de wereld,

van alles uitgesloten, omringd door verzoekingen en verleidingen,

die zich aan alle kanten aanbieden, en als ze dan toch, uit

innerlijke overtuiging het grauwe en eentonige pad kiest van

verzaking en van de burgerlijke moraal, dan erken ik in dat meisje

een persoonlijkheid, die een zeker recht heeft met minachtend

medelijden neer te zien op zwakkere meisjes. Maar die ganzen,

die, onder de oogen van haar hoeders en levenslange eigenaars

altijd op zachte groene weiden gegraasd hebben, hebben zeker

geen recht minachtend te lachen over haar, die niet zoo gelukkig

geweest zijn". En we moeten niet meenen, dat er noodzakelijk

eenig sophisme behoeft te wezen in de zelf-rechtvaardiging van

de prostituée. Sommige van onze beste denkers en waarnemers zijn

tot een conclusie gekomen, die niet ongelijk is aan deze. "De

werkelijke toestanden van de maatschappij verzetten zich tegen

ieder hoog moreel gevoel in vrouwen", merkt Marro op (La Pubertà,

p. 462), "want tusschen haar, die zich verkoopen in prostitutie

en haar, die zich verkoopen in het huwelijk, bestaat het eenige

verschil in den prijs en den duur van het contract".

Wij hebben reeds gezien welk een groot percentage in de prostitutie

geleverd wordt door haar, die den huiselijken dienst verlaten hebben

om dit leven te volgen (Ante p. 264). Het is niet moeilijk in dit feit

een bewijs te vinden voor de soort van impuls, die er een vrouw toe

drijft de loopbaan van prostituée te kiezen. "De dienstbode, in onze

maatschappij van gelijkheid", schreef Goncourt, nadat hij vroegere

tijden in de herinnering gebracht heeft, toen haar dikwijls een plaats

ingeruimd werd in het familieleven, "is niets anders geworden dan een

betaalde paria, een machine voor het doen van huishoudelijk werk,

en het wordt haar niet langer toegestaan het menschelijk leven van

haar werkgever te deelen" [201]. En in Engeland, vinden we, zelfs

al een halve eeuw geleden, de zelfde gezegden over de positie van

de dienstbode: "huiselijke dienst is een volkomen slavernij", met

vroege uren en late uren en voortdurend trappen op en neer loopen,

tot de benen gezwollen zijn; "er schijnt dikwijls een mate van vernuft

gebruikt te worden, een betere zaak waardig, om de grootst mogelijke

hoeveelheid werk uit de huiselijke machine te halen"; bovendien is zij

"een soort bliksemafleider" voor het slechte humeur en de ziekelijke

gevoelens van haar meesteres en van de jonge dames; zoodat, als

sommigen gezegd hebben, "ik mij zoo ellendig voelde, dat het me niet

kon schelen wat er van me terecht kwam, ik wilde maar, dat ik dood was"

[202]. De dienstbode staat buiten alle menschelijke verhoudingen; zij

mag niet het bestaan verraden van een eenvoudige impuls of natuurlijke

behoefte. Tevens leeft zij op den rand der weelde; zij is omringd

door de tantaliseerende visioenen van genoegen en amusement, waarnaar

haar frissche jonge natuur verlangt [203]. Het kan geen verwondering

wekken dat zij, overwerkt en aangetrokken door lediggang vol genot

den eenigen sprong doet, die haar in staat zal stellen te genieten

van de schitterende zijden der beschaafde maatschappij, die haar zoo

begeerlijk toeschijnen [204].

Er wordt soms gezegd, dat het overheerschend veel voorkomen van

de prostitutie onder meisjes, die vroeger dienstboden waren,

komt, doordat zoo ontzettend veel dienstmeisjes verleid worden

door den heer des huizes of door de jonge heeren van de familie,

waar zij dienen, en zoo de straat op gedreven worden. Dit is

ongetwijfeld in een zeker aantal gevallen, misschien soms in

een vrij aanzienlijk aantal, een beslissende factor, maar het

schijnt wel nauwelijks de hoofd-factor te zijn. Het bestaan van

betrekkingen tusschen dienstboden en heeren des huizes, moeten

we bedenken, sluit geenszins noodzakelijk verleiding in. In

een groot aantal gevallen is de dienstbode in een huishouden,

in sexueele zaken, eer de leermeesteres dan de leerling. (In

"The Sexual Impulse in Women", in een ander werk van mijn hand,

heb ik de rol besproken, die dienstmeisjes spelen als inwijdsters

in sexueele zaken van de jonge jongens, in de huishoudens waarin

ze geplaatst zijn). De meer preciese statistieken der oorzaken

van de prostitutie geven zelden verleiding aan als de voornaamste

oorzaak in meer dan ongeveer 20 percent van de gevallen, hoewel dit

klaarblijkelijk een van de beweegredenen is, die het gemakkelijkst

te bekennen is (zie ante p. 256). Verleiding door een of anderen

werkgever vormt maar een deel (gewoonlijk minder dan de helft)

zelfs van deze gevallen. Het speciale geval van verleiding van

dienstboden door den heer des huizes kan dus geen zeer groote

rol spelen als factor bij de prostitutie.

De statistieken over de afkomst van onwettige kinderen hebben ook

eenige betrekking op deze zaak. In een serie van 180 ongehuwde

moeders, die geholpen zijn door den Berlijnschen bond voor

moederbescherming, worden bijzonderheden gegeven over de bezigheden

der moeders, en voor zoover mogelijk, ook van de vaders. De moeders

waren voor een derde dienstmeisjes, en de groote meerderheid van

de rest waren winkeljuffrouwen, of meisjes, die thuis werkten. Bij

de vaders (van de 120 gevallen) kwamen bovenaan werklui (33), dan

kooplui (22); maar een klein aantal (20 tot 25) kon beschreven

worden als "heeren", en zelfs dit aantal verliest iets van zijn

beteekenis als er op gewezen wordt, dat sommige van de meisjes

ook van de middelklasse waren; in negentien gevallen waren de

vaders getrouwde mannen (Mutterschutz, Januari, 1907, p. 45).

De meeste autoriteiten in de verschillende landen zijn van meening,

dat meisjes, die prostituée worden (gewoonlijk tusschen de vijftien

en de twintig jaar) haar maagdelijkheid op jeugdigen leeftijd

verloren hebben, en in de groote meerderheid der gevallen door

mannen van haar eigen klasse. "Het meisje uit het volk valt door

het volk", zeide Reuss in Frankrijk (La Prostitution, p. 41). "Het

zijn haars gelijken, werklieden evenals zij, die de eerste vruchten

plukken van haar schoonheid en haar maagdelijkheid. De man van de

wereld, die haar met goud en juweelen belaadt, krijgt alleen wat

zij overlaten". Ook Martineau (De la Prostitution Clandestine,

1885) toonde aan, dat prostituées gewoonlijk onteerd worden door

mannen van haar eigen klasse. En Jeannel, in Bordeaux vond reden

om te gelooven, dat het niet voornamelijk haar meesters zijn, die

dienstmeisjes verleiden; zij gaan dikwijls in dienst, omdat ze op

het land verleid zijn, terwijl luie, begeerige en domme meisjes van

het land naar de stad gestuurd worden om te dienen. In Edinburg

vond W. Tait (Magdalenism, 1842), dat soldaten meer dan eenige

andere klasse in de gemeenschap de verleiders zijn van vrouwen,

en dat vooral de Hooglanders in dit opzicht bekend zijn. Soldaten

hebben deze reputatie overal, en vooral in Duitschland vindt men

steeds, dat de tegenwoordigheid van soldaten in een plaats op het

platteland, zooals bij de jaarlijksche manoeuvres, de oorzaak

is van onkuischheid en onwettige geboorten; zoo is het ook in

Oostenrijk, waar lang geleden Gross-Hoffinger heeft geconstateerd,

dat soldaten verantwoordelijk waren voor ten minste een derde van

alle onwettige geboorten, een aandeel, dat geheel buiten verhouding

is tot hun aantal. In Italië vond Morro, bij zijn onderzoekingen

naar de oorzaak van het verlies der maagdelijkheid bij twee en

twintig prostituées, dat tien zich min of meer spontaan gaven aan

minnaars of meesters, dat tien zwichtten in de verwachting van een

huwelijk, en dat twee verkracht waren (La Pubertà, p. 461). Het

verlies van de maagdelijkheid, hoewel het misschien niet de eerste

oorzaak van de prostitutie is, leidt er toch dikwijls toe. "Als

een deur eenmaal opengebroken is", zeide een prostituée tot hem,

"dan is het moeilijk ze gesloten te houden". In Sardinië zijn,

zooals A. Mantegazza en Ciuffo vonden, prostituées zeer dikwijls

dienstmeisjes van het land, die reeds onteerd zijn door mannen

van haar eigen klasse.

Deze beschavingsfactor van de prostitutie, de invloed van weelde en

opwinding en verfijning, die het meisje uit het volk aantrekken,

zooals de vlam de mot aantrekt, blijkt uit het feit, dat het de

bewoonsters van het land zijn, die voornamelijk voor de bekoring

bezwijken. De meisjes, wier jonge ontvlambare en orgiastische

impulsen, soms aangewakkerd door een klein aangeboren gebrek aan

zenuw-evenwicht, latent gebleven zijn in de saaie eentonigheid van

het leven op het land, vinden eindelijk haar volkomen bevrediging in

de loopbaan van prostituée. Voor het stadsmeisje, dat in de stad

is geboren en opgevoed, heeft deze loopbaan gewoonlijk niet veel

aantrekkingskracht, tenzij zij van het begin af aan opgevoed is in een

omgeving, die haar predisponeert om ze te kiezen. Zij is van haar jeugd

af gewoon aan de prikkels van de steedsche beschaving en zij bedwelmen

haar niet; zij is, bovendien beter in staat op zich zelf te passen

dan het meisje van het land, en ze weet te veel van de werkelijke

feiten van het leven der prostituée, om zeer verlangend te zijn haar

loopbaan te kiezen. Bovendien bezit de familie waartoe zij behoort,

waarschijnlijk ook een aangeboren of verkregen weerstandsvermogen

tegen de evenwicht-verstorende invloeden, dat het hun mogelijk gemaakt

heeft zich in het stadsleven staande te houden. Zij is immuun geworden

tegen de vergiften van dat leven [205].

In alle groote steden is een groot deel, zoo niet de meerderheid

van de inwoners, gewoonlijk buiten de stad geboren (in Londen

zijn maar vijftig percent van de hoofden van gezinnen bepaald

vermeld als in Londen geboren); en het is dus niet te verwonderen,

dat ook prostituées dikwijls van buiten de stad komen. Toch

blijft het een feit van beteekenis, dat een zoo typisch steedsch

verschijnsel als de prostitutie, in zoo ruime mate van nieuwe leden

voorzien wordt van het land. Dit is overal het geval. Merrick

noemt de streken op, waar 14.000 prostituées vandaan kwamen,

die in de Millbank gevangenis terecht kwamen. Middlesex, Kent,

Surrey, Essex en Devon zijn de graafschappen, die bovenaan

staan, en Merrick taxeert het aantal voor Londen uit de vier

graafschappen, die Londen vormen, op 7000, of de helft van het

geheel; militaire steden, zooals Colchester en marine-havens,

zooals Plymouth, voorzien Londen van veel prostituées; Ierland

levert er veel meer dan Schotland, en Duitschland veel meer dan

eenig ander Europeesch land, terwijl Frankrijk bijna in het geheel

niet vertegenwoordigd is (Merrick, Work Among the Fallen, 1890,

pp. 14-16). Het is natuurlijk mogelijk, dat de verhoudingen onder

haar, die in een gevangenis komen, niet nauwkeurig de verhoudingen

weergeven der prostituées in het algemeen. De lijsten van het

Londensche reddingshuis van het Leger des Heils wijzen er op,

dat zestig percent van de meisjes en de vrouwen van buiten komen

(A. Sherwell, Life in West London, hoofdst. V). Dit is precies

dezelfde verhouding die Tait een halve eeuw vroeger, onder

prostituées in het algemeen, in Edinburg vond. Sanger zegt, dat

van de 2000 prostituées in New-York er wel 1238 in het buitenland

geboren waren (706 in Ierland), terwijl van de overige 762 de eene

helft geboren was in den staat New-York, en een beslist (hoewel de

juiste getallen niet aangegeven zijn) nog kleinere verhouding in de

stad New-York. Prostituées komen uit het Noorden--waar het klimaat

onpleizierig is, en waar fabrieksarbeid en zittende bezigheden het

meest voorkomen--veel meer dan uit het Zuiden; zoo zond Maine,

een koude, gure zeestaat, vier en twintig van deze prostituées

naar New-York, terwijl Virginië, op denzelfden afstand liggende,

dat er naar denzelfden maatstaf gerekend twee en zeventig moest

gestuurd hebben, er maar negen zond; er was een zelfde verschil

tusschen Rhode Island en Maryland (Sanger, History of Prostitution,

p. 452). Het is leerrijk hier den invloed op te merken van een

somber klimaat en eentonigen arbeid op het aanwakkeren van de

begeerte naar een "leven van pleizier". In Frankrijk is er,

zooals op een kaart in het werk van Parent-Duchâtelet aangetoond

wordt (deel I, pp. 37-64, 1857) als het land verdeeld wordt in

vijf gordels, die van Oost naar West loopen, een voortdurende

vermindering in het aantal prostituées dat iedere gordel naar

Parijs zendt, naarmate we verder Zuidwaarts komen. Weinig meer dan

een derde schijnt tot Parijs te behooren, en, evenals in Amerika,

is het het ernstige en hard werkende Noorden met zijn betrekkelijk

koud klimaat, dat het grootste contingent levert; zelfs in het

oude Frankrijk merkt Dufour op (op. cit., deel IV, hoofdst. XV),

was prostitutie, zooals blijkt uit de fabliaux en romans, minder

schandelijk in de langue d'oil dan in de langue d'oc, zoodat zij

ongetwijfeld zeldzaam was in het Zuiden. Op een later tijd zegt

Reuss (La Prostitution, p. 12) dat "bijna al de prostituées uit

Parijs van buiten komen". Jeannel merkte op, dat van de duizend

prostituées uit Bordeaux er maar zes en veertig in de stad thuis

behoorden, en Potton (Appendix bij Parent-Duchâtelet, deel II,

p. 446) zegt, dat van bijna vier duizend prostituées uit Lyon er

maar 376 uit Lyon zelf waren. In Weenen merkt Schrank, in 1873, op,

dat van meer dan 1500 prostituées er maar 615 in Weenen geboren

waren. De algemeene regel is, zooals we zullen gezien hebben,

hoewel de variaties vele zijn, dat weinig meer dan een derde van

de prostituées van een stad stadskinderen zijn.

Het is opmerkelijk dat deze neiging van de prostituée om van

ver naar steden toe te komen, deze zwervende neiging--die zij

tegenwoordig gemeen heeft met de kellners--niet een modern

verschijnsel is. "Er zijn weinig steden in Lombardije, of

Frankrijk, of Gallië", schreef de heilige Bonifacius, "waar niet

een echtbreekster is of een prostituée van de Engelsche natie", en

de heilige schrijft dit toe aan de gewoonte der pelgrimstochten

naar buitenlandsche heilige plaatsen. In den tegenwoordigen

tijd is er geen duidelijk merkbaar Engelsch element onder de

prostituées van het vasteland. Zoo zijn in Parijs volgens Reuss

(La Prostitution, p. 12) de buitenlandsche prostituées in afnemende

orde Belgisch, Duitsch (Elzas-Lotharingen), Zwitsersch (vooral

uit Genève), Italiaansch, Spaansch, en eerst dan Engelsch. Kenners

in deze zaak zeggen dat de Engelsche prostituée, in vergelijking

met haar zuster van het vasteland (en vooral uit Frankrijk), niet

voordeelig uitkomt, omdat ze gewoonlijk hebberig is in geldzaken

en niet zeer bekoorlijk.

Het is de beschaving, hoewel niet het fijnste en het beste in

de beschaving, die meer dan iets anders vrouwen roept tot de

prostitutie. Het is noodig er op te wijzen dat ook de man door

diezelfde beschaving tot de prostitutie gedreven wordt. De gewone en

op onwetendheid berustende veronderstelling, dat de prostitutie bestaat

om de grove zinnelijkheid van den jongen ongehuwden man te bevredigen,

en dat, als hij geleerd heeft grove sexueele impulsen te bedwingen

of er toe gebracht is vroeg te trouwen de prostituée geen bezoek zal

ontvangen, is volkomen onjuist. Als alle mannen heel jong trouwden,

dan zou niet alleen het geneesmiddel erger zijn dan de kwaal--het is

hier de plaats niet dat punt verder te bespreken--maar het middel zou

de kwaal niet genezen. De prostituée is iets meer dan een kanaal om

overtollige sexueele energie af te voeren, en haar aantrekkingskracht

houdt in het geheel niet op te bestaan als mannen getrouwd zijn, want

een groot aantal van de mannen die prostituées bezoeken, zoo niet de

meesten, zijn getrouwd. En toch, of zij getrouwd zijn of ongetrouwd,

de beweegreden die hen naar de prostituée voert, is niet uitsluitend

wellust.

In Engeland, merkt een schrijver, die goed op de hoogte is, op, dat

"de waarde van het huwelijk als moreele factor blijkt uit het feit,

dat al de betere prostituées in Londen bijna geheel onderhouden

worden door getrouwde mannen", terwijl ook in Duitschland, zooals

in een belangwekkende serie van herinneringen van een vroegere

prostituée, Beichte einer Gefallenen door Hedwig Hard (p. 208),

gezegd wordt, de meeste mannen, die prostituées bezoeken, getrouwd

zijn. Deze bewering is waarschijnlijk overdreven. Neisser zegt dat

maar vijf en twintig percent van gevallen van gonorrhoe voorkomen

bij getrouwde mannen. Deze opgave is waarschijnlijk onjuist in

omgekeerden zin, omdat getrouwde mannen zich in het verkeer met

prostituées meestal zeer in acht nemen, meer dan de jonge en

ongetrouwde mannen. Wat de beweegreden aangaat, die getrouwde

mannen tot de prostitutie brengt, vertelt Hedwig Hard uit haar

eigen ervaringen een voorval, dat leerzaam en ongetwijfeld typisch

is. In de stad, waar zij rustig als prostituée woonde, werd een

man van den hoogsten maatschappelijken stand door een vriend bij

haar geïntroduceerd, en bezocht haar regelmatig. Zij had dikwijls

zijn vrouw gezien en bewonderd, die een van de gevierde schoonheden

van de plaats was en twee lieve kinderen had; man en vrouw schenen

elkander zeer genegen, en ieder benijdde hen hun geluk. Hij was

een man van verstand en beschaving, die Hedwig's liefde tot boeken

aanmoedigde; zij geraakte zeer aan hem gehecht en eens waagde

zij hem te vragen hoe hij zijn lieve, mooie vrouw kon verlaten om

naar iemand toe te gaan, die niet waard was haar schoenriemen los

te binden. "Ja, kind", antwoordde hij, "maar al haar schoonheid

en ontwikkeling geeft mij niets voor mijn hart. Zij is koud,

koud als ijs, fatsoenlijk en bovenal phlegmatiek. Vertroeteld

en verwend als zij is, leeft zij alleen voor zich zelf; wij

zijn twee goede kameraden en niets meer. Als ik bijvoorbeeld

's avonds uit de societeit kom en naar haar bed ga, misschien

wel een beetje opgewonden, dan wordt ze zenuwachtig en vindt het

ongepast, dat ik haar wakker maak. Als ik haar kus, dan verdedigt

zij zich en vertelt mij, dat ik verschrikkelijk naar sigaren en

wijn ruik. En als ik misschien meer probeer, dan springt ze uit

bed, wordt boos alsof ik haar aanviel, en dreigt uit het raam

te springen als ik haar aanraak. Dus laat ik haar om den wille

der vrede met rust en kom hier". Er kan geen twijfel aan zijn,

dat dit de ondervinding is van veel getrouwde mannen, die graag

geliefde zoowel als vriendin in hun vrouwen zouden vinden. Maar

de vrouwen hebben, met een verscheidenheid van oorzaken, bewezen,

dat ze niet in staat zijn de sexueele makkers te worden van haar

echtgenooten. En de echtgenooten, zonder dat ze gedreven worden

door eenigen sterken hartstocht of door begeerte naar ontrouw,

zoeken buitenshuis wat ze thuis niet vinden kunnen.

Dit is niet de eenige reden, waarom mannen prostituées

bezoeken. Zelfs mannen, die gelukkig getrouwd zijn met vrouwen,

die in de voornaamste opzichten bij hen passen, ondervinden

dikwijls na eenige jaren huwelijksleven, een geheimzinnig

verlangen naar afwisseling. Zij zijn hun vrouwen niet moe, zij

hebben niet de minste wensch of bedoeling om haar te verlaten,

zij willen haar, als zij het helpen kunnen, niet de minste pijn

veroorzaken. Maar nu en dan worden ze door een onweerstaanbaren, en

onwillekeurigen drang er toe gebracht een tijdelijke intimiteit te

zoeken met vrouwen, met wie ze voor niets ter wereld zich voor goed

zouden willen binden. Pepys, wiens Diary, afgezien van de andere

verdienstelijke eigenschappen ervan, een psychologisch document van

waarde is, levert een zeer karakteristiek voorbeeld van deze soort

van impuls. Hij heeft een jonge, lieve vrouw getrouwd, aan wie hij

zeer gehecht is, en hij leeft gelukkig met haar, op een paar nu en

dan voorkomende twisten na, die spoedig door kussen uit den weg

geruimd zijn; zijn liefde gaat samen met jaloezie, een jaloezie,

die, zooals hij toegeeft, volkomen onredelijk is, want zij is een

trouwe, liefhebbende vrouw. Toch kan Pepys, eenige jaren na zijn

huwelijk, en midden in een leven van ingespannen beroepsbezigheid,

de verleiding niet weerstaan de tijdelijke gunsten te zoeken

van andere vrouwen, zelden prostituées, maar bijna altijd

vrouwen van lagen maatschappelijken stand--winkeljuffrouwen,

vrouwen van werklieden, fatsoenlijke dienstmeisjes. Dikwijls is

hij er mee tevreden haar naar een rustig bierhuis mee te nemen,

en zich een paar gewone vrijheden te veroorloven. Soms weigeren

zij absoluut meer dan dit toe te staan; als dat gebeurt dankt hij

herhaaldelijk den almachtigen God (zooals hij 's avonds in zijn

Diary schrijft), dat hij bewaard is gebleven voor verleiding

en voor tijd- en geldverlies; telkens weer is hij geneigd de

gelofte te doen, dat het niet weer zal gebeuren. Toch gebeurt

het altijd weer. Pepys is volkomen waar tegenover zich zelf;

hij doet geen poging zich te rechtvaardigen of te excuseeren; hij

weet, dat hij voor de verleiding bezweken is; het is een impuls,

die nu en dan over hem komt, een impuls, dien hij niet in staat

schijnt te zijn lang te weerstaan. Ondanks dit alles blijft hij

een achtenswaardig en ijverig ambtenaar, en in de meeste opzichten

een tamelijk deugdzaam man, met een echten afkeer van lichtzinnige

menschen en onbeteekenende praatjes. De houding van Pepys wordt

met onvergelijkelijken eenvoud en openhartigheid uiteengezet,

omdat hij deze dingen voor zijn eigen oogen alleen neerschrijft,

maar zijn geval is in werkelijkheid dat van een groot aantal

andere mannen, misschien wel van den typischen homme moyen sensuel

(zie Pepys, Diary, ed. Wheatley; e.g., deel IV, passim).

Er is een derde klasse van getrouwde mannen, minder groot in

aantal, maar niet onbelangrijk, die gedwongen zijn prostituées te

bezoeken: de klasse van sexueel geperverteerde mannen. Er zijn

vele redenen, waarom zulke mannen kunnen wenschen te trouwen,

en in sommige gevallen trouwen ze vrouwen, met wie zij den

eigenaardigen vorm van sexueele bevrediging, waarnaar ze verlangen,

kunnen verkrijgen. Maar in een groot aantal gevallen is dit niet

mogelijk. De conventioneel opgevoede vrouw kan zichzelf er niet

toe brengen zelfs maar aan een volkomen onschuldige fetischachtige

gril van haar echtgenoot toe te geven, want die is te vreemd aan

haar gevoelens en te onbegrijpelijk voor haar ideeën, zelfs als

ze oprecht verliefd op hem is; in vele gevallen zou de echtgenoot

niet durven vragen en ternauwernood zelfs wenschen, dat zijn vrouw

er zich toe zou leenen de fantastische of misschien vernederende

rol te spelen, die zijn wenschen eischen. In zulk een geval

wendt hij zich natuurlijk tot de prostituée, de eenige vrouw,

wier beroep het is in zijn bijzondere behoeften te voorzien. Het

huwelijk heeft dezen mannen geen verlichting gebracht, en zij

vormen een groot aantal cliënten van elke prostituée in iedere

groote stad. De meest gewone prostituée van eenige ervaring kan

gevallen meedeelen van haar eigen bezoekers, geschikt om een

verhandeling over psychopatische sexualiteit te illustreeren. Het

is hier voldoende een aanhaling weer te geven uit de bekentenissen

van een jonge Londensche prostituée (Strand), zooals ze van haar

lippen zijn neergeschreven door een vriend, aan wien ik het

document dank; ik heb alleen een paar alledaagsche woorden in

meer technische termen veranderd. Nadat ze beschreven had hoe,

toen zij nog een dorpskind van dertien jaar was, een rijke,

oude heer dikwijls kwam en zich aan haar en andere meisjes

vertoonde, en hoe hij eindelijk gearresteerd werd en gevangen

genomen, sprak zij over de perversiteiten, die ze ontmoet had,

sedert zij prostituée was geworden. Zij kende een jongen man

van ongeveer vijf en twintig jaar, gewoonlijk in een sportpakje

gekleed, die altijd met een paar levende duiven kwam, die hij in

een mand meebracht. Zij en het meisje, waar ze mee samenwoonde

moesten zich ontkleeden, de duiven nemen en ze den nek omdraaien;

hij stond dan voor haar, en als de nekken omgedraaid werden, trad

bij hem geprikkeldheid op. Eens ontmoette zij een man op straat

en hij vroeg haar of hij met haar mee mocht gaan en haar schoenen

mocht likken. Zij stemde toe en hij nam haar mee naar een hotel,

betaalde een halve guinje voor een kamer, en, toen ze ging zitten,

kroop hij onder de tafel en likte haar schoenen, die vol modder

waren; meer deed hij niet. Dan waren er dingen, zeide zij, die

te vuil waren om te vertellen; bv. een man kwam met haar en haar

vriendin naar huis, en liet haar in zijn mond urineeren. Zij had

ook verhalen van geeseling, meestal van mannen, die de meisjes

met de zweep sloegen, zeldzamer van mannen, die graag door haar

geslagen werden. Een man, die iedere keer een nieuw riet meebracht,

sloeg haar vriendin tot bloedens toe. Zij kende een anderen man,

die niets deed dan haar hard op de billen slaan. Nu wortelen

al deze dingen, die tot het gewone dagwerk van de prostituée

behooren, in diepe en onweerstaanbare impulsen. Zij moeten een

of anderen uitweg vinden. Maar alleen op de prostituée kan men

rekenen, omdat haar belang en haar opvoeding het meebrengen,

om den natuurlijken tegenzin tegen zulke handelingen te boven

te komen en wenschen te bevredigen, die, als ze niet bevredigd

werden, misschien andere en gevaarlijker vormen zouden aannemen.

Hoewel Woods Hutchinson met instemming de verklaring van een vriend

aanhaalt: "Van de duizende prostituées heb ik er nooit een gezien met

goede manieren aan tafel", gaat van de prostituée toch werkelijk,

hoewel dan niet in voldoende mate, de bekoring van de beschaving

uit. "Er was geen huis, waarin ik van tijd tot tijd het gezicht

van een dame zien en de stem van een dame hooren kon", schreef de

romanschrijver Anthony Trollope in zijn Autobiographie over zijn

leven, toen hij pas in Londen was. "Geen opwekking tot fatsoenlijke

vertrouwelijkheid kwam op mijn weg. Het schijnt mij toe, dat in

zulke omstandigheden de verleidingen van een losbandig leven bijna

zeker de overhand zullen krijgen over een jongen man. De verleiding

kreeg in ieder geval de overhand over mij". In iedere groote stad,

heeft men gezegd, zijn er duizende mannen, die niet het recht hebben

eenige andere vrouw dan een kellnerin bij haar voornaam te noemen

[206]. Al de schoone glans der beschaving schittert om hen heen

in de straten, maar zij moeten op een afstand blijven. Het is de

prostituée, die deze bekoring van de stad belichaamt, veel beter dan

de maagdelijke vrouw, zelfs als intimiteit met haar binnen hun bereik

was. De prostituée vertegenwoordigt ze, omdat zij ze zelf voelt, omdat

zij zelfs haar vrouweneer opgeofferd heeft in de poging zich er mee

te vereenzelvigen. Zij heeft ongebreidelde vrouwelijke instincten,

zij is een meesteres in de vrouwelijke kunst zich op te sieren,

zij kan tot hem spreken over de geheimen van de vrouwelijkheid en de

weelden van haar geslacht met een zaakkennis en een vrijheid, waartoe

het onschuldige meisje, dat aan haar huis gekluisterd is, niet in

staat zou zijn. Zij is voor hem niet alleen daardoor aantrekkelijk,

omdat zij de lagere sexueele begeerten bevredigen kan, maar ook

omdat zij op hare wijze een kunstenares is, een deskundige in de

kunst van vrouwelijke uitbuiting, een leidster op het gebied der

mode. Want dit is zij, en er zijn, zooals Simmel in zijn Philosophie

der Mode gezegd heeft, goede psychologische redenen, waarom zij dit

altijd moet zijn. Haar onzekere maatschappelijke positie maakt alles,

wat conventioneel en wettig is, hatelijk in haar oogen, terwijl haar

temperament voortdurende nieuwigheden verrukkelijk voor haar maakt. In

nieuwe modes vindt zij "een æsthetischen vorm van dat instinct van

vernieling, dat eigen schijnt te zijn aan het leven van alle paria's,

in zooverre zij geestelijk niet volkomen slaven zijn geworden".

"Hoe verwonderlijk het ook aan sommigen moge toeschijnen", merkt

een modern schrijver op, "prostituées moeten op hetzelfde niveau

gesteld worden als kunstenaars. Beide gebruiken hun gaven en

talenten tot vreugde en genoegen van anderen, en, als regel, tegen

betaling. Wat is het essentieele verschil tusschen een zangeres,

die hoorders genoegen geeft met haar keel en een prostituée,

die haar bezoekers genoegen geeft met een ander deel van haar

lichaam? Alle kunst werkt op de zinnen". Hij verwijst naar het

belangrijke feit, dat acteurs en voornamelijk actrices vroeger

veelal even weinig geacht werden als prostituées nu (R. Hellmann,

Ueber Geschlechtsfreiheit, pp. 245-252).

Bernaldo de Quiros en Llanas Aguilaniedo (La Mala Vida en

Madrid, p. 242) gaan denzelfden invloed na nog lager op den

maatschappelijken ladder. Zij beschrijven de vuilere soort van

café's chantant, waar, in Spanje en elders, de slechtste en meest

gedegenereerde vrouwelijke schepsels kellnerinnen worden (en soms

zangeressen en danseressen), die dan de rol spelen van liefelijke

en gedistingeerde hetaren voor een publiek van voerlieden en

winkelbedienden, die deze plaatsen bezoeken. "Gekleed met wat den

jongen man toeschijnt onberispelijke smaak te zijn, met zorgvuldig

gefriseerde haren, en een schoon gezicht, dat versierd is met

bloemen of sieraden, minzaam en soms hooghartig, in bekoring en

in tooi verheven boven de andere vrouwen, die hij kent, worden

de kellnerinnen het mooiste voorbeeld van de femme galante,

die hij kan zien en toespreken, de courtisane van zijn sfeer".

Maar terwijl de prostituée voor den eenvoudigen, onwetenden en

hongerigen jongen man aantrekkelijk is als belichaming van veel van

de verfijning en perversiteiten van de beschaving, oefent zij op vele

meer gecompliceerde en beschaafde mannen een aantrekkingskracht uit van

een bijna tegenovergestelde soort. Zij trekt aan door haar frissche en

natuurlijke ruwheid, haar vrije bekendheid met de ruwste feiten van

het leven; en heft hen zoo voor een oogenblik op uit de verdorrende

atmosfeer van kunstmatig denken en onwerkelijk gevoel, waarin zoo

vele beschaafde personen gedwongen zijn het grootste deel van hun

leven door te hengen. Zij voelen met de woorden, die de koninklijke

vriend van een vrouw van dit temperament moet gebruikt hebben, toen

hij een verklaring gaf van haar onbegrijpelijken invloed op hem:

"Zij is zoo schitterend vulgair!"

Ter illlustratie van deze zijde van de aantrekkingskracht

der prostitutie, wil ik hier een passage aanhalen, waarin

de romanschrijver Hermant, in zijn Confessions d'un Enfant

d'Hier (Lettre VII), de redenen uiteengezet heeft, die er het

overbeschaafde kind van een beschaafde eeuw, dat toch geenszins

radicaal of volkomen slecht is, toe kunnen brengen voldoening

te vinden in den omgang met prostituées: "Zoolang mijn hart

niet getroffen was, was het voorwerp van mijn satisfactie mij

volkomen onverschillig. Ik hield bovendien veel van absolute

vrijheid en die is alleen mogelijk in den kring van deze anonieme

schepsels en in haar afgezonderde woonplaats. Daar kan men zich

alles veroorloven. Tegenover andere vrouwen, hoe laag we haar

ook zoeken, moeten zekere égards in acht genomen worden, een

soort van protocol. Tegen de prostituée kan men alles zeggen:

men is beschermd door zijn incognito en men weet zeker, dat

niemand ooit te weten komt, wat men met haar beleeft. Ik maakte

gebruik van deze vrijheid, zoo aantrekkelijk voor iemand van mijn

leeftijd, maar met een perverse fantasie, die niet bij mijn jaren

paste. Ik weet nauwelijks waar ik de woorden vandaan haalde, die

ik tot haar zeide, want ze kwamen niet overeen met mijn smaak,

die eenvoudig was en, als ik het zeggen mag, klassiek. Het is

waar, dat onbeperkt naturalisme in liefdezaken altijd neigt

tot het perverse, een feit dat alleen op het eerste gezicht

paradox kan schijnen. Natuurvolken hebben veel trekken gemeen

met gedegenereerden. Ik was echter alleen in woorden losbandig;

en dit waren de eenige gelegenheden, waarbij ik mij herinneren

kan, dat ik ernstig onwaarheid gesproken heb. Maar die behoefte,

die ik toen ondervond, om een lage soort van onwaardige instincten

uit te drijven, schijnt mij karakteristiek toe en vernederend. Ik

mag er bij voegen, dat ik zelfs te midden van deze uitspattingen

een zekere terughouding behield. De aanrakingen, waaraan ik mij

overgaf, bezoedelden mij niet; er bleef niets van over, als ik

naar huis terugkeerde. Ik heb altijd, uit dien geforceerden en

onverschilligen omgang de gewoonte behouden om geen gewicht te

hechten aan de handelingen van het vleesch. De liefdefunctie,

die godsdienst en moraal omgeven hebben met geheimzinnigheid en

gekruid met zonde, schijnt mij een functie toe als iedere andere,

een beetje laag bij den grond, maar aangenaam, en een, waarvoor

het gebruikelijk epiloog te lang is.... Deze soort kameraadschap

duurde maar korten tijd". Bovenstaande ontleding van de houding van

een beslist gewoon type van den beschaafden modernen man schijnt

juist te zijn, maar het zal misschien bij sommige lezers opkomen,

dat men van een omgang, die er toe geleid heeft de "handeling

van het vleesch" te beschouwen als te zijn van geen waarde,

bezwaarlijk zeggen kan, dat ze geen smet nagelaten heeft.

Op ongeveer gelijke wijze stelt Henri de Régnier in zijn roman Les

Rencontres de Monsieur Bréot (p. 50) Bercaillé voor als iemand

die bepaald bij voorkeur zijn genoegen zoekt bij dienstmeisjes,

liever dan bij dames, want genoegen geven was, in zijn idee, een

soort van dienst, die vrijwel overeenkwam met de diensten, die zij

gewend waren te bewijzen; en daarbij zijn zij stevig en gezellig;

zij hebben de naïviteit, die altijd bekoort en zij worden niet

licht teruggestooten door die kleine voorvallen, die misschien

het kieskeurige gevoel van fijn opgevoede dames zouden hinderen.

Bloch, die speciaal den nadruk gelegd heeft op deze zijde van de

aantrekkingskracht der prostitutie (Das Sexualleben unserer Zeit,

pp. 359-362), verwijst naar den teeren en gevoeligen jongen

Deenschen schrijver, J. P. Jakobsen, die scherp het contrast

schijnt gevoeld te hebben tusschen de hoogere en meer gewone

impulsen en de nu en dan voorkomende uitbarsting van wat hij

voelde als de lagere instincten; in zijn Niels Lyhne beschrijft hij

het soort van dubbel leven, waarbij een man veertien dagen trouw

is aan den God, dien hij vereert, en dan overwonnen wordt door

andere machten, die hem dolzinnig meevoeren naar wat hij voelt als

vernederend, pervers en vuil. "Op zulke oogenblikken", merkt Bloch

op, "is de man een ander wezen. De "twee zielen" in zijn borst

worden werkelijkheid. Is dat de beroemde geleerde, de verheven

idealist, de fijn besnaarde aestheticus, de kunstenaar, die ons

zooveel mooie werken gegeven heeft in poëzie en schilderkunst? Wij

herkennen hem niet meer, want op zulke oogenblikken is een ander

wezen aan de oppervlakte gekomen, een andere natuur is in hem in

beweging en drijft hem met het geweld van een natuurkracht naar

dingen, waarvan zijn "hooger bewustzijn" de beschaafde man in

hem, zou rillen". Bloch meent, dat we hier te doen hebben met een

soort normaal mannelijk masochisme en dat de prostitutie dient

om dat te bevredigen.

De psychologie der sexen: De sexen in hare verhouding tot de maatschappij · 第 50 / 71 题