De traditioneele moraal, de godsdienst en de ingestelde conventies te
zamen voeren niet alleen tot het uiterste van strenge abstinentie, maar
ook tot dat van ongebonden uitspatting. Zij prediken en idealiseeren
het eene, maar zij drijven hen, die er niet naar kunnen leven,
tot het tegenovergestelde uiterste. In de groote eeuwen van den
godsdienst gebeurt het zelfs, dat de gestrengheid van het voorschrift
der abstinentie min of meer opzettelijk getemperd wordt, doordat
men nu en dan uitbarstingen van losbandigheid toestaat. Zoo komt
het tot de orgie, die in de middeleeuwsche dagen bloeide, en die in
de ruimste beteekenis van het woord een algemeen verschijnsel is,
omdat zij in iedere geordende en werkzame beschaving, die opgebouwd
is op natuurlijke energieën, die door min of meer onvermijdelijke
beperkingen gebonden zijn, een functie te vervullen heeft.
De beschouwing van de orgie, mogen we zeggen, heft ons uit de enkel
sexueele sfeer op naar een hooger en ruimer gebied, dat tot den
godsdienst behoort. Het Grieksche woord orgeia had oorspronkelijk
betrekking op het uitoefenen van riten tot godsdienstige doeleinden,
hoewel later, toen de dansen van de bacchanaliën en dergelijke hun
heilig en inspireerend karakter verloren, het denkbeeld, dat zulke
dingen immoreel waren, door het Christendom gevoed werd [104]. Toch
was het Christendom zelf in zijn oorsprong een orgie van de hoogere
geestelijke werkzaamheden, die vrij waren gemaakt van de onsympathieke
slavernij der klassieke beschaving, een groot feest van de armen en de
nederigen, de slaven en de zondaars. En toen met de noodzakelijkheid
van ordelijke maatschappelijke organisatie het Christendom opgehouden
had dit te zijn, erkende het nog, evenals het heidendom dit gedaan had,
de behoefte aan een orgie nu en dan. Het blijkt dat er in 743, op een
synode gehouden in Henegouwen, gewezen werd op de Februari-uitspatting
(de Spurcalibus in februario) als een heidensche gewoonte; toch
was het juist dit heidensche feest, dat in de door de Christelijke
Kerk erkende gewoonten overging als de voornaamste orgie van het
kerkjaar, het groote karnaval, dat voorafging aan de lange vasten voor
Paschen. De viering van den Vastenavond-Dinsdag en den voorafgaanden
Zondag vormden een Christelijk bacchanaal, waaraan alle klassen
deelnamen. De grootste vrijheid van beweging werd aangemoedigd;
"sommigen loopen zonder eenige schaamte naakt, anderen kruipen op
handen en voeten, sommigen op stelten, weer anderen bootsen dieren na"
[105]. Mettertijd verloor het karnaval zijn sterkst kenmerkende trekken
als bacchanaal, maar het behoudt nog zijn meest essentieele karakter
als een geoorloofde tijdelijke verslapping van den druk van beperkingen
en conventies, door de gewoonte opgelegd. Het middeleeuwsche
losbandigheidsfeest--een brassend doorgebrachte nieuwjaarsnacht--dat
van de 12de eeuw af, vooral in Frankrijk, gewoonte werd--vertoonde een
duidelijk beeld van een Christelijke orgie in zijn meest uitgelaten
vorm, want hier werden de heiligste kerkelijke ceremonies phantastisch
geparodieerd. De kerk erkende, volgens Nietzsche, zooals alle wijze
wetgevers, dat, waar groote impulsen en gewoonten moeten aangekweekt
worden, er schrikkeldagen dienden ingeschoven, waarop deze impulsen
en gewoonten opzij gezet kunnen worden om er zoo opnieuw naar te
leeren hongeren [106]. De geestelijkheid nam in deze volksfeesten de
leiding, want voor de menschen van dien tijd, zooals Méray opmerkte,
"bood de tempel bevrediging voor de menschelijke behoeften in al hun
schakeeringen; zij vonden hier onderricht in hun plichten, troost voor
al hun smarten, bevrediging voor alle vreugden. De heilige feesten
van het middeleeuwsch Christendom waren niet een overblijfsel uit
den Romeinschen tijd; zij kwamen voort uit het hart der Christelijke
maatschappij" [107]. Maar, geeft Méray toe, alle groote en krachtige
volken van het Oosten en het Westen hebben het noodig geacht soms
met hun heilige dingen te spelen.
Onder de Grieken en Romeinen is deze behoefte overal zichtbaar,
niet alleen in hun tooneel en hun literatuur over het algemeen,
maar in het dagelijksch leven. Zooals Nietzsche naar waarheid
opmerkt (in zijn Geburt der Tragödie) erkenden de Grieken alle
natuurlijke impulsen, zelfs die, welke schijnbaar onwaardig zijn,
en verhinderden ze kwaad uit te richten door er kanalen voor te
openen, waarin, op speciale dagen en bij speciale godsdienstige
plechtigheden, het te veel aan energie kon afgevoerd worden zonder
nadeel te berokkenen. Plutarchus, de laatste en meest invloedrijke
van de Grieksche moralisten zegt terecht, als hij feesten bepleit
(in zijn verhandeling "On the Training of Children"), dat wij "zelfs
bij bogen en harpen de snaren los maken, om ze weer opnieuw te kunnen
spannen". Seneca, misschien de invloedrijkste van de Romeinsche,
zoo niet van de Europeesche moralisten, raadde zelfs dronkenschap nu
en dan aan. "Soms", schreef hij in zijn de Tranquillitate, "moesten
we zelfs komen tot den toestand van bedwelming, niet om ons in den
wijn te verdrinken, maar om er diep in onder te duiken. Want hij
vaagt zorgen weg en heft onzen geest op uit de diepste diepten. De
uitvinder van den wijn wordt Liber genoemd, omdat hij de ziel van de
dienstbaarheid der zorgen bevrijdt, ze verlost uit de slavernij, ze
aanvuurt, en ze sterker maakt voor alle ondernemingen". De Romeinen
waren een strenger en ernstiger volk dan de Grieken, maar juist om
die reden erkenden zij de noodzakelijkheid, nu en dan aan hun moreele
krachten den vrijen loop te laten, om hun veerkracht te behouden,
en moedigden zij het houden van feesten aan, die door veel meer
vrijheid waren gekenmerkt dan die van de Grieken. Toen deze feesten
hun moreele sanctie begonnen te verliezen en in verval geraakten,
was de achteruitgang van Rome begonnen.
Over de geheele wereld, de meest primitieve natuurvolken
niet uitgesloten--want zelfs het leven der natuurvolken
is opgebouwd op systematische beperkingen, die soms behoefte
hebben aan ontspanning--wordt het principe van de orgie erkend en
aangenomen. Zoo beschrijven Spencer en Gillen [108] de Nathagura
of vuurceremonie van den stam der Warramunga in Centraal-Australië,
een feest, waaraan door beide seksen wordt deelgenomen, waarbij al
de gewone regels van het maatschappelijk leven verbroken worden,
een soort van Saturnalia, waarbij er echter geen sexueele vrijheid
is, want sexueele vrijheid is, we behoeven het nauwelijks te zeggen,
geen essentieel deel van de orgie, zelfs als de orgie den last der
sexueele beperkingen verlicht. In een geheel ander deel van de wereld,
in Britsch Columbië, geloofden de Salische Indianen, volgens Hill Tout
[109], dat, lang voordat de blanken kwamen, hun voorouders een Sabbath
of zevende-dagfeest in acht namen om te dansen en te bidden, waartoe
men bijeenkwam bij het opgaan der zon en danste tot den namiddag. De
Sabbath of periodiek terugkeerende orgie,--niet een dag van druk en
beperking maar een vreugdefeest, een rust van al de plichten van het
dagelijksch leven,--heeft, zooals we weten, een hoofdrol gespeeld in
vele van de oude geordende beschavingen, waarop de onze opgebouwd is
[110]; het is zeer waarschijnlijk, dat de duurzaamheid van deze oude
beschavingen nauw verbonden was met hun erkenning van de behoefte
aan een Sabbath-orgie. Zulke feesten zijn werkelijk, zooals Crawley
opmerkt, processen van reiniging en krachtshernieuwing, pogingen, "den
ouden mensch" af te leggen en "den nieuwen mensch" aan te trekken,
om met nieuwe energie den weg van het dagelijksch leven weder te
betreden [111],
De orgie is een instelling, die haar beteekenis geenszins alleen voor
het verleden heeft. Integendeel eischen de hooge druk, de starre
routine, de grauwe eentonigheid van het moderne leven dringend
oogenblikken van organische verlichting, hoewel de juiste vorm, die
die orgiastische verlichting aanneemt, noodzakelijk veranderen moet
met andere maatschappelijke veranderingen. Zooals Wilhelm von Humboldt
zeide, "evenals de menschen lijden noodig hebben om sterk te worden,
zoo hebben zij vreugde noodig om goed te worden". Charles Wagner,
die in later tijd (in zijn Jeunesse) aandringt op dezelfde behoefte in
ons moderne leven betreurt het, dat het dansen op de oude, vrije, en
natuurlijke wijze uit de mode geraakt, of ongezond geworden is. Dansen
is inderdaad de meest fundamenteele en primitieve vorm van de orgie,
en degene, die het volkomenst en gezondst zijn roeping vervult. Want,
terwijl het ongetwijfeld, zooals we onder de dieren zien, een proces
is, waardoor sexueele tumescentie veroorzaakt wordt, is het brandpunt
ervan geenszins noodzakelijk sexueele detumescentie, maar het kan zelfs
een detumesceerende ontlading worden van opgezamelde spanning. Om deze
reden was het, dat, ten minste in vroeger dagen, de geestelijkheid
in Spanje, op moreele gronden, openlijk den nationalen hartstocht
voor het dansen aanmoedigde. Onder beschaafde volken van de nieuwere
tijden, begint de orgie meer en meer een vorm aan te nemen, die alleen
op de hersenen werkt, die minder gezond is, omdat ze niet leidt tot
harmonieuze ontlading langs motorische kanalen. In deze betrekkelijk
passieve vormen echter, begint de orgie steeds duidelijker naar voren
te treden. Het beroemde gezegde van Aristoteles over de functie van
de tragedie als een "reiniging" schijnt een erkenning te zijn van de
weldadige gevolgen van de orgie [112]. Wagner's muziekdrama's beroepen
zich machtig op deze behoefte; het tooneel, nu evenals altijd, vervult
een groot werk van dezelfde soort, geërfd uit de oude dagen, toen
het de geordende uitdrukking was van een sexueel feest [113]. Het
tooneel begint inderdaad, in den tegenwoordigen tijd meer en meer
van belang te worden en te naderen tot de meer ernstige dramatische
opvoeringen uit de klassieke dagen, doordat het verplaatst is naar
het daglicht en naar de open lucht. Voornamelijk Frankrijk heeft
het initiatief genomen tot deze opvoeringen, die een zekere analogie
vertoonen met de Dionysische feesten van de oudheid en de mysterie-
en moraliteitsspelen van de middeleeuwen. De beweging begon eenige
jaren geleden in Oranje. In 1907 waren er in Frankrijk al dertig
openluchttooneelen ("Théâtres de la Nature", "Théâtres du Soleil",
enz.), terwijl men voor het eerst sinds den klassieken tijd, in
Marseille een openluchttooneel opgericht heeft [114]. In Engeland
heeft de belangstelling van de bevolking zich ook verder uitgestrekt
naar dramatische opvoeringen, en de kort geleden ingestelde optochten,
die uitgevoerd worden en waaraan deelgenomen wordt door de bevolking
van de streek, die vertoond wordt in de optocht, zijn feesten van
hetzelfde karakter. In Engeland zijn echter tegenwoordig de werkelijk
populaire orgiastische feesten de Bank-holidays, waarmee zich nu
en dan andere feesten verbinden, zooals de "Maffekings", enz., die
dikwijls door betrekkelijk onbeteekenende nationale gebeurtenissen
worden te voorschijn geroepen, maar die toch nog voldoende zijn om
orgiastische emoties op te wekken, even echt als die van de oudheid,
hoewel ze schoonheid en godsdienstige wijding missen. Het is inderdaad
gemakkelijk voor enghartige en strenge menschen zulke uitingen aan te
zien met een meerderheidslachje, maar in de oogen van den moralist en
den philosoof oefenen deze feesten een weldadigen en voorbehoedenden
invloed uit. In iederen tijd van saaie en eentonige routine--en alle
beschaving sluit zulk een routine in zich--worden vele natuurlijke
impulsen en functies onderdrukt; zij vervallen tot uitdroging of
perversie. Tegen dit gevaar zijn deze oogenblikken van vreugdevol
bijeen zijn en van levensuiting noodig, oogenblikken waarin zij niet
noodzakelijk hun volle werkzaamheid bereiken, maar waarin ze in alle
gevalle, zooals Cyples het uitdrukt, zich bewust kunnen worden van
de groote mogelijkheid van de krachten, die ze in zich dragen [115].