bepaald bewust van haar sexueele natuur dan de jongen. Maar de
gevaren, die zij loopt door onwetendheid op sexueel gebied, zijn,
hoewel ze voor het grootste deel anders zijn, teerder en moeilijker
te herstellen. Zij is dikwijls heel nieuwsgierig naar deze dingen;
de gedachten van aankomende meisjes en dikwijls haar gesprekken als
ze bij elkaar zijn, draaien veel om sexueele en daarmee verbonden
geheimen. Zelfs in de zaak van bewusten sexueelen impuls is het meisje
dikwijls niet zoo heel verschillend van haar broeder en heeft ook niet
zooveel minder kans aan de besmetting van verkeerde mededeelingen te
ontsnappen, zoodat de gewetensbezwaren van dwaze en onwetende personen,
die vreezen "haar reinheid te bezoedelen" door gepaste inlichtingen,
geheel misplaatst zijn.
Gesprekken, die loopen over de belangrijke geheimen van
de menschelijke natuur zijn, naar aan Obici en Marchesini
verhaald werd door dames, die vroeger leerlingen waren geweest
van Italiaansche normaalscholen, aan de orde van den dag op
scholen en universiteiten en draaien vooral om de voortplanting,
het moeilijkste geheim van alle. In Engeland, zelfs op de
beste en meest moderne universiteiten, waar aan spelen en
lichaamsoefening veel wordt gedaan, zijn, zegt men mij, "de
meerderheid van de meisjes geheel en al onwetend in sexueele
zaken en zij begrijpen er niets van. Maar zij verwonderen zich
er over en spreken er voortdurend over". "Het leven binnen enge
perken en de aan banden gelegde geest van meisjes", schreef
eenige jaren geleden een bekend dokter (J. Milner Fothergill,
Adolescence, 1880, p.p. 20, 22) "geven haar minder gelegenheid
haar gedachten werkzaam bezig te houden dan het geval is met
jongens. Haar wordt ijverig geheimhouding geleerd, en een meisje
kan een volmaakt model zijn van uiterlijk fatsoen en toch een heel
vuilen geest hebben. De preutschheid, waarmee zij is opgevoed,
laat haar niets anders over dan haar hartstochten te bezien van
den leelijken kant van de menschelijke natuur. Iedere gezonde
gedachte over het onderwerp wordt met kracht teruggedrongen. Alles
wordt gedaan om haar geest te verduisteren en haar verbeelding te
verontreinigen door haar over te laten aan haar eigen gedachten
en aan een literatuur, waarvan zij zich schaamt te zeggen,
dat zij ze kent. Het is tegen de beste belangen van een meisje,
als men haar verhindert goede en juiste denkbeelden te hebben
over zichzelf en haar natuur. Menig mooi jong meisje wordt
reeds onherroepelijk in het verderf gestort op den drempel van
het leven, zijzelf en haar familie wordt onteerd, evenzeer door
onwetendheid als door misdaad. Als het oogenblik der verleiding
komt, valt zij zonder eenigen merkbaren tegenstand; zij heeft
geen geoefend, geschoold weerstandsvermogen in zichzelf; haar
geheele toekomst hangt niet af van haarzelf, maar van de mate van
volmaaktheid van de maatschappelijke bescherming, waardoor zij
is ingesloten en omringd". Onder de vrije maatschappelijke orde
van Amerika vindt men tegenwoordig voor een groot deel dezelfde
resultaten. In een leerzaam artikel ("Why Girls Go Wrong", Ladies'
Home Journal, Jan., 1907) levert B. B. Lindsey, die als rechter
van het "Juvenile Court" te Denver met authoriteit kan spreken,
ruim bewijsmateriaal op dit punt. Jongens en meisjes beide,
heeft hij bevonden, bezaten dikwijls schriften, waarin zij de
ruwste sexueele dingen neergeschreven hadden. Deze kinderen waren
meestal lief om te zien, prettig om mee om te gaan, verfijnd en
intelligent, en hadden achtbare ouders; maar niemand had ooit
met hen over sexueele zaken gesproken, behalve de slechtste van
hun schoolmakkertjes of de een of andere ruwe volwassene. Bij
zorgvuldige navraag bevond Lindsey, dat slechts in één van de
twintig gevallen de ouders eens met de kinderen hadden gesproken
over sexueele zaken. In bijna alle gevallen erkenden de kinderen,
dat het niet van hun ouders was, maar op straat of van oudere
makkers, dat zij de sexueele feiten hoorden. De ouders meenden
gewoonlijk, dat hun kinderen absoluut onwetend waren in deze
dingen en waren verwonderd als zij hun vergissing bemerkten;
"ouders kennen hun kinderen niet, en zij hebben niet het flauwste
denkbeeld van wat hun kinderen weten of waar hun kinderen over
spreken en wat ze doen als ze niet bij hen zijn". De ouders, die
aan dit verzuim, hun kinderen niet in te lichten, schuldig zijn,
zijn, zooals Lindsey verklaart, verraders van hun kinderen. Uit
zijn eigen ondervinding oordeelt hij, dat negen tienden van de
meisjes die "den verkeerden weg opgaan" hetzij zij achteruitgaan
in de wereld of niet, daartoe komen door onoplettendheid van hun
ouders, en dat in het geval van de meeste prostituées het kwaad
in werkelijkheid gedaan wordt vóór den twaalfjarigen leeftijd;
"ieder verloren meisje, waar ik mee gepraat heb, heeft mij
van deze waarheid verzekerd". Hij houdt het er voor, dat negen
tienden van de schooljongens en schoolmeisjes, in de stad zoowel
als op het land, zeer nieuwsgierig zijn naar sexueele zaken en,
tot zijn eigen verwondering, heeft hij bevonden, dat dit bij de
meisjes even diepgaand is als bij de jongens.
Het is de taak van de moeder van het meisje evenzeer als van de
moeder van den jongen, om over haar kind te waken van de vroegste
jaren af en haar vertrouwen te winnen in al de intieme en persoonlijke
zaken van sekse. In deze opzichten kan de school niet best tusschen
beide komen. Maar in zaken van physische sexueele hygiëne, vooral
van menstruatie, te welken opzicht alle meisjes gelijk staan, is het
zeker de taak van den opvoeder, actief waakzaam te zijn en bovendien
de geheele opvoeding in verband daarmee te leiden, en te zorgen dat
de leerling rust krijgt steeds wanneer dat wenschelijk blijkt. Dit
maakt deel uit van de allereerste grondslagen van de opvoeding van
meisjes. Het niet letten hierop moest een onderwijzeres ongeschikt doen
verklaren, verder deel te hebben aan opvoedkundig werk. Toch wordt
het voortdurend en hardnekkig verwaarloosd. Een groot aantal meisjes
zijn zelfs niet voorbereid door haar moeders en onderwijzeressen voor
het eerste optreden van de menstruatie, soms met ongelukkige gevolgen
voor haar lichamelijke en geestelijke gezondheid beide [27].
"Ik ken niet één groote meisjesschool", schreef een beroemd
gynæcoloog, Sir W. S. Playfair ("Education and Training of Girls
at Puberty", British Medical Journal, Dec. 7, 1895), "waar aan
het absolute verschil dat er bestaat tusschen jongens en meisjes,
aangaande de alles beheerschende menstrueele functie, systematisch
gedacht en op gelet wordt. Inderdaad staan alle schooljuffrouwen
beslist vijandig tegenover een dusdanig inzicht. De bewering
is, dat er geen werkelijk verschil bestaat tusschen een jongen
man en een jong meisje, dat wat goed is voor de een, ook goed
is voor de ander, en dat het verschil dat er nu is, voortkomt
uit de verkeerde gewoonten van het verleden, die aan vrouwen
onthouden hebben de ambities en voordeelen, die voor mannen open
stonden, en dat dit verdwijnen zal als een gelukkiger tijdperk
begonnen is. Als dat zoo is, hoe komt het dan dat, terwijl iedere
praktiseerende dokter van ondervinding veel gevallen heeft gezien
van anæmia en chlorosis bij meisjes, vergezeld door amenorrhoea
of menorrhagia, hoofdpijnen, hartkloppingen, vermagering en al
de gewone verschijnselen van een instorting, dat een dergelijke
toestand bij een schooljongen zóo zeldzaam is, dat we wel mogen
betwijfelen of zij wel ooit gezien is?"
Echter zijn alleen de excuses voor deze bijna misdadige
nalatigheid, zooals wij haar moeten betitelen, nieuw; de
nalatigheid zelf is oud. Een halve eeuw geleden, vóór het nieuwe
tijdperk in de opvoeding van vrouwen, zeide een ander beroemd
gynæcoloog, Tilt, (Elements of Health and Principles of Female
Hygiene, 1852, pag. 18) dat hij bij een statistisch onderzoek
aangaande het begin van de menstruatie bij bijna duizend vrouwen
bevond, dat "25 percent geheel onvoorbereid waren op het optreden
ervan; dat dertien van de vijf en twintig zeer geschrikt waren,
schreeuwden, of zenuwtoevallen kregen; en dat zes van de dertien
dachten dat ze gewond waren en zich met koud water waschten. Van
haar die geschrokken waren... was de algemeene gezondheid ernstig
benadeeld".
Engelmann deelt, nadat hij gezegd heeft dat zijn ondervinding in
Amerika gelijk was aan die van Tilt in Engeland, mede ("The Health
of the American Girl", Transactions of the Southern Surgical and
Gynæcological Society, 1890): "Aan onnoemelijk veel vrouwen heeft
schrik, opwinding door zenuwen en emoties, blootstellen aan koude,
kwaad gedaan in de puberteit. Wat is er natuurlijker dan dat
het angstige meisje, verrast door het plotseling en onverwacht
verlies van de kostbare levensvloeistof, tracht het bloeden van
de wond--wat zij meent dat het is--te stelpen? Voor dit doel is
het gebruik van koude afwasschingen en aanwenden van koud water
gewoon, sommigen trachten zelfs het vloeien te doen ophouden door
een koud bad, zooals gedaan werd door eene nu zorgvuldige moeder,
die lang op den rand van den dood lag als resultaat van zulk een
onbezonnenheid, en die maar langzaam, door jaren van zorg, haar
gezondheid terugkreeg. De verschrikkelijke waarschuwing is niet
verloren geweest, en gedachtig aan haar eigen ondervinding heeft
zij haar kinderen een les geleerd, die maar weinigen zoo gelukkig
zijn te leeren--de persoonlijke zorg gedurende de perioden van
werkzaamheid der organen, die noodig is voor het behoud van de
gezondheid der vrouw."
In een studie over honderd vijf en twintig meisjes van
een Amerikaansche hoogeschool, vestigt Dr. Helen Kennedy de
aandacht op de "kuischheid", die het onmogelijk maakt zelfs voor
moeders en dochters om met elkaar te spreken over het doel der
menstruatie. "Zes en dertig meisjes op deze hoogeschool werden
vrouw zonder eenige kennis, uit zuivere bron, van alles wat haar
tot vrouw maakt. Negen en dertig waren waarschijnlijk niet veel
wijzer, want zij zeiden, dat zij wel eenige inlichting ontvingen,
maar dat zij niet vrij uit over de zaak gesproken hadden. Uit het
feit dat het nieuwsgierige meisje niet vrij uit sprak over wat
haar natuurlijk interesseerde, blijkt, dat zij waarschijnlijk
afgescheept werd met een paar woorden over persoonlijke zorg
en met een vermaning over haar nieuwsgierigheid. Minder dan
de helft van de meisjes voelde zich vrij om met haar moeders
te praten over deze hoogst belangrijke zaak!" (Helen Kennedy,
"Effects of High School Work upon Girls During Adolescence",
Pedagogical Seminary, June, 1896).
Dezelfde staat van zaken is waarschijnlijk ook in andere landen
overheerschend. Zoo beschreef, wat Frankrijk aangaat, Edmond de
Goncourt in Chérie (pp. 137-139) de schrik van de jonge heldin
bij het verschijnen van de eerste menstruatieperiode, waarop zij
nooit voorbereid was geworden. Hij voegt er aan toe: "Het is maar
heel zelden, dat vrouwen over deze mogelijkheid spreken. Moeders
zijn bang haar dochters te waarschuwen, oudere zusters doen niet
graag confidenties aan haar jongere zusters, gouvernantes zwijgen
gewoonlijk tegenover meisjes, die geen moeders of zusters hebben".
Soms geeft dit aanleiding tot zelfmoord of tot pogingen tot
zelfmoord. Zoo werd een paar jaar geleden een geval gemeld in
de Fransche bladen van een jong meisje van vijftien jaar, dat
zich te Saint-Ouen in de Seine geworpen had. Zij werd gered,
en toen ze voor den commissaris van politie gebracht was, zeide
ze, dat ze aangetast was door een "onbekende ziekte", die haar
tot wanhoop gedreven had. Tactvol navragen bracht aan het licht,
dat de geheimzinnige ziekte er een was, die alle vrouwen gemeen
hebben, en het meisje werd teruggegeven aan haar niet voldoende
gestrafte ouders.
Een halve eeuw geleden werd van het sexueele leven van meisjes geen
notitie genomen door haar ouders en onderwijzers om redenen van
preutschheid; tegenwoordig, nu geheel andere meeningen heerschen over
vrouwenopvoeding, wordt er geen notitie van genomen op den grond, dat
meisjes even onafhankelijk moeten zijn van haar physiologisch sexueel
leven als jongens dat zijn. Het feit, dat deze noodlottige nalatigheid
gelijkelijk geheerscht heeft onder zulke verschillende omstandigheden,
bewijst duidelijk, dat de verschillende redenen, die er voor aangegeven
worden, niets dan dekmantels zijn der onwetendheid. Met het aangroeien
van kennis mogen wij met reden hopen, dat een van de voornaamste
kwalen, die tegenwoordig in de jeugd niet alleen gezond moederschap
ondermijnen maar ook een gezonde vrouwelijkheid, langzamerhand uit
den weg geruimd zullen worden. De feiten, die nu verzameld zijn,
toonen niet alleen het veelvuldig voorkomen van pijnlijke, ongeregelde
en wegblijvende menstruatie bij aankomende meisjes en jonge vrouwen
aan, maar ook de groote en soms blijvende nadeelen, die zelfs gezonde
meisjes ondervinden, wanneer zij bij het begin van het sexueele leven
onderworpen zijn aan inspanning van welken aard ook. Men kan nu zeggen,
dat medische autoriteiten van beide seksen bijna of geheel eenstemmig
zijn op dit punt. Eenige jaren geleden is Dr. Mary Putnam Jacobi, in
een zeer knap boek, The Question of Rest for Women, tot het besluit
gekomen dat "gewoonlijk gezonde" vrouwen de periode der menstruatie
kunnen negeeren, maar zij gaf toe, dat zes en veertig percent der
vrouwen niet "gewoonlijk gezond" zijn en een minderheid, die zoo dicht
bij een meerderheid komt, kan maar niet als "quantité négligeable"
buiten beschouwing gelaten worden. De meisjes zelf zijn, meegesleept
door den ijver voor haar werk of vermaak, gewoonlijk onverschillig,
uit roekeloosheid en onwetendheid, voor de groote gevaren die zij
loopen. Maar de meeningen der onderwijzeressen hebben nu neiging
overeen te komen met de medische opinie in het erkennen van het belang
van zorg en rust tijdens de jeugdjaren, en onderwijzeressen zijn zelfs
geneigd toe te geven, dat een jaar onthouding van hard werken tijdens
de periode waarin het sexueele leven van een meisje zich vestigt, haar
gezondheid en kracht kan geven, zelfs zonder nadeel op te leveren uit
een opvoedkundig gezichtspunt. Met den groei van kennis en het verval
van oude vooroordeelen mogen wij met reden hopen, dat vrouwen zich
los zullen maken van de tradities van valsche beschaving, die haar
gedwongen hebben haar glorie als haar schande te beschouwen,--hoewel
het nooit zoo geweest is onder krachtige natuurvolken,--en het is
bemoedigend te bevinden, dat een zoo bekend opvoeder als Stanley Hall
met vertrouwen zulk een tijd tegemoet ziet. In zijn groote werk over
Adolescence schrijft hij: "In plaats van schaamte over deze functie
behoorde aan meisjes de grootste eerbied ervoor ingeprent te worden
en moesten deze helpen om haar normaal te doen worden door eenige
jaren lang geregeld op vaste tijden alle andere belangen hieraan
ondergeschikt te maken, tot ze goed gevestigd is en normaal. Hooger
wezens, neerziende op het menschenleven zooals wij neerzien op de
bloemen, zouden deze uren de meest belangwekkende en mooiste voor
ontknopping vinden. Met meer zelfkennis zullen vrouwen meer zelfrespect
hebben in dezen tijd. Natuurvolken hebben eerbied voor dezen toestand:
het geeft aan vrouwen een mystiek ontzag. De tijd zal misschien wel
komen, wanneer wij zelfs de verdeelingen van het jaar voor vrouwen
moeten veranderen, dat we aan den man zijn week moeten laten en aan
haar moeten geven hetzelfde aantal Sabbathdagen per jaar, maar in
groepen van vier opvolgende dagen per maand. Wanneer de vrouw haar
ware physiologische rechten beseft, zal ze hier beginnen, en dan zal
ze roem dragen op wat in een eeuw van onwetendheid de man haar deed
denken, dat haar schande was. Het verkeerde in de leidsters van de
zoogenaamde emancipatie der vrouw is, dat zij, zelfs meer dan degenen
die zij zouden willen overtuigen, de waardeering van den man voor
dezen toestand aannemen" [28].
Deze wijze woorden kunnen niet te diep overdacht worden. Het verkeerde
in den toestand is geweest--in ieder geval in het verleden, want nu
is er een meer verlicht geslacht aan het opgroeien--dat de leidsters
van de vrouwenbeweging zelf dikwijls de zaak der vrouwen verraden
hebben. Zij hebben de idealen van mannen overgenomen, zij hebben
vrouwen gedwongen tweede-hands-mannen te worden, zij hebben verklaard,
dat de gezonde, natuurlijke vrouw geen acht geeft op de aanwezigheid
van haar menstrueele functies. Dit is juist het tegendeel van de
waarheid. "Zij eischen", merkt Engelmann op, "dat de vrouw in haar
natuurlijken staat de physiek gelijke van den man zal zijn en wijzen
voortdurend op de oorspronkelijke vrouw, de vrouw bij de natuurvolken
als een voorbeeld van dit onderstelde axioma. Weten zij hoe goed
deze zelfde wilde op de hoogte is van de zwakheid van de vrouw en
haar gevoeligheid op zekere tijden van haar leven? En met wat een
zorg hij haar beschermt tegen nadeel in deze tijden? Dat geloof ik
niet. Het belang om vrouwen te omringen met zekere voorzorgen op
het hoogtepunt van deze groote functioneele golven van haar bestaan,
werd op de juiste waarde geschat door alle volken, die leven in een
aan den natuurstaat grenzenden toestand, door alle rassen in alle
tijden; en onder hun betrekkelijk weinige godsdienstige gewoonten
werd die, welke rust verschafte aan vrouwen, degene waar het meest
aan vastgehouden werd". Het is alleen onder de blanke rassen, dat
de sexueele invaliditeit van vrouwen overheerschend is, en het zijn
alleen de blanke rassen, welke, ontgroeiend aan de godsdienstige
ideeën waarmede de afzondering tijdens de menstruatie verbonden was,
die weldadige afzondering zelf hebben over boord gegooid, in een
bijna letterlijken zin het kind wegwerpend met het badwater [29].
In Duitschland heeft Tobler onderzoek gedaan naar de geschiedenis
van de menstruatie van meer dan duizend vrouwen (Monatsschrift
für Geburtshülfe und Gynäkologie, Juli, 1905). Hij bevindt,
dat bij de groote meerderheid van vrouwen tegenwoordig de
menstruatie samengaat met bepaalde vermindering van de algemeene
gezondheid, en vermindering van de functioneele energie. Bij 26
percent bestonden tevens plaatselijke pijn, algemeene malaise,
en geestelijke en nerveuse afwijkingen; in grooter proportie
komen de gevallen, waarin plaatselijke pijn, algemeene zwakke
gezondheid of psychische abnormaliteit alleen voorkwamen in
dezen tijd. Alleen bij 16 percent werden geen van deze symptomen
gevonden. Bij een zeer kleine afzonderlijke groep waren de
physieke en geestelijke functies in dezen tijd verhoogd, maar
in de helft van die gevallen was er een bepaalde storing in den
tijd tusschen de menstruaties. Tobler komt tot het besluit dat,
terwijl de menstruatie zelf physiologisch is, al deze stoornissen
pathologisch zijn.
Voor zoover Engeland betreft, werd er, bij een discussie
over normale en pijnlijke menstruatie op een bijeenkomst van
de British Association of Registered Medical Women op den 7den
Juli, 1909, gezegd door Miss Bentham, dat 50 percent van meisjes
die in goede omstandigheden verkeerden, leden aan pijnlijke
menstruatie. Mrs. Dunnett zeide, dat het gewoonlijk voorkwam
tusschen den leeftijd van vier en twintig en dertig, en dat het
dikwijls ontstond uit het verwaarloozen van het rusten tijdens
de menstruatie in de jongere jaren en Mrs. Grainger Evans had
bevonden, dat deze toestand zeer gewoon was onder onderwijzeressen
van de lagere school, die in haar meisjestijd hard gewerkt hadden
voor examens.
In Amerika zijn verschillende onderzoekingen gedaan, die aantoonen
het veel vóorkomen van stoornis in de sexueele gezondheid van
schoolmeisjes en jonge vrouwen. Zoo verkreeg Dr. Helen P. Kennedy
uitgebreide gegevens over het menstrueele leven van honderd
vijf en twintig meisjes op de hoogeschool van ongeveer achttien
jarigen leeftijd ("Effect of High School Work upon Girls During
Adolescence", Pedagogical Seminary, June 1896). Slechts acht en
twintig voelden geen pijn vóór de periode (zooals hoofdpijn,
malaise, prikkelbaarheid van humeur), terwijl vier en veertig
klaagden over andere symptomen behalve pijn tijdens de periode
(vooral hoofdpijn en groote zwakte). Jane Kelley Sabine
(aangehaald in Boston Medical and Surgical Journal, Sept. 15,
1904) vond in scholen in Nieuw Engeland onder de twee duizend
meisjes, dat 75 percent moeilijkheden met de menstruatie had,
dat 90 percent leucorrhea en neuralgia van de ovariën had en dat
60 percent haar werk twee dagen iedere maand moest opgeven. Deze
resultaten schijnen meer dan gewoon ongunstig, maar zij zijn van
beteekenis, omdat zij een groot aantal gevallen omvatten. De
toestanden in de landen aan den stillen Oceaan zijn niet veel
beter. Dr. Mary Ritter zeide (in een geschrift dat ze heeft
voorgelezen voor de California State Medical Society in 1903), dat
van 660 pas aangekomen meisjes aan de Universiteit van Californië,
67 onderhevig waren aan onregelmatigheden in de menstruatie, 27
percent aan hoofdpijnen, 30 percent aan rugpijnen, 29 percent
hadden voortdurend constipatie, 16 percent hadden abnormale
hartgeluiden, slechts 23 percent waren vrij van functioneele
stoornissen. Dr. Helen Mac Murchey bevond in een belangwekkend
geschrift over "Physiological Phenomena Preceding or Accompanying
Menstruation" (Lancet, Oct. 5, 1901), door onderzoekingen onder
honderd vrouwelijke dokters, verpleegsters, onderwijzeressen
in Toronto over de aan- of afwezigheid van een en twintig
verschillende menstruatie-verschijnselen, dat tusschen de 50 en
60 percent bekenden dat zij in dezen tijd neiging hadden tot
onrustig slapen, tot geestelijke depressie, tot stoornis in
de spijsvertering, of tot stoornis van de speciale zintuigen,
terwijl ongeveer 25 tot 50 percent neiging hadden tot hoofdpijn,
tot duizeligheid, tot verhoogde zenuw-energie, tot gebrek aan
zenuw- en spierkracht, tot overgevoeligheid van de huid, tot
vaatstoornissen, tot constipatie, tot diarrhee, tot vermeerderd
urineeren, tot huiduitslag, tot vermeerderde vatbaarheid voor
kouvatten, of tot hinderlijke waterige afscheiding voor of na
de vloeiing der menstruatie. Dit onderzoek is van veel belang,
omdat het duidelijk doet blijken, het heerschen bij de menstruatie
van toestanden, die, hoewel ze niet noodzakelijk van eenig gewicht
zijn, toch bepaaldelijk wijzen op een verminderd weerstandsvermogen
tegen ziekelijke invloeden en verminderde geschiktheid tot werken.
Hoe ernstig bezwaar moeilijkheden door de menstruatie zijn voor
een vrouw, blijkt uit het feit dat de vrouwen, die tot succes en
roem komen, er zelden ernstig door schijnen geplaagd te zijn. Daar
mogen we voor een deel aan toeschrijven de veelvuldigheid, waarmee
leidsters van de vrouwenbeweging menstruatie behandeld hebben als
een zaak van geen belang in het leven van een vrouw. Adèle Gerhard
en Helene Simon hebben ook in haar belangrijk en onpartijdig werk,
Mutterschaft und Geistige Arbeit (p. 312), niet kunnen vinden
bij haar navragen onder vrouwen van uitstekende bekwaamheid,
dat menstruatie beschouwd werd als ernstig het werk te belemmeren.
In den laatsten tijd is dikwijls, niet alleen van medische maar
ook van opvoedkundige zijde, het denkbeeld ter sprake gebracht,
dat aankomende meisjes niet alleen twee dagen achtereen gedurende
de menstruatie moeten rusten, maar dat zij geheel vacantie
van school moeten hebben het eerste jaar van haar sexueele
leven. Bij een bijeenkomst van de Association of Registered
Medical Women, waarvan we reeds melding gemaakt hebben, sprak
Miss Sturge van de goede resultaten, die verkregen waren op een
school waar in de twee eerste jaren na de puberteit de meisjes
in bed werden gehouden gedurende de twee eerste dagen van iedere
menstruatie-periode. Eenige jaren geleden schreef Dr. G. W. Cook
("Some Disorders of Menstruation", American Journal of Obstetrics,
April, 1896), na eenige gevallen gegeven te hebben als waarover we
spreken: "Het is mijn vaste overtuiging, dat geen meisje gedurende
het jaar van haar puberteit zich moet bepalen tot de studie,
maar ze moet een leven in de open lucht leiden". In een artikel
over "Alumna's kinderen", door "Een Alumna" (Popular Science
Monthly, Mei, 1904), handelend over de sexueele invaliditeit van
Amerikaansche vrouwen en de zware inspanning van haar geëischt
door het moederschap, pleit de schrijfster, hoewel zij geensdeels
vijandig staat tegenover de opvoeding, die, naar zij verklaart,
niet verkeerd is, voor rust voor het meisje in de puberteit. "Als
haar hoofd haar geheele levenskracht in beslag neemt, hoe kan
er dan eenige behoorlijke ontwikkeling zijn? Evenals zeer jonge
kinderen eenige jaren lang al hun kracht moeten geven alleen
aan physieken groei, voor wij aan de hersenen belangrijke eischen
mogen stellen, zoo moet in dezen critieken tijd in het leven van de
vrouw niets aan de ontwikkeling van dit belangrijke systeem in den
weg staan. Een jaar, op zijn minst, moet speciaal gemakkelijk voor
haar gemaakt worden, zonder geestelijke of zenuw-inspanning; en den
geheelen verderen schooltijd door moet zij op de vaste tijden haar
rustdag hebben, vrij van studie of te groote inspanning". In een
ander artikel over hetzelfde onderwerp in hetzelfde tijdschrift
("The Health of American Girls", Sept 1907), raadt Nellie Comins
een dergelijke wijze van handelen aan. "Ik ben er overtuigd van,
eenigszins tegen mijn wil, dat er vele gevallen zijn, waarin het
meisje geheel van school genomen moet worden, eenige maanden,
tenminste een jaar lang ten tijde van de puberteit". Zij voegt
er aan toe, dat het voornaamste bezwaar is, de eigen voorliefde
en tegenzin van het meisje en de onwetendheid van haar moeder,
die er aan gewend is te denken, dat pijn het natuurlijk lot is
van een vrouw.
Zulk een periode van ontheffing van geestelijke inspanning behoeft,
omdat ze het organisme krachtiger zou maken in zijn weerstand
tegen mogelijken druk later, in het geheel niet verloren te zijn in
den ruimeren zin van het woord, want de opvoeding, die verkregen
wordt in schoolkamers is maar een klein deel van de opvoeding,
die voor het leven geëischt wordt. En ze behoorde ook in het
geheel niet alleen ten goede te komen aan het ziekelijke en zwakke
meisje. Het tragische van het tegenwoordige verzuim om meisjes een
werkelijk flinke en passende opvoeding te geven, is dat de beste
en knapste meisjes er zoo dikwijls door te gronde gaan. Zelfs de
Engelsche politie-agent, die, naar algemeen toegegeven wordt, in
physieke kracht en kalmte behoort tot de bloem van de bevolking,
is niet in staat de inspanning van zijn leven te verdragen, en
men zegt, dat hij op is in vijf-en-twintig jaar. Het is even dwaas
de mooiste bloemen der meisjesjaren te onderwerpen aan een druk,
die, naar algemeen toegegeven wordt, te zwaar is.
Het schijnt wel duidelijk te zijn, dat de voornaamste factor in de
gewone sexueele en algemeene invaliditeit van meisjes en jonge vrouwen
slechte hygiëne is, in de eerste plaats bestaande in het verwaarloozen
van de menstrueele functies, en in de tweede plaats in verkeerde
gewoonten in het algemeen. In alle hoofdpunten, die betrekking hebben
op de hygiëne van het lichaam, zijn de tradities van meisjes--en dit
schijnt meer in het bijzonder het geval te zijn in Angelsaksische
landen--minder goed dan die van jonge mannen. Vrouwen zijn veel meer
geneigd dan mannen om deze dingen ondergeschikt te maken aan wat haar
een meer dringend belang schijnt of aan een gril van het oogenblik;
zij worden er in geoefend lastige en knellende kleedingstukken te
dragen, zij geven niet om geregelde en voedzame maaltijden, gebruiken
bij voorkeur onvoedzame en onverteerbare spijzen en dranken; zij zijn
geneigd, niet te letten op de eischen van de ingewanden en de blaas,
uit luiheid of kuischheid. Zij zijn zelfs onverschillig voor physieke
reinheid [30]. In een groot aantal kleinere zaken, die afzonderlijk
van weinig belang schijnen, werken zij een omgeving in de hand,
tegen welke, daar deze niet altijd in overeenstemming is met hun
speciale behoeften, aanzienlijke tegenstand noodzakelijk zou zijn,
alleen reeds indien zij er ernstig aan gingen denken, zich ertegen
te verzetten. Er is bevonden op een Amerikaansch Vrouwen-College,
waar ongeveer de helft van de leerlingen corsetten droegen en de
andere helft niet, dat bijna al de eerbewijzen en prijzen gingen
naar haar, die geen corsetten droegen. Mc. Bride, die op dit feit de
aandacht vestigt, maakt de opmerking: "Als het dragen van een enkel
kleedingstuk dit verschil maakt in het leven van jonge vrouwen, en
dat wel in den tijd van haar grootste kracht en weerstandsvermogen,
hoe veel verschil zal dan een reeks ongezonde gewoonten maken, als
ze een leven lang worden voortgezet? [31]
"Het schijnt gebleken te zijn", besluit A. E. Giles ("Some Points
of Preventive Treatment in the Diseases of Women", The Hospital,
April 10, 1897) "dat dysmenorrhea voor een groot deel voorkomen
kan worden door te letten op de algemeene gezondheid en opvoeding.
Korte werkuren, vooral van staand werk; veel lichaamsbeweging in
de open lucht--tennissen, roeien, fietsen, gymnastiek, en wandelen
voor hen die dit niet kunnen doen; regelmaat in maaltijden en
voedsel van behoorlijke kwaliteit--niet voortdurend thee en koffie
met koek; vermijden van te groote inspanning en van te veel
vermoeienis; dit zijn eenige van de voornaamste dingen, die de
aandacht vereischen. Laat meisjes studeeren, maar langzamer; zij
zullen hetzelfde doel bereiken, maar wat later". Het voordeel van
vrije beweging en oefening voor het geheele lichaam is ongetwijfeld
zeer groot, zoowel wat betreft de sexueele en algemeen physieke
gezondheid als het geestelijk evenwicht; om het zoover te brengen,
is het noodig, zware en knellende kleedingstukken te vermijden,
meer in het bijzonder rondom de borst, want juist in krachtig
ademhalen en uitzetting van de borst, meer dan in eenig ander
opzicht, staan meisjes achter bij jongens (zie bv. Havelock Ellis,
Man en Vrouw, hoofdst. IX). In vroeger tijd lag het groote bezwaar
voor de vrije lichaamsoefening van meisjes in het ideaal van
vrouwelijk gedrag, dat in zich sloot een gemaakte dwang op iedere
natuurlijke beweging van het lichaam. Tegenwoordig wordt dat ideaal
niet met zooveel ijver gepredikt als vroeger, maar de traditioneele
invloed ervan bestaat nog in zekere mate, terwijl er verder de
moeilijkheid is, dat gepaste tijd en gelegenheid en aanmoediging
in het geheel niet algemeen verschaft worden aan meisjes voor het
ontwikkelen en oefenen van de stoei-instincten, die werkelijk een
ernstig deel zijn van de opvoeding, want door zulk vrij oefenen van
het geheele lichaam wordt het stelsel van zenuwen en spieren, de
basis van alle levensactiviteit opgebouwd. De verwaarloozing van
die opvoeding is tegenwoordig duidelijk zichtbaar in den bouw van
onze vrouwen. Dr. F. May Dickinson Berry, Medisch examinator aan
de Technical Education Board van de London County Council, bevond
(British Medical Journal, May 28, 1904) dat van meer dan 1500
meisjes, die de bloem van de scholen vertegenwoordigen, sinds zij
beurzen gekregen hadden, die haar in staat stelden tot scholen van
een hoogeren rang op te klimmen, 22 percent een zekere mate van
zijdelingsche kromming van den ruggegraat hadden, terwijl zulke
gevallen zeer zeldzaam waren onder de jongens. Op dezelfde wijze
vond Miss Lura Sanborn onder een dergelijke klasse van de beste
meisjes van de normaalschool in Chicago (Doctors' Magazine, Dec.,
1900) er 17 percent met kromming van de ruggegraat, in sommige
gevallen van een zeer groote beteekenis. Er is geen reden, waarom
een meisje niet een even rechte rug zou hebben als een jongen; de
oorzaak kan alleen liggen in de onvoldoende ontwikkeling der
spieren, die in de meeste van de gevallen geconstateerd werd, soms
samengaande met anaemia. Hier en daar is er tegenwoordig, onder de
betere maatschappelijke klassen, ruime gelegenheid tot ontwikkeling
van spierkracht bij meisjes, maar in het algemeen is er geen
voldoende gelegenheid voor zulke oefeningen onder de werkende
klasse; vooral in dat deel ervan dat nadert tot de lagere
middelklasse, is er, hoewel haar leven bestemd is om gevuld te
zijn met een voortdurenden druk op het zenuw- en spierstelsel door
werk thuis of in winkels etc., gewoonlijk een minimum van gezonde
oefening en physieke ontwikkeling. Dr. W. B. Sellman van Baltimore
("Causes of Painful Menstruation in Unmarried Women", American
Journal Obstetrics, Nov., 1907), legt den nadruk op de prachtige
resultaten, verkregen met lichaamsoefening voor jonge vrouwen en
door ze te oefenen in het zorgen voor haar lichaam en het doen
uitrusten van haar zenuwstelsel, terwijl Dr. Charlotte Brown, in
San Francisco terecht aandringt op het inrichten in alle steden
en dorpen van gymnastiekvelden in de open lucht voor vrouwen en
meisjes, en het hebben van een gebouw, behoorende bij iedere
groote school, voor oefening in physieke kennis, handenarbeid en
huishoudelijke kennis. Het verstrekken van speciale speelplaatsen
is noodig waar lichaamsoefening van meisjes zóo ongewoon is, dat
ze een hinderlijke mate van belangstelling veroorzaakt van de
andere sekse, hoewel, als ze een gewoonte sedert onheugelijke
tijden is, ze kan gehouden worden op de weide van het dorp zonder
in het minst de aandacht te trekken, zooals ik in Spanje gezien
heb, waar men ze wel in verband moet brengen met de physieke kracht
van de vrouwen. Op jongensscholen worden spelen niet alleen
aangemoedigd, doch verplichtend gesteld; maar dit is in het geheel
geen algemeene regel op meisjesscholen. Het is niet noodig, en het
is zelfs zeer ongewenscht, dat de daar aangenomen spelen, die van
jongens zouden zijn. Vooral in Engeland, waar de bewegingen van
vrouwen zoo dikwijls gekenmerkt worden door onhandigheid,
hoekigheid en gebrek aan bevalligheid, is het van het hoogste
belang, dat er niets gedaan zal worden om deze eigenaardigheden
te versterken, want waar kracht geweld insluit daar hebben wij een
gebrek aan voldoende samenwerking van zenuwen en spieren. Zwemmen,
als het mogelijk is, en vooral sommige vormen van dansen, zijn
uitmuntend geschikt om de lichamelijke bewegingen van vrouwen,
zoowel krachtig als harmonieus te ontwikkelen (zie b.v. Havelock
Ellis, Man en Vrouw, hoofdst. VII). Bij het Internationale Congres
van schoolhygiëne in 1907 (zie o.a. British Medical Journal, Aug,
24, 1907) zeide Dr. L. H. Gulick, die vroeger de leiding had van
de lichaamsoefeningen in de openbare scholen van New-York, dat men
in de lagere en hoogere scholen in New-York, na vele proeven
bevonden had dat het dansen van de volksdansen de allerbeste
lichaamsoefening was voor meisjes. "De dansen, die uitgekozen waren,
brachten groote spiermassa's van het lichaam tot samentrekking en
hadden daarom een grooten invloed op ademhaling, bloedsomloop en
voeding. Bovendien konden zulke bewegingen, wanneer ze als dansen
gedaan werden, drie of viermaal zoo lang volgehouden worden zonder
vermoeidheid te veroorzaken dan gewone gymnastiek. Vele volksdansen
waren nabootsingen, een zaai- en oogstdans, dansen die bewegingen
van ambachten uitdrukken (de schoenmakersdans), andere die aanval
en verdediging voorstellen of het achtervolgen van wild. Zulke
bewegingen van zenuwen en spieren zijn, om zoo te zeggen, zoo
oud als het ras en passen in het dagelijksch leven van den
mensch en neemt men eenmaal aan, dat de volksdansen inderdaad
een voorstelling geven van de geschiedenis van het zenuw en
spierstelsel van den mensch, en volstrekt niet zijn eenvoudige,
doellooze bewegingen, dan behoorde op grond van deze biologische
overwegingen aan de combinatie van volksdansen de voorkeur gegeven
te worden boven onuitgezochte en zelfs boven op physiologische
gronden aangenomen bewegingen. Uit een aesthetisch gezichtspunt
kwam de zin voor schoonheid, zooals ze vertoond wordt bij het
dansen, veel meer voor dan de aanleg om te zingen, te schilderen
of te boetseeren".
We moeten er altijd aan denken dat, als wij de speciale eischen van
de natuur der vrouw erkennen, wij daarom nog niet instemmen met het
geloof, dat hoogere opvoeding ongeschikt is voor een vrouw. Die
vraag mag nu als afgedaan beschouwd worden. Er is daarom nu geen
behoefte meer aan den koortsigen ijver van de eerste leiders van
vrouwenopvoeding, om aan te toonen, dat meisjes precies opgevoed kunnen
worden alsof ze jongens waren en minstens even goede opvoedkundige
resultaten geven. Thans is die ijver niet alleen onnoodig, maar
nadeelig. Het is nu meer noodig om aan te toonen, dat vrouwen speciale
behoeften hebben, juist zooals mannen speciale behoeften hebben en
dat het even slecht is voor vrouwen, en daarom voor het menschdom,
haar te dwingen de speciale wetten en beperkingen voor mannen aan
te nemen, als het verkeerd zou zijn voor mannen, en daarom voor het
menschdom, om mannen te dwingen de speciale wetten en beperkingen
voor vrouwen aan te nemen. Iedere sekse moet trachten het doel te
bereiken door de wetten te volgen van haar eigen natuur, hoewel het
toch wenschelijk blijft dat, zoowel op school als in het leven, zij
zoover als dat mogelijk is naast elkaar kunnen werken. Het groote
feit, dat men altijd in herinnering moet houden is, dat niet alleen
vrouwen in physieke afmeting en physieken bouw teerder en fijner zijn
dan mannen, maar dat in een, onder mannen geheel onbekende mate,
haar zwaartepunt neiging heeft verlegd te worden door de serie van
rhythmische sexueele curven, volgens welke zij altijd leven. Zij zijn
dus eerder uit haar evenwicht te brengen en iedere soort van druk
of inspanning--van hersenen, zenuwen of spieren--heeft meer kans
ernstige stoornissen teweeg te brengen en vereischt een nauwkeurig
aanpassen aan haar speciale behoeften.
Het feit, dat het inspanning in het algemeen is, en niet alleen
wetenschappelijke studiën, die schadelijk zijn voor jonge vrouwen,
wordt voldoende bewezen, als er nog een bewijs noodig is,
door het feit, dat sexueele belemmering en physieke en nerveuse
instorting met groote veelvuldigheid voorkomen bij meisjes die
in winkels of in fabrieken werken, zelfs bij meisjes die in het
geheel nooit naar school zijn geweest. Zelfs onmatigheid in
lichaamsoefeningen--die nu niet zoo heel zelden voorkomt als
reactie tegen de onverschilligheid van de vrouw voor physieke
oefening--is slecht. Fietsen is heilzaam voor vrouwen, die kunnen
rijden zonder pijn of ongemak, en volgens Watkins is het zelfs
heilzaam in vele toestanden van een ziek en verkeerd bekken,
maar overdadig fietsen is verkeerd. Dit blijkt uit de resultaten
bij vrouwen, vooral doordat het stijfheid van het perineum
veroorzaakt in die mate zelfs dat bevallingen onmogelijk zijn
en operatie noodig maken. Ik mag er wel bijvoegen, dat hetzelfde
bezwaar geldt voor veel paardrijden. Op dezelfde wijze is alles wat
schokken veroorzaakt aan het lichaam, geneigd om gevaarlijk te zijn
voor vrouwen, omdat zij in de baarmoeder een teer geëquilibreerd
orgaan bezitten, dat op verschillende tijden in gewicht wisselt;
zoo zou het bv. onmogelijk zijn om voetbal aan te raden als een
spel voor meisjes. "Ik geloof niet", schreef Miss H. Ballantine,
directrice van het Tassar College Gymnasium aan Prof. W. Thomas
(Sex and Society, p. 22), "dat vrouwen ooit, hoe ze zich ook
oefenen, mannen kunnen nabij komen in hun physieke præstaties;
en", voegt zij er verstandig bij, "ik zie niet in waarom ze dat
zouden moeten". Er schijnen inderdaad, zooals reeds aangetoond
is, redenen te zijn waarom ze het niet moeten, vooral als zij
moeders denken te worden. Ik heb opgemerkt dat vrouwen, die een
zeer gezond en athletisch leven in de open lucht geleid hebben,
wel verre van altijd de gemakkelijke bevalling te hebben die wij
zouden mogen verwachten, uiterst moeilijke tijden hebben, die
het leven van het kind in gevaar brengen. Toen ik deze opmerking
maakte tegen een beroemd verloskundige, wijlen Dr. Engelmann,
die een vurig voorstander was van lichaamsoefening voor vrouwen
(bv. in zijn presidenteele rede "The Health of the American Girl",
Transactions Southern Surgical and Gynæcological Association,
1890), antwoordde hij, dat hij zelf deze opmerking gemaakt had,
en dat gymnastiekonderwijzers, zoowel in Amerika als in Engeland,
hem van zulke gevallen onder hun leerlingen verteld hadden. "Ik
ben", schreef hij, "precies van uw meening [wat den ongunstigen
invloed van spierontwikkeling bij vrouwen betreft]. Athletiek,
d.i. overdreven lichaamsoefening, doet den bouw van het meisje
naderen tot dien van den man; dit is zoo, hetzij het komt door
sport of door noodzakelijkheid. De vrouw, die er aan toegeeft
nadert tot het mannelijke in haar kenmerken; dit wordt duidelijk
in verminderde sexueele intensiteit en in verhoogde moeite bij
de bevalling, met ten slotte verminderde vruchtbaarheid. Gezonde
gewoonten verbeteren vrouwelijke eigenschappen, maar mannelijke
spierontwikkeling vermindert ze, hoewel het waar is dat de
boerin en de werkende vrouw goede weeën hebben. Ik heb nooit
spierontwikkeling voor meisjes aangeraden, alleen lichaamsoefening,
maar ik heb er misschien te veel van gezegd en ze te zorgeloos
aanbevolen. Op scholen en universiteiten echter is ze tot nu toe
eer onvoldoende dan te veel; alleen de rijken hebben te veel golf
en athletische sport. Ik ben bezig nieuw materiaal te verzamelen,
maar uit wat ik al gezien heb, ben ik overtuigd van de waarheid
van wat u zegt. Ik ben bezig het punt te bestudeeren en zal
de verklaring nauwkeurig bewerken". Iedere publicatie over dit
onderwerp werd echter verhinderd door den dood van Engelmann,
eenige jaren later.
Een behoorlijke erkenning van den specialen aard van de vrouw, van
haar bijzondere behoeften en haar waardigheid, heeft een beteekenis,
nog verder strekkend dan het belang ervan voor opvoeding en hygiëne. De
tradities en de oefeningen, waaraan zij hierbij onderworpen wordt,
hebben een fijne en verstrekkende beteekenis, hetzij zij goed zijn of
slecht. Als haar, stilzwijgend of uitgesproken, geringschatting voor de
eigenaardigheden van haar eigen sekse geleerd wordt, dan ontwikkelt zij
natuurlijk mannelijke idealen, die doorloopend haar kijk op het leven
minder helder kunnen maken en haar praktisch werk kunnen verwringen;
men heeft bevonden, dat wel vijftig percent Amerikaansche schoolmeisjes
mannelijke idealen hebben, terwijl vijftien percent Amerikaansche en
niet minder dan vier en dertig percent Engelsche schoolmeisjes graag
mannen wilden wezen, terwijl er nauwelijks een enkele jongen was,
die een vrouw wilde zijn [32]. Met dezelfde neiging kan in verband
staan dat verzuim om gemoedsaandoeningen aan te kweeken, hetwelk,
door een noodlottig overdreven maar onvermijdelijke reactie van het
tegenovergestelde uiterste, soms de moderne opvoeding van vrouwen
gekenmerkt heeft. Bij de mooi ontwikkelde vrouw is het verstand
overal doordrongen van gevoel. Als er een overdreven en eenzijdige
ontwikkeling van het verstand is, dan vertoont zich een neiging
tot disharmonie, die het karakter verandert of de volkomenheid
ervan benadeelt. In dit opzicht heeft Reibmayr opgemerkt, dat de
Amerikaansche vrouw als een waarschuwing kan dienen [33]. Binnen de
sfeer der gemoedsbewegingen zelf, kan men hier bijvoegen, is er een
neiging tot disharmonie in vrouwen, die berust op den tegenstrijdigen
aard van de gevoelens die door de traditie haar zijn ingeprent,
een tegenstrijdigheid, die teruggaat tot de identificatie van
heiligheid en onreinheid bij het begin van de beschaving. "Ieder
meisje en iedere vrouw", schreef Hellmann, in een baanbrekend boek,
dat een gezond principe tot buitensporige uitersten dreef, "leert
haar geslachtsdeelen beschouwen als een kostbare en heilige plaats,
die alleen genaderd mag worden door een echtgenoot of onder speciale
omstandigheden door een dokter. Terzelfder tijd wordt haar geleerd,
deze plaats te beschouwen als een soort van closet, over welks bezit
zij zich zeer moet schamen, en waarvan het noemen alleen reeds haar
een pijnlijke blos moet veroorzaken" [34]. De gewone vrouw, die niet
nadenkt, neemt de ongerijmdheid van deze tegenstelling zonder vragen
aan en raakt gewend zich aan ieder van deze onvereenigbaarheden aan
te passen, al naar omstandigheden. De meer nadenkende vrouw werkt een
eigen theorie uit voor zichzelf. Maar in zeer veel gevallen oefent
deze noodlottige tegenstelling een fijnen verderfbrengenden invloed
uit op den geheelen kijk op natuur en leven. In sommige gevallen,
bij vrouwen van gevoelig temperament, ondermijnt en vernielt ze de
psychische persoonlijkheid.
Zoo heeft Boris Sidis een geval vermeld, dat de ongelukkige
resultaten doet zien, wanneer men een ziekelijk gevoelig meisje de
leer van de onreinheid der vrouwen inprent. Zij was in een klooster
opgevoed. "Terwijl zij daar was, was haar het geloof ingeprent,
dat de vrouw een vat is van misdaad en onreinheid. Hiervan
scheen zij te zijn doordrongen geraakt door een van de nonnen,
die zeer heilig was en zelfvernietiging in praktijk bracht. Met
het begin van haar menstruatie en met het observeeren daarvan
in andere meisjes, was deze leer van de vrouwelijke onreinheid
des te sterker in haar gevoeligen geest gedrukt". Het ontglipte
echter aan haar bewuste herinnering en kwam alleen op den voorgrond
in later jaren na de uitputting en de vermoeienis van aanhoudend
kantoorwerk. Toen trouwde ze. Nu "heeft zij een vreeselijke afschuw
van vrouwen. De vrouw is voor de patient: onreinheid, vuilnis,
de verpersoonlijking zelf van vernedering en misdaad. De wasch
van het huis mag niet gegeven worden aan een waschinrichting,
waar vrouwen werken. Niets mag op straat opgeraapt worden, zelfs
niet het meest kostbare voorwerp, misschien kon een vrouw het
hebben laten vallen". (Boris Sidis, "Studies in Psychopathology"
Boston Medical and Surgical Journal, April 4, 1907). Dat is het
logisch gevolg van veel van wat volgens de traditie aan meisjes
gegeven wordt. Gelukkig biedt de gezonde geest een natuurlijken
weerstand tegen het algeheel aannemen er van, maar toch blijft
het in eenige mate bestaan en oefent een noodlottigen invloed uit.
Het is echter niet alleen in haar relaties tot haarzelf en haar sekse,
dat de gedachten en de gevoelens van een meisje neiging hebben om
verwrongen te worden door de onwetendheid of de valsche tradities,
waardoor zij zoo dikwijls zorgvuldig omringd is. Haar geluk in het
huwelijk, haar geheele volgende loopbaan, wordt in gevaar gebracht. De
onwetende jonge vrouw moet altijd veel wagen, wanneer ze de deur
binnengaat van het onverbreekbaar huwelijk; zij weet waarlijk niets
van haar man, zij weet niets van de groote wetten der liefde, zij weet
niets van wat zij worden kan en, wat nog erger is, zij weet zelfs
niet, dat ze niets weet. Zij loopt gevaar het spel te verliezen,
terwijl zij nog bezig is met te beginnen het te leeren. Tot zekere
hoogte is dat geheel onvermijdelijk, zoo lang wij er aan vasthouden,
dat een vrouw zich door het huwelijk moet verbinden aan een man, eer
zij den aard ondervonden heeft van de krachten, die dat huwelijk in
haar kan ontketenen. Een jong meisje meent, dat ze een zeker karakter
heeft; zij richt haar toekomst in in overeenstemming met dat karakter;
zij trouwt. Dan bemerkt zij, in een groot aantal gevallen (vijf van
de zes, volgens den romanschrijver Bourget), binnen een jaar of zelfs
binnen een week, dat zij zich geheel en al vergist heeft in zichzelf
en in den man, dien zij getrouwd heeft; zij ontdekt in zich een ander
ik en dat ik verfoeit den man, waaraan ze gebonden is. Dat is een
mogelijk lot, waartegen alleen de vrouw in wie reeds liefde is gewekt,
zich als tamelijk goed beschermd kan beschouwen.
Er is echter een zekere soort van bescherming, die men aan de bruid kan
verschaffen, zelfs zonder af te wijken van onze meest conventioneele
opvattingen over het huwelijk. We kunnen er tenminste op aandringen,
dat zij nauwkeurig wordt ingelicht over den juisten aard van haar
physieke relaties tot haar echtgenoot en dat ze gevrijwaard zal
zijn tegen de schokken en desillusies die het huwelijk anders zou
kunnen meebrengen. Niettegenstaande het afnemen van vooroordeelen,
mag het waarschijnlijk heeten dat zelfs nu nog de meerderheid van de
vrouwen uit de zoogenaamd welopgevoede klasse trouwen met alleen de
meest vage en meest onnauwkeurige denkbeelden, meer of minder in het
geheim opgedaan, over den aard van de sexueele verhoudingen. Een zoo
hoogst intelligente vrouw als Madame Adam heeft gezegd, dat zij zich
verplicht gevoelde een man te trouwen, die haar op de mond gekust had,
daar ze meende, dat dit de opperste daad van sexueele vereeniging
was [35], en het is dikwijls voorgekomen, dat vrouwen getrouwd zijn
met sexueel geïnverteerde personen van haar eigen sekse, terwijl ze
dit niet altijd wisten, maar meenden, dat het mannen waren, en die
nooit haar vergissing ontdekten; het is nog niet lang geleden, dat in
Amerika drie vrouwen op deze wijze achtereenvolgens met dezelfde vrouw
trouwden, terwijl klaarblijkelijk geen van haar ooit de werkelijke
sekse van den "echtgenoot" ontdekte. "Het beschaafde meisje wordt",
zooals Edward Carpenter opmerkt, "naar het altaar gevoerd, dikwijls
in de uiterste onwetendheid, en de offergebruiken die op het punt
staan voltrokken te worden geheel misverstaande". Zeker zijn meer
verkrachtingen gedaan in het huwelijk dan daar buiten [36]. Het meisje
is vol van vaag en romantisch geloof in de beloften van de liefde,
dat dikwijls nog verhoogd wordt door de verrukkingen, die beschreven
worden in sentimenteele romans, waaruit ieder spoor van gezonde
werkelijkheid zorgvuldig verwijderd schijnt. "Al de oprechtheid van
geloof is daar", zooals Senancour het uitdrukt in zijn boek De l'Amour,
"de wenschen van de onervarenheid, de behoefte aan een nieuw leven,
de hoop van een oprecht hart. Zij heeft al de vermogens der liefde, zij
moet liefhebben; zij heeft al de middelen tot vermaak, zij moet bemind
worden. Alles drukt liefde uit en eischt liefde: deze hand gevormd voor
teere liefkoozingen, een oog waarvan men het nut niet zou weten als
het niet er in toestemt bemind te worden, een boezem die bewegingloos
en nutteloos is zonder liefde en die verwelken zal zonder te zijn
aangebeden; deze gevoelens, die zoo groot, zoo teer, zoo wellustig
zijn, de eerzucht van het hart, de heldenmoed der hartstocht! Zij moet
noodzakelijk de heerlijke regel volgen, die de wet der wereld heeft
voorgeschreven. Die opwindende rol, die zij zoo goed kent, waar alles
aan herinnert, die de dag ingeeft en die de nacht afdwingt,--welke
jonge, gevoelige, liefhebbende vrouw kan zich voorstellen, dat ze haar
niet zal spelen?" Maar als het werkelijke drama der liefde zich voor
haar begint te ontplooien en als zij den waren aard inziet van de
"opwindende rol" die zij spelen moet, dan is het dikwijls gebeurd,
dat het geval veranderde; zij vindt zichzelf geheel onvoorbereid
en ze wordt overweldigd door schrik en ongerustheid. Al het geluk
van haar huwelijksleven kan dan afhangen van een paar toevallige
omstandigheden, de handigheid en welwillendheid van haar echtgenoot,
haar eigen tegenwoordigheid van geest. Hirschfeld vermeldt het geval
van een onschuldig jong meisje van zeventien--in dit geval, bleek het
toevallig een geïnverteerde te zijn--die er toe overgehaald was om te
trouwen, maar toen ze ontdekte wat huwelijk beteekende, zich krachtig
verzette tegen de sexueele naderingen van haar man. Hij wendde zich tot
haar moeder, dat deze aan haar dochter den aard der "huwelijksplichten
van de vrouw zou uitleggen". Maar de jonge vrouw antwoordde op de
vermaningen van haar moeder: "Als dat mijn vrouwenplicht is, dan
was het Uw ouderplicht geweest mij dat van tevoren te zeggen, want,
als ik het geweten had, zou ik nooit getrouwd zijn". De echtgenoot,
die in dit geval veel van zijn vrouw hield, trachtte acht jaar lang
haar te overreden, maar tevergeefs, en eindelijk had een scheiding
plaats [37]. Dat is ongetwijfeld een uiterst geval, maar hoe veel
onschuldige jonge geïnverteerde meisjes komen nooit haar waren aard
te weten voor nà het huwelijk, en hoe veel geheel normale meisjes
worden zóo geschokt door de plotselinge inwijding in het huwelijk,
dat haar mooie jeugddroomen over liefde nooit langzaam en gezond zich
ontwikkelen tot het bereiken van de nòg mooiere werkelijkheden?
Vóór den leeftijd der puberteit schijnt het wel dat de sexueele
inwijding van het kind--afgezien van die wetenschappelijke inlichting,
die een deel zou vormen van schoolcursussen in botanie en zoölogie--het
uitsluitend voorrecht moet wezen van de moeder of van haar aan
wie de moederplichten zijn toevertrouwd. Bij de puberteit is meer
gezaghebbende en meer nauwkeurige raad noodig dan de moeder misschien
kan of wil geven. Op dezen leeftijd moet zij haar zoon of dochter een
of ander van de zeer talrijke handleidingen in handen geven, waar we
reeds naar verwezen hebben (bladz. 49), die de physieke en moreele
zijden verklaren van het sexueele leven en de grondbeginselen der
sexueele hygiëne. De jongen of het meisje is dan reeds, dit mogen we
aannemen, bekend met de feiten van het moederschap en den oorsprong
van kinderen, en ook min of meer nauwkeurig met den rol van den vader
in hun voortbrenging. De handleiding, die nu in zijn of haar handen
gegeven wordt, moet ten minste in het kort, maar bepaaldelijk handelen
over de sexueele verhouding, en moet ook uitleggen, waarschuwend maar
niet in een verontrustenden geest, de voornaamste auto-erotische
verschijnselen en geenszins alleen de onanie. Niets dan goed kan
er voortkomen uit het gebruik van zulk een handleiding, als ze met
wijsheid gekozen wordt; zij zal komen in de plaats van wat de moeder
reeds gedaan heeft, wat de onderwijzer misschien nog doen zal en wat
later misschien zal gedaan worden door een vertrouwelijk gesprek met
een dokter. Men heeft aangevoerd, dat de jongen of het meisje, aan
wie zulke lectuur wordt aangeboden, ze alleen maar zal maken tot een
aanleiding tot ziekelijke brasserij en zinnelijk genot. Men kan wel
aannemen dat dit soms zal gebeuren met jongens of meisjes, voor wie
alle sexueele feiten altijd geheimzinnig verborgen zijn gehouden en
dat, als zij eindelijk de gelegenheid vinden om hun lang onderdrukte
en volkomen natuurlijke nieuwsgierigheid te voldoen, zij overweldigd
worden door de opwinding van de gebeurtenis. Het zou niet kunnen
gebeuren met kinderen, die natuurlijk en gezond opgevoed zijn. Later,
tijdens den jongelingsleeftijd, heeft ongetwijfeld het systeem
groot voordeel, dat nu veel toegepast wordt, vooral in Duitschland,
n.l. lezingen te houden, toespraken of rustige gesprekken met jonge
menschen voor beide geslachten afzonderlijk. De spreker is gewoonlijk
een met zorg uitgekozen leeraar, een dokter of ander bevoegd persoon,
die voor dit speciale doel komt.
Stanley Hall maakt de opmerking, dat sexueele opvoeding in
hoofdzaak moet gegeven worden door vaders aan zoons en door
moeders aan dochters, en voegt er bij: "Het kan wel zijn dat in
de toekomst deze soort van inwijding weer een kunst zal worden
en deskundigen ons met meer zelfvertrouwen zullen vertellen,
hoe we onzen plicht moeten doen tegenover de vele eischen, typen
en stadiën van de jeugd, en in plaats van bedrogen te worden en
verslagen, zullen wij zien dat deze leeftijd en dit onderwerp
het beste uitgangspunt zijn voor de hoogste pædagogie om haar
beste en meest hervormende werk te doen, zoo goed als het de
grootste van alle gelegenheden is voor den godsdienstleeraar
om invloed uit te oefenen". (Stanley Hall, Adolescence, deel I,
pag. 469). "Op Williams College, Harvard, Johns Hopkins and Clark",
merkt dezelfde beroemde leeraar op (ib., pag. 465), "heb ik het
tot mijn plicht gemaakt in mijn afdeelingsonderwijs zeer kort,
maar duidelijk te spreken tot jonge mannen, die ik inlichten moet,
persoonlijk, als mij dat verstandig toescheen, en dikwijls, hoewel
hier alleen in algemeene termen, voor studentengezelschappen;
ik geloof dat ik nergens meer goed gedaan heb, maar het is een
pijnlijke plicht. Hij vereischt tact en een zekere mate van flink
en doortastend gezond verstand, nog meer dan technische kennis".
Het is nauwelijks noodig te zeggen, dat de gewone onderwijzer
of onderwijzeres in het geheel niet geschikt is om over sexueele
hygiëne te spreken. Het is een taak waarin alle, althans sommige
onderwijzers geoefend moeten worden. Een begin in deze richting
is gemaakt in Duitschland door het houden van cursussen voor
onderwijzers over sexueele hygiëne in de opvoeding. In Pruisen
werd de eerste poging gedaan in Breslau, toen de centrale
schoolautoriteiten Dr. Martin Chotzen verzochten zulk een cursus
te houden voor honderd vijftig onderwijzers, die de grootste
belangstelling in de lezingen toonden, welke omvatten de anatomie
van de sexueele organen, de ontwikkeling van het sexueele instinct,
de voornaamste afwijkingen ervan, venerische ziekten en het
belang van het oefenen in zelfbeheersching. In Geschlecht und
Gesellschaft (deel I, afl. 7) geeft Dr. Fritz Reuther de korte
inhoud van lezingen, die hij gehouden heeft voor een klasse van
jonge onderwijzers; zij omvatten veelal hetzelfde terrein als
die van Chotzen.
Het is niet gebleken, dat in Engeland de Minister van Opvoeding
reeds stappen gedaan heeft om het houden van lezingen over
sexueele hygiëne te verzekeren aan jongens die op het punt zijn
de school te verlaten. In Pruisen echter toont de Minister van
Opvoeding een levendige belangstelling in deze zaak, en zulke
lezingen worden nu algemeen gehouden, hoewel het bijwonen ervan
gewoonlijk niet verplichtend is. Eenige jaren geleden (in 1900),
toen er voorgesteld werd een serie lezingen te houden over sexueele
hygiëne voor de meergevorderde leerlingen van Berlijnsche scholen,
onder de leiding van een genootschap ter verbetering der moraal,
weigerde het gemeentebestuur zijn toestemming om de schoolkamers
te gebruiken, omdat "zulke lezingen buitengemeen gevaarlijk zouden
zijn voor den moreelen zin van een zoo jeugdig gehoor". Hetzelfde
bezwaar is gemaakt door leden van het gemeentebestuur in
Frankrijk. In Duitschland echter is er een snelle vooruitgang in
de publieke opinie. In Engeland is nog weinig of geen vordering
gemaakt, maar in Amerika worden stappen in deze richting gedaan,
zooals door de Maatschappij voor Sociale Hygiëne in Chicago. Het
moet gezegd worden dat zij, die zich in groote steden verzetten
tegen sexueele opheldering van de jeugd, zich rechtstreeks tot
bondgenoot maken, of zij het weten of niet, van de invloeden die
misdaad en immoraliteit veroorzaken.
Zulke lezingen worden ook gegeven aan meisjes die van school
gaan, niet alleen meisjes van de gegoede, maar ook die van de
arme klasse, die ze zeker evenzoo noodig hebben en in sommige
opzichten meer. Zoo heeft Dr. A. Heidenhain een lezing uitgegeven
(Sexuelle Belehrung der aus den Volksschule entlassenen Mädchen,
1907) met anatomische tabellen, die hij gehouden heeft voor meisjes
die op het punt waren de school te verlaten, en die bedoeld is
haar in dien tijd in handen te geven. Salvat staat er op in een
thèse de Lyon (La Dépopulation de la France, 1903), dat de hygiëne
van de zwangerschap en de zorg voor kinderen een deel zou moeten
uitmaken van het onderwerp van zulke lezingen. Deze onderwerpen
konden echter wel tot een wat later tijd uitgesteld worden.
Iets is er klaarblijkelijk noodig behalve lezingen over deze
onderwerpen. Het moet de taak zijn van de ouders of de andere
verzorgers van iederen jongen man en ieder jong meisje, om het
zóó in te richten dat, tenminste eenmaal in deze levensperiode,
er een vertrouwelijk, persoonlijk onderhoud is met een dokter,
om gelegenheid te geven voor een vriendschappelijk, vertrouwelijk
gesprek over de hoofdpunten van sexueele hygiëne. De huisdokter zou het
best zijn voor dezen plicht, omdat hij op de hoogte kan zijn van het
persoonlijk temperament van den jongen man en met de neigingen van de
familie [38]. Voor meisjes verdient een vrouwelijke dokter dikwijls de
voorkeur. Sekse is feitelijk een mysterie; voor den onbedorven jongen
man is ze dat instinctief; behalve in een abstracten en technischen
vorm kan ze feitelijk niet het onderwerp zijn voor lezingen. In een
vertrouwelijk en geïndividualiseerd gesprek tusschen den nieuweling
in het leven en den deskundige kunnen vele noodzakelijke dingen
gezegd worden, die in het publiek niet gezegd zouden kunnen worden,
en bovendien kan de jonge man vragen stellen, die door schuwheid
en terughouding moeilijk aan ouders gesteld kunnen worden, terwijl
de gemakkelijke gelegenheid om ze op natuurlijke wijze aan den
vakman te stellen anders zelden of nooit voorkomt. De meeste jonge
menschen hebben hun eigen speciale onwetendheden, hun eigen speciale
moeilijkheden; moeilijkheden en onwetendheden die soms door een woord
uit den weg geruimd kunnen worden. Toch gebeurt het volstrekt niet
zelden, dat zij ze meedragen vèr in het volwassen leven, omdat zij de
gelegenheid niet gehad hebben, òf de handigheid en de onbeschroomdheid
misten om de gelegenheid te maken, om inlichting te verkrijgen.
Men moet duidelijk begrijpen, dat deze gesprekken van medischen,
hygiënischen en physiologischen aard zijn; zij moeten niet gebruikt
worden om moreele platheden te debiteeren. Ze daarvoor te gebruiken,
zou een noodlottige vergissing zijn. Jonge menschen zijn dikwijls zeer
vijandig gezind tegenover enkel conventioneele moreele grondstellingen,
en zij vermoeden de holheid ervan, niet altijd zonder reden. Het doel,
dat hier beoogd wordt, is inlichting. Zeker kan kennis nooit immoreel
zijn, maar er wordt niets gewonnen door kennis en moraal door elkaar
te haspelen.
Als wij den nadruk leggen op den aard van de taak van den dokter in
deze zaak, als zuiver en alleen die van wijze, praktische inlichting,
dan is daar niets mee gezegd tegen de voordeelen en de enorme
beteekenis voor de sexueele hygiëne van de moreele, godsdienstige,
ideale elementen van het leven. Het is niet in de eerste plaats de taak
van den dokter om deze in te boezemen, maar zij hebben een zeer intieme
betrekking tot het sexueele leven, en aan iederen jongen en ieder
meisje met de puberteit, en nooit vóór de puberteit, moet het voorrecht
gegeven worden--en niet de plicht of de taak--om ingewijd te worden
in die elementen van het leven der wereld, die tevens natuurlijke
functies zijn van de jeugdige ziel. Hier is echter de sfeer van den
leeraar in godsdienst of zedeleer. Tijdens de puberteit heeft hij een
goede gelegenheid, de beste die hij ooit krijgen kan. Dit opbloeien van
de sexe in het lichaam tijdens de puberteit, heeft zijn geestelijken
tegenhanger in het terzelfder tijd opbloeien van de ziel. De kerken
hebben van de vroegste tijden af de godsdienstige beteekenis van dit
oogenblik erkend, want deze levensperiode hebben zij aangewezen als den
tijd voor de bevestiging en dergelijke riten. Met het voortschrijden
van de eeuwen worden zulke godsdienstige gebruiken weliswaar slechts
formeele fossielen, oogenschijnlijk zonder zin. Maar zij hebben toch
een beteekenis en kunnen weer tot leven gewekt worden. Ook moeten zij
niet beperkt blijven, wat hun geest en hun innerlijk wezen betreft,
tot hen die een bovennatuurlijk geopenbaarden godsdienst belijden. Zij
gaan alle zedeleeraars aan: die moeten zich duidelijk voor oogen
stellen, dat zij tijdens de puberteit de groote ideale aspiraties
moeten inboezemen of bevestigen, die in dezen tijd neiging hebben om
spontaan te ontwaken in de ziel van den jongen of van het meisje [39].
Het tijdvak van de puberteit, heb ik gezegd, is de periode waarin deze
nieuwe soort van sexueele inwijding gewenscht is. Vóór de puberteit,
hoewel de psychische emotie van liefde zich dan dikwijls ontwikkelt,
zoo goed als soms physische sexueele emoties, die gewoonlijk vaag en
verstrooid zijn, zijn bepaalde en plaatselijke sexueele gevoelens
zeldzaam. Voor den normalen jongen of het normale meisje is liefde
gewoonlijk een niet gespecialiseerde aandoening; het is, zooals Guyau
zegt "een toestand, waarin het lichaam de kleinste plaats heeft". Bij
het eerste opgaan van de zon van het geslacht ziet de jongen of het
meisje, zooals Blake zei dat hij bij het opgaan van de zon zag, niet
een rondgeel lichaam boven den horizon uit komen, of eenige andere
physieke verschijning, maar een groot aantal zingende engelen. Met de
bepaalde uitbarsting van physieke sexueele openbaring en verlangens,
hetzij tijdens de puberteit of later in de jeugd, komt er een nieuwe
onstuimige verontrustende invloed te voorschijn. Tegen de kracht
van dezen invloed kunnen enkel intellectueele voorlichting of zelfs
liefderijke moederlijke raad--de invloeden waarmee we tot dusver te
doen gehad hebben--machteloos zijn. Om er macht over te krijgen, moeten
wij hulp vinden in het feit, dat de puberteit de bloei is niet alleen
van een nieuwe physieke, maar van een psychische kracht. De wereld
der idealen ontplooit zich op natuurlijke wijze voor den jongen of het
meisje met de puberteit. De tooverkracht van schoonheid, het instinct
van zedigheid, het natuurlijke van zelfbeheersching, het denkbeeld
van onzelfzuchtige liefde, de beteekenis van plicht, het gevoel
voor kunst en poëzie, het verlangen naar godsdienstige opvattingen
en aandoeningen--al deze dingen ontwaken spontaan in den onbedorven
jongen of het onbedorven meisje met de puberteit. Ik zeg "onbedorven"
want als deze dingen aan het kind opgedrongen zijn vóór de puberteit,
wanneer zij nog geen beteekenis voor hem hebben--zooals ongelukkig
veel te dikwijls gedaan wordt, meer speciaal wat godsdienstige ideeën
aangaat--dan is het maar al te waarschijnlijk, dat het op dat oogenblik
van zijn ontwikkeling niet behoorlijk zal reageeren op datgene waar
hij anders op natuurlijke wijze gehoor aan zou geven. Onder natuurlijke
omstandigheden is dit de tijd voor geestelijke inwijding. Nu, en niet
eerder, is het tijd voor den godsdienst- of den zedeleeraar, al naar
het geval is--want alle godsdiensten en ethische systemen kunnen zich
gelijkelijk aan deze taak aanpassen--om den jongen of het meisje onder
handen te nemen, niet met eenige speciale en opdringerige verwijzing
naar de sexueele impulsen, maar om de ontwikkeling en manifestatie
van deze psychische puberteit in de hand te werken, om indirect de
jonge ziel te helpen ontsnappen aan de sexueele gevaren, door haar
te laten voorlichten door een ster, die kan meewerken te voorkomen,
dat ze vastraakt in de onreinheid van het vleesch.
Zulk een inwijding, het is van belang het op te merken, is meer
dan een introductie in de sfeer van godsdienstig gevoel. Het is een
inwijding in mannelijkheid, het moet een erkenning in zich sluiten van
de mannelijke, zelfs meer dan van de vrouwelijke deugden. Dit is door
de beste onder de natuurvolken wèl verstaan. Zij geven hun jongens en
meisjes steeds een inwijding bij de puberteit; het is een inwijding die
niet alleen opvoeding in de gewone beteekenis in zich sluit, maar een
strenge discipline van het karakter, daden van uithoudingsvermogen,
het beproeven van het karakter, het toetsen van de spieren der ziel,
evenzeer als van die van het lichaam.
Ceremonies van inwijding in mannelijkheid--die physieke en
geestelijke discipline in zich sluiten en die weken en maanden
duren en nooit dezelfde zijn voor beide seksen--zijn een gewone
zaak onder natuurvolken in alle deelen van de wereld. Zij
omvatten bijna altijd het verdragen van een zekere mate van pijn
en vermoeienissen, een wijze mate van oefenen, die de weekheid van
de beschaving tè dwaas heeft laten vallen, want de geschiktheid
om vermoeienis te verdragen is een grondvoorwaarde van alle
werkelijke mannelijkheid. Als een verbeteringsmiddel voor deze
neiging tot weekheid in de moderne opvoeding is de leer van
Nietzsche zoo onschatbaar.
De inwijding van jongens onder de inboorlingen van Straat Torres
is uitvoerig beschreven door A. C. Haddon (Reports Anthropological
Expedition to Torres Straits, deel V, Hoofdst. VII en XII). Zij
duurt een maand, omvat veel ernstige oefening, uithoudingsvermogen
en uitmuntende moreele voorlichting. Haddon merkt op, dat het "een
zeer goede tucht" was, en voegt er bij, "het is niet gemakkelijk
om een krachtiger middel te bedenken voor snelle oefening".
Onder de oorspronkelijke bewoners van Victoria, Australië, duren de
inwijdende ceremonies, zooals beschreven wordt door R. H. Mathews
("Some Initiation Ceremonies", Zeitschrift für Ethnologie 1905,
afl. 6), zeven maanden en vormen ze een uitmuntende tucht. De
jongens worden meegenomen door de ouderen van den stam, zij worden
onderworpen aan menige proef van geduld en uithoudingsvermogen
voor pijn en onbehagelijkheid, waartoe soms zelfs behooren
het inslikken van urine en ontlasting; zij worden in aanraking
gebracht met andere stammen, de wetten worden hun geleerd en de
overleveringen van den stam, en aan het eind worden bijeenkomsten
gehouden, waar verlovingen worden tot stand gebracht.
Bij de noordelijke stammen van Centraal Australië behooren tot de
inwijdingsceremonies besnijdenis en gedeeltelijke opensnijding van
de penis, zoowel als zware handenarbeid en vermoeienissen. De
inwijding van meisjes tot vrouwelijkheid is verbonden met
opensnijden van de vagina. Deze ceremonies zijn beschreven
door Spencer en Gillen (Northern Tribes of Central Australia,
hoofdst. XI). Bij verschillende volken in Engelsch Oost-Afrika
(de Masai ingesloten) is inwijding tijdens de puberteit een
groote ceremonieele gebeurtenis, die zich uitstrekt over een
periode van vele maanden; zij sluit in besnijdenis bij jongens,
en bij meisjes clitoridectomie, zoowel als, onder andere stammen,
het wegnemen van de kleine schaamlippen. Een meisje, dat tijdens de
bewerking steunt of schreit, raakt in ongenade onder de vrouwen en
wordt uitgedreven uit de kolonie. Na bevredigenden afloop van de
ceremonies is de jongen of het meisje huwbaar (C. Marsh Beadnell,
"Circumcision and Clitoridectomy as Practiced by the Natives of
British East Africa", British Medical Journal, April 29, 1905).
De inwijding onder de Afrikaansche Bawenda, zooals ze beschreven
is door een zendeling, bestaat uit drie stadiën: (1). Een stadium
van leering en tucht, waarin de overleveringen en heiligdommen
van den stam geopenbaard worden, de krijgskunst geleerd,
zelfbeheersching en uithoudingsvermogen gekweekt; dan worden de
jongelingen beschouwd als volwassen. (2). In het volgende stadium
wordt de danskunst beoefend, door iedere sekse afzonderlijk,
overdag. (3). In het laatste stadium, dat het stadium is van
volledige sexueele inwijding, dansen de beide seksen 's avonds te
zamen; het tooneel, "laat zich" naar de meening van den zendeling
"niet beschrijven"; de ingewijden zijn nu geheel volwassen,
met al de voorrechten en verantwoordelijkheden van volwassenen
(Rev. E. Gottschling, "The Bawenda", Journal Anthropological
Institution, July to Dec., 1905, p. 372. Cf., een belangwekkend
verslag van de Bawenda Tondo scholen door een anderen zendeling,
Wessmann, The Bawenda, pp. 60 et seq.).
De inwijding van. meisjes in Azimba Land, Centraal Afrika, is
volledig en belangwekkend beschreven door H. Crawford Angus ("The
'Chensamwali' or Initiation Ceremony of Girls", Zeitschrift für
Ethnologie, 1898, Heft 6). Bij het eerste teeken van menstruatie
wordt het meisje door haar moeder meegenomen buiten het dorp naar
een hut van gras, die voor haar in orde is gemaakt, waar alleen de
vrouwen haar mogen bezoeken. Aan het einde der menstruatie wordt
zij meegenomen naar een afgelegen plaats en de vrouwen dansen om
haar heen; er zijn geen mannen bij tegenwoordig. Het meisje wordt
dan ingelicht over de hygiëne van de menstruatie. "Veel liederen
worden gezongen over de betrekkingen tusschen mannen en vrouwen,
en het meisje wordt ingelicht omtrent al haar plichten als ze
trouwt. Het meisje leert trouw te zijn aan haar echtgenoot en
de bezwaren van de zwangerschap te verdragen. De geheele zaak
wordt beschouwd als iets natuurlijks en niet als iets, waarover
men zich schamen moet of dat men moet verbergen; en daar zij zoo
openlijk behandeld wordt en er geen geheim van gemaakt wordt, zijn
de vrouwen van dezen stam zeer deugdzaam, omdat het onderwerp van
het gehuwde leven geen betoovering voor haar heeft. Als een vrouw
zwanger is, wordt er weer om haar gedanst: al de danseressen zijn
naakt; haar wordt dan geleerd, hoe zij zich moet gedragen en wat
zij doen moet als de tijd van haar bevalling komt".
Bij de Yuman Indianen van Californië, naar beschreven is door
Horatio Rust ("A Puberty Ceremony of the Mission Indians",
American Anthropologist, Jan. to March, 1906, pag. 28) worden
de meisjes bij de puberteit voorbereid op het huwelijk door een
ceremonie. Zij worden in dekens gewikkeld en gelegd in een warme
kuil, waar zij blijven liggen en er heel gelukkig uitzien als
ze uit hun deken kijken. Vier dagen en nachten liggen ze hier
(ze gaan nu en dan weg om voedsel te halen), terwijl de oude
vrouwen van den stam voortdurend om den kuil heen dansen en
zingen. Nu en dan werpen de oude vrouwen zilveren muntstukjes
onder de menigte om de meisjes te leeren edelmoedig te zijn. Zij
geven ook doeken en tarwe weg, om haar te leeren vriendelijk
te zijn voor de ouden en behoeftigen; en zij strooien met ruime
hand wilde zaadkorrels over de meisjes uit om ze vruchtbaar te
maken. Ten slotte moeten alle vreemdelingen zich verwijderen,
er worden kransen op de hoofden der meisjes geplaatst en zij
worden gebracht naar de helling van een heuvel. Daar wordt haar
de groote en heilige steen getoond, die het zinnebeeld is van de
vrouwelijke geslachtsorganen en er op gelijkt, waarvan men zegt,
dat hij vrouwen beschermt. Dan wordt koren geworpen over alle
aanwezigen, en de plechtigheid is afgeloopen.
De vrouwen van de Tlinkit Eskimo's zijn lang beroemd geweest door
haar goede eigenschappen. Bij het begin der puberteit werden zij
in afzondering gebracht, dikwijls een jaar lang; daarbij werden ze
in het donker gehouden, in ellende en vuil. Toch, hoe gebrekkig
en onvoldoende deze inwijding was, "meent Langsdorf", volgens
Bancroft (Native Races of Pacific, deel 1, pag. 110), waar hij
de deugden aanhaalt van de vrouwen der Thinkleets, "dat het wel
gedurende dezen tijd van opsluiting kan zijn, dat de grondslag
van haar deugden gelegd wordt; dat in bescheiden terughouding en
nadenken haar karakter wordt gestaald, en dat zij, gereinigd naar
den geest zoowel als naar het lichaam, weer voor den dag komt".
Bij ons zijn deze oude en waardevolle inwijdings-riten in mannelijkheid
en vrouwelijkheid, met hun onschatbare moreele voordeelen, verloren
gegaan; op zijn best hebben wij alleen behouden de schil, waarin de pit
is vergaan. Mettertijd, wij kunnen er niet aan twijfelen, zullen zij in
nieuwe vormen herleven. Tegenwoordig wordt de geestelijke inwijding van
jongens en meisjes overgelaten aan de kansen van een of ander gelukkig
toeval; gewoonlijk is zij van een zuiver verstandelijken aard die niet
geheel gezond kan wezen, en op zijn best is ze belachelijk onvolledig.
Deze verstandelijke inwijding komt gewoonlijk tot den jongen man door
middel van de literatuur. De invloed der literatuur strekt zich dus in
de sexueele opvoeding, in een onberekenbare mate, uit buiten de nauwe
sfeer van handboeken over sexueele hygiëne, hoe goed en wenschelijk
deze ook zijn mogen. Het grootste deel van de literatuur is min of
meer duidelijk doortrokken van erotische en auto-erotische opvattingen
en impulsen; bijna alle verbeeldingsliteratuur komt voort uit den
wortel sekse-verschil om op te bloeien in visioenen van schoonheid
en extase. De "Divina Comedia" van Dante is hierin het onsterfelijke
type van de ontwikkeling van den dichter. De jonge man raakt bekend
met de phantastische uitbeeldingen van de liefde, voordat hij bekend
raakt met de werkelijkheid van de liefde, zoodat, zooals Leo Berg
het uitdrukt, "de weg naar de liefde bij beschaafde volken door de
verbeelding gaat". Zoo is alle literatuur voor de jeugdige ziel een
deel van de sexueele opvoeding [40]. Het hangt eenigszins, hoewel
gelukkig niet geheel, af van het oordeel van hen die gezag hebben
over de jonge ziel, of de literatuur waartoe de jongen of het meisje
toegelaten wordt al of niet van groote en beschavende soort is.
Alle groote literatuur raakt naakt en gezond de centrale feiten
van het geslachtsleven aan. Het is altijd troostrijk zich dit te
herinneren in een tijd van kleingeestige preutschheid. En het
is een voldoening te weten, dat het niet mogelijk zou zijn de
literatuur van de groote tijden te ontmannen, hoe wenschelijk dit
ook moge schijnen aan de menschen van meer gedegenereerde tijden,
of om de toegangen tot die literatuur af te sluiten voor jonge
menschen. Al onze godsdienstige en letterkundige tradities dienen
om de positie van den Bijbel en van Shakespeare te versterken. "Zoo
vele mannen en vrouwen", schrijft een correspondent, een
letterkundig man, "krijgen in hun jeugd sexueele denkbeelden
door het lezen van het Oude Testament, dat de Bijbel wel een
erotisch tekstboek genoemd mag worden. De meeste personen van
beide seksen, waarmee ik over dit onderwerp gesproken heb, zeggen,
dat de Boeken van Mozes en de verhalen van Amnon en Tamar, Lot
en zijn dochter, de vrouw van Potiphar en Jozef, enz. aanleiding
waren tot overpeinzing en nieuwsgierigheid en hun inlichting gaven
over de sexueele verhouding. Een jongen en een meisje van vijftien
jaar, allebei vrienden van den schrijver, en nu boven de dertig
jaar oud, zochten 's Zondags morgens in den Bijbel erotische
plaatsen op, als ze in de kerk van de Dissenters waren, reikten
hun Bijbels aan elkaar toe, met hun vinger op de plaats die hun
belang inboezemde". Op dezelfde wijze heeft menige jonge vrouw
Shakespeare geleend, om de gloeiend erotische poëzie van Venus
en Adonis te lezen, waarvan haar vriendinnen haar verteld hadden.
De Bijbel, dit mag gezegd worden, is niet in ieder opzicht een
model inlichting voor den jongen geest over seksevragen. Maar zelfs
zijn vrije aanname, als van goddelijken oorsprong, van sexueele
regels die zoo ongelijk zijn aan die welke in naam de onze zijn,
zooals polygamie en concubinaat, helpt den gezichtskring verruimen
van den jeugdigen geest, door hem te toonen, dat de regels die
het kind omringen, niet altijd en overal van kracht zijn, terwijl
de naaktheid en het realisme van den Bijbel niet anders kan zijn
dan een gezond en tonisch verbeteringsmiddel voor conventioneele
preutschheden.
Wij moeten altijd protesteeren tegen de dwaze verwarring, die een
openhartige wijze van spreken gelijk stelt met immoraliteit, en dat
niet minder, omdat ze dikwijls zelfs in wat beschouwd worden als
intellectueele kringen, zoo dikwijls voorkomt. Toen in the House
of Lords, in de vorige eeuw, de uitsluiting van Byron's standbeeld
uit Westminster Abbey werd besproken, "ontkende" Lord Brougham
"dat Shakespeare moreeler was dan Byron. Hij kon, integendeel,
op een enkele bladzij van Shakespeare meer grofheid vinden dan in
al Lord Byron's werken te vinden was". De conclusie, waar Brougham
zoo toe kwam, dat Byron een onvergelijkelijk moreeler schrijver
is dan Shakespeare, moest een voldoende reductio ad absurdum
van zijn bewering geweest zijn, maar het blijkt niet, dat iemand
gewezen heeft op de vulgaire verwarring, waartoe hij vervallen was.
We kunnen wel zeggen, dat de speciale aantrekkingskracht, die de
naaktheid van groote literatuur soms heeft voor jonge geesten,
ongezond is. Maar men moet zich herinneren, dat het bijzondere
belang van dit element voornamelijk berust op het feit, dat
overal elders een ingeroeste en abnormale geheimzinnigheid
heerscht. Het moet ook gezegd worden, dat de uitingen van groote
schrijvers over natuurlijke dingen nooit verlagend zijn, en
zelfs niet erotisch prikkelend voor jonge menschen; wat Emilia
Pardo Bazan van zichzelf vertelt toen ze een kind was en over
haar pleizier in de historische boeken van het Oude Testament,
dat de ruwe passages daarin niet de flauwste schaduw van onrust
over haar jonge verbeelding wierpen, is even waar van de meeste
kinderen. Het is zelfs noodig, dat deze naakte en ernstige dingen
blijven staan, al was het alleen maar om een tegenwicht te vormen
tegen de ontuchtige, comische pogingen om liefde en sekse te
bezoedelen, die voor iedereen te zien zijn voor het raam van
elken ordinairen boekwinkel.
Dit gezichtspunt werd krachtig verdedigd door de sprekers
over sexueele opvoeding op het Derde Congres van de Duitsche
Maatschappij ter Bestrijding van Geslachtsziekten in 1907. Zoo
protesteerde Enderlin, die sprak als hoofd eener school, tegen de
gewoonte om plaatsen te schrappen in gedichten en volksliederen
voor het gebruik van kinderen en zoo ze te berooven van de mooiste
introductie tot gezuiverde sexueele impulsen en de hoogste sfeer
van emotie, terwijl zij terzelfder tijd roekeloos zijn blootgesteld
aan de "psychische infectie" van de vulgaire humoristische
bladen, die overal te koop worden aangeboden. "Zoolang kinderen
te jong zijn om te reageeren op erotische poëzie, kan die hun
geen kwaad doen; als zij oud genoeg zijn om er op te reageeren,
dan kan zij hun slechts ten goede komen door hun de hoogste
en zuiverste kanalen van menschelijke emotie te openen"
(Sexualpädagogik, p. 60). Professor Schäfenacker (id., p. 98)
uit zich in denzelfden geest en merkt op dat "de methode om uit
schoolboeken te verwijderen al die passages die naar de meening van
kortzichtige en enghartige onderwijzers niet geschikt zijn voor de
jeugd, beslist moet veroordeeld worden". Iedere gezonde jongen en
ieder gezond meisje dat den leeftijd der puberteit bereikt heeft,
mag veilig toestemming gegeven worden in een goede bibliotheek
te snuffelen, hoe verschillend de inhoud ervan ook is. Wel verre
van leiding noodig te hebben, zullen zij gewoonlijk een veel
verfijnder smaak toonen dan menschen die ouder zijn. Op dezen
leeftijd, terwijl de emoties nog maagdelijk zijn en gevoelig,
krassen de dingen, die realistisch, leelijk of ziekelijk zijn
op den jongen geest en zij worden ter zijde geworpen, terwijl op
den volwassen leeftijd, met het ruwer worden van het geestelijk
weefsel, veroorzaakt door de jaren en door de ondervinding, deze
tegenzin ongetwijfeld door een even gezond en natuurlijk instinct
veel minder sterk kan worden.
Ellen Key somt in hoofdstuk VI van haar Eeuw van het Kind juist de
redenen op die er zijn tegen de gewoonte om voor kinderen boeken
te kiezen, die "geschikt" voor hen zijn, een gewoonte, die zij
beschouwt als een van de dwaasheden van de moderne opvoeding. Het
kind moet vrij zijn alle groote literatuur te lezen en het zal
zelf bij instinct de dingen terzijde schuiven voor welke het
nog niet rijp is. Zijn koele zinnen worden niet gehinderd door
tooneelen die ouderen te prikkelend vinden, terwijl het zelfs in
een later stadium niet de naaktheid van de groote literatuur is,
maar veeleer de methode van den modernen roman, die kans heeft
de verbeelding te bezoedelen, de waarheid te vervalschen en den
smaak te beleedigen. Het is geheimzinnigheid die misleidt en
ruw maakt, die een toestand van den geest schept, waarin zelfs
de Bijbel een prikkel wordt voor de zinnen. De geschriften van
de groote meesters geven het voedsel aan de verbeelding, dat het
kind verlangt; het erotisch moment daarin is te kort om te veel
te kunnen verhitten. Het is des te meer noodig voor kinderen,
merkt Ellen Key op, om ingeleid te worden in de groote literatuur,
omdat zij dikwijls weinig gelegenheid hebben zich er in hun later
leven mee bezig te houden. Vele jaren tevoren had Ruskin in Sesame
and Lilies welsprekend er op aangedrongen, dat zelfs aan jonge
meisjes moest worden toegestaan vrij in bibliotheken te snuffelen.
Wat over literatuur gezegd is, is evenzeer van toepassing op de
kunst. Kunst, zoowel als literatuur, en op dezelfde indirecte
wijze, kan een waardevol hulpmiddel worden in de taak van sexueele
inlichting en sexueele hygiëne. Moderne kunst kan voor het grootste
deel voorbijgezien worden van dit gezichtspunt, maar kinderen kunnen
niet te vroeg vertrouwd gemaakt worden met de voorstellingen van het
naakt in de oude beeldhouwkunst en in de schilderijen van de oude
meesters der Italiaansche school. Op deze wijze kunnen zij immuun
gemaakt worden, zooals Enderlin het uitdrukt, tegen die voorstellingen
van het naakt, die zich beroepen op de lagere instincten. Vroege
bekendheid met het naakt in de kunst is terzelfder tijd een hulp
tot het verkrijgen van een juiste houding tegenover reinheid in de
natuur. "Hij die geleerd heeft", zooals Höller opmerkt, "rustig het
naakt in de kunst te genieten, zal in staat zijn het naakt in de
natuur te beschouwen als een kunstwerk".
Afgietsels van klassieke naakte standbeelden en reproducties van
de schilderijen van de oude Venetiaansche en andere Italiaansche
meesters kunnen goed gebruikt worden om schoolkamers te versieren,
niet zoozeer als voorwerpen van onderricht dan als dingen van
schoonheid, waarmee het kind niet te vroeg vertrouwd gemaakt
kan worden. In Italië zegt men, dat het een gewone zaak is, dat
schoolklassen door hun onderwijzers naar de museums van kunst
worden meegenomen, met goede resultaten; zulke bezoeken vormen
een deel van het officieele opvoedingsplan.
Er kan geen twijfel aan bestaan, dat zulke vroege vertrouwdheid
met de schoonheid van het naakt in de klassieke kunst in ruimen
kring een behoefte is onder alle maatschappelijke klassen en
in vele landen. Aan dit gebrek in onze opvoeding moeten wij
toeschrijven het nu en dan, en in Amerika en Engeland dikwijls,
voorkomen van zulke voorvallen als verzoekschriften en protesten
tegen het opstellen van naakte standbeelden in museums van kunst,
het vertoonen van schilderijen zoo onschuldig als Leighton's "Bath
of Psyche" achter winkelramen en de eisch van het drapeeren van de
naakte personificaties van abstracte deugden in architectonische
straatdecoratie. Zoo onvolkomen is nog de opvoeding van de massa,
dat in deze zaken het slecht opgevoede fanatisme van de onreinheid
gewoonlijk hoogtij viert. Zulk een stand van zaken kan slechts
een ongezonde reactie hebben op de moreele atmosfeer van de
gemeenschap, waarin ze mogelijk is. Zelfs uit een godsdienstig
gezichtspunt is verhitte preutschheid niet te verdedigen. Northcote
heeft zeer gematigd en gevoelig de kwestie van het naakt in de
kunst besproken van het standpunt der Christelijke moraal. Hij
wijst er op, dat niet alleen het naakt in de kunst niet onbevoegd
veroordeeld mag worden en dat het naakte in het geheel niet
noodzakelijk het erotische is, maar hij voegt er ook bij, dat
zelfs erotische kunst, in zijn beste en zuiverste uitingen,
slechts aandoeningen opwekt, die het waardige voorwerp zijn
van de aspiraties van een mensch. Het zou zelfs onmogelijk zijn
Bijbelsche verhalen goed op doek of in marmer voor te stellen,
als de erotische kunst in den ban gedaan werd. (Rev. H. Northcote,
Christianity and Sex Problems, hoofdst. XIV).
Vroege bekendheid met het naakt in klassieke en oude Italiaansche
kunst moet tijdens de puberteit verbonden worden met een even
groote bekendheid met photographieën van mooie en natuurlijk
ontwikkelde naakte modellen. In vroeger jaren waren boeken, die
platen bevatten geschikt om op aantrekkelijke wijze aan jonge
menschen voor te leggen, moeilijk te verschaffen. Nu bestaat
die moeilijkheid niet langer. Dr. C. H. Stratz, Den Haag, is de
pionier geweest in deze zaak. In een serie mooie boeken (vooral
in Der Körper des Kindes, Die Schönheit des Weiblichen Körpers
en Die Rassenschönheit des Weibes, alle uitgegeven door Enke
in Stuttgart), heeft hij een groot aantal mooi uitgezochte
photographieën van naakte, maar volkomen kuische figuren
samengebracht. Kort geleden heeft Dr. Schufeldt, van Washington
(die zijn werk opdraagt aan Stratz), uitgegeven zijn Studies of
the Human Form, waarin hij, in denzelfden geest, de resultaten
van zijn eigen studies van de naakte menschelijke gestalte
gedurende vele jaren heeft verzameld. Het is noodig de indrukken,
die uit klassieke bronnen gekregen zijn, te verbeteren door goede
photographische illustraties, uit hoofde van de valsche conventies
die in klassieke werken overheerschen, hoewel deze conventies niet
noodzakelijk valsch waren voor de artisten die ze schiepen. De
weglating van het schaamhaar, in voorstellingen van het naakt,
was bij voorbeeld heel natuurlijk voor de volken van landen,
die, nog onder Oosterschen invloed, gewend zijn het haar van
het lichaam te verwijderen. Als wij onder geheel verschillende
omstandigheden die artistieke conventie nu laten voortbestaan,
stellen wij ons in een verkeerde verhouding tot de natuur. Er
zijn vele bewijzen hiervoor. "Er is éen conventie zoo oud, zoo
noodig, zoo algemeen", schrijft Frederic Harrison (Nineteenth
Century and After), "dat het opzettelijk zondigen ertegen de gal
kan opwekken van den minst overdreven kieskeurigen man en dat
vrouwen zich ineens zouden terugtrekken". Als jongens en meisjes
opgevoed waren aan moeders knie in bekendheid met platen van mooie
en natuurlijke naaktheid, zou het voor een ieder onmogelijk zijn
zulke dwaze en schandelijke woorden te schrijven als deze.
Er kan geen twijfel aan zijn, dat onder ons de eenvoudige en open
houding van het kind jegens het naakt zoo vroeg is vernietigd,
dat verstandige opvoeding noodig is om het in staat te stellen,
te onderscheiden wat obsceen is en wat niet. Voor den jongen van
den ploeg en het dienstmeisje van het land is alle naaktheid,
óok die van een Grieksch beeld, even schandelijk of wellustig. "Ik
heb ook een plaat met zulke vrouwen", zei een boer met een grijns,
en hij wees naar een photographie van een van Tintoret's mooiste
groepen, "die rooken cigaretten". En het meerendeel der menschen in
de meeste Noordelijke landen is nog niet ver voorbij dit stadium
van gebrek aan onderscheiding; in bekwaamheid om onderscheid
te maken tusschen het mooie en het obscene staan zij nog op het
standpunt van den jongen van den ploeg en van het dienstmeisje.