Zorg voor het kroost is even noodig als kroost zelf.--Vroege
uitingen van de geslachtsdrift.--Moeten die als normaal beschouwd
worden?--Het sexueele spel van kinderen.--Het liefdegevoel in
de kinderjaren.--Zijn stadskinderen geslachtelijk eerder rijp
dan kinderen van het land?--De kinderlijke voorstellingen over
de herkomst van kinderen.--De noodzakelijkheid, met de sexueele
opvoeding van de kinderen vroeg te beginnen.--Het belang van
vroeg oefenen in verantwoordelijkheid.--Het verkeerde van
de oude leer der stilzwijgendheid over geslachtszaken.--Het
nadeel is grooter waar het meisjes geldt.--De moeder is de
natuurlijke en beste leermeesteres.--De ziekelijke invloed van
kunstmatige geheimzinnigheid in sexueele zaken.--De literatuur
over de sexueele opheldering der jeugd.--Aard van de taak
der moeder.--Sexueele opvoeding op de school.--De waarde van
botanie.--Zoölogie.--Sexueele opvoeding na de puberteit.--De
noodzakelijkheid om tegen de geschriften van kwakzalvers
te strijden.--Het gevaar dat voortkomt uit het niet tijdig
voorbereiden op de eerste menstruatie.--De juiste houding tegenover
het geslachtsleven der vrouw.--De dringende noodzakelijkheid
van hygiëne der menstruatie in de eerste jeugd.--Zulk een
hygiëne is te vereenigen met de gelijkstelling der geslachten
op opvoedkundig en maatschappelijk gebied.--De invaliditeit van
vrouwen komt voornamelijk voort uit hygiënische verwaarloozing.--De
goede invloed van lichaamsoefening op vrouwen en de slechte
invloed der athletiek.--De nadeelen van het onderdrukken van
het gemoedsleven.--De noodzakelijkheid om jonge menschen de
waardigheid van het geslachtsleven te leeren.--Invloed van
deze factoren op het lot der vrouw in het huwelijk.--Lezingen
en toespraken over sexueele hygiëne.--De rol van den dokter in
de sexueele opvoeding.--De invoering in de wereld der idealen
tijdens de puberteit.--De plaats van den religieuzen en ethischen
leeraar.--De plechtigheden van natuurvolken bij het inleiden in
de geslachtsrijpheid.--De sexueele invloed van literatuur.--De
sexueele invloed van kunst.
Het mag sommigen toeschijnen dat, waar wij gewicht hechten aan de
voorvaders, de bloedverwanten, de conceptie, de zwangerschap en
zelfs aan de eerste jeugd van het kind, wij afdwalen van de sfeer
van de psychologie van het geslacht. Dat is in het geheel niet het
geval. Wij dalen, integendeel, af tot de wortels van het geslacht. Al
onze aangroeiende kennis dient er toe, om aan te toonen, dat, tegelijk
met zijn physieke natuur, de psychische natuur van het kind berust
op geboorte en verzorging, op de hoedanigheid van den stam, waar
het toe behoort, en op de zorg, die er aan besteed is in de eerste
oogenblikken, als verzorgen van het grootste belang is om de goede
hoedanigheid van dien stam te bewaren.
Wij moeten er natuurlijk aan denken, dat de invloeden zoowel
van afkomst als van verzorging gelijkelijk werken op het lot
van het individu. De invloed van verzorging is zoo duidelijk
zichtbaar, dat weinigen die licht zullen onderschatten. De
invloed van afkomst echter is niet zoo duidelijk, en wij kunnen
nog wel menschen ontmoeten, die zoo slecht op de hoogte zijn,
en misschien zoo bevooroordeeld, dat zij er in het geheel niet
van weten willen. Ons aangroeiend inzicht in deze zaak moet wel
het verkeerde idee bannen, doordat het doet zien hoe teeren en
diepgaanden invloed de erfelijkheid heeft. Geen gezonde beschaving
is mogelijk dan in een gemeenschap, die in zijn massa niet alleen
goed verzorgd, maar ook goed geboren is. En in geen levensgebied
is de invloed van het goed geboren zijn meer beslissend dan in
de sexueele verhoudingen. Een leerzaam voorbeeld kan men vinden
in de nauwkeurige en omstandige geschiedenis uit zijn jeugd, mij
verstrekt door een zeer beschaafd Russisch man. Hij was in zijn
kinderjaren opgevoed met zijn eigen broeders en zusters en met een
klein meisje van denzelfden leeftijd, dat al in haar eerste jeugd
was aangenomen, het dochtertje van een prostituée, die spoedig na
de geboorte van het kind gestorven was. Het aangenomen kind werd
behandeld als een van de familie, en al de kinderen dachten, dat
zij werkelijk een zuster was. Toch ontwikkelde zij al heel vroeg
instincten, ongelijk aan die van de kinderen, waarmee ze werd
opgevoed; ze jokte, ze was wreed, ze deed graag kattekwaad. en zij
ontwikkelde vroeg verkeerde sexueele neigingen; hoewel zorgvuldig
opgevoed, nam zij toch het beroep van haar moeder aan en op 22
jarigen leeftijd werd zij naar Siberië verbannen wegens roof
en poging tot moord. Het kind van een onbekenden vader en een
prostituée is niet door het noodlot gedoemd tot ondergang; maar
zulk een kind is van slechte afkomst en dat feit kan in sommige
gevallen alle invloeden van goede opvoeding te niet doen.
Als wij den kinderlijken leeftijd bereiken, zijn wij de grondslagen
en mogelijkheden van het sexueele leven al voorbij; dan zien wij in
sommige gevallen al het werkelijk begin ervan. Het is een vastgesteld
feit, dat auto-erotische uitingen soms al bij kinderen van minder dan
twaalf maanden kunnen waargenomen worden. Het ligt nu niet op onzen
weg dit punt van kwestie te bespreken en hoeverre zulke uitingen op
dezen leeftijd normaal genoemd kunnen worden [19]. Een geringe mate
van werkzaamheid van de ovariën en van de borstklieren bestaat soms
bij de geboorte [20]. Het schijnt duidelijk, dat nerveuse en psychische
sexueele werkzaamheid haar eerste bronnen vindt in dezen vroegen tijd
en dat, naarmate de jaren voorbijgaan een toenemend aantal individuen
zich door den drang aansluiten, totdat met de puberteit feitelijk
allen meegesleept worden in den grooten stroom.
Terwijl het dus mogelijk en zelfs waarschijnlijk is, dat de flinkste en
gezondste individuen geen bepaalde teekenen van nerveuse en psychische
sexualiteit in de jeugd vertoonen, toch zijn zulke uitingen nog
voldoende veel voorkomend om te kunnen zeggen, dat sexueele hygiëne
geheel en al buitengesloten kan blijven, totdat de puberteit nadert.
Vroegtijdige physieke ontwikkeling komt voor als een eenigszins
zeldzame variatie. W. Roger Williamson ("Precocious Sexual
Development with Abstracts of over One Hundred Cases", British
Gynaecological Journal, May, 1902) heeft een belangrijke bijdrage
geleverd lot de kennis van deze afwijking, die veel meer voorkomt
bij meisjes dan bij jongens. Bij de gevallen van Roger Williams
zijn slechts 20 jongens op de 80 meisjes, en vroegrijpheid
komt niet alleen meer voor, maar is ook meer geprononceerd bij
meisjes, waarvan men weet, dat zij op haar achtste jaar bevrucht
zijn geworden, terwijl 13 jaar genoemd wordt als de vroegste
leeftijd waarop jongens zich in staat getoond hebben om kinderen
te krijgen. Dit moeten we opmerken, is ook de vroegste leeftijd,
waarop spermatozoën gevonden worden in zaadvloeistof van jongens;
vóór dien leeftijd bevat de uitgeworpen stof geen spermatozoën,
en, zooals Fürbringer en Mol gevonden hebben, kunnen die
nog afwezig zijn op zestienjarigen leeftijd of nog later. Bij
meisjes gaat vroegtijdige sexueele ontwikkeling minder dikwijls
samen met een algemeene toename van lichamelijke ontwikkeling
dan bij jongens. (Een afzonderlijk geval van vroege sexueele
ontwikkeling bij een meisje van vijf jaar is volledig beschreven
en met illustraties voorzien in het Zeitschrift für Ethnologie,
1896, deel 4, pag. 262).
Vroegtijdige sexueele impulsen zijn gewoonlijk vaag, op zich
zelf staand en min of meer onschuldig. Een geval van zeldzamen
en uitgesproken aard, waarbij een kind, een jongen van twee
jaar, sexueel aangetrokken werd door meisjes en vrouwen,
en al zijn gedachten en daden richtte op sexueele pogingen op
haar, is beschreven door Herbert Rich, van Detroit (Alienist and
Neurologist, Nov. 1905). Algemeen bewijsmateriaal uit de literatuur
van het onderwerp van sexueele vroegrijpheid, de veelvuldigheid
ervan en de beteekenis ervan, is samengebracht door L. M. Terman
("A Study in Precocity", American Journal of Psychology, April,
1905).
De erecties, die bij kleine jongens voorkomen, hebben gewoonlijk
geen sexueele beteekenis, hoewel zij, zooals Moll opmerkt, die
krijgen kunnen als ze de opmerkzaamheid van het kind trekken; zij
zijn alleen maar reflex. Sommige meenen echter, en voornamelijk
Freud, dat bepaalde kinderlijke eigenaardigheden, vooral het
duimzuigen, een sexueele oorzaak hebben en dat de sexueele
impuls zich voortdurend vertoont op zeer jeugdigen leeftijd. Het
geloof, dat het sexueele instinct in de jeugd niet bestaat,
beschouwt Freud als een ernstige dwaling, zoo gemakkelijk
door waarneming te corrigeeren, dat hij zich verwondert,
hoe zij kan ontstaan zijn. "In werkelijkheid", merkt Freud op,
"brengt het pasgeboren kind sexualiteit mee ter wereld, sexueele
gewaarwordingen vergezellen het tijdens de dagen van het zuigen en
van de kindsheid en maar zeer weinige kinderen ondervinden geen
sexueele aandriften en gevoelens vóór de puberteit" (Freud, "Zur
sexuellen Aufklärung der Kinder", Soziale Medizin und Hygiene,
Band II, 1907; cf. voor bijzonderheden zie men van denzelfden
schrijver Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie, 1905). Moll, aan
den anderen kant, beschouwt Freud's beschouwingen over sexualiteit
in de jeugd als overdreven en vindt ze beslist verwerpelijk,
hoewel hij toegeeft, dat het moeilijk is, zoo niet onmogelijk, de
gevoelens in de jeugd te onderscheiden (Moll, Das Sexualleben des
Kindes, pag. 154.) Moll meent ook, dat psycho-sexueele uitingen,
die optreden na den leeftijd van acht jaar, niet pathologisch
zijn; kinderen, die zwak zijn en erfelijk belast, zijn niet zelden
sexueel vroegrijp, maar aan den anderen kant heeft Moll kinderen
gekend van 8 of 9 jaren met sterk ontwikkelde geslachtsdrift,
die toch flink ontwikkelde mannen werden.
Rudimentaire sexueele uitingen in de jeugd, vergezeld van sexueele
gevoelens, moeten inderdaad--als ze niet te uitgesproken of te
vroegtijdig zijn--beschouwd worden als te vallen binnen de normale
sfeer, ofschoon zij, als zij voorkomen bij erfelijk belaste
kinderen, niet zonder ernstige gevaren zijn. Maar bij gezonde
kinderen hebben zij gewoonlijk, na den leeftijd van zeven of
acht jaar geen slechte resultaten en moeten ze als spel beschouwd
worden. Spel, bij dieren en menschen beide, is zooals Groos met een
wonderbare veelheid van voorbeelden heeft aangetoond, een nuttig
opvoedingsproces; het jonge schepsel bereidt zich daardoor voor,
die functies uit te oefenen, die het in later jaren meer volkomen
en ernstiger moet uitoefenen. In zijn Spiele der Menschen past
Groos dit denkbeeld toe op het sexueele spel van kinderen, en
geeft als bewijs aanhalingen uit de literatuur. Keller heeft,
in zijn "Romeo und Julia auf dem Dorfe" een bewonderenswaardig
waar beeld gegeven van deze kinderlijke liefdesbetrekkingen. Emil
Schultze-Malkowsky (Geschlecht und Gesellschaft, Bd. II. pag. 370)
geeft eenige tooneelen uit het leven van een klein meisje van
zeven jaar, die een duidelijk beeld geven van den waren aard van
de sexueele uitingen op dezen leeftijd.
Een soort van rudimentaire sexueele omgang tusschen kinderen komt
voor zooals Bloch (Beiträge etc. Bd. II, pag. 254) heeft opgemerkt,
in vele deelen van de wereld, en wordt door hun ouders erkend
als spel. Dit is bv. het geval onder de Bawenda van Transvaal
(Zeitschrift für Ethnologie, 1896, Heft 4, pag. 364), en onder de
Papoea's van Kaiser-Wilhelms-Land, met goedvinden van de ouders,
hoewel veel terughouding in acht genomen wordt. (id., 1889,
Heft 1, pag. 16) Godard (Egypte et Palestine, 1867, pag. 105)
sloeg het sexueele spel gade van jongens en meisjes in Caïro. In
Nieuw-Mexico heeft W. A. Hammond (Sexual Impotence, pag. 107)
jongens en meisjes gezien die als spel sexueele vereeniging
beproefden onder aanmoediging van mannen en vrouwen en in
New-York heeft hij jongens en meisjes hetzelfde zien doen in
tegenwoordigheid van hun ouders, met alleen maar een lachende
terechtwijzing. "Vadertje en Moedertje spelen" is inderdaad zeer
gewoon onder kinderen in waarlijke onschuld, en met een algeheele
afwezigheid van verdorvenheid; en het beperkt zich in het geheel
niet tot kinderen van de lagere maatschappelijke klasse. Moll maakt
een opmerking over het veel voorkomen ervan (Libido Sexualis,
deel 1, pag. 277), en het comité van evangelische geestelijken
heeft, in hun onderzoek naar de moraal van het Duitsche landvolk
(Die geschlechtlich-sittlichen Verhältnisse, Bd. 1, pag. 102)
bevonden, dat kinderen die nog niet op school zijn, pogingen
tot coïtus doen. Het sexueele spel van kinderen is in het geheel
niet beperkt tot het vader en moedertje spelen; dikwijls wordt
er gespeeld met een climax in het vertoonen van en het slaan op
sommige lichaamsdeelen en nu en dan zijn er spelletjes van dokter
zijn en onderzocht worden. Zoo zegt een jonge Engelsche vrouw:
"Natuurlijk, toen wij op school waren (op den leeftijd van twaalf
jaar en vroeger) speelden wij met elkaar, verscheidene van ons
meisjes; we gingen dan naar een veld en deden of we dokters waren
en elkaar moesten onderzoeken, en dan deden we onze kleeren in
de hoogte en bevoelden elkaar".
Deze spelen sluiten niet noodzakelijk de medewerking van de
sexueele impuls in, en nog minder bevatten zij eenig element
van liefde. Maar liefdegevoelens, ternauwernood of in het geheel
niet te onderscheiden van sexueele liefde van volwassenen, komen
dikwijls op even jeugdigen leeftijd voor. Zij behooren tot het
spel, in zoover spel een voorbereiding is voor de werkzaamheden
van het latere leven, ofschoon zij, anders dan de spelen, niet
als spel gevoeld worden. Ramdohr heeft, meer dan een eeuw geleden
(Venus Urania, 1798) gewezen op de veel voorkomende liefde van
kleine jongens voor vrouwen. Meestal wordt de liefde gevoeld voor
individuen van de andere of van dezelfde sekse, die niet veel in
leeftijd verschillen, hoewel zij gewoonlijk ouder zijn. De meest
omvattende studie over deze zaak is gedaan door Sanford Bell in
Amerika op een basis van 2,300 gevallen (S. Bell, "A Preliminary
Study of the Emotion of Love Between the Sexes", American Journal
of Psychology, July, 1902). Bell bevindt, dat de aanwezigheid van
de aandoening tusschen de drie en de acht jaar blijkt uit daden
als pakken, kussen, elkaar opbeuren, worstelen, dicht bij elkaar
gaan zitten, bekentenissen doen aan elkaar en aan anderen, over
elkaar praten als ze van elkaar af zijn, elkaar zoeken en de rest
buitensluiten, verdriet bij scheiding, het geven van presenten,
elkaar speciale beleefdheden aandoen, kleine opofferingen voor
elkaar doen, jaloezie betoonen. De meisjes zijn, over het geheel,
aggressiever dan de jongens en er minder op uit om de zaak geheim
te houden. Na den leeftijd van acht, worden de meisjes bescheidener
en de jongens worden nog schuwer. De physieke sensaties komen
gewoonlijk niet voor in de sexueele organen; erectie van de penis
en hyperaemia van de vrouwelijke geslachtsdeelen beschouwt Bell
als teekenen van ongewone vroegrijpheid. Maar er is een verspreide
vasomotorische opzwelling en een toestand van opgewondenheid,
die te vergelijken is met wat ondervonden wordt op jongelings-
en volwassen leeftijd, al is het dan niet hetzelfde. Over het
geheel, besluit Bell terecht, staat de liefde tusschen kinderen van
verschillend geslacht met betrekking tot de liefde tot volwassenen,
als de bloem staat tot de vrucht en heeft ze misschien even weinig
in zich van physieke sexualiteit als een appelbloesem in zich
heeft van den appel, die er zich uit ontwikkelt. Moll meent ook,
(op. cit., pag. 76) dat kussen en andere dergelijke oppervlakkige
aanrakingen, die hij verschijnselen van contrectatie noemt, heel
dikwijls de eerste en eenige uiting zijn van den sexueelen impuls
in de jeugd.
Het is dikwijls gezegd, dat het voor kinderen gemakkelijker is
hun sexueele onschuld te bewaren op het land dan in de stad en
dat alleen in de steden de sexualiteit teugelloos en zichtbaar
is. Dit is in geenen deele waar en in sommige opzichten is het
het tegenovergestelde van de waarheid. Zeker, hard werken, een
natuurlijk en eenvoudig leven en geen ingespannen geestesarbeid,
werken dikwijls samen om den jongen van het land kuisch te houden
in gedachten en daden, totdat de tijd der jongelingschap voorbij
is. Ammon zegt, b.v. echter zonder bepaald bewijs te geven,
dat dit gewoon is onder de lotelingen in Baden. Zekerlijk leiden
ook al de velerlei zinsprikkelingen van het stadsleven er toe,
de prikkelbaarheid van zenuwen en hersenen van de jonge menschen
op te wekken op een betrekkelijk jeugdigen leeftijd op sexueel
evenals op ander gebied en vroeg begeerte en nieuwsgierigheid
aan te wakkeren. Maar aan den anderen kant biedt het stadsleven
den jongen menschen geen bevrediging voor hun wenschen en
nieuwsgierigheden. De openbaarheid van een stad, het algemeene
toezicht, het bestudeerde decorum van een bevolking, die zich
bewust is, dat ze voortdurend blootgesteld is aan den blik
van vreemdelingen, werken samen om een sluier te werpen over
de geheime zijde van het leven, die, zoo hij al niet voor de
jonge menschen verbergt de groote-stadsprikkels van dat leven,
toch voor het grootste deel verbergt hoe die prikkels bevredigd
worden. Op het land echter bestaan deze beperkingen niet in
overeenkomstigen graad; de dieren maken de elementaire feiten van
het sexueele leven voor allen duidelijk zichtbaar; er is minder
behoefte aan of respect voor decorum; men spreekt meer openlijk;
toezicht is onmogelijk en gelegenheden voor sexueele intimiteit
zijn in de ruimste mate voorhanden. Als men misschien zeggen kan,
dat de stad onkuischheid van gedachten bij jonge menschen kan
aanmoedigen, dan kan men zeker zeggen, dat het land onkuischheid
in daden aanmoedigt.
De uitgebreide onderzoekingen van het Comité van Luthersche
geestelijken over de sexueele moraal (Die geschlechtlich-sittlichen
Verhältnisse im Deutschen Reiche), een paar jaar geleden
uitgegeven, geven duidelijk blijk van de sexueele vrijheid op
het platteland van Duitschland, en Moll, die bepaald van meening
is, dat het land betrekkelijk niet vrij is van sexualiteit,
zegt (op. cit., pp. 137-139, 239) dat zelfs het circuleeren van
obscene boeken en prenten onder schoolkinderen meer schijnt voor
te komen in kleine steden en op het land, dan in groote steden. In
Rusland, waar men zou kunnen denken, dat toestanden van de stad
en van het land minder contrast opleverden dan in vele andere
landen, heeft men hetzelfde verschil opgemerkt. "Ik weet niet",
schrijft een Russisch correspondent, "of Zola in La Terre het
leven van Fransche dorpen juist beschrijft. Maar de manieren op
een Russisch dorp, waar ik een deel van mijn jeugd doorgebracht
heb, gelijken tamelijk wel op die, door Zola beschreven. In het
leven van de landelijke bevolking, waarin ik terecht kwam, was
alles doortrokken van erotica. Men was er omringd door dierlijke
wellust in al zijn onbescheidenheid. Tegenovergesteld aan de
algemeen gebruikelijke opinie, geloof ik, dat een kind zijn
sexueele onschuld gemakkelijker kan bewaren in de stad dan op
het land. Er zijn, zonder twijfel, veel uitzonderingen op dezen
regel. Maar de functies van het sexueele leven zijn in de steden
gewoonlijk meer verborgen dan op de velden. Zedigheid (hetzij
ze van de meer oppervlakkige en uiterlijke soort is of niet) is
sterker ontwikkeld bij de bevolkingen van de steden. Als zij over
sexueele zaken spreken, omsluieren de menschen in de steden hun
gedachten meer; zelfs de lagere klassen in steden gebruiken meer
terughouding, meer euphemismen, dan boeren. Zoo kan in de steden
een kind het gemakkelijk niet begrijpen als er over gewaagde
onderwerpen gesproken wordt in zijn tegenwoordigheid. Men kan
zeggen, dat de corruptie in de steden, hoewel meer verborgen,
des te dieper is. Het kan zijn, maar die verborgenheid beschermt
kinderen er tegen. Het stadskind ziet alle dagen op straat
prostituées, zonder ze van andere menschen te onderscheiden. Op
het land kan hij iederen dag in de ruwste bewoordingen hooren
zeggen, dat dat of dat meisje 's nachts in een schuur of in een
sloot gevonden is in liefdesverkeer met dien en dien jongen man,
of dat het dienstmeisje iederen nacht bij den koetsier in bed
kruipt, terwijl over de feiten van sexueelen omgang, zwangerschap
en geboorte in de duidelijkste woorden gesproken wordt. In steden
wordt de aandacht van het kind getrokken door duizend verschillende
onderwerpen; op het land hoort hij, behalve over veldarbeid,
die hem niet interesseert, alleen spreken over de voortbrenging
van dieren en over de erotische prestaties van meisjes en jonge
mannen. Als wij zeggen, dat het stadsleven meer opwindend is,
dan denken we aan volwassenen, maar de dingen, die den volwassene
prikkelen, hebben gewoonlijk geen erotische werking op het kind,
dat echter niet lang zonder sexueel gevoel kan blijven als het
ziet, hoe de groote boerenmeisjes zich, vurig als merries in een
wedloop, geven in de armen van krachtige jonge mannen. Het moet wel
deze vrije uitingen van sexualiteit opmerken, hoezeer de teere en
perverse verfijningen van de stad aan zijn opmerkzaamheid zouden
ontgaan. Ik weet, dat er in de landen van overdreven preutschheid
veel verborgen corruptie is, meer, is men wel eens geneigd te
denken, dan in minder huichelachtige landen. Maar ik geloof,
dat dat een onjuiste indruk is, en ik ben overtuigd, dat juist
tengevolge van al deze kleine geheimhoudingen, die het ondeugend
vermaak opwekken van de vreemdelingen, er werkelijk veel meer
jonge menschen in Engeland zijn, die kuisch blijven, dan in de
landen die sexueele verhoudingen meer openlijk behandelen. In
ieder geval, zoo ik al Engelschen heb leeren kennen, die zeer
losbandig waren en zeer verfijnd in de zonde, ik heb ook jonge
mannen van dezelfde natie gekend van over de 20 jaar, die zoo
onschuldig waren als kinderen, maar nooit een jongen Franschman,
Italiaan, of Spanjaard, waarvan men hetzelfde kon zeggen". Er
is, ongetwijfeld, waarheid in deze bewering, hoewel wij toch
moeten bedenken, dat, hoe uitstekend kuischheid ook is, als deze
kuischheid berust enkel op onwetendheid, de bezitter ervan aan
vreeselijke gevaren is blootgesteld.
De kwestie van sexueele hygiëne, meer bijzonder het speciale onderdeel
ervan, de sexueele opheldering, hangt echter niet af van het feit, dat
bij sommige kinderen de psychische en nerveuze uiting van sekse op een
vroeger leeftijd aan den dag treedt dan bij andere. Het berust op het
ruimere, algemeene feit, dat bij alle kinderen het verstand begint te
werken op een heel vroegen leeftijd en dat deze werkzaamheid van het
verstand neiging heeft zich te openbaren in een weetgierige begeerte
om vele grondfeiten van het leven te kennen, die inderdaad berusten
op sekse. De eerste en meest algemeen voorkomende van deze wenschen
is de wensch om te weten, waar de kinderen vandaan komen. Er is geen
vraag, die natuurlijker is; de vraag naar oorzaken is noodzakelijk
een grondvraag in kinderlijke philosophieën, zooals zij het in verder
gevorderde gedaanten is van de philosophieën van volwassenen. De meeste
kinderen, hetzij zij geleid worden door mededeelingen, gewoonlijk
de onjuiste mededeelingen van ouderen, of door hun eigen verstand,
dat werkt onder die aanwijzingen die het krijgen kan, hebben een
theorie over de herkomst van kinderen.
Stanley Hall ("Contents of Children's Minds on Entering School",
Pedagogical Seminary, June, 1891) heeft eenige van de denkbeelden
van jonge kinderen over de herkomst van kinderen verzameld. "God
maakt de kinderen in den hemel, hoewel de Heilige Moeder en zelfs
Sint Niklaas er ook maken. Hij laat ze naar beneden en laat ze
zakken, en de vrouwen en de dokters pakken ze, of Hij legt ze
op het trottoir, of Hij brengt ze naar beneden langs een houten
ladder, die achterste voren is gezet en haalt dien weer in de
hoogte; of moeder of de dokter of de baker gaan er op en halen ze,
soms in een ballon, of zij vliegen naar beneden en leggen hier
of daar hun vleugels af en vergeten waar, en zij springen naar
beneden naar Jezus, die ze ronddeelt. Zoo werd er ook dikwijls
gezegd, dat ze gevonden werden in meelvaten en het meel kleeft
heel lang aan ze vast, of zij groeiden in koolen, of God legde ze
in het water, misschien wel in het riool, en de dokter haalt ze er
uit en brengt ze aan zieke menschen, die ze graag hebben willen,
of de melkboer brengt ze 's morgens vroeg; zij worden opgegraven
uit den grond, of ze worden in den kinderwinkel gekocht".
In Engeland en Amerika vertelt men dikwijls aan het
nieuwsgierige kind, dat het kind in den tuin gevonden is onder een
kruisbessenstruik of ergens anders; of meermalen wordt er gezegd
met wat ongetwijfeld gevoeld wordt als een dichter naderen tot
de waarheid, dat de dokter het gebracht heeft. In Duitschland
is het gewone verhaaltje, dat men de kinderen vertelt, dat de
ooievaar het kind brengt. Verschillende theorieën, voor het
meerendeel gebaseerd op volkssagen, zijn voor den dag gebracht
om dit verhaaltje te verklaren, maar zij schijnen geen van allen
overtuigend te zijn (zie bv. G. Herman, "Sexual-Mythen", Geschlecht
und Gesellschaft, Bd. 1, afl. 5, 1906, pag. 176, en P. Näcke,
Neurologisches Centralblatt, No. 17, 1907). Näcke meent, dat er
iets aannemelijks is in de suggestie van Professor Petermann,
dat een kikvorsch, die zich wringt in den bek van een ooievaar,
op een menschelijk wezentje gelijkt.
In IJsland vinden we, volgens Max Bartels ("Isländischer Brauch
und Volksglaube", etc., Zeitschrift für Ethnologie, 1900, afl. 2
en 3) een overgang tusschen de werkelijkheid en de phantasie in
de verhalen, die aan kinderen verteld worden over de herkomst
van kinderen (de ooievaar is hier uitgesloten, want die komt
niet verder dan tot de zuidelijke grens van de Scandinavische
landen). In Noordelijk IJsland wordt gezegd, dat God het kind
gemaakt heeft en dat de moeder het gedragen heeft, en dat zij
daarom nu ziek is. In het Noord-Westen zegt men, dat God het
kind gemaakt heeft en het aan de moeder heeft gegeven. Elders
zegt men, dat God het kind gezonden heeft en dat de vroedvrouw
het heeft gebracht en dat de moeder alleen maar in bed ligt om
dicht bij het kind te zijn (wat maar zelden in een wieg wordt
gelegd). Soms wordt ook gezegd dat een lam of een vogel het kind
gebracht heeft. En dan weer zegt men, dat het in den nacht door
het raam is binnengekomen. Soms echter vertelt men het kind,
dat het kindje gekomen is uit de borsten van de moeder, of van
onder haar borsten, en dat zij daarom ziek is.
Zelfs als de kinderen te weten komen, dat kleine kinderen uit
het lichaam der moeder komen, dan blijft deze kennis dikwijls
nog heel vaag en onnauwkeurig. Het gebeurt bv. heel dikwijls
in alle beschaafde landen, dat de navel beschouwd wordt als het
punt, waar het kind uit het lichaam komt. Dit is een natuurlijke
conclusie, omdat de navel een kanaal schijnt te zijn naar binnen
in het lichaam, en een kanaal waarvoor geen zichtbaar gebruik is,
terwijl de geslachtsspleet zich niet zou opperen voor meisjes
(en nog minder voor jongens) als de doorgang der geboorte, omdat
die reeds gemonopoliseerd schijnt te worden door de afscheiding
der urine. Dit geloof omtrent den navel wordt soms behouden den
geheelen tijd der jeugd door, vooral bij meisjes van de zoogenaamde
welopgevoede klasse, die te wel opgevoed zijn om de zaak te
bespreken met haar getrouwde vriendinnen, en die werkelijk meenen,
dat zij reeds voldoende op de hoogte zijn. Op dezen leeftijd kan
het zijn, dat het geloof niet geheel onschadelijk is, in zooverre
het er toe leidt den werkelijken toegang der sexualiteit onbewaakt
te laten. In den Elzas, waar meisjes gewoonlijk gelooven, en waar
haar ook geleerd wordt, dat de kinderen door den navel komen,
loopen populaire verhalen (Anthropophyteia, deel III, pag. 89),
die de verkeerde gevolgen doen zien van dit geloof, die soms
leiden tot verlies der maagdelijkheid.
Freud, die meent dat kinderen niet hard gelooven aan den fabel
van den ooievaar en dergelijke verhalen, die uitgevonden zijn om
hen te misleiden, heeft een belangwekkend psychologisch onderzoek
gedaan naar de werkelijke theorieën, die kinderen zelf maken als
het resultaat van waarneming en nadenken van de sexueele feiten
van het leven (zie Freud, "Ueber Infantile Sexualtheorien",
Sexual-Probleme, Dec. 1908). Zulke theorieën, merkt hij op, komen
overeen met de schitterende, maar onvolledige veronderstellingen,
waar natuurvolken toe komen over den aard en den oorsprong der
wereld. Er zijn drie theorieën, die, zooals Freud geheel naar
waarheid besluit, zeer dikwijls door kinderen gevormd worden. De
eerste en de verst verspreide is, dat er geen werkelijk anatomisch
verschil is tusschen jongens en meisjes; als de jongen opmerkt dat
zijn zusje geen zichtbare penis heeft, dan komt hij zelfs tot het
besluit, dat het komt omdat ze nog te jong is, en het kleine meisje
zelf denkt hetzelfde. Het feit, dat in de kindsheid de clitoris
betrekkelijk grooter is en meer op een penis gelijkt, helpt deze
gedachte bevestigen, die Freud in verband brengt met de neiging
op lateren leeftijd tot erotische droomen over vrouwen voorzien
van een penis. Deze theorie begunstigt, zooals Freud opmerkt,
den groei der homo-sexualiteit, als de kiemen er van aanwezig
zijn. De tweede theorie is de fæcale theorie van de herkomst
van kinderen. Het kind, dat misschien denkt dat zijn moeder
een penis heeft, en dat in ieder geval niet weet van de vagina,
komt tot het besluit dat het kind ter wereld gebracht wordt door
een werking, gelijk aan de werking van de ingewanden. De derde
theorie, die misschien minder voorkomt dan de andere, noemt Freud
de sadistische theorie van den coïtus. Het kind erkent, dat zijn
vader op eene of andere wijze moet hebben deelgenomen aan zijn
verwekking. De theorie, dat sexueele omgang bestaat in geweld,
heeft een spoor van waarheid in zich, maar kinderen schijnen er op
duistere wijze toe te komen. De eigen sexueele gevoelens van het
kind worden dikwijls het eerst gewekt als het worstelt of vecht
met een kameraadje; het kan ook zijn, dat hij zijn moeder min of
meer speelsch ziet weerstand bieden aan een plotselinge liefkoozing
van zijn vader; en als een werkelijke twist plaats vindt, dan kan
die indruk versterkt worden. Wat de ideeën van het kind betreft
over den huwelijkschen staat, bevindt Freud, dat hij gewoonlijk
beschouwd wordt als een staat, die ingetogenheid afschaft; en
de meest voorkomende theorie is, dat getrouwd zijn beteekent,
dat de menschen in elkanders tegenwoordigheid kunnen urineeren,
terwijl een andere gewone kindertheorie is, dat getrouwd zijn is,
dat de menschen elkaar hun genitaliën laten zien.
Zoo komt het, dat wij al op een zeer vroeg stadium van het leven
van het kind tegenover de kwestie komen te staan, hoe wij het wijste
kunnen beginnen met zijn inwijding in de kennis van de groote centrale
feiten van sekse. Het is misschien wat achterlijk het als een kwestie
te beschouwen, maar dat is het toch onder ons, ofschoon drie duizend
vijf honderd jaar geleden de Egyptische vader tot zijn kind aldus
heeft gesproken: "Ik heb je een moeder gegeven, die je bij zich
gedragen heeft, als een zware last, om jouwentwille, en zonder op mij
te steunen. Toen je eindelijk geboren was, onderwierp zij zich aan het
juk, want drie jaar lang waren haar tepels in je mond. Je uitwerpselen
hebben haar nooit tegenzin ingeboezemd, of haar doen zeggen: Wat doe
ik? Toen je naar school gezonden waart, ging zij regelmatig iederen
dag om eigengebakken brood en eigengebrouwen bier aan je meester te
brengen. Als jij op jouw beurt trouwt en een kind krijgt, voed dan
je kind op, zooals je moeder jou opgevoed heeft" [21].
"Alles wat de liefde en zorgvuldigheid van ouderlijke liefde
kan geven", schrijft Dr. G. F. Butler, van Chicago (Love and
its Affinities, 1899, pag. 83), "alles wat de meest verfijnde
godsdienstinvloed kan geven, alles wat de meest beschaafde
vereenigingen kunnen tot stand brengen, dat kan door een enkel
oogenblik teniet worden gedaan. Er is geen plaats voor ethisch
betoog, ja, er is zelfs dikwijls geen bewustzijn van kwaad,
maar alleen Gretchen's "Es war so süsz". Dezelfde schrijver
voegt er aan toe (wat al tevoren opgemerkt was door Mrs. Craik
en anderen) dat het onder de leden der kerk de fijnere en meer
gevoelige organisaties zijn, die het meest onderhevig zijn
aan sexueele emoties. Voor zoover het jongens aangaat, laten
wij de mededeeling in geslachtszaken, het heiligste en meest
centrale feit ter wereld, zooals de kanunnik Lyttelton opmerkt,
over aan onreindenkende schooljongens, rijknechts, tuinjongens,
in het kort aan iedereen, die op jeugdigen leeftijd voldoende
bedorven is en voldoende roekeloos om er over te spreken". Er,
wat meisjes aangaat, zooals Balzac lang geleden opmerkte, "een
moeder kan haar dochter streng opvoeden, en haar onder haar
vleugelen hoeden zeventien jaar lang; maar een dienstmeisje kan
dat lange werk teniet doen door een woord, zelfs door een gebaar".
De groote rol, die door dienstmeisjes van de lagere klasse
gespeeld wordt bij de sexueele inwijding van de kinderen van
den middenstand, is toegelicht bij de behandeling van "De
sexueele impuls bij vrouwen" in een van mijn andere werken, en
behoeft nu niet verder besproken te worden. Ik wil alleen hier
in het voorbijgaan een woord zeggen over de andere zijde. Hoe
dikwijls dienstmeisjes ook deze rol spelen, moeten we toch
niet zoo ver gaan van te zeggen, dat dit het geval is met
de meerderheid. Wat Duitschland aangaat, heeft Dr. Alfred Kind
onlangs zijn ondervinding medegedeeld: "Ik heb nooit in mijn jeugd
een slecht of ongepast woord gehoord over geslachtsverhoudingen
van een dienstmeisje, ofschoon de dienstmeisjes elkaar in ons
huis opvolgden als zonneschijn en regenbuien in April en er was
altijd een kameraadschappelijke betrekking tusschen ons kinderen
en de dienstboden". Wat Engeland aangaat, kan ik er bijvoegen,
dat mijn eigen jeugdondervindingen overeenkomen met die van
Dr. Kind. Dit behoeft geen verwondering te wekken, want we kunnen
zeggen, dat bij het gewone meisje in goede omstandigheden, hoewel
haar deugd misschien niet ontwikkeld is tot heldenverhoudingen,
toch gewoonlijk een natuurlijke eerbied is voor de onschuld van
kinderen, een natuurlijke sexueele onverschilligheid jegens hen
en een natuurlijke verwachting, dat de man de actieve rol moet
spelen als er een sexueele verhouding zal ontstaan.
Men begint ook te voelen, dat, vooral met betrekking tot vrouwen,
onschuld berustend op onwetendheid niet alleen is een te broos bezit om
het behouden ervan waard te zijn, maar dat zij werkelijk verkeerd is,
omdat zij het ontbreken van noodige kennis met zich mee brengt. "Het
is weinig minder dan misdadig", schrijft Dr. T. M. Goodchild [22],
"onze jonge menschen midden in de prikkelingen en verleidingen van een
groote stad te zenden, met niet meer voorbereiding dan alsof zij in het
Paradijs gingen leven". In het geval van de vrouwen, heeft onwetendheid
nog verder het nadeel, dat het haar berooft van de kennis, die noodig
is voor een sympathie, die andere vrouwen begrijpen kan. Het gebrek
aan sympathie van vrouwen voor vrouwen berust dikwijls voor een groot
deel op volkomen onbekendheid met de feiten van het leven. "Waarom",
schrijft mij in een brief een getrouwde dame, die dit scherp voelt,
"worden vrouwen opgevoed in zulk een diepe onwetendheid over haar eigen
natuur en voornamelijk over die van andere vrouwen? Zij weten niet
half zooveel van andere vrouwen als een man van de meest middelmatige
capaciteit in den loop van een dag te weten komt". Wij probeeren onze
fout bij het opvoeden van vrouwen in de hoofdfeiten van sekse, goed te
maken door aan de politie en andere bewaarders van de algemeene orde,
den plicht op te leggen de vrouwen en de moraal te beschermen. Maar,
zooals Moll met nadruk zegt, het werkelijk probleem van kuischheid
ligt niet in het vermeerderen van wetten en politiebeambten,
maar in ruime mate in de kennis der vrouwen omtrent de gevaren van
sekse en in het aankweeken van hun gevoel van verantwoordelijkheid
[23]. Wij maken maar steeds wetten ter bescherming van kinderen en
wij verscherpen het politietoezicht. Maar wetten en politie, hetzij
hun werkzaamheid goed is of kwaad, zijn in beide gevallen zonder
resultaat. Zij kunnen voor het grootste deel eerst ingeroepen worden
als het nadeel al gedaan is. Wij moeten leeren tot op den wortel van
de zaak door te dringen. Wij moeten onzen kinderen leeren zichzelf
tot wet te zijn. Wij moeten hun die kennis geven, die hen in staat
zal stellen hun eigen persoonlijkheid te bewaken [24]. Er is een
ware geschiedenis van een dame, die had leeren zwemmen, tot grooten
afschuw van haar geestelijke, die zwemmen onvrouwelijk vond. "Maar",
zeide ze, "stel dat ik verdronk". "In dat geval", antwoordde hij,
"moet ge wachten tot er een man komt, die u redt". Daar hebben we
twee reddingsmethoden, die aan vrouwen gepredikt zijn, de oude en
de nieuwe. In geen zee hebben vrouwen meer gevaar geloopen van te
verdrinken dan in die van de sekse. Het moest geen vraag zijn, welke
de beste methode van redding is.
Het is tegenwoordig moeilijk eenige ernstige argumenten te vinden
tegen de wenschelijkheid van vroege sexueele inlichting, en wij
vinden het bijna comisch te lezen, hoe de romanschrijver Alphonse
Daudet, toen hem naar zijn meening over zulke inlichting gevraagd
werd, betuigde--in een geest, die zeker gewoon was onder de
mannen van zijn tijd--dat ze onnoodig was, omdat jongens alles
konden leeren van de straat en uit de couranten, terwijl "wat
jonge meisjes betreft--neen! ik zou ze geen van de waarheden
der physiologie willen mededeelen. Ik kan alleen nadeelen zien
in zulk gedrag. Deze waarheden zijn leelijk, ontnuchterend, zij
zullen zeker den geest en de natuur van een meisje schokken,
haar verschrikt maken en walging in haar wekken". We kunnen
evengoed zeggen, dat het niet noodig is bronnen helder water te
verschaffen, zoolang er plassen op straat zijn, waar iedereen
uit drinken kan. Een tijdgenoot van Daudet, die een veel fijner
geestelijk inzicht had, Coventry Patmore, de dichter, heeft in zijn
verhandeling over "Ancient and Modern Ideas of Purity" in zijn
mooi boek, Religio Poetae, reeds in mooie woorden geprotesteerd
tegen die "ziekte der onreinheid", die voortkomt uit "our modern
undivine silences", waar Daudet voor gepleit heeft. En Metchnikoff
verklaarde, niet zoo lang geleden, van wetenschappelijke zijde,
vooral sprekend wat vrouwen aangaat, dat kennis zóo noodig is
voor moreel gedrag, dat "onwetendheid beschouwd moet worden als
de meest immoreele daad". (Essais Optimistes, pag. 420).
De beroemde Belgische romanschrijver, Camille Lemonnier, behandelt
in zijn L'Homme en Amour de kwestie van de sexueele opvoeding
van de jeugd, door de geschiedenis te geven van een jongen man,
opgevoed onder den invloed van de conventioneele en huichelachtige
ideeën, die leeren, dat naaktheid en sekse weerzinwekkende
zaken zijn. Zoodoende gaat hij de gelegenheden tot onschuldige
en natuurlijke liefde voorbij, om ten slotte hopeloos de slaaf
te worden van een zinnelijke vrouw, die hem enkel behandelt als
het voorwerp van haar lust, als den laatsten van een lange rij
minnaars. Het boek is een machtig pleidooi voor een verstandige,
gezonde en natuurlijke opvoeding in geslachtszaken. Er werd echter
in Brugge beslag op gelegd, in 1901, hoewel het proces tenslotte
eindigde met vrijspraak. Zulk een uitspraak is in harmonie met
de algemeene neiging van voelen in den tegenwoordigen tijd.
De oude ideeën, door Daudet uitgesproken, dat de sexueele feiten
leelijk en ontnuchterend zijn, en dat zij den geest van de jeugd
schokken, zijn beide evenzeer geheel onjuist. Zooals de kanunnik
Lyttelton opmerkt, waar hij er op aandringt, dat de wetten
der voorplanting aan de kinderen geleerd moeten worden door
de moeder: "De wijze waarop zij die mededeeling ontvangen met
aangeboren eerbied, waarheid van begrip en argelooze teerheid,
is niets minder dan een openbaring van de oneindige schoonheid
der natuur. Maar ik waag te zeggen, dat niemand heelemaal weet,
wat het is, die het voorrecht gemist heeft van de eerste te zijn,
die hun de ware beteekenis uitgelegd heeft van leven en geboorte
en het mysterie van hun eigen wezen. Niet alleen laten we na
gezonde kennis in hen op te bouwen, maar wij berooven onszelf
van de kans iets te weten te komen, dat goddelijk moet zijn". Op
dezelfde wijze spreekt Edward Carpenter, waar hij zegt dat het
gemakkelijk en natuurlijk is voor een kind van het begin af aan
zijn lichamelijke verhouding tot zijn moeder te weten (Love's
Coming of Age, pag. 9): "Een kind op den leeftijd van de puberteit,
bij de ontplooiing van zijn diep verborgen emotioneele en sexueele
natuur, is zeer goed in staat tot de meest gevoelige, liefderijke
en kalme appreciatie van wat sekse beteekent (gewoonlijk meer,
zooals de zaken tegenwoordig staan, dan zijn wereldschen vader of
voogd); en hij kan de inlichtingen, als die op sympathieke wijze
gegeven worden, in zich opnemen zonder eenigen schok of stoornis
voor zijn schaamtegevoel--dat gevoel dat zoo'n natuurlijke en
belangrijke bescherming is van de eerste jeugd".
Hoe wijd verspreid, zelfs nog eenige jaren geleden, de
overtuiging was ingeworteld, dat de sexueele feiten zoowel aan
jongens als aan meisjes moesten medegedeeld worden, bleek toen
de opinies van een zeer gemengde verzameling van min of meer op
den voorgrond tredende personen gezocht werd over dit vraagstuk
("The Tree of Knowledge", New Review, June, 1894). Een kleine
minderheid van slechts twee (Rabbi Adler en Mrs. Lynn Lynton)
waren tegen die kennis, terwijl onder de meerderheid, die er
vóór waren, zich bevonden Mme Adam, Thomas Hardy, Sir Walter
Besant, Björnson, Hall Cain, Sarah Grand, Nordau, Lady Henry
Somerset, Barones von Suttner en Miss Willard. De leidsters van
de vrouwenbeweging zijn natuurlijk, vóór de kennis. Zoo keurde
een vergadering van den "Bund für Mutterschutz" te Berlijn, in
1905, bijna eenstemmig een besluit goed, waarbij verklaard werd,
dat de vroege sexueele inlichtingen aan kinderen over de feiten
van het sexueele leven dringend noodig zijn (Mutterschutz, 1905,
Heft 2, pag. 91). Wij kunnen er aan toevoegen, dat de medische
opinie deze mededeelingen al lang goedgekeurd heeft. Zoo werd
in Engeland namens de redactie gezegd in de British Medical
Journal eenige jaren geleden (June 9, 1894): "De meeste medici
van een leeftijd, waarop men confidenties krijgt over zulke zaken,
zullen zich gevallen kunnen herinneren, waarin een onwetendheid,
die belachelijk zou geweest zijn, als ze niet zoo droevig ware,
ten toon gespreid werd over zaken, waarover iedere vrouw, die het
huwelijk intrad, nauwkeurig ingelicht had moeten wezen. Wij meenen,
dat er geen twijfel aan kan zijn, dat veel ongeluk en veel ziekte
voorkomen zou worden, als jonge menschen van beide seksen een
weinigje nauwkeurige kennis hadden over sexueele verhoudingen
en als zij wel overtuigd waren van het groote belang gezonde
wederhelften te kiezen. Kennis behoeft niet noodzakelijk leelijk
te zijn, maar zelfs als ze dat was, dan is ze in dat opzicht zeker
niet te vergelijken met de voorstellingen van de onwetendheid." Zoo
ook in Amerika, waar bij een jaarlijksche meeting van de American
Medical Association, Dr. Denslow Lewis, van Chicago, welsprekend
aandrong op de behoefte om sexueele hygiëne te leeren aan jonge
mannen en meisjes: al de negen volgende sprekers, sommige van
hen doktoren van wereldberoemden naam, spraken in hoofdzaak hun
instemming uit (Medico-Legal Journal, June--Sept., 1903). En
Howard bevestigt aan het einde van zijn uitgebreide History of
Matrimonial Institutions (vol. III, pag. 257) de noodzakelijkheid
van opvoeding in sexueele zaken, als gaande tot den bodem van
het huwelijksprobleem. "In het toekomstige opvoedingsprogramma",
merkt hij op "nemen sexueele kwesties een eervolle plaats in".
Hoewel het nu echter in ruimen kring erkend wordt, dat kinderen
aanspraak hebben op inlichtingen in sexueele zaken, kan niet gezegd
worden, dat dit geloof in ruimen kring in praktijk gebracht wordt. Vele
personen, die er ten volle van overtuigd zijn, dat kinderen vroeger
of later behooren ingelicht te worden over de sexueele levensbronnen,
zijn wat zenuwachtig angstig omtrent den juisten leeftijd, waarop
deze inlichtingen moeten beginnen. Hun verborgen gevoelen schijnt
te zijn, dat sekse een kwaad is en inlichtingen over sekse ook een
kwaad, hoewel een noodzakelijk kwaad, en dat het voornaamste punt is
het laatste oogenblik te zoeken, waartoe we veilig dit noodzakelijk
kwaad kunnen uitstellen. Zulk een houding is, natuurlijk, geheel
verkeerd. De weetgierigheid van het kind omtrent zijn oorsprong is
een volkomen natuurlijke, eerlijke en onschuldige wensch, zoolang zij
niet bedorven is, doordat zij gedwarsboomd wordt. Een kind van vier
jaar zal over deze kwestie vragen doen, eenvoudig en spontaan. Zoodra
de vragen gesteld worden, inzonderheid zoodra ze dringend worden,
moeten ze beantwoord worden in denzelfden eenvoudigen, spontanen
geest, naar waarheid, maar naar de mate van het verstand van het kind
en van zijn capaciteit en weetgierigheid. Dit tijdstip moet en, als
deze aanwijzingen opgevolgd worden, zal ook in geen geval uitgesteld
worden tot na het zesde jaar. Na dien leeftijd is zelfs het meest
zorgvuldig beschermde kind blootgesteld aan nadeelige mededeelingen
van buiten. Moll wijst er op, dat de sexueele inlichtingen aan meisjes
in hun verschillende stadiën altijd wat eerder moeten komen dan die
aan jongens, en daar de ontwikkeling van meisjes tot aan de puberteit
altijd sneller gaat, is deze eisch redelijk.
Als de elementen van sexueele opvoeding in de vroege jeugd moeten
medegedeeld worden, dan is het duidelijk genoeg, wie de mededeelingen
moet doen. Er is geen kwestie van of dit privilege behoort volgens alle
recht aan de moeder. Behalve waar een kind kunstmatig gescheiden is
van deze naaste van zijn opvoeders, is het inderdaad alleen de moeder,
die de natuurlijke gelegenheid heeft deze vragen te krijgen en te
beantwoorden. Zij behoeft in het geheel geen initiatief in de zaak
te nemen. Het onvermijdelijke ontwaken van het verstand van het kind
en de ontwikkeling van zijn grenzenlooze nieuwsgierigheid voorzien
haar liefde en haar takt van alle gelegenheden om de gedachte en de
kennis van haar kind te vormen. Ook behoeft zij op dezen trap niet de
geringste technische kennis te bezitten. Zij moet alleen noodzakelijk
het meest absolute geloof in de reinheid en in de waardigheid van haar
lichamelijke verhouding tot haar kind hebben en zij moet er vrijmoedig
en liefdevol over kunnen spreken. Als deze hoofdvoorwaarde vervuld is,
dan heeft iedere moeder al de kennis, die haar jonge kind noodig heeft.
Onder de beste autoriteiten, zoowel mannen als vrouwen, in al de
landen, waar de zaak de aandacht trekt, schijnt men nu eensgezind
van meening te zijn, dat de grondfeiten van de betrekking van
het kind tot zijn moeder aan het kind uitgelegd moeten worden
door de moeder, zoodra het kind begint te vragen. Zoo heeft
in Duitschland Moll herhaaldelijk in dezen geest gesproken;
hij dringt er op aan, dat sexueele inlichtingen voornamelijk
een vertrouwelijke en individueele zaak moeten zijn; dat er op
scholen geen algemeene en persoonlijke waarschuwingen moeten
zijn tegen onanie, etc. (hoewel hij op later leeftijd inlichting
over venerische ziekten goedkeurt), maar dat de moeder de juiste
persoon is om intieme kennis aan het kind mede te deelen, en dat
iedere leeftijd goed is om met zulke inlichtingen te beginnen,
als ze maar gegoten worden in een vorm die voor den leeftijd past
(Moll, op. cit., pag. 264).
Bij de Mannheimer meeting van het Congres van het Duitsche
Genootschap ter Bestrijding van Venerische Ziekten was, toen
de kwestie van sexueele inlichting het eenige onderwerp van
discussie uitmaakte, de meening ten gunste van vroege leering
door de moeder, overheerschend. "Het is de moeder, die in de
eerste plaats verantwoordelijk gesteld moet worden voor het
duidelijk begrijpen van het kind der sexueele dingen, hetgeen
zoo dikwijls ontbreekt", zeide Frau Krukenberg ("Die Aufgabe
der Mutter", Sexualpädagogik, pag. 13), terwijl Max Enderlin,
een onderwijzer, bij dezelfde gelegenheid zeide ("Die Sexuelle
Frage in die Volksschule", id., pag. 35): "Het is de moeder,
die het kind zijn eersten uitleg moet geven, want tot de moeder
komt hij natuurlijk het eerst met zijn vragen". In Engeland zegt
de kanunnik Lyttelton, die uitmunt onder de hoofden van Public
Schools, niet het minst door zijn duidelijke en bewonderenswaardige
gezegden over deze kwesties (Mothers and Sons, pag. 99), dat
de rol van de moeder bij de sexueele inlichting en het sexueel
bewaken van haar zoon van overwegend belang is, en dat die in de
vroegste jaren een aanvang moet nemen. J. H. Badley, een andere
schoolmeester ("The Sex Difficulty", Broad Views, June 1904), zegt
ook, dat de rol van de moeder in de eerste plaats komt. Northcote
(Christianity and Sex Problems, pag. 25) gelooft, dat de plicht
van de ouders de hoofdzaak is in deze zaak, en dat de huisdokter
en de onderwijzer in een later stadium komen. In Amerika dringt
Dr. Mary Wood Allen, die een voorname en invloedrijke positie
inneemt in de maatschappelijke bewegingen van vrouwen, er op aan
(in Child-Confidence Rewarded, en andere pamphletten) dat een
moeder moet beginnen haar kind deze dingen te vertellen zoodra
het begint te vragen en dat de leeftijd van vier niet te jong is,
en zij zegt hoe dit gedaan kan worden en geeft voorbeelden van de
gelukkige resultaten ervan, daar het een teer vertrouwen tusschen
het kind en de moeder bevordert.
Als, zooals sommigen willen, de eerste stap uitgesteld wordt tot
het tiende jaar of zelfs later, dan komt de moeilijkheid, dat het
niet langer zoo gemakkelijk is eenvoudig en natuurlijk over deze
dingen te spreken; de moeder begint zich verlegen te voelen, om
voor het eerst over deze moeilijke onderwerpen te spreken met een
zoon of een dochter, die bijna zoo groot is als zij zelf. Zij voelt,
dat zij het alleen maar onhandig kan doen en zonder succes, en zij
besluit waarschijnlijk het in het geheel niet te doen. Zoo wordt een
atmospheer van geheimzinnigheid geschapen met al de hinderlijke en
verkeerde invloeden, die de geheimzinnigheid bevordert.
Er kan geen twijfel aan zijn dat, meer bepaald bij heel
intelligente kinderen met vage en niet gespecialiseerde, maar
aanhoudende sexueele impulsen, de kunstmatige geheimzinnigheid
waarmee de sekse maar al te dikwijls omgeven is, niet alleen
de natuurlijke nieuwsgierigheid accentueert, maar ook er toe
neigt de ziekelijke intensiteit en zelfs het hevig verlangen
van de sexueele impuls te begunstigen. Dit is al lang erkend
geweest. Dr. Beddoes schreef aan het begin van de 19de eeuw:
"Wij ontveinzen ons tevergeefs de gretigheid, waarmee kinderen
van beide geslachten zich zekerheid trachten te verschaffen
aangaande den bouw van het andere geslacht. Geen mate van
terughouding bij volwassenen, geen middelen, geen zorg om
boeken van zekere soort uit het gezicht te houden en om andere
te schiften, heeft misschien ooit, met welke soort van kinderen
ook, succes gehad om deze nieuwsgierigheid te voorkomen of te
onderdrukken. Geen deel van de geschiedenis van menschelijke
gedachte zou misschien zonderlinger zijn dan de krijgslisten,
uitgedacht door jonge menschen in verschillende toestanden om zich
meester te maken van het geheim. En iedere ontdekking, die zij aan
hun eigen onderzoekingen danken, kan slechts even zooveel olie
zijn, gegoten op een in vlam staande verbeelding". (T. Beddoes,
Hygeia, 1802, vol. III, pag. 59). Kaan noemt, in een van zijn
vroegste boeken over ziekelijke sexualiteit, geheimzinnigheid
een van de oorzaken van psychopatia sexualis. Marro (La Pubertà,
pag. 299) wijst er op, hoe de sluier van geheimzinnigheid, over
sexueele zaken geworpen, alleen maar dient om er de aandacht op
te vestigen. De beroemde Hollandsche schrijver Multatuli maakt,
in een van zijn brieven (met toestemming aangehaald door Freud),
opmerkzaam op het gevaar, de dingen voor jongens en meisjes te
verbergen achter een sluier van geheimzinnigheid en hij wijst
er op, dat dit slechts de nieuwsgierigheid van kinderen moet
verhoogen, en verre van hen rein te houden, wat enkel onwetendheid
nooit kan doen, hun verbeelding verhit en van de wijs brengt. Ook
Mrs. Mary Wood Allen waarschuwt de moeder (op. cit., pag. 5) tegen
het gevaar een geest van verwarring gevende geheimzinnigheid over
deze dingen te laten komen. "Als hij, die de mededeelingen geeft,
eenige gegeneerdheid voelt bij het beantwoorden van de vragen
van het kind, dan is hij niet geschikt leermeester te zijn, want
het gevoel van gegeneerdheid zal zich, ongemerkt, aan het kind
mededeelen en het zal een onbepaald gevoel hebben van beleedigde
kieschheid, hetgeen onnoodig en ongewenscht is. Het rein maken van
iemand's eigen gedachten is dus de eerste stap er toe om op reine
wijze de waarheid mede te deelen. Waarom", voegt zij er aan toe,
"is dood, de uitgang van het leven, waardiger of plechtiger
dan geboorte, de ingang in het leven? Of waarom is het nemen
van aardsch leven een meer indrukwekkend feit dan het geven van
leven?" Mrs. Ennis Richmond zegt, in een handleiding voor moeders,
die veel wijze en ware dingen bevat: "Ik wil er den nadruk op
vestigen, sterker dan op iets anders, dat het de geheimzinnigheid
is, die zekere deelen van het lichaam en hun functies omgeeft,
die ze gevaarlijk doet worden in de gedachte van het kind. Kleinen
kinderen wordt, van hun vroegste jaren geleerd om aan deze deelen
van hun lichaam te denken als geheimzinnig, en dat niet alleen,
maar zij zijn geheimzinnig, omdat zij onrein zijn. Kinderen hebben
er niet eens een naam voor. Als gij met uw kind er over spreken
moet, doet gij het geheimzinnig en half fluisterend als over
"dat deeltje van je waar je niet over spreekt", of in dergelijke
woorden. Vóor alles is het van belang, dat uw kind een goeden
naam weet voor deze deelen van zijn lichaam, en voor hun functies
en dat hem geleerd moet worden, deze namen te gebruiken en te
hooren, en dat wel even zoo natuurlijk en openlijk alsof hij of
gij spraakt over zijn hoofd of zijn voet. De conventie heeft het,
om verschillende redenen, onmogelijk gemaakt, zoo in het publiek te
spreken. Maar gij kunt, in ieder geval in de kinderkamer, hiervan
afwijken. Daar heeft deze regel der conventie geen voordeel, en
menig ernstig nadeel. Het is gemakkelijk tot een kind te zeggen,
de eerste keer dat hij een "rare" opmerking in het publiek maakt:
"Kijk eens, kindje, je mag zeggen wat je wilt tegen mij of tegen
vader, maar, om de eene of andere reden, moet je niet over deze
(en zeg dan wat voor dingen) tegen andere menschen spreken". Maar
laat uw kind de opmerking in het publiek maken eer gij spreekt
(bekommer u niet om den schok aan de gevoelens van uw bezoeker),
waarschuw hem er niet tegen, dit te doen" (Ennis Richmond,
Boyhood, pag. 60). Sekse moet altijd een mysterie zijn, maar,
zooals Mrs. Richmond terecht zegt, "de echte en ware mysteries van
voortbrenging en geboorte zijn zeer verschillend van de vulgaire
geheimzinnigheid waarmede de gewoonte ze omgeeft".
De kwestie van precies de namen, die gegeven moeten worden aan de
meer intieme lichamelijke deelen en functies, is soms wat moeilijk
op te lossen. Iedere moeder zal natuurlijk haar eigen instinct
volgen, en waarschijnlijk haar eigen tradities in deze zaak. Ik heb
elders er op gewezen (in de studie over "The Evolution of Modesty")
hoe ver verspreid en instinctief de neiging is om op dit gebied
voortdurend nieuwe verzachtende uitdrukkingen aan te nemen. De
oude en eenvoudige woorden, die in Engeland een groot dichter als
Chaucer nog op de juiste en natuurlijke manier gebruiken kon,
zijn zoo dikwijls door de modder gesleept door lage geesten,
dat er tegenwoordig een instinctmatige aarzeling is ze voor mooie
dingen te gebruiken. Zij zijn echter ongetwijfeld de beste, en,
naar hun oorsprong, de waardigste en krachtigste woorden. Vele
menschen zijn van meening, dat zij daarom uit de modder opgevischt
moesten worden, en dat hun heiligheid aan de kinderen geleerd moet
worden. Een met mij bevriend dokter schrijft, dat hij altijd aan
zijn zoon gezegd heeft, dat de vulgaire sexueele namen werkelijk
mooie woorden zijn van ouden oorsprong en dat, als we ze juist
verstaan, we met geen mogelijkheid eenige aanleiding er in
kunnen zien voor platte grappen. Het zijn eenvoudige, ernstige
en plechtige woorden, die de meest centrale feiten van het leven
aanduiden, en alleen aan onwetende en plebejische platheid kunnen
zij obscene vroolijkheid verschaffen. Een Amerikaansch geleerde,
die voor eigen rekening en anoniem eenige geschriften over
sexueele kwesties heeft laten drukken, neemt ook dit standpunt
in en gebruikt methodisch de oude en eenvoudige woorden. Ik ben
van meening, dat dit het ideaal is waar we naar zoeken moeten,
maar dat er tegenwoordig in het oog springende moeilijkheden
zijn om het te bereiken. In ieder geval echter, moet de moeder
een juiste woordenlijst hebben voor al de lichamelijke deelen en
daden, die voor haar kinderen nuttig zijn om te weten.
Er wordt soms gezegd, dat de werkelijke feiten van hun oorsprong
aan kinderen op dezen jeugdigen leeftijd niet moest verteld worden,
zelfs niet in een eenvoudigen en elementairen vorm, maar dat zij,
in plaats daarvan een sprookje moesten hooren, dat een soort van
symbolieke waarheid bevat. Deze bewering mag absoluut verworpen worden,
zonder daardoor, in eenige mate, de belangrijke plaats te loochenen,
die sprookjes hebben voor de verbeelding van jonge kinderen. Sprookjes
hebben een werkelijke waarde voor het kind; zij zijn een geestelijk
voedsel, dat het noodig heeft, zal het niet geestelijk honger
lijden; het op dezen leeftijd van sprookjes te berooven is hem een
kwaad toebrengen, dat nooit op eenigen lateren leeftijd kan goed
gemaakt worden. Maar niet alleen zijn sexueele zaken van tè veel
beteekenis zelfs in de kindsheid om veilig gemaakt te worden tot een
onderwerp voor een sprookje, maar de werkelijke feiten zijn zelf zoo
wonderbaarlijk als het mooiste sprookje, en werken op de phantasie
van het kind even sterk als een sprookje.
Zelfs, als er geen andere redenen waren, om kinderen geen sprookjes
te vertellen over geslachtszaken in plaats van de werkelijke feiten,
dan is er toch een reden, die beslissend moest zijn voor iedere moeder
die prijs stelt op den invloed op haar kind. Het zal zeer spoedig
ontdekken, hetzij door mededeeling van anderen of door zijn eigen
verstand, dat het sprookje hetwelk hem verteld werd in antwoord op
een vraag over een eenvoudig feit, een leugen was. Met die ontdekking
verdwijnt voor altijd moeders invloed op hem, want niet alleen heeft
een kind er een afschuw van om bedrogen te worden, maar het is ook
uiterst gevoelig voor iedere afwijzing van deze soort en doet nooit
weer, wat men hem heeft laten voelen dat een fout was om zich over
te schamen. Het zal zijn moeder niet meer lastig vallen met vragen
over deze zaak; het zal haar niet vertrouwen; het zal zelf de kunst
leeren om "sprookjes" te vertellen over geslachtszaken. Het had zich
vol vertrouwen tot zijn moeder gewend; zij heeft niet met gelijk
vertrouwen geantwoord, en zij moet de straf ondervinden, zooals
Henriette Fürth zegt, te zien dat "de liefde en het vertrouwen van
haar zoon haar ontstolen worden door den eersten jongen, met wien hij
op straat vriendschap sluit". Als, zooals soms gebeurt (Moll vermeldt
een geval), een moeder doorgaat met deze dwaze verhaaltjes te vertellen
aan een meisje of een jongen van zeven jaar, die in het geheim goed
ingelicht is, dan verlaagt zij slechts zichzelf in de oogen van haar
kind. Het is deze noodlottige vergissing, zoo dikwijls door moeders
begaan, die haar er eerst toe brengt zich in te beelden, dat haar
kinderen zoo onschuldig zijn, en haar in later jaren zooveel uren van
bitterheid veroorzaakt, wanneer zij bemerkt, dat zij het vertrouwen
van haar kind niet bezit. In de zaak van vertrouwen moet de moeder
de eerste stap doen; de kinderen, die hun moeders niet vertrouwen,
herinneren zich, voor het meerendeel, de les die zij aan den schoot
hunner moeder geleerd hebben.
Het aantal boekjes en vlugschriften, dat de kwestie behandelt
der sexueele opheldering van de jeugd--hetzij zij bedoeld zijn om
door de jonge menschen gelezen te worden, of om leiding te geven
aan moeders en onderwijzers in de taak kennis mede te deelen--is
in de laatste jaren in Amerika en Engeland buitengewoon groot
geworden, vooral ook in Duitschland, waar in den laatsten tijd
enorm veel van zulke literatuur geproduceerd is. Wijlen Ben Elmy,
die schrijft onder den pseudoniem "Ellis Ethelmer" heeft twee
boekjes gepubliceerd Baby Buds en The Human Flower (uitgegeven
door Mrs. Wolstenholme Elmy, Buxton House, Congleton), die de
feiten mededeelen op een eenvoudige en kiesche wijze, hoewel de
schrijfster niet een bijzonder betrouwbare gids is wat betreft
de wetenschappelijke gezichtspunten van deze vragen. Een mooi
gesprek tusschen een moeder en haar kind, uit een Fransche bron,
herdrukt door Edward Carpenter aan het einde van zijn Love's
Coming of Age. How We Are Born door Mrs. N. J. (blijkbaar een
Russische dame, die in het Engelsch schrijft), met een voorrede
van J. H. Badley, is redelijk goed. Vermelding verdient ook
The Wonder of Life, door Mary Tudor Pole. Song of Life, door
Margaret Morley, een Amerikaansch boek, dat ik persoonlijk niet
ken, wordt zeer geprezen. De meeste van deze boeken zijn bedoeld
voor zeer jonge kinderen, en terwijl zij min of meer duidelijk
den oorsprong van kleine kinderen verklaren, beginnen zij bijna
altijd met de feiten van het plantenleven en raken zeer vluchtig,
of in het geheel niet, de verhoudingen tusschen de seksen.
De boeken van Mrs. Ennis Richmond, die voornamelijk voor moeders
bestemd zijn, behandelen deze vragen op een zeer gezonde,
directe en uitmuntende wijze, en de boeken van den kanunnik
Lyttelton, die deze kwesties in het algemeen bespreekt, zijn ook
uitstekend. De meeste van de boeken, die we nu zullen noemen,
zijn bedoeld om gelezen te worden door jongens en meisjes,
die den leeftijd der puberteit bereikt hebben. Zij verwijzen
min of meer precies naar sexueele verhoudingen en zij roeren
even de onanie aan. The Story of Life, geschreven door een
zeer ontwikkelde vrouw, wijlen Ellice Hopkins, is wat vaag en
lascht te veel verheven godsdienstige ideeën in. Arthur Trewby's
Healthy Boyhood is een boekje met een gezonden geest; het handelt
voornamelijk over onanie. A Talk with Boys About Themselves en A
Talk with Girls About Themselves, beide door Edward Bruce Kirk
(het laatste boek geschreven in samenwerking met een dame)
handelen over algemeene, zoowel als sexueele hygiëne. Er kan
geen beter boek zijn om in handen te geven van een jongen of een
meisje tijdens de puberteit dan Almost Fourteen van M. A. Warren,
geschreven door een Amerikaansch schoolonderwijzer in 1892. Het
is een mooi en fijn geschreven werkje, dat de onschuld van het
gevoeligste meisje niet zou kunnen schokken. Niets echter is
heilig voor de onreinen en het was voor hen gemakkelijk de wet
op hun hand te krijgen en (in 1897) een wettige veroordeeling
van dit boek uit te lokken als "obsceen". Alles wat een onreinen
geest sexueel opwindt, is, het is waar, "obsceen voor dien geest",
want, zooals Mr. Theodore Schroeder opmerkt, obsceenheid is "de
bijdrage van den lezenden geest", maar wij hebben zulke boeken
als dit noodig om het aantal onreine geesten te verminderen en
de veroordeeling van een zoo volkomen bewonderenswaardig boek
bevordert niet de moraliteit, maar de immoraliteit. Men heeft mij
gezegd, dat het boek later opnieuw uitgegeven is, met zeer vele
van de beste deelen eruit geschrapt en Schroeder zegt (Liberty
of Speech and Press Essential to Purity Propaganda, pag. 34),
dat de schrijver gedwongen werd zijn positie als hoofd van een
"Public School" op te geven. Geschlechtliche Belehrung der Kinder
door Maria Lischnewska (herdrukt uit Mutterschutz, 1905, afl. 4
en 5) is een uitstekende en grondige bespreking van de geheele
kwestie van sexueele opvoeding, hoewel de schrijfster meer belang
stelt in het aandeel van den onderwijzer in deze kwestie dan in
dat van de moeder. Wenken aan moeders bevat Wo kommen die Kinder
her? van Hugo Salus, Eine Mutterpflicht van E. Stiehl en vele
andere boeken. Dr. Alfred Kind beveelt krachtig aan Der Verkehr mit
meinen Kindern van Ludwig Gurlitt, meer speciaal door de combinatie
van sexueele opvoeding met artistieke opvoeding. Op vele dergelijke
boeken wijst Bloch in zijn Sexual Life of Our Time, hfdst. XXVI.
Ik heb de namen van deze boekjes opgenoemd, omdat zij dikwijls
uitgegeven worden op een half geheime wijze en dat het
zelden gemakkelijk is ze te krijgen of er van te hooren. Het
verspreiden van zulke boeken schijnt gevoeld te worden als een
bijna schandelijke daad, die slechts in het geheim gedaan mag
worden. En zulk een gevoel schijnt niet onnatuurlijk, als wij
zien, zooals in het geval van den schrijver van Almost Fourteen,
dat een in naam beschaafd land, in plaats van een man, die voor het
moreele en physieke welzijn ervan gewerkt heeft, met eerbewijzen te
overladen, zooveel mogelijk tracht hem in het verderf te storten.
Ik mag er wel bijvoegen dat, terwijl het gewoonlijk zeer nuttig
voor een moeder zou zijn om een paar van de boekjes, die ik
genoemd heb, te kennen, zij toch goed doet, als zij met haar
kinderen praat, zich in hoofdzaak te verlaten op haar eigen kennis
en inspiratie.
De sexueele opvoeding, die tot de plicht en het voorrecht van de moeder
behoort, beginnende in de prille jeugd van het kind, kan en moet niet
technisch zijn. Zij krijge niet den aard van vormelijke mededeeling,
maar zij een persoonlijke en intieme inwijding. Ongetwijfeld moet
de moeder zelf onderricht worden [25]. Maar de opvoeding, die zij
noodig heeft, is voornamelijk een opvoeding in liefde en inzicht. De
werkelijke feiten, die zij in dit vroege stadium noodig heeft te weten,
zijn zeer eenvoudig. Haar voornaamste taak is de intieme verhouding van
het kind tot haarzelf duidelijk te maken en er op te wijzen dat alle
jonge wezens in gelijke intieme verhouding staan tot hun moeders; om
dit te generaliseeren is het ei het eenvoudigste en meest fundamenteele
type voor het verklaren van den oorsprong van individueel leven,
want de idee van het ei--in den ruimsten zin als het zaad--is niet
alleen waar voor het menschelijk schepsel, maar kan de geheele dieren-
en plantenwereld door toegepast worden. Onder deze verklaring behoeft
de physieke verhouding van het kind tot zijn vader niet noodzakelijk
begrepen te zijn; die kan overgelaten worden voor een later stadium,
of totdat de vragen van het kind er toe leiden.
Behalve zijn belangstelling in zijn oorsprong, stelt het kind ook
belang in zijn sexueele of, gelijk ze hem uitsluitend toeschijnen,
zijn afscheidingsorganen en in die van andere menschen, zijn zusters en
zijn ouders. Op die punten kan op dezen leeftijd de moeder eenvoudig en
natuurlijk zijn eenvoudige en natuurlijke nieuwsgierigheid bevredigen
en dan moet zij de dingen bij nauwkeurig vastgestelde namen noemen,
hetzij de namen die zij gebruikt gewoon zijn of ongewoon, hetgeen
een zaak is waarin zij haar oordeel en smaak kan oefenen. Zoodoende
zal de moeder, indirect, in staat zijn haar kind van het begin af te
vrijwaren zoowel voor preutsche als voor verhitte ideeën, die het later
zal ontmoeten. Zij zal zoo, zonder onnoodigen nadruk, in staat zijn
het kind te brengen tot een eerbiedige houding tegenover zijn eigen
organen en aldus een invloed uitoefenen tegen het ongewenscht zich
er mede bezighouden. Door met hem te spreken over den oorsprong van
het leven en over zijn eigen lichaam en functies, op hoe elementaire
wijze ook, zal zij het kind hebben ingeleid in sexueele kennis en
sexueele hygiëne beide.
De moeder, die op vertrouwelijke voet komt met haar kind in deze eerste
jaren, zal waarschijnlijk, als zij eenige mate van wijsheid en takt
bezit, in staat zijn dat vertrouwen te behouden, zelfs na het tijdperk
van de puberteit in de moeilijke jaren van jongelingschap. Maar als
opvoedster in engeren zin zullen haar functies, in de meeste gevallen,
eindigen mèt of vòor de puberteit. Een eenigszins meer technische en
volkomen onpersoonlijke bekendheid met de essentieele geslachtelijke
zaken wordt dàn wenschelijk, en die zou gegeven moeten worden door
de school.
De groote, hoewel eigenaardige opvoeder Basedow, tot op zekere
hoogte een leerling van Rousseau, was een pionier in de theorie
en in de praktijk beide, om schoolkinderen inlichtingen te
geven over de feiten van het sexueele leven, van den leeftijd
van tien jaar af. Hij dringt zeer op dit onderwerp aan in zijn
groote verhandeling, het Elementarwerk (1770-1774). De vragen
van kinderen moeten naar waarheid beantwoord worden, zegt hij,
en zij moeten leeren nooit te schertsen met iets zoo heiligs en
zoo ernstigs als de sexueele verhoudingen. Hun moeten platen
getoond worden over kindergeboorte en de gevaren van sexueele
afwijkingen moeten hun tevens duidelijk uitgelegd worden. Jongens
moeten mee naar ziekenhuizen genomen worden om de resultaten te
zien van venerische ziekten. Basedow weet wel, dat vele ouders
en onderwijzers zich zullen stooten aan zijn aandringen op deze
dingen in zijn boeken en in zijn praktisch pedagogisch werk, maar
zulke menschen, zegt hij, moesten zich stooten aan den bijbel
(zie bv. Pinloche, La Réforme de l'Education en Allemagne au
dixhuitième siècle: Basedow et le Philanthropinisme, pp. 125,
256, 260, 272). Basedow was zijn eigen tijd, en zelfs de onze,
te ver vooruit om veel invloed te hebben in deze zaak en hij had
weinig onmiddellijke navolgers.
Iets later dan Basedow heeft een beroemd Engelsch dokter Thomas
Beddoes in nagenoeg dezelfde richting gewerkt en getracht sexueele
kennis te bevorderen door lezingen en lichtbeelden. In zijn
merkwaardig boek Hygeia, uitgegeven in 1802 (deel 1, Essay IV)
zet hij de dwaasheid uiteen, dat "verstand en onwetendheid in
hetzelfde hart zouden wonen", en behandelt uitvoerig de kwestie
van onanie en de behoefte aan sexueele opvoeding. Hij weidt uit
over het groote belang van lezingen over natuurlijke historie,
die, naar hij bevonden had, uitstekend voor een gemengd gehoor
konden gegeven worden. Zijn ondervindingen hadden hem geleerd,
dat botanie, de amphibiën, de hen en haar eieren, menschelijke
anatomie, zelfs ziekte en soms het gezicht ervan, heilzaam zijn
van dit standpunt. Hij meent, dat het een goed ding is voor een
kind, zijn eerste kennis van sexueel verschil te krijgen van
anatomische onderwerpen en dat de waardigheid van den dood een
goed begin is tot de kennis van sekse, die dan geen aanleiding
geeft tot ziekelijke begeerte. Het is nauwelijks noodig op te
merken, dat deze methode om kinderen de elementen te leeren van
sexueele anatomie in de post-mortem kamer niet veel voorstanders
of volgelingen gevonden heeft; zij is niet gewenscht, want zij
neemt niet in aanmerking de gevoeligheid van kinderen voor zulke
indrukken, en zij is onnoodig, want het is even gemakkelijk
de waardigheid van het leven te leeren als de waardigheid van
den dood.
De plicht van de school om kinderen opleiding te geven
in geslachtszaken, is in de laatste jaren met kracht en
bekwaamheid gepredikt door Maria Lischnewska (op. cit.), die
met een dertigjarige onderwijzersondervinding en een intieme
bekendheid met kinderen en hun huiselijk leven spreekt. Zij
zegt dat bij de massa van de bevolking tegenwoordig, terwijl er
in het huiselijk leven alle mogelijke gelegenheid is voor ruwe
bekendheid met sexueele zaken, geen gelegenheid is voor een reine
en wijze inwijding, daar de ouders voor het grootste deel moreel
en intellectueel beide, niet in staat zijn hun kinderen hierin
te helpen. Dat de school de leiding in deze taak zal nemen, is,
naar zij meent, in overeenstemming met de geheele neiging van het
moderne beschaafde leven. Zij zou de inlichtingen zóo verdeeld
willen zien, dat gedurende het vijfde of zesde schooljaar de
leerling inlichting zou krijgen met behulp van teekeningen over
de sexueele organen en functies van de hoogere zoogdieren en dat
dan de os en de koe bij voorkeur zouden uitgekozen worden. De
feiten der zwangerschap zouden dan natuurlijk daaronder begrepen
zijn. Als dit stadium bereikt was, zou het gemakkelijk zijn over
te gaan tot het menschenras, door te zeggen: "Juist op dezelfde
wijze als het kalf zich ontwikkelt in de koe, zoo ontwikkelt het
kind zich in het moederlichaam".
Het is moeilijk om de kracht van het argument van Maria
Lischnewska te ontkennen, en het komt zeer waarschijnlijk voor,
dat de voorgestelde inlichting, naar zij beweert, ligt in den
loop van onzen tegenwoordigen vooruitgang. Zulk een mededeeling
zou vormelijk moeten zijn, niet emotioneel en onpersoonlijk;
zij zou gegeven moeten worden niet als een specifieke instructie
in geslachtszaken, maar eenvoudig als een deel der natuurlijke
historie. Zij zou voor zoover het enkel kennis aangaat, de
inlichtingen aanvullen, die het kind reeds van zijn moeder
ontvangen heeft. Maar zij zou in geenen deele verdringen of
vervangen de persoonlijke en intieme verhouding van vertrouwen
tusschen moeder en kind. Dat moet altijd nagestreefd worden,
en al is dit niet mogelijk onder de slecht opgevoede massa's van
tegenwoordig, iets anders kan niet de plaats er van innemen.
Er kan echter geen twijfel aan zijn dat, terwijl in de toekomst de
school zeer waarschijnlijk zal beschouwd worden als de juiste plaats
om de beginselen der physiologie te onderwijzen--en niet zooals
tegenwoordig enkel een ontzenuwde en verwijfde physiologie--de
invoering van zulk een hervormd onderwijs nog in vele landen
onpraktisch zou zijn. Een ruwe en slecht opgevoede gemeenschap
draait rond in een circulus viciosus. De leden ervan zijn opgevoed
in het geloof dat geslachtszaken vuil zijn en als zij volwassen
worden protesteeren zij er hevig tegen dat hun kinderen deze vuile
kennis zullen leeren. De taak van den leeraar wordt op deze wijze
op zijn minst moeilijk gemaakt en onder democratische toestanden
onmogelijk. Wij kunnen daarom niet op een onmiddellijke invoering
van sexueele physiologie in de scholen hopen, zelfs niet in den
bescheiden vorm, waarin zij alleen behoorlijk zou kunnen ingevoerd
worden, dat is te zeggen als een natuurlijk en onvermijdelijk deel
van algemeene physiologie.
Dit bezwaar tegen dierlijke physiologie geldt echter geenszins
voor botanie. Er kan weinig twijfel aan zijn, dat botanie van alle
natuurwetenschappen degene is, die het best gelegenheid geeft tot
toevallige mededeelingen op geslachtelijk gebied, als wij te doen
hebben met kinderen beneden den puberteitsleeftijd. Er zijn ten
minste twee redenen, waarom dit zoo moet zijn. In de eerste plaats
vertoont de botanie werkelijk de geslachtsverschillen in hun meest
naakte en essentieele vormen; het maakt den aard, den oorsprong
en de beteekenis van sekse duidelijk. In de tweede plaats kan men,
als men planten behandelt, de sexueele feiten aan kinderen van beide
geslachten of van iederen leeftijd volkomen duidelijk en naakt zonder
eenige terughouding noemen, want niemand beschouwt tegenwoordig de
botanische geslachtszaken ook maar eenigszins als stuitend. Wie het
geslachtsverschil bij planten uitlegt, heeft ook op zijn zijde het
voordeel, dat hij kan getuigen, zonder er naar gevraagd te zijn, van
de geheele schoonheid van het sexueele proces. Hij stuit niet op de
onwetendheid, slechte opvoeding en valsche gevolgtrekkingen, die het
zoo moeilijk gemaakt hebben zoowel om te zien als om te doen zien de
schoonheid van het sexueele bij dieren. Van het sexueele leven van
planten tot het sexueele leven der lagere dieren is echter slechts
een stap, die de leeraar naar zijn inzicht doen kan.
Een oud autoriteit op onderwijsgebied, Salzmann, heeft in 1785
aangeraden, kinderen op sexueel gebied in te lichten door ze
eerst botanie te leeren en daarna zoölogie. In de moderne tijden
is de methode om sexueele kennis mede te deelen aan kinderen,
in de eerste plaats door middel van botanie, algemeen aangeraden
en van de meest verschillende zijden. Zoo raadt Marro (La Pubertà,
pag. 300) dit plan aan. J. Hudrey--Menos ("La Question du Sexe dans
l'Education", Revue Socialiste, Juni, 1895), geeft denzelfden raad,
Rudolf Sommer raadt in een geschrift getiteld "Mädchenerziehung
oder Menschenbildung?" (Geschlecht und Gesellschaft, Jahrgang I,
Heft 3) aan, de eerste inleiding in sexueele kennis aan kinderen
te doen door met ze te praten over eenvoudige onderwerpen uit de
natuurlijke historie; "er zijn eindeloos veel aanleidingen", zegt
hij "over een sprookje, of een vrucht, of een ei, het zaaien van
een zaad of het bouwen van hun nestje door vogels." De kanunnik
Lyttelton (Training of the Young in Laws of Sex, p.p. 74 et
seq.) raadt een eenigszins daarop gelijkende methode aan, hoewel
hij den grootsten nadruk legt op het persoonlijk vertrouwen
tusschen het kind en zijn moeder "er wordt verwezen naar de
dierenwereld juist zoover als de kennis van het kind gaat, om te
verhinderen dat de nieuwe feiten afzonderlijk zullen beschouwd
worden, maar de meeste nadruk wordt gelegd op zijn gevoel voor
zijn moeder en het instinct dat in bijna alle kinderen bestaat
van eerbied voor de verhouding tot de moeder"; hij voegt er bij
dat, hoe moeilijk het onderwerp ook schijnen mag, de essentieele
feiten van het vaderschap ook aan jongens en meisjes gelijkelijk
moeten uitgelegd worden. Ook Keyes raadt aan (New York Medical
Journal, Febr. 10, 1906), aan kinderen al op een vroegen leeftijd
de sexueele feiten uit het plantenleven te leeren en ook over
insecten en andere lagere dieren, en zoo trapsgewijze te komen
tot menschelijke wezens, omdat zoo de zaak ontdaan zou zijn van
haar ongezonde geheimzinnigheid. Mrs. Ennis Richmond (Boyhood,
p. 62) beveelt aan, dat kinderen voor een tijd op een boerderij
gestuurd zullen worden, zoodat zij niet alleen bekend worden met
de algemeene feiten van het buitenleven, maar ook met het sexueele
leven van dieren, en zoo de dingen leeren, die het moeilijk is
in woorden mede te deelen. Karina Karin ("Wie erzieht man ein
Kind zur wissenden Keuschheit?" Geschlecht und Gesellschaft,
Jahrgang I, Heft 4) geeft eenige van haar gesprekken met haar
negenjarigen zoon weer, van den tijd af dat hij haar voor het
eerst vroeg waar de kinderen vandaan kwamen, en laat zien, hoe
zij begon met hem te vertellen over bloemen, om over te gaan tot
visschen en vogels en ten slotte tot de feiten van menschelijke
zwangerschap te komen; hoe zij hem platen liet zien uit een
verloskundige handleiding van het kind in het lichaam van zijn
moeder. We willen er aan toevoegen, dat het aanbevelenswaardige
hetwelk gelegen is in het beginnen met de feiten uit de botanie
bij het inlichten van kinderen over geslachtszaken, herhaaldelijk
nadrukkelijk werd aanbevolen door verschillende sprekers op de
speciale meeting van het Duitsche Congres ter Bestrijding van
Venerische ziekten, die gewijd was aan het onderwerp van Sexueele
inlichting (Sexualpädagogik, vooral p.p. 36, 47, 76).
De overgang van botanie tot de elementaire zoölogie van de lagere
dieren, tot menschelijke anatomie en physiologie en tot de wetenschap
der anthropologie, die op deze berust, is eenvoudig en natuurlijk. Het
komt niet wenschelijk voor, ze in bijzonderheden te behandelen vóór
den puberteits-leeftijd. Het geslacht komt bij al deze onderwerpen
ter sprake en moet er niet opzettelijk buiten gehouden worden bij
de opvoeding hetzij van jongens of meisjes. Leerboeken, waaruit
het sexueele stelsel geheel en al weggelaten is, moesten niet
langer geduld worden. De aard en de afscheiding van de zaadballen,
de beteekenis van de eierstokken en van de menstruatie, zoowel als
de beteekenis van de metaboliek en de urine-afscheiding, zou in
hoofdlijnen duidelijk moeten zijn voor alle jongens en meisjes,
die den leeftijd der puberteit bereikt hebben.
Met de puberteit komt er een nieuwe, machtige reden bij, waarom
jongens en meisjes bepaalde inlichtingen moeten hebben over sexueele
zaken. Vóor dien leeftijd is het mogelijk dat de dwaze ouder denkt,
dat een kind bewaard kan worden in onwetende onschuld [26]. Met de
puberteit is dat geloof niet langer mogelijk. Het uitbotten van de
puberteit met zijn ontwikkeling van de sexueele organen, het voor
den dag komen van haar op ongewone plaatsen, de algemeene organische
veranderingen die er mee in verband staan, het spontaan en misschien
verontrustende voorkomen bij jongens van zaaduitstortingen en bij
meisjes van de menstruatie, het ongewone en soms acuut ondervinden
van sexueel verlangen, vergezeld door nieuwe gevoelens in de sexueele
organen, dikwijls misschien leidende tot onanie; deze alle wekken,
zooals wij wel moeten erkennen, een nieuwe onrust in den geest van
den jongen en van het meisje, en een nieuwe nieuwsgierigheid, die
te meer acuut is in vele gevallen, omdat ze zoo zorgvuldig verborgen
wordt als te intiem en zelfs te schandelijk om er tegen iemand over
te spreken. Bij jongens, vooral als ze van een gevoelig temperament
zijn, kan het lijden, dat aldus veroorzaakt wordt, hevig zijn en van
langen duur.
Een doctor in de philosophie, die uitmunt in zijn beroep, schreef
aan Stanley Hall (Adolescence, deel I, pag. 452): "Mijn geheele
jeugd, van mijn zesde tot mijn achttiende jaar, is ellendig
gemaakt door gebrek aan kennis, welke iedereen, die iets wist
van den aard der puberteit, mij had kunnen geven; jarenlang dat
gevoel van iets dat niet in orde is, die vrees voor werking der
genitaliën, schaamte en angst, heeft een onuitwischbaar merkteeken
achtergelaten". Er zijn zeker vele mannen, die hetzelfde zouden
kunnen zeggen. Lancaster ("Psychology and Pedagogy of Adolescence",
Pedagogical Seminary, July, 1897, pp. 123-5) spreekt met nadruk
over de nadeelen van onwetendheid in sexueele hygiëne en het
vreeselijke feit dat millioenen jonge mannen altijd in handen zijn
van kwakzalvers die hen bedriegen, totdat ze gelooven, dat zij
gedoemd zijn tot een ontzettend lot; alleen omdat zij nu en dan
emissies hebben in den slaap. "Dit is geen geringe zaak", zegt
Lancaster. "Zij raakt het diepste van ons innerlijk leven. Zij
heeft te doen met het voortbrengend deel van onze natuur en moet
een diepen, erfelijken invloed hebben. Het is een natuurlijk
gevolg van de dwaze, valsche zedigheid, die betreffende alle
sexueele inlichtingen in acht genomen wordt. Iedere jongen moest
de eenvoudige physiologische feiten leeren kennen, eer zijn leven
voor goed geschaad is door deze oorzaak". Lancaster heeft 1000
brieven in handen gehad, meest geschreven door jonge menschen
die gewoonlijk normaal waren, gericht aan kwakzalvers die hen
bedrogen. Van tijd tot tijd hoort men van zelfmoorden van jonge
menschen om deze reden, en van veel geheimzinnige zelfmoorden
is dit ongetwijfeld de werkelijke oorzaak geweest. "Week aan
week", schrijft het British Medical Journal in een hoofdartikel
("Dangerous Quack Literature: The Moral of a Recent Suicide",
Oct. 1, 1892), "krijgen wij wanhopige brieven van slachtoffers
van die vuile roofvogels, welke hen, die zij berooven, kwellen
en dikwijls ruïneeren, het eerst te pakken hebben gekregen door
advertenties, opgenomen door couranten van een respectabel,
ja zelfs van een achtbaar en geacht karakter". Er wordt aan
toegevoegd, dat de rijke bezitters van zulke couranten, die
dikwijls een reputatie hebben van welwillendheid, zelfs als de zaak
hun onder de oogen gebracht wordt, weigeren tusschenbeide te komen,
omdat zij daardoor een bron van inkomsten zouden verliezen. Er is
een censuur op advertenties voorgesteld, doch dit is een moeilijke
zaak en zou geheel onnoodig zijn, als jonge menschen behoorlijk
inlichtingen kregen van hun natuurlijke voogden.
Onanie en de vrees dat zij door een nu en dan voorkomende
en misschien al overwonnen gewoonte van onanie zichzelven
onherstelbaar kwaad gedaan hebben, is een gewone bron van
angst voor jongens. Het is lang een punt van kwestie geweest
of een jongen tegen de onanie moest worden gewaarschuwd. Op
een meeting van de Afdeeling voor Psychologie van de British
Medical Association waren vier sprekers, daaronder de President
(Dr. Blandford), er bepaald voor, dat ouders hun kinderen zouden
waarschuwen tegen onanie, terwijl drie sprekers bepaald er tegen
waren, voornamelijk op dezen grond, dat het mogelijk was zelfs
door het schoolleven heen te komen zonder van onanie te hooren,
en ook dat het waarschuwen er tegen, de gewoonte van onanie
zou aanmoedigen. Het wordt meer en meer duidelijk erkend, dat
onwetendheid, zelfs als ze bewaard kan worden, een gevaarlijk
bezit is, terwijl de inlichting, die, als het goed is, bestaat
in den raad van een liefhebbende moeder aan het kind, van zijn
eerste jaren af, om zijn geslachtsdeelen met zorg en respect te
behandelen, alleen tot onanie kan leiden bij een kind dat er reeds
onweerstaanbaar toe getrokken wordt. De meeste handleidingen
over geestelijke voorlichting voor jongens raken de onanie
aan, soms overdrijven zij de bezwaren; zulk een overdrijving
moet vermeden worden, want zij leidt tot erger kwaad dan zij
tracht te voorkomen. Het schijnt niet wenschelijk, dat eenigerlei
waarschuwing over onanie deel zou uitmaken van het schoolonderwijs,
tenzij onder zeer bijzondere omstandigheden. De inlichtingen over
sexueele zaken, op de school medegedeeld, moeten, zoowel over
sexueele als over andere onderwerpen, volkomen onpersoonlijk en
objectief zijn.
Op dit punt komen we aan een van de moeilijkheden bij
de sexueele inlichting: de onwetendheid of het gebrek aan
wijsheid van de zoogenaamde onderwijzers. Deze moeilijkheid
bestaat op het oogenblik zoowel in huis als op school, terwijl
zij de waarde teniet doet van vele handleidingen, geschreven
tot sexueele inlichting van jonge menschen. De moeder, die de
voornaamste vertrouwde en gids van het kind moest zijn in zaken
van sexueele opvoeding en die dat van nature ook zou kunnen zijn
als zij aan haar eigen gezonde instincten werd overgelaten, is
gewoonlijk opgevoed onder valsche tradities, die een hooge mate
van intelligentie en karakter vorderen om er aan te ontkomen;
de schoolonderwijzer zelfs, als hij alleen maar geroepen wordt
om inlichtingen te geven in natuurlijke historie, wordt gehinderd
door dezelfde tradities, en door valsche schaamte ten opzichte van
het geheele sexueele vraagstuk; de schrijver van handleidingen
over geslachtszaken heeft zich dikwijls alleen maar bevrijd van
deze banden om dogmatische, onwetenschappelijke en soms verkeerde
opinies te verkondigen, die zich ontwikkeld hebben in volkomen
onwetendheid omtrent de werkelijke feiten. Zooals Moll zegt
(Das Sexualleben des Kindes, pag. 276) zoo noodig als sexueele
opheldering is, voelen wij ons toch eenigszins sceptisch tegenover
de resultaten ervan, zoolang als zij, die de inlichtingen geven,
zelf dikwijls behoefte aan inlichting hebben. Hij wijst ook op het
feit, dat zelfs onder bevoegde autoriteiten er verschil van opinie
is over belangrijke feiten, zooals bv. of onanie physiologisch
is bij de eerste ontwikkeling van den sexueelen impuls en in
hoeverre sexueele abstinentie goed is. Maar het is duidelijk,
dat de moeilijkheden, die voortvloeien uit valsche traditie en
onwetendheid verminderen zullen, zoodra gezonde tradities en
betere kennis in ruimer kring verspreid raken.