De taak om een woord vooraf te schrijven bij de hollandsche uitgave
van Havelock Ellis' "Studies over de psychologie der Sexen", "De
Sexen in hare verhouding tot de maatschappij", heb ik met genoegen op
mij genomen omdat ik innig overtuigd ben dat het lezen van dat werk
aan vele mijner landgenooten ten goede zal komen door hen vertrouwd
te maken met en opheldering te geven omtrent vraagpunten van hoog
maatschappelijk belang betreffende het geslachtsleven. De studie van
dit onderwerp toch is tot dusverre al te veel verwaarloosd gebleven en
verdient ernstig ondernomen te worden opdat het publiek beter worde
ingelicht omtrent deze materie en daardoor in staat gerake zich een
juist en degelijk gegrond oordeel te vormen in deze zaken.
De aandachtige lezer die dit werk, van een geleerden, breed-denkenden
vorscher als Havelock Ellis, tot zijn geestelijk eigendom zal hebben
gemaakt, moet tot de overtuiging komen dat hem tot dusverre maar al
te veel elementen hebben ontbroken en hij derhalve niet in staat was
om zich een dergelijk deugdelijk inzicht in dit moeilijke vraagstuk
te verschaffen.
Het is maar al te waar dat tot heden bij velen de sexueele kwestie
in kwaden reuk stond. De vele vooroordeelen van godsdienstigen,
conventioneelen en moreelen aard die eene ernstige, opene bespreking
er van bezwaarlijk maken doen elken schrijver, die zich de behandeling
van dat onderwerp tot taak heeft gesteld, zich wapenen met geduld
en lijdzaamheid.
Nog in veel sterkere mate dan heden ten dage gold dit vooroordeel in
den tijd dat Havelock Ellis het reuzenplan tot zijne Encyclopedie
ontwierp, aan de volvoering waarvan hij 30 jaren van spannenden
arbeid heeft ten koste gelegd. De eerste 15 jaren besteedde hij aan
het verzamelen en ordenen van de noodige bouwstoffen, waarna hij--als
inleiding tot zijn meesterwerk--"Man en Vrouw" schreef. Hierop liet
hij achtereenvolgens in den loop van andermaal 15 jaren de zes deelen
volgen waarmede zijn arbeid ten einde werd gebracht.
In het slotwoord van het laatste deel van de reeks, het boek dat
hier aan het Nederlandsch publiek wordt aangeboden, wijst Schrijver
op den grooten tegenstand die zijn arbeid ondervonden heeft en op
de verdachtmaking waaraan hij zelf van de zijde zijner landgenooten
is blootgesteld geweest. Een ware vervolging viel de uitgave van het
eerste deel van zijn arbeid in Engeland ten deel, zoodat hij zich wel
genoodzaakt zag de volgende deelen niet meer in zijn vaderland maar
in het gastvrije en meer liberaal gezinde Amerika te doen verschijnen.
In de Vereenigde Staten, zoomede in Duitschland vond het werk een
goed onthaal, werd het met de noodige waardeering ontvangen en niet
lang duurde het of de Schrijver mocht zich verheugen in de eer, zijn
arbeid, behalve in de Duitsche taal, ook in het Fransch, Spaansch en
Italiaansch vertaald te zien.
Het lijkt vaak wel een wanhopige taak, merkt H. E. op in bovengemeld
slotwoord, om met vrucht te strijden tegen domme vooroordeelen. En
op geen gebied bestaan zij in zulke mate als op dat van het sexueele
vraagstuk.
Het eenige wat ons troosten kan is de vaste overtuiging dat, als we
eenige generaties verder zullen zijn, die vooroordeelen ook zullen
opgeruimd wezen.
Als men de natuur tot richtsnoer neemt en steunt op hare wetten die
niet door 's menschen geest zijn gemaakt, dan weet men ook dat tijd
en eeuwigheid onze bondgenooten zijn tot het doen doordringen van de
waarheid. Men oefene slechts geduld en vreeze niet!
De mensch sterft, maar zijne denkbeelden die men ten doode had willen
opschrijven, leven voort.
Al mochten boeken als dit op den brandstapel worden geworpen, toch
zullen de denkbeelden daarin vervat uit de vlammen oprijzen en zich
in de volgende generatie vervormen tot menschelijke zielen.
De geneesheer in zijn spreekkamer, de onderwijzer op de school, de
predikant op den kansel, de journalist in de pers, werken mede tot
die vormverandering.
En voortdurend heeft die omvorming plaats; zij gaat langzaam maar
zeker.
Havelock Ellis is overtuigd dat menigeen zijne opvatting van de
sexueele kwestie niet zal deelen; de een zal haar wellicht te
behoudend, de ander haar te revolutionair vinden.
Er zijn toch steeds menschen die zich krampachtig aan het verleden
vasthouden en anderen die nieuwe ideeën met geestdrift aanvaarden.
Maar de wijze kiest den gulden middenweg, weegt en wikt het voor en het
tegen van beide zienswijzen. Hij beseft dat we voortdurend ons bevinden
in een tijdperk van overgang. Het tegenwoordige vormt eenvoudig
het punt van overgang van het verledene tot het toekomstige en met
beide moeten wij rekenschap houden. Een wereld zonder overleveringen
kan men zich evenmin voorstellen als men zich een leven denken kan
zonder beweging. Waar Heraclitus bij het eerste opleven der moderne
philosophie terecht beweren mocht dat men geen tweemaal baden kan
in eenzelfden stroom, weten wij heden dat de stroom niet ophoudt
met vloeien en een oneindige cirkelgang vertoont. Nooit houdt het
morgenrood op te gloren aan den horizont zoomin als ooit de zon
vergeet onder te gaan.
Het past ons dus het naderend daglicht, zoodra de zon opkomt, te
begroeten en wij voelen ons verplicht het ondergaan van de zon te
eeren wegens het stervend licht dat eens aanving te gloren. Wij zelf
zijn in de zedelijke wereld de lichtdragers en het kosmisch proces
is in ons belichaamd. Als wij willen is het ons voor een spanne tijds
gegeven de duisternis die ons pad omringt te verlichten.
Met den fakkel in de hand streven wij voorwaarts als in den fakkelloop
der ouden door Lucretius als symbool van het leven gekozen. Achter ons
ijlt de wedlooper die ons gaat voorbijsnellen. Laat ons gansche streven
gericht zijn op het aan zijn hand toevertrouwen van de helderstralende
brandende toorts, terwijl wij zelf in de duisternis verdwijnen.
De schrijver heeft zich loffelijk weten te beperken, zijn onderwerp
niet uitgeput. Voor elk onderdeel had hij stof genoeg om wel een heel
boek te vullen. Toch mocht hij erin slagen zoo volledig mogelijk te
zijn, den lezer te boeien en hem nooit door langdradig zijn of in
herhalingen vallen te vervelen.
Het boek is een vraagbaak, niet alleen voor ouders, opvoeders,
geneesheeren, onderwijzers, maar in het algemeen voor ieder genoegzaam
ontwikkeld mensch in wien de drang bestaat om zich op veilige wijze een
weg te banen op het voor zoo velen--meestal tot hunne schade--onbekend
gebied van het geslachtsleven.
Het vormt in vele opzichten eene aanvulling, een complement op het in
1908 in Hollandsch gewaad verschenen boek van Prof. Auguste Forel: "Het
sexueele vraagstuk" waarvan onlangs een tweede uitgave verschenen is.
In de bedoeling van de uitgevers ligt het om de vijf voorafgaande
deelen eveneens in de hollandsche vertaling te doen verschijnen als
het mocht blijken dat de belangstelling van het publiek in Havelock
Ellis' arbeid groot genoeg is om die uitgave te wettigen.
Dr. A. W. VAN RENTERGHEM.
Amsterdam, October 1915.