Vele vrouwen, misschien nog wel de meerderheid, zullen mij

waarschijnlijk tegenwerpen, dat zij volstrekt niet haken naar die haar

toegedachte onafhankelijkheid en dat zij het zoogenaamde juk waaronder

zij zouden gebukt gaan, volstrekt niet onaangenaam vinden. Dezulken

kan ik niet anders zeggen dan dat zij geheel gelijk te stellen zijn

met vele vroegere slaven, die ook--toevallig dienende onder goede

meesters--het werk van de abolitionisten zoo moeielijk maakten,

omdat zij steeds beweerden liever als slaven te blijven dienen,

dan hun vrijheid te erlangen. Zij gevoelden niet de vernedering

die in hun slaafsche positie schuilde, en gewend als zij waren aan

eentonigen, zwaren arbeid, die hun wel geen levensgeluk, maar toch

levensonderhoud bood, vreesden zij bij verandering van toestand voor

dit levensonderhoud niet zelf te kunnen zorgen. De jarenlange druk van

het slavenjuk had hun nek reeds zoo gekromd, dat het hun onmogelijk

was geworden het hoofd fier omhoog te houden. Eerst jaren later,

nadat zij zich langzamerhand van slaaf tot mensch hadden ontwikkeld,

gevoelden zij de groote verplichting die zij aan hun weldoeners

verschuldigd waren. Zoo zal het ook gaan met de vrouwen.

Zij allen gevoelen niet de vernedering die in hare positie gelegen is;

de meesten meenen nog dat zij niet in eigen onderhoud kunnen voorzien

en ook dat zij er niet in behoeven te voorzien, omdat zij geboren

werden om echtgenoote en moeder te worden; een opvatting waarnaar

dan al de ongehuwde en kinderlooze vrouwen haar doel op aarde zouden

gemist hebben. Alsof de vrouw niet even als de man moet trachten zich

te ontwikkelen tot mensch in de hoogste beteekenis van dat woord en

alsof niet het huwelijk en het moederschap ook aan dit verheven doel

moeten worden dienstbaar gemaakt.

Ik meen echter met vorenstaand te hebben aangetoond dat dit doel

nimmer kan bereikt worden met huwelijken uit andere beweegredenen

gesloten dan liefde en met eene voortplanting, waarbij men zich geen

rekenschap geeft van de levensvoorwaarden der te verwekken kinderen.

AANTEEKENINGEN

[1] _De vrouw en de studie_ door Prof. Dr. Hector Treub en

Prof. Dr. C. Winkler. Voordrachten en Debatten, gehouden in

de vergaderingen van 3 Maart en 10 Nov. 1898, van de Ver. tot

beh. v. d. belangen der vrouw, te Rotterdam.

[2] "_Belang en Recht_" No. 51, 3e jaarg.

[3] Pag. 32.

[4] Pag. 51.

[5] De dubbele cursieveering is van mij.

[6] De Maatschappelijke en de Rechts-toestand der Vrouw in Nederland

in 1896, door Mr. E. Fokker.

[7] In verband met de hiervoor besproken economische onafhankelijkheid

der vrouw, wil ik als proeve van mannenwerk in onzen tijd zonder

verder commentaar laten afdrukken art. 149 van het wetsontwerp der

Staatscommissie tot herziening van het Burgerlijk Wetboek, ingediend

November 1886 en nog niet behandeld! Dat artikel luidt:

"De vrouw, die met uitdrukkelijke of stilzwijgende bewilliging van

den man een afzonderlijk beroep of eene kunst als bedrijf uitoefent,

is bevoegd tot elke handeling, die de uitoefening van dat beroep of

die kunst kan medebrengen.

Deze bewilliging eindigt met den dag, waarop de man op voldoende

wijze ter openbare kennis heeft gebracht, dat hij haar intrekt.

Bijzondere kennisgeving daarvan geldt voor hem, die haar ontvangt,

als openbare."

[8] De toekomst der vrouw, door Mr. B. D. H. Tellegen. 1870.

[9] Hedendaagsche Regtsgeleerdheid. I C X No. 7.

[10] De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door

Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman. Procureur en plaatsvervangend

Kantonrechter te Groningen. 1881. Bladz. 11.

[11] De Prostitutiekwestie door Dr. A. P. Fokker, Hoogleeraar in de

Hygiène te Groningen, 1879.

[12] De Prostitutie. Eene Sociaal-Geneeskundige Studie. Uit het

Hoogduitsch, van Dr. F. W. Muller. 1870. bldz. 5.

[13] De Openbare en Geheime Prostitutie in Nederland, door

G. M. Koentz. Commissaris spec. van Rijkspolitie. 1863. bldz. 20.

[14] De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door

Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman, Procureur en plaatsvervangend

Kantonrechter te Groningen. 1881. bldz. 12.

[15] Bldz. 27.

[16] De la Prostitution. Les Causes--Les Remèdes. Lyon 1884.

[17] Règlement sur la Prostitution. Bruxelles 1877. bldz. 29.

[18] Tweeërlei Zedewet? Eene waarschuwing tegen ons aanstaand Nationaal

Congres, Besproken door H. Pierson. 1889. bldz. 10.

[19] Het toezicht op de prostitutie, uit een hygiënisch oogpunt

beschouwd, door Prof. J. L. Chanfleury van IJsselstein. 1889. bldz. 10.

End of Project Gutenberg's Vrouwenbelangen, by Aletta Henriëtte Jacobs

Vrouwenbelangen Drie vraagstukken van actueelen aard · 第 5 / 5 段