TWAALF MET DE DILIGENCE.

Het was snerpend koud; de sterren fonkelden aan den onbewolkten hemel;

geen windje was er aan de lucht.

«Bom!» daar werd een oude pot tegen de voordeur van den buurman

geworpen. «Piefpafpoef!» daar knalde een pistool; men begroette het

nieuwe jaar! Het was oudejaarsavond! Nu sloeg de torenklok twaalf

slagen!

«Ratatatatata!» De diligence kwam aanrijden en hield voor de stadspoort

stil. Zij bracht twaalf personen mee; al de plaatsen waren bezet.

«Hoera! Hoera!» riepen de menschen in de huizen der stad, waar de

oudejaarsavond gevierd werd en men met klokslag van twaalven het

gevulde glas omhoog hief, om het nieuwe jaar het welkom toe te roepen.

«Een gelukkig nieuwjaar!» heette het. «Een mooie vrouw! Veel geld! Geen

verdriet en geen smart!»

Dat wenschte men elkaar van weerskanten toe, en daarop klonk men met

de glazen, zoodat het een geducht gerinkel gaf,--en voor de stadspoort

hield de diligence met de vreemde gasten, de twaalf reizigers, stil.

En wie waren deze vreemdelingen? Ieder had zijn reispas en zijn bagage

bij zich; ja, zij brachten zelfs geschenken mee voor mij en voor u

en voor alle menschen, die er in het stadje woonden. Wie waren zij,

wat wilden zij en wat brachten zij?

«Goeden morgen!» riepen zij den schildwacht toe, die bij den ingang

van de stadspoort stond.

«Goeden morgen!» antwoordde deze, want de klok had immers twaalf

uur geslagen.

«Uw naam? Uw beroep?» vroeg de schildwacht aan hem, die het eerst

uit de diligence stapte.

«Kijk dat zelf maar in den pas na!» antwoordde de man. «Ik ben ik!»

En het was ook een flinke kerel, die een berenpels en laarzen met

bont gevoerd aanhad. «Ik ben de man, waarop zeer veel menschen hun

hoop bouwen. Kom morgen bij mij, dan zal ik je een nieuwjaarsgeschenk

geven! Ik werp penningen en daalders onder de menschen, ja, ik geef

ook bals, een en dertig bals, want meer avonden kan ik daarvoor niet

afstaan. Mijn schepen zijn vastgevroren, maar in mijn kantoor is het

warm en gezellig. Ik ben koopman, heet _Januari_ en breng slechts

rekeningen met mij mee.»

Nu stapte de tweede uit. Dit was een lustige kwant; hij was

directeur van een komedie, directeur van gemaskerde bals en van alle

vermakelijkheden, die men zich maar kan voorstellen. Zijn bagage

bestond uit een groote ton.

«Uit de ton,» zei hij, «zullen wij op vastenavond de kat jagen. Ik

zal jelui het leven wel prettig maken en mij zelf ook; alle dagen

vroolijk! Ik heb juist niet lang te leven, van den heelen troep

den kortsten tijd: ik word namelijk maar acht-en-twintig dagen

oud. Somtijds voegen zij er nog wel eens een dag aan toe,--maar dat

kan mij weinig schelen. Hoera!»

«Ge moogt niet zoo schreeuwen!» zei de schildwacht.

«Och kom! Ik mag wel schreeuwen,» riep de man uit. «Ik ben prins

Carnaval en reis onder den naam _Februari_.»

Nu stapte de derde uit de diligence; deze zag er als de

verpersoonlijkte vasten uit, maar hij zette een hooge borst; want hij

was familie van de «veertig ridders» en bovendien een weerprofeet. Maar

dat is geen vet postje, en daarom roemde hij ook de vasten. In een

knoopsgat droeg hij ook een ruikertje van viooltjes, maar deze waren

zeer klein.

«_Maart_! _Maart_!» riep de vierde hem achterna en klopte hem op

den schouder; «ruik je niets? Gauw de wachtkamer in; daar drinken ze

pons, je lievelingsdrank; ik kan het hier buiten al ruiken. Komaan,

mijnheer _Maart_!»

Maar het was niet waar; de vierde wilde hem slechts den invloed van

zijn naam laten voelen en hem eens beetnemen, want daarmee begon

_April_ zijn levensloop in de stad. Hij zag er over 't algemeen zeer

vroolijk uit; werken deed hij maar heel weinig; maar des te meer maakte

hij feestdagen. «Als het maar wat bestendiger in de wereld was,» zei

hij; «maar nu eens is men goed, dan weer slecht geluimd, al naar het

valt; nu eens regen, dan weer zonneschijn! Ik ben ook zoo'n soort van

een agent van een verhuurkantoor, ook een aanspreker; ik kan lachen en

huilen, al naar het te pas komt. In mijn koffer heb ik een zomertoilet,

maar het zou heel dwaas zijn, dit aan te trekken. Hier ben ik nu!»

Na hem stapte er een dame uit het rijtuig. Juffrouw _Mei_ noemde zij

zich. Zij droeg een zomertoilet en overschoenen, een lindebladgroene

japon en anemonen in het haar, en daarbij rook zij zoo geducht naar

de muskus, dat de schildwacht moest niezen. «Op uw gezondheid en Gods

zegen!» zeide zij; dat was haar groet. Wat zag zij er allerliefst

uit! En zangeres was zij, geen operazangeres, ook geen kermiszangeres,

neen, zangeres van het bosch: zij doolde het frissche, groene bosch

door en zong daar voor haar eigen plezier.

«Nu komt de jonge vrouw!» riepen ze binnen in het rijtuig, en nu

stapte de jonge vrouw, die er fijn, fier en lief uitzag, er uit. Men

kon het haar, mevrouw _Juni_, wel aanzien, dat zij het gewoon was,

door luie slaapkoppen bediend te worden. Op den langsten dag van het

jaar gaf zij een groote partij, opdat de gasten tijd zouden hebben om

de vele gerechten, die er op de tafel stonden, te nuttigen. Zij had

wel is waar haar eigen equipage; maar zij reisde toch met diligence,

evenals de anderen, omdat zij wilde toonen, dat zij niet hoogmoedig

was. Maar zonder gezelschap was zij niet; haar jongere broeder _Juli_

was bij haar.

Dit was een welgedane jongeling, op zijn zomersch gekleed en met

een stroohoed op. Hij had maar weinig bagage bij zich, omdat dit bij

een hevige warmte te lastig is; daarom had hij zich slechts van een

zwembroekje voorzien, en dat is niet veel.

Daarop kwam de moeder zelf, mevrouw _Augustus_, fruitverkoopster in het

groot, eigenares van een menigte vischvijvers, een landhuishoudkundige

in een groote crinoline; zij was dik en had het warm, maar toch pakte

zij alles aan en bracht de arbeiders op het land zelf bier. «In het

zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten!» zeide zij, «dat staat

in den bijbel. Later komen de pleziertochtjes, dans en spel in het

groen en de oogstfeesten!» Zij was een knappe huishoudster.

Na haar stapte er weer een man uit het rijtuig, een schilder van

beroep, mijnheer _September_; die moest naar het bosch; de bladeren

moesten van kleur wisselen; maar hoe schoon werd alles, als hij het

wilde; al spoedig prijkte het bosch in rood, geel of bruin. De schilder

floot als een lijster, was een ervaren kunstenaar en slingerde de

bruinachtig groene hopranken om zijn bierglas. Dat sierde het glas op,

en van opsieren hield hij veel. Daar stond hij nu met zijn verfpot:

dat was zijn heele bagage!

Op hem volgde de landeigenaar, die aan het beploegen en bezaaien van

den grond, maar ook aan het jachtvermaak dacht; mijnheer _October_

had een hond en een geweer bij zich en noten in zijn weitasch. Hij

had veel bagage bij zich, zelfs een Engelschen ploeg, hij sprak over

landhuishoudkunde, maar door het hoesten van zijn buurman hoorde men

daar niet veel van.

Mijnheer _November_ was het, die zoo hoestte, terwijl hij uit het

rijtuig stapte. Deze had heel veel last van verkoudheid; hij snoot

zijn neus aldoor en toch, zeide hij, moest hij de dienstmeisjes

vergezellen en ze in haar nieuwen dienst brengen; die verkoudheid,

dacht hij, zou wel weer overgaan, als hij maar aan het houthakken

ging, en hout moest hij zagen en hakken, want hij was meesterknecht

bij een houtkooper. De avonden bracht hij met het snijden van hout

voor schaatsen door; want hij wist wel, zei hij, dat men over eenige

weken behoefte aan deze soort van schoenen zou hebben.

Eindelijk kwam de laatste passagier te voorschijn, het oude moedertje

_December_ met een stoof onder den arm; de oude vrouw had het koud;

maar haar oogen fonkelden als twee heldere sterren. Zij droeg een

bloempot in de hand, waarin een kleine dennenboom geplant was. «Dien

boom wil ik opkweeken, dan kan hij groeien en groot worden tegen

den Kerstavond, van den vloer tot hoog aan de zoldering reiken en

opschieten met vlammende lichten, gouden appelen en uitgesneden

figuurtjes. De stoof geeft evenveel warmte als een kachel; ik haal

het sprookjesboek uit mijn zak en lees daaruit overluid voor, zoodat

alle kinderen in de kamer stil en de figuurtjes aan den boom vroolijk

worden, en de kleine engel van was op de uiterste punt zijn gouden

vleugelen uitspreidt, van zijn groenen zetel afvliegt en kleinen en

grooten in de kamer kust, ja, ook de arme kinderen, die buiten op de

straat staan en het Kerstlied van de ster van Bethlehem zingen.»

«Ziezoo! Nu kan de diligence wegrijden,» zei de schildwacht. «Wij

hebben ze alle twaalf. De bijwagen kan voorkomen.»

«Laat de twaalf eerst bij mij binnenkomen!» zei de kapitein, die de

wacht had, «de een na den ander! De passen houd ik hier; zij zijn

ieder voor een maand geldig; als deze verstreken is, zal ik het gedrag

op den pas aanteekenen. Mijnheer _Januari_! mag ik u maar verzoeken,

nader te komen?»

En mijnheer Januari kwam nader.

Als er een jaar verloopen is, zal ik u eens zeggen, wat die twaalf

u, mij en ons allen gebracht hebben. Nu weet ik het nog niet, en

misschien weten zij het zelf niet eens,--want het is een zonderlinge

tijd, waarin wij leven.

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 76 / 83 题