In den tuin bloeiden al de appelboomen; zij hadden zich gehaast,
bloesems te krijgen, voordat hun bladeren ontsproten; en in den tuin
gingen al de eendjes wandelen, en ook de kat; zij bakerde zich in de
zon en likte den zonneschijn van haar eigen poot af. En als men een
blik op de velden sloeg, wat stond daar het koren heerlijk te prijken,
en wat was alles onbeschrijfelijk prachtig, en wat was er een getjilp
en een gekwinkeleer van al de kleine vogeltjes, alsof het een groot
feest was, en dat was het ook, want het was Zondag. De klokken luidden
en al de menschen gingen in hun beste kleeren naar de kerk en zagen
er vergenoegd uit; ja, aan alles was iets vroolijks; het was een dag,
zoo warm en gezegend, dat men wel zeggen kon: De goede God is toch
onbeschrijfelijk goed voor ons menschen!
Maar binnen in de kerk stond de dominee op den preekstoel en sprak
heel luid en toornig; hij zei, dat de menschen allemaal goddeloos
waren, God zou ze daarom straffen, en als ze stierven, dan zouden
de boozen allemaal in de hel komen, om eeuwig te branden. Hij wees
er met nadruk op, «dat hun worm niet zou sterven en hun vuur niet
uitgebluscht worden, dat zij nimmer rust zouden vinden!»
Dat was vreeselijk om aan te hooren, en hij zei dit op zulk een toon
van overtuiging; hij beschreef hun de hel als een verpeste plaats,
waarheen al het ontuig uit de geheele wereld samenvloeit,--daar was
geen andere lucht, dan de heete brandende zwavelvlam, daar was geen
grond, zij--de boozen--zonken en zonken al dieper en dieper bij een
eeuwig stilzwijgen!--Het was reeds vreeselijk daarvan te hooren;
want de dominee sprak het uit het volle hart, en al de menschen in
de kerk waren daarover ontzet.
Buiten intusschen zongen al de vogeltjes zoo vroolijk, en de zon
scheen zoo warm, het was alsof ieder bloempje zei: «God! Gij zijt zoo
onbeschrijfelijk goed voor ons allen!»--Ja, buiten was het volstrekt
niet, zooals de dominee preekte.
Dien zelfden avond bij het naar bed gaan keek de dominee zijn vrouw
aan en zag, dat zij peinzend en in gedachten verdiept zat.
«Wat scheelt er aan?» vroeg hij haar.
«Ja, wat mij scheelt?» zeide zij. «Dit scheelt mij, dat ik mijn
gedachten niet goed weet te verzamelen, dat ik datgene, wat je
vandaag in de kerk gesproken hebt, niet goed kan begrijpen, «dat er
zoovele goddelooze menschen zijn en dat zij eeuwig zullen branden!»
Eeuwig! Ach, wat is dat lang!--Ik ben maar een mensch, een zondares
voor God, maar ik zou het niet over mijn hart kunnen krijgen, zelfs
den snoodsten zondaar eeuwig te laten branden, en hoe zou God dit dan
kunnen, die zoo oneindig goed is, en die immers weet, hoe het booze van
buiten en van binnen komt? Neen ik kan het mij zoo niet voorstellen,
ofschoon gij het zegt!»
Het was herfst, de boomen lieten hun bladeren vallen, de ernstige,
strenge dominee zat aan de legerstede van een stervende; een vrome,
geloovige vrouw sloot de oogen: het was de echtgenoote van den dominee.
«Als er iemand rust in het graf en genade voor zijn God vindt, dan
zal zij het wel zijn!» zei de dominee; hij vouwde haar handen en las
een psalm voor de overledene.
Men droeg haar ten grave; twee groote tranen biggelden er langs de
wangen van den strengen man, en in de pastorie was het stil en ledig:
de zon des huizes was uitgebluscht, zij was huiswaarts gegaan.
Het was nu nacht, een kille wind blies over het hoofd van den dominee;
hij sloeg de oogen op, en het was hem, alsof de maan in zijn kamer
scheen, maar deze scheen niet. Een gestalte was het, die voor zijn
bed stond, hij zag den geest van zijn overleden vrouw; zij keek hem
zoo innig bedroefd aan; het was, alsof zij iets tegen hem wilde zeggen.
De dominee richtte zich terstond in zijn bed op en strekte de armen
naar haar uit. «Zoo is dan ook aan u de eeuwige rust niet vergund! Ge
lijdt, gij, de beste, de vroomste!»
De doode knikte bevestigend met het hoofd en legde de hand op de borst.
«En ben ik bij machte om u de rust in het graf te schenken?»
«Ja!» luidde het antwoord.
«En op welke wijze?»
«Geef mij een haar, maar een enkel haar van het hoofd van den zondaar,
wiens vuur nimmer zal uitgebluscht worden; van _dien_ zondaar, dien
God tot eeuwige pijn in de hel zal werpen.»
«Ja, zoo gemakkelijk moet gij verlost kunnen worden, gij reine en
vrome!» zeide hij.
«Volg mij dan!» zei de doode. «Het is ons vergund. Aan mijn zijde
zweeft ge, waarheen uw gedachten maar willen: voor de menschen
onzichtbaar, dringen wij hun geheimste vertrekken binnen,--maar met
vaste hand moet ge hem opsporen, die tot eeuwige kwelling uitverkoren
is, en voor het hanengekraai moet hij gevonden zijn!»
Snel, als door de gevleugelde gedachten gedragen, bevonden zij
zich in de groote stad, en van de muren der huizen straalden hun in
vlammend schrift de namen der doodzonden tegen: hoogmoed, gierigheid,
dronkenschap, wellust, in één woord de geheele zevenkleurige boog
der zonde.
«Ja, daarbinnen, zooals ik wel dacht, zooals ik wel wist,» zei de
dominee, «daarbinnen wonen zij, die voor het eeuwige vuur bestemd
zijn!»--En zij stonden voor het prachtig verlichte portaal, de breede
trappen prijkten met tapijten en bloemen, en door de feestelijk
versierde zalen ruischte de dansmuziek. De portier, in zijde en
fluweel gekleed, stond met zijn grooten, met zilver beslagen stok
aan den ingang.
«Ons bal kan zich met dat van den koning meten!» zei hij en wendde zich
verachtelijk tot de gapende menigte, die op de straat stond; wat hij
dacht, bleek genoegzaam uit zijn gedragingen en bewegingen. «Schooiers,
die daar alles staat aan te gapen, bij mij vergeleken ben je allemaal
kanalje!»
«Hoogmoed!» zei de doode, «ziet ge hem?»
«Dien daar?» antwoordde de dominee. «Het is immers maar een arme gek,
een dwaas, en niet voor de kwellingen van het eeuwige vuur bestemd.»
«Maar een dwaas!» klonk het door het geheele huis van den hoogmoed;
dat waren zij daar allen.
Zij zweefden tot binnen de vier kale muren van den gierigaard. Mager
als een geraamte, van koude sidderend, hongerig klampt de grijsaard
zich met al zijn gedachten aan zijn geld vast; zij zagen hem
koortsachtig van zijn ellendige legerstede opspringen en een lossen
steen uit den muur nemen, daar lagen gouden munten in een oude kous;
zij zagen hem zijn gescheurden rok, waarin de goudstukken genaaid
waren, angstig betasten, en zijn vochtige vingers sidderden!
«Die is ziek! Dat is waanzinnigheid, een droevige waanzinnigheid,
door angst en booze droomen omgeven!»
Zij verwijderden zich snel en kwamen voor de kribben der misdadigers;
in lange rijen sliepen de ongelukkigen naast elkander. Als een wild
dier sprong er een uit zijn slaap op en stiet een afschuwelijken gil
uit, hij gaf zijn kameraad met den elleboog een duchtigen stoot in
de ribben, en deze keerde zich slaperig om, zeggende:
«Houd je mond, onmensch, en slaap!--Dat is hier iederen nacht!...»
«Iederen nacht!» herhaalde de ander. «Ja, iederen nacht komt hij en
kwelt mij!--In mijn drift heb ik dit en dat gedaan, met een boos hart
ben ik geboren, dit heeft mij ten tweeden male hier gebracht; maar als
ik kwaad gedaan heb, dan onderga ik daarvoor immers mijn straf.--Er is
echter één ding, dat ik niet bekend heb. Toen ik de laatste maal hier
uitkwam en het huis van mijn vroegeren heer voorbijging, toen kookte
het in mij, omdat mij een en ander in de gedachten kwam,--en ik streek
een lucifer zoo wat tegen den muur af; alles verbrandde, de hitte kwam
daarover, zooals zij menigmaal over mij komt. Ik hielp zelf redden,
vee en meubelen. Niets levends verbrandde er dan een troep duiven,
die in het vuur vlogen, en de kettinghond, waaraan ik niet gedacht
had. Men hoorde hem te midden van den brand huilen, en... dit huilen
hoor ik nog altijd, als ik wil slapen, en als ik in slaap gevallen ben,
dan komt de hond groot en ruw, en legt zich op mij neer, en huilt,
en drukt mij, en kwelt mij!--Hoor dan toch, wat ik je vertel! Snorken
kan je; den heelen nacht snork je, maar ik nog geen kwartier!»--En
het bloed kwam den verhitten gevangene in de oogen, hij wierp zich
op zijn kameraad en sloeg hem met zijn gebalde vuist in het gezicht.
«De booze Matz is weer eens dol geworden!» heette het nu in de rondte,
en de andere misdadigers grepen hem, worstelden met hem, drukten hem
krom, zoodat zijn hoofd tusschen zijne knieën zat, en daar bonden
zij dit vast, zoodat het bloed Matz bijna uit de oogen en uit alle
poriën kwam.
«Gij doodt hem, den ongelukkige!» riep de dominee uit, en terwijl
hij zijn hand beschermend over dengene uitstrekte, die reeds te zwaar
boette, veranderde het tooneel. Zij vlogen door rijke zalen en arme
kamertjes; wellust en nijd, alle doodzonden liepen hun voorbij; een
engel van het strafgericht las hun schuld, hun verdediging; deze was
wel is waar niet schitterend, maar zij werd voor God gebracht, voor
dien God, die in het harte leest en alles weet en kent, het booze,
dat van binnen en van buiten komt, dien God, die de genade en de
liefde zelf is.
De hand van den dominee beefde, hij waagde het niet, haar uit te
strekken, hij had den moed niet, een enkel haar uit het hoofd van
den zondaar te trekken.--En de tranen vloeiden hem uit de oogen als
een stroom der genade en der liefde, welks verkoelende wateren het
eeuwige vuur der hel uitbluschten.
Daar kraaide de haan.
«Barmhartige God! Geef Gij haar den vrede, dien ik haar niet heb
kunnen verschaffen!»
«Dien heb ik nu!» zei de doode. «Het was een hard woord, uw wanhoop
aan de menschheid, uw somber geloof aan God en Zijn schepping, dat
mij naar u toe dreef! Leer de menschen kennen! Zelfs in de boozen
leeft een deel van God, dat de vlam der hel uitbluscht en overwint!»
De dominee voelde een kus op zijn lippen, er verspreidde zich een
schemering om hem heen; de heldere zon van God scheen in de kamer,
waar zijn vrouw, levend, vriendelijk en vol liefde, hem uit een droom
wakker maakte, die hem door God gezonden was!