TWEE HANEN.

Twee hanen waren er, de een op den mesthoop, de ander op het dak;

hoovaardig waren zij beide; maar wie van hen voerde wel het meeste

uit? Zeg ons uw meening daarover eens,--wij behouden toch onze eigen.

De plaats, waarop de kippen liepen, was door een plank van een andere

plaats gescheiden, waarop een mesthoop was, en op dezen mesthoop lag

en groeide een groote augurk, die het bewustzijn had, dat zij een

broeibedplant was.

«Daartoe wordt men geboren,» sprak het in het binnenste van de

augurk. «Niet allen kunnen als augurken geboren worden, er moeten ook

andere soorten zijn! De kippen, de eenden en al het gedierte van de

naburige plaats zijn ook schepselen. Naar den haan, die op de plank

staat, zie ik nu op; deze heeft echter een heel andere roeping dan

de weerhaan, die zoo hoog geplaatst is en niet eens kan knarsen,

laat staan dan kraaien; hij heeft noch kippen, noch kuikentjes,

hij denkt slechts aan zich zelf en zweet kopergroen! Neen, die haan

op de plank is eerst een haan! Zijn gang is dans, zijn kraaien is

muziek! Waar hij komt, daar wordt het iemand terstond duidelijk,

wat een trompetter is. Als hij maar hierheen kwam! En al at hij mij

ook met huid en haar op, en al moest ik ook in zijn buik begraven

worden,--dat zou een zalige dood zijn!» sprak de augurk.

's Nachts werd het een verschrikkelijk weer; kippen, kuikentjes en

zelfs de haan zochten beschutting; de wind rukte de plank tusschen de

beide plaatsen weg, dat het kraakte; de dakpannen vielen naar beneden,

maar de weerhaan zat vast; hij draaide niet eens in de rondte, hij

kon niet in de rondte draaien, en toch was hij nog jong, pas gegoten,

maar stil en bedaard; hij was oud geboren, begreep volstrekt niets van

de vogels, die in de lucht vlogen, de musschen, de zwaluwen,--neen,

die verachtte hij; dat waren piepvogels van geringe grootte, gewone

piepvogels! De duiven, vond hij, waren groot en blank, en schitterend

als paarlemoer, zij zagen er uit als een soort van weerhanen; maar zij

waren dik en dom; al haar denken en streven was er slechts op gericht,

haar buik te vullen; ook waren zij vervelend in den omgang.

Ook de trekvogels hadden den weerhaan een bezoek gebracht en

hem verteld van vreemde landen, van luchtkaravanen en ijselijke

rooversgeschiedenissen met de roofvogels; dat was nieuw en interessant,

namelijk de eerste maal; maar later, dat wist de weerhaan,

herhaalden zij het, vertelden steeds dezelfde geschiedenissen,

en dat is vervelend! Zij waren vervelend, en alles was vervelend,

met niemand kon men omgang hebben, allen waren laf en bekrompen.

«De wereld deugt niets!» zei hij. «Alles is maar dwaasheid!»

De weerhaan was opgeblazen, en deze eigenschap zou hem zeker bij de

augurk interessant gemaakt hebben, als zij het geweten had; maar zij

had slechts oogen voor den anderen haan, en die was nu op de plaats

bij haar.

De wind had de plank omgeblazen; maar de storm was voorbij.

«Wat zegt ge wel van dat gekraai?» vroeg de haan aan de kippen en de

kuikentjes. «Het was een weinig ruw, de elegantie ontbrak er aan.»

En kippen en kuikentjes betraden den mesthoop, en de haan betrad dien

ook met een deftigen stap.

«Tuingewas!» zeide hij tegen de augurk, en uit dit eene woord werd

haar zijn hooge beschaving duidelijk, en zij vergaf het, dat hij in

haar pikte en haar opat.

«Een zalige dood!»

De kippen en de kuikentjes kwamen, en als de een gaat loopen, dan

doet de ander het ook; zij klokten en piepten, en zij zagen den haan

aan en waren er trotsch op, dat hij van hun soort was.

«Kukelekuku!» kraaide hij, «de kuikentjes worden terstond tot groote

kippen, als ik het uitkraai in den kippenren der wereld!»

En kippen en kuikentjes klokten en piepten, en de haan verkondigde

een groot nieuws.

«Een haan kan een ei leggen! En weet je, wat er in het ei zit?--In het

ei zit een basilisk. Den aanblik van zulk een beest vermag niemand uit

te houden; dat weten de menschen, en nu weet je het ook; nu weet je,

dat ik een ferme kerel ben!»

Daarop sloeg de haan met zijn vleugels, deed zijn hanekam opzwellen en

kraaide weer; en allen huiverden, de kippen en de kleine kuikentjes;

maar zij waren er wat trotsch op, dat een hunner zulk een ferme kerel

was; zij klokten en piepten, zoodat de weerhaan het wel moest hooren;

hij hoorde het dan ook, maar verroerde zich daarbij niet.

«Alles is maar dwaasheid!» zei de weerhaan bij zich zelf. «De haan

legt geen eieren, en ik ben er te lui toe; als ik wilde, dan kon ik

wel een windei leggen, maar de wereld is geen windei waard. Alles is

maar dwaasheid!--Nu mag ik hier niet eens lang meer zitten.»

Dit zeggende, brak de weerhaan af, maar hij sloeg den anderen haan

niet dood, ofschoon hij er plan op had, zooals de kippen zeiden. En

wat zegt de moraal? «Het is altijd nog beter te kraaien, dan opgeblazen

te zijn en af te breken.»

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 51 / 83 题