HET DOORNENPAD DER EER.

Er bestaat nog een oud sprookje van «het doornenpad der eer,»--van een

schutter, die wel is waar tot eer en waardigheden opklom, maar eerst na

vele wederwaardigheden en allerlei strijd.--Wie heeft bij dit sprookje

niet aan zijn eigen doornenpad en aan zijn vele «wederwaardigheden»

gedacht? Het sprookje en de werkelijkheid grenzen zeer na aan elkander:

maar het sprookje heeft zijn harmonische oplossing hier op aarde,

de werkelijkheid vindt deze dikwijls eerst aan gene zijde van het

aardsche leven en wijst op tijd en eeuwigheid.

De geschiedenis der wereld is een tooverlantaarn, die ons in

lichtbeelden op den donkeren grond van het tegenwoordige aanwijst,

hoe de weldoeners der menschheid, de martelaars van het genie, het

doornenpad van de eer en den roem bewandelen.

Uit alle tijden, uit alle landen stralen deze lichtbeelden ons

tegen, elk wel is waar slechts voor eenige oogenblikken, maar

toch als een geheel leven, een levenstijd met zijn strijd en zijn

zegepraal. Laat ons hier en daar enkelen van deze schare van martelaren

beschouwen,--deze schare, waaraan eerst dan een einde komt, wanneer

de aarde vergaat.

Wij zien een welbezet amphitheater. Uit de «Wolken» van een

Aristophanes gieten de spot en de scherts zich in stroomen over

de menigte uit; op het tooneel wordt de merkwaardigste man van

Athene, hij, die het schild en de steun van het volk tegen de dertig

tirannen was, wordt Socrates belachelijk gemaakt, Socrates, die in het

strijdgewoel Alcibiades en Xenophon redde en wiens geest zich boven

de goden der oudheid verhief. Hij zelf is hier tegenwoordig; hij is

van de bank der toeschouwers opgestaan en te voorschijn gekomen,

opdat de lachende Atheners zouden zien, hoe het met de gelijkenis

tusschen hem en de karikatuur op het tooneel geschapen was; daar

staat hij voor hen, hoog boven hen allen verheven.

Gij, sappige, groene, vergiftige scheerling, en niet gij, olijfboom,

werp hier uw schaduw over Athene!

Zeven steden streden om de eer, de geboorteplaats van Homerus te zijn,

dat is te zeggen: nadat hij dood was. Beschouwen wij hem gedurende

zijn leven!--Hij loopt te voet door de steden en zegt zijn verzen

op om te leven; de gedachte aan den dag van morgen doet zijn haar

grijs worden!--Hij, de groote ziener, is blind en bewandelt met

moeite zijn pad; de scherpe doorn verscheurt den mantel van den

dichterkoning!--Zijn gezangen leven nog, en door deze alleen leven

de goden en de helden der oudheid.

Het eene beeld na het andere rijst voor ons op uit het Oosten, uit

het Westen, zeer ver van elkander, wat tijd en plaats aangaat, en

toch altijd een gedeelte van het doornenpad der eer, waarop de distel

eerst dan een bloem voortbrengt, wanneer het graf versierd moet worden.

Onder psalmen trekken de kameelen voort, rijk beladen met indigo

en andere kostbare schatten, door den heerscher des lands aan hem

gezonden, wiens gezangen de vreugde des volks, de roem des lands

zijn; hij, dien leugen en nijd in de ballingschap zonden, hij is

gevonden,--de karavaan nadert het stadje, waarin hij een schuilplaats

vond: een lijk wordt de stadspoort uitgedragen, en de lijkstoet beveelt

de karavaan, halt te houden. De doode is juist degene, dien zij zoekt:

Firdusi,--het doornenpad der eer is ten einde gewandeld!

De Afrikaan met de plompe gelaatstrekken, de dikke lippen, het zwarte,

wollige haar, zit op de marmeren trappen van het paleis in de hoofdstad

van Portugal en bedelt; het is de getrouwe slaaf van Camoëns; zonder

hem en zonder de koperen munten, die de voorbijgangers hem toewerpen,

zou zijn heer, de zanger der Lusiade, van honger sterven.

Tegenwoordig verheft zich een kostbaar monument op het graf van

Camoëns.

Een nieuw beeld!

Achter de ijzeren tralies vertoont zich een man, die er doodsbleek

uitziet, met een langen, ongekamden baard. «Ik heb een uitvinding

gedaan, de grootste sedert eeuwen!» roept hij, «en men heeft mij langer

dan twintig jaren hier opgesloten gehouden!»--«Wie is die man?»--«Een

krankzinnige!» antwoordt de bewaker der krankzinnigen. «Waar kan een

mensch in zijn krankzinnigheid al niet toe komen! Hij verbeeldt zich,

dat men zich door stoom kan bewegen!»--Het is Salomo de Caus, de

ontdekker der stoomkracht, wiens voorgevoel, in onduidelijke woorden

uitgesproken, door een Richelieu niet begrepen werd: hij sterft in

het krankzinnigengesticht.

Hier staat Columbus, dien de straatjongens eenmaal vervolgden en

bespotten, omdat hij een nieuwe wereld wilde ontdekken,--hij heeft haar

ontdekt! Het gejubel klinkt hem bij zijn zegevierende terugkomst van

menschenlippen en door kerkklokstonen tegen, maar de klokken van den

nijd overstemden deze al spoedig. De ontdekker eener nieuwe wereld,

hij, die het Amerikaansche goudland uit de zee deed oprijzen en aan

zijn koning schonk, hij wordt met ijzeren ketenen beloond! Hij wenscht

deze ketenen in zijn graf mee te nemen; zij leggen getuigenis af van

de wereld en van de wijze, waarop tijdgenooten verdiensten schatten.

Het eene beeld na het andere rijst op: het doornenpad van de eer en

den roem is overvol.

Hier in den donkeren nacht zit hij, die de bergen der maan gemeten

heeft, hij, die in de oneindige ruimte tot sterren en planeten

doordrong, hij, de machtige, die den geest der natuur hoorde en het

gevoelde, dat de aarde zich onder zijn voeten bewoog: Galilei. Blind

en doof zit hij daar, de grijsaard, gefolterd door den doorn van het

lijden in de kwellingen der verloochening, tenauwernood in staat om

zijn voet op te lichten, denzelfden, waarmee hij eens in de smart

zijner ziel, toen men de waarheid verduisterde, op den grond stampte

en uitriep: «En toch beweegt zij zich!»

Hier staat een vrouw met een kinderlijk gemoed in geestdrift en

geloof,--voor het strijdende leger draagt zij de banier vooruit, en

brengt haar vaderland zegepraal en redding. Het gejuich weerklinkt

en de brandstapel vlamt: Jeanne d'Arc, de heks, wordt verbrand!--Ja,

een latere eeuw spuwt den zwadder der verachting op de witte lelie

uit. Voltaire, de sater van het gezonde menschenverstand, zingt van

«_La pucelle_.»

Op den Thing te Wiborg verbrandt de Deensche adel de wetten des

konings,--zij vlammen hoog op, verlichten de eeuw en den wetgever,

werpen een schijnsel van glorie in den donkeren gevangenistoren,

waarin de vroegere heerscher over drie koninkrijken, de populaire

koning, de vriend der burgers en der boeren, Christiaan de Tweede,

vergrijsd, gebogen, met zijn vinger een reet in het steenen tafelblad

makende, zit. Vijanden teekenen zijn geschiedenis op. Aan zijn

zeven-en-twintigjarige gevangenschap willen wij gedenken, al kunnen

wij zijn bloedschuld ook niet loochenen.

Een schip zeilt uit en verlaat het Deensche strand; tegen den mast

leunt een man, die voor de laatste maal een blik op het eiland Hveen

slaat;--het is Tycho Brahe; hij verhief den naam van Denemarken

tot aan de sterren, en men beloonde hem met grieven, met gebrek

en verdriet;--hij vertrekt naar een vreemd land. «De hemel welft

zich overal boven mij. Wat wil ik meer?» spreekt hij en zeilt weg,

de beroemde Deen, geëerd en vrij in een vreemd land!»

«Ach, vrij, al ware het slechts van de duldelooze smarten van het

lichaam!» luidt de zucht, die door de tijden heen en tot ons oor

doordringt. Welk een beeld! Griffenfeld, een Deensche Prometheus,

aan het rotsachtige eiland Munkholm gekluisterd!

Wij bevinden ons in Amerika aan den oever van een der grootste

rivieren; een tallooze menschenmenigte heeft zich verzameld:

een schip, zoo heet het, zal tegen weer en wind, de elementen

trotseerend, kunnen zeilen; Robert Fulton noemt zich de man, die

dit vraagstuk denkt op te lossen. Het schip begint zijn tocht; maar

eensklaps blijft het stilliggen,--de menigte lacht, fluit en sist, de

eigen vader van den man fluit. «Hoogmoed! Dwaasheid! Nu gebeurt er,

wat hij verdiend heeft,» heet het; «achter slot en grendel met den

waanzinnige!»--Daar breekt een kleine spijker, die voor een oogenblik

de machine belemmerde, de roeiriemen bewegen zich weer, de raderen

breken op nieuw de kracht van het water, het schip zet zijn tocht

voort! De kracht van den stoom verkort de uren tot minuten tusschen

de landen der wereld!

Menschengeslacht! begrijpt gij de zaligheid van zulk een minuut van

wetenschap, van dit doordrongen zijn des geestes van zijn roeping,

dat oogenblik, waarop al de wanhoop, elke wonde, die het doornenpad der

eer sloeg,--zelfs die van eigen schuld,--in heil, kracht en klaarheid

verandert, de disharmonie zich in harmonie oplost, dat oogenblik,

waarop de menschen de openbaring der goddelijke genade gewaar worden!

Op machtige vleugelen zweeft de geest der geschiedenis door de tijden

en toont,--bemoedigend en vertroostend, milde gedachten opwekkend,--op

een nachtelijk donkeren grond in lichtende beelden het doornenpad der

eer, dat niet, evenals in het sprookje, in glans en vreugde hier op

aarde, maar verder dan deze in tijd en eeuwigheid eindigt!

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 49 / 83 题