«Ik wil iets zijn!» zei de oudste van vijf broeders. «Ik wil nut in
de wereld stichten; al moge het ook nog zulk een nederige betrekking
zijn, als datgene, wat ik doe, maar wat goeds is, dan is het inderdaad
iets. Ik wil baksteenen maken; die kan men niet missen; en dan heb
ik werkelijk iets gedaan!»
«Maar iets, dat veel te weinig beteekent!» sprak de tweede
broeder. «Datgene, wat je wilt doen, is zoo goed als niets: dat
is werktuigelijke arbeid en kan even goed door een machine verricht
worden. Neen, dan zou ik liever metselaar zijn, dat is ten minste iets,
dat wil ik worden; dat is een stand in de maatschappij. Daardoor
wordt men een gildebroeder, een burger, daardoor krijgt men zijn
eigen vaandel, zijn eigen herberg, ja, als alles naar wensch gaat,
zal ik knechts kunnen houden, word ik baas, en zal mijn vrouw juffrouw
genoemd worden; dat is toch iets!»
«Dat is toch eigenlijk niets!» zei de derde; «dan behoort men
toch niet tot den deftigen stand, en er zijn velen in een stad,
die allen ver boven een metselaarsbaas staan. Men kan wel een braaf
man zijn; doch men behoort als «baas» toch maar tot diegenen, die
men den «gemeenen» man noemt. Neen, dan weet ik wat beters! Ik wil
architect worden, mij op het gebied der kunst begeven en tot de
hooger geplaatsten in het rijk des geestes behooren. Wel is waar
moet ik van meet af aan beginnen, ja, om het maar ronduit te zeggen,
moet ik als krullejongen beginnen, moet ik met een pet rondloopen,
ofschoon ik er aan gewoon ben, een zijden hoed te dragen, moet ik voor
de knechts jenever en bier halen, en dezen zullen jij en jou tegen
mij zeggen, en dat is beleedigend; doch ik zal mij maar verbeelden,
dat dit alles slechts voor de grap is! Morgen--dat wil zeggen, als
ik knecht ben, dan ga ik mijn eigen weg, de anderen gaan mij niets
aan! Ik ga op de teekenacademie, krijg onderwijs in het teekenen,
heet architect!--Dat is iets, dat is veel!--Ik kan Weledele Heer, ja
Weledelgeboren Heer worden, ja zelfs nog een deftiger titel krijgen,
en ik bouw en bouw, evenals de anderen vóór mij gebouwd hebben. Dat
is altijd iets, waarop men kan bouwen. Het geheel is iets!»
«Maar ik vind dat iets eigenlijk niets!» sprak de vierde; «ik wil
niet in het zog van anderen varen, geen kopie zijn; ik wil een genie
zijn, ik wil meer beteekenen dan jelui allemaal met elkaar. Ik ben de
schepper van een nieuwen bouwstijl, ik geef het idee voor een gebouw
aan de hand, passend voor het klimaat en de materialen van het land,
voor de nationaliteit van het volk, voor de ontwikkeling der eeuw,
en geef bovendien nog een verdieping toe voor mijn genie!»
«Maar als nu het klimaat en de materialen niet deugen?» zei de
vijfde. «Dat zou een onaangename omstandigheid zijn, want zij oefenen
hun invloed uit. De nationaliteit kan zich ook zoodanig uitbreiden,
dat zij onnatuurlijk en gemaakt wordt; de ontwikkeling der eeuw kan
met je op hol gaan, evenals de jeugd dikwijls op hol gaat. Ik zie
het al aankomen, dat geen van jelui iets zal worden ofschoon je
hetzelf ook denkt! Maar doet, wat je wilt, ik zal je niet gelijk
zijn; ik stel mij buiten de zaken, ik wil over datgene redeneeren,
wat jelui uitvoert. Aan ieder ding kleeft iets, wat niet juist is,
iets verkeerds, dat zal ik opsporen en bespreken; dat is iets!»
Dat deed hij dan ook, en de menschen zeiden van den vijfde: «In hem zit
bepaald iets! Het is een schrandere kop! Maar hij. doet niets!»--Doch
juist daarom was hij iets!
Zie, dat is maar een kleine geschiedenis, en toch heeft zij geen einde,
zoolang de wereld bestaat.
Maar werd er dan verder niets van de vijf broeders?--Dat was immers
niets en niet iets!
Laat ons verder hooren!
De oudste broeder, die baksteenen vervaardigde, merkte al spoedig,
dat er van iederen steen, als deze gereed was, een kleine munt,
al was het er ook maar een van koper, afviel; maar vele koperen
penningen, bij elkaar gelegd, maken een daalder, en waar men met zulk
een muntstuk aanklopt, hetzij bij den bakker, of bij den slager, of
bij den kleermaker, ja, bij allen, daar vliegt de deur open, en men
krijgt, wat men moet hebben; zie, dat werpen de steenen af;--enkele
verbrokkelden wel is waar of sprongen in tweeën, maar zulke kon men
ook wel gebruiken.
Op den hoogen aarden wal, den beschermenden dijk aan de zeekust,
wilde een arme vrouw, Margaretha genaamd, een huisje bouwen; zij
kreeg al de verbrokkelde steenen en daarbij nog eenige heele, want de
oudste broeder bezat een goed hart, al bracht hij het ook niet verder,
dan dat hij baksteenen vervaardigde.
De arme vrouw bouwde haar huisje zelf; het was wel is waar klein
en bekrompen, het eene raam zat scheef, de deur was te laag en het
stroodak had beter gelegd kunnen worden; maar beschutting verleende het
toch, en ver over de zee, die met geweld tegen den muur aanklotste,
kon men van uit het huisje zien; de zilte golven deden haar schuim
over het geheele huis spatten, dat er nog stond, toen hij, die de
steenen daarvoor vervaardigd had, al lang dood en begraven was.
De tweede broeder, die had nu meer verstand van het metselen; hij had
dit dan ook geleerd. Toen zijn proefjaren als gezel ten einde waren,
deed hij zijn ransel om en hief het lied van den handwerksman aan:
«Daar ik jong ben, ga 'k op reis,
Buiten wil ik huizen bouwen,
Gaan van plaats tot plaats in 't rond;
Jonkheid geeft ons zelfvertrouwen.
Keer ik weer in 't vaderland,
't Meisje wacht mij, dat ik min.
'k Word gauw baas! Met vromen zin
Roep ik: Leev' de werkmansstand!»
En baas werd hij dan ook. Toen hij teruggekomen en baas geworden was,
metselde hij in de stad het eene huis na het andere, een heele straat,
en toen de straat voltooid was, er goed uitzag en de stad tot sieraad
strekte, bouwden de huisjes hem weer een huis, dat zijn eigendom zou
zijn. Maar hoe kunnen de huizen bouwen? Vraag het hun, en zij zullen
u het antwoord schuldig blijven; maar de menschen zullen het woord
opvatten en zeggen: «Zeker heeft de straat hem een huis gebouwd!»
Klein was het, en de vloer was met leem belegd, maar toen hij met
zijn bruid over den leemen vloer danste, werd deze blank en glad,
en uit iederen steen in den muur schoot een bloem te voorschijn en
versierde de kamer als met het kostbaarste tapijt. Het was een lief
huis en een gelukkig echtpaar. Het vaandel van het gild wapperde uit
het huis, en gezellen en leerjongens riepen: «Hoera!» Ja, dat was
iets! En toen stierf hij: dat was ook iets!
Nu kwam de architect, de derde broeder, die eerst krullejongen geweest
was, met een pet geloopen had en boodschappen had gedaan, maar die
op de academie geweest en eindelijk tot bouwmeester opgeklommen was,
en nu een «Weledelgeboren Heer» genoemd werd.
Hadden de huizen der straat voor zijn broeder, die metselaarsbaas was,
een huis gebouwd, naar hem werd de straat genoemd, en het mooiste huis
uit de straat werd zijn eigendom; dat was iets, en hij was iets--en
dat met een langen titel van voren en van achteren. Zijn kinderen
noemde men «jongeheeren en jongejuffrouwen,» en toen hij stierf,
was zijn weduwe een «douairière,»--dat is iets! En zijn naam bleef
voor immer op den hoek van de straat geschreven staan en leefde in
aller mond voort als de naam van een straat,--ja, dat is iets!
Daarop kwam het genie, de vierde broeder, die iets nieuws, iets
buitengewoons, en nog een verdieping daarenboven wilde uitvinden;
maar deze viel naar beneden en brak zijn nek;--maar hij kreeg een mooie
begrafenis met gildevaandels en muziek, bloemen in de courant en op de
straat over de steenen heen, en men hield voor hem drie lijkredenen,
de een al langer dan de andere, en dat zal hem heel veel plezier
gedaan hebben; want hij had graag, dat er over hem gesproken werd;
ook werd er een monument op zijn graf opgericht, wel is waar slechts
één verdieping hoog, maar dat is toch altijd iets!
Hij was nu gestorven, evenals dit met zijn drie andere broeders het
geval was; maar de laatste, die redeneerde, overleefde ze allemaal,
en dat was juist, zooals het wezen moest; want daardoor kreeg hij
immers het laatste woord, en het was voor hem van zeer veel gewicht,
het laatste woord te hebben. «Hij was toch een schrandere kop!»
zeiden de menschen.--Maar eindelijk sloeg ook zijn ure; hij stierf
en kwam voor de poort des hemels. Daar traden altijd twee te gelijk
binnen; hij stond daar met een andere ziel, die er ook graag in wilde,
en dit was juist de oude vrouw Margaretha uit het huis op den dijk.
«Dat gebeurt zeker om het contrast, dat ik en deze ellendige ziel hier
tegelijkertijd moeten aankomen!» zei de liefhebber van redeneeren. «Wel
zoo! Wie ben je; vrouwtje? Wil je er ook in?» vroeg hij.
De oude vrouw maakte een buiging, zoo goed als zij dit kon; zij dacht,
dat het Petrus zelf was, die tegen haar sprak. «Ik ben een oude arme
vrouw zonder eenige familie, ik ben de oude Margaretha uit het huis
op den dijk.»
«Welnu, wat hebt ge op de wereld uitgevoerd?»
«Ik heb waarlijk niets op de wereld uitgevoerd, niets, waarom de poort
hier voor mij zou kunnen ontsloten worden. Het zal een waarachtige
genade zijn, als men mij vergunt, dat ik door de poort binnentreed!»
«Op welke wijze hebt ge de wereld verlaten?» vroeg hij verder, om toch
ergens over te spreken, daar het hem verveelde, daar te staan wachten.
«Ja, hoe ik haar verlaten heb, dat weet ik niet! Gedurende het laatste
jaar ben ik ziek en ellendig geweest, en ik heb het zeker niet kunnen
verdragen, uit het bed te komen en in vorst en koude zoo plotseling
de deur uit te gaan. Het is een strenge winter, maar nu heb ik het
immers doorgestaan. Het was eenige dagen stil weer, maar erg koud,
zooals ge zelf wel weet; het ijs lag zoover in de zee, als men zien
kon; al de menschen uit de stad wandelden over het ijs; daar was,
zooals zij zeiden, schaatsenrijden en dans, geloof ik; groote muziek
en traktatie was daar ook; de muziek drong tot het armoedige kamertje,
waarin ik lag, door. En toen was het zoo tegen den avond; de maan was
prachtig opgekomen, maar nog niet in haar vollen glans; ik keek uit
mijn bed over de ruime zee heen, en daar buiten, aan den rand van
de lucht en de zee, kwam een zonderlinge witte wolk te voorschijn;
ik lag en zag de witte wolk aan, ik zag ook het zwarte puntje in het
midden van de wolk, dat al grooter en grooter werd; en nu wist ik,
wat dat te beteekenen had; ik ben ervaren, ofschoon men dat teeken niet
dikwijls ziet. Ik kende het, en een huivering voer mij door de leden.
«Ik heb iets dergelijks al tweemaal van mijn leven gezien, ik
wist, dat er een verschrikkelijke storm met een springvloed uit
zou voortkomen, die de arme menschen daarbuiten, die nu dronken,
rondsprongen en juichten, zou overvallen; jong en oud, de geheele
stad was immers buiten; wie zou ze waarschuwen, als niemand daar
dit zag en de beteekenis er van wist, hetgeen met mij wel het geval
was? Ik kwam mijn bed uit en ging naar het raam; verder kon ik mij
van vermoeidheid niet sleepen.
«Toch gelukte het mij eindelijk, het raam open te schuiven, ik zag
de menschen buiten op het ijs loopen en springen; ik zag ook de mooie
vlaggen, die in den wind wapperden; ik hoorde de jongens hoera! roepen,
knechts en meiden zingen; het ging vroolijk toe; maar--die witte wolk
met dat zwarte stipje!
«Ik riep zoo hard, als ik maar kon; doch niemand hoorde mij; ik was te
ver van de menschen vandaan. Spoedig moest de storm losbarsten en het
ijs breken, en dan zouden allen, die er op waren, reddeloos verloren
zijn. Zij konden mij niet hooren, ik kon hun geen wenk geven; o, kon
ik ze maar op het land brengen! Nu gaf de goede God mij de gedachte
in, mijn bed in brand te steken en liever mijn heele huisje te laten
verbranden, dan dat zoo velen jammerlijk zouden omkomen.
«Het gelukte mij, voor hen een licht te ontsteken; de roode vlam steeg
hoog op,--ja, ik ontkwam gelukkig uit de deur; maar voor deze bleef ik
liggen; ik kon niet verder; de vlam kwam naar mij toe; flikkerde uit
de ramen, sloeg hoog boven het dak uit; al de menschen buiten op het
ijs zagen haar, en allen liepen zoo hard als zij konden, om een arme
ter hulp te snellen, die, zooals zij dachten, gevaar liep om levend te
verbranden; niet een was er, die niet holde; ik hoorde ze komen, maar
ik hoorde ook, hoe het eensklaps in de lucht bruiste, ik hoorde het
dreunen als zware kanonschoten; de springvloed hief den ijsvloer op,
die in duizend stukken barstte; maar de menschen bereikten den dijk,
waar de vonken over mij heenvlogen; ik redde ze allen!--Doch ik heb
de koude niet kunnen verdragen en ook niet den schrik, en zoo ben ik
hier aan de poort des hemels gekomen; men zegt immers, dat er ook voor
zulk een arm mensch als ik ben opengedaan wordt, en nu heb ik immers
geen huis beneden op den dijk,--doch dat geeft mij zeker geen toegang!»
Daar ging de poort des hemels open, en de engel bracht de oude
vrouw binnen, zij verloor een strootje, een van die strootjes,
welke er in haar bed gezeten hadden, toen zij dit in brand stak,
om velen te redden, en dat had zich in het zuiverste goud veranderd
en wel in zulk goud, dat aldoor toenam en de schoonste bloemen en
bladeren voortbracht.
«Zie eens! Dat heeft die arme vrouw gebracht!» zei de engel. «Wat
brengt gij? Ja, ik weet het wel, dat ge niets uitgevoerd hebt: niet
eens een baksteen hebt ge gemaakt; als ge maar weer kondt teruggaan
en het althans zoo ver brengen; waarschijnlijk zou de steen, als ge
dien gemaakt hadt, niet veel waard zijn; maar als hij met een goeden
wil gemaakt was, dan zou het toch altijd iets zijn; maar ge kunt niet
terug, en ik kan niets voor u doen!»
Nu deed de arme ziel, het moedertje uit het huis op den dijk, een
goed woord voor hem: «Zijn broeder heeft mij de steenen gegeven,
waarvan ik mijn armzalig huis gebouwd heb, en dat was zeer veel voor
mij, arme! Zouden nu niet al die halve en heele steenen als één steen
voor hem kunnen gelden? Het is een daad van genade! Hij heeft daaraan
nu behoefte, en hier is immers de bron van genade!»
«Uw broeder, diegene, dien gij den geringste noemdet,» zei de engel,
«diegene, wiens eerlijk werk u het nederigst toescheen, schenkt u zijn
hemelsche gave. Ge zult niet teruggewezen worden; het zal u vergund
zijn, hier buiten te staan en na te denken, maar er in komt ge niet,
voordat ge inderdaad--iets uitgevoerd hebt!»
«Dat zou ik beter hebben kunnen zeggen!» dacht de liefhebber van
redeneeren; maar hij sprak dit niet overluid uit, en dat was ten
minste al iets!