Zoo even hebben wij een klein reisje gemaakt, en reeds verlangen
wij naar een ander. Waar naar toe? Naar Sparta, naar Mycene, naar
Delphi? Er zijn honderd plaatsen, bij het noemen waarvan het hart van
reislust klopt. Het gaat te paard de bergpaden op, tusschen boomen en
struiken door; de enkele reiziger doet zich als een geheele karavaan
voor. Zelf rijdt hij met zijn gids voorop, een pakpaard draagt koffer,
tent en proviand, een paar gendarmes komen tot zijn bescherming
achteraan. Geen logement met zachte bedden wacht hem na de vermoeide
dagreis, de tent is dikwijls zijn dak in de groote, woeste natuur,
de gids kookt een pilau [13] voor het avondeten; duizenden muggen
zwermen om de kleine tent heen, het is een treurige nacht, en morgen
voert de weg over sterk gezwollen rivieren; zit vast op uw paard,
opdat ge niet door den stroom meegesleept wordt!
Welk loon valt u voor deze bezwaren ten deel? Het grootste en
rijkste! De natuur openbaart zich hier in al haar grootheid, iedere
plek is historisch, oogen en gedachten zwelgen. De dichter kan het
bezingen, de schilder in rijke beelden voorstellen; maar den geur
der werkelijkheid, die voor eeuwig in de ziel des aanschouwers
binnendringt, vermogen zij niet weer te geven.
In vele kleine schetsen heb ik een poging gedaan om een kleine
uitgestrektheid van Athene met zijn omgeving aanschouwelijk te maken,
en toch, hoe kleurloos staat het geschetste beeld, hoe weinig geeft
het Griekenland weer, dien treurenden genius van het schoone, welks
grootheid en kommer de vreemdeling nimmer vergeet.
De eenzame herder boven op de rotsen zou door een eenvoudige vertelling
van een zijner levensontmoetingen misschien beter, dan ik door mijne
beelden, dengene de oogen kunnen openen, die het land der Hellenen
in eenige trekken wil aanschouwen.
Laat hem dan spreken! zegt mijn Muze. Een gebruik, een eigenaardig
gebruik moet den herder daar op den berg de stof voor zijn vertelling
aan de hand doen, namelijk:
«HET VRIENDSCHAPSVERBOND.»
Ons huis was uit leem samengesteld; maar de deurposten bestonden
uit marmeren zuilen, die gevonden waren op de plek, waar men het
huis bouwde. Het dak reikte bijna tot aan den grond toe; nu was het
zwartachtig bruin en leelijk, maar toen het gemaakt werd, bestond het
uit bloeiende oleander- en groene lauriertakken, die achter de bergen
vandaan gehaald waren. Rondom onze woning was niet veel plaats; de
bergen liepen steil op en hadden een kale, zwarte kleur, aan hun toppen
hingen dikwijls wolken, als witte, levende gestalten. Nooit hoorde ik
hier een zangvogel, nooit dansten de mannen hier op de tonen van den
doedelzak; maar de plaats was geheiligd uit oude tijden, zelfs de naam
herinnert daaraan, zij wordt immers Delphi genoemd. De donkere, statige
bergen waren alle met sneeuw bedekt; de hoogste, die het langst door
het roode schijnsel der avondzon bestraald werd, was de Parnassus; de
beek dicht bij ons huis stroomde er van af en was eenmaal ook heilig,
nu maakt de ezel haar met zijn pooten troebel, doch de stroom gaat
verder en wordt weer helder. Hoe herinner ik mij ieder plekje in zijn
heilige, diepe eenzaamheid! Midden in de hut werd vuur aangelegd, en
als de heete asch daar hoog en gloeiend lag, werd het brood daarin
gebakken. Als de sneeuw zich zoo hoog om onze hut opstapelde, dat
zij bijna niet meer te zien was, dan scheen moeder het vroolijkst te
zijn, dan hield zij mijn hoofd tusschen haar handen, drukte mij een
kus op het voorhoofd en zong de liedjes, die zij anders nooit zong;
want de Turken, onze heeren, lieten dit niet toe, en zij zong:
«Op den top van den Olympus, in het nederige dennenbosch, was een
oud hert; dof waren zijn oogen van tranen; roode, ja, groene en
lichtblauwe tranen weende het. Nu kwam er een reebok voorbij en
vroeg: «Wat scheelt er toch aan, dat ge zoo weent, roode, groene,
ja, lichtblauwe tranen weent?»--«De Turk is in onze stad gekomen en
gebruikt wilde honden bij zijn jacht, een heelen troep!»--«Ik jaag ze
over de eilanden,» zei de jonge reebok, «ik jaag ze over de eilanden in
de diepe zee!»--Maar voordat de avond daalde, was de reebok verslagen,
en voordat de nacht aanbrak, was het hert gedood!»
En als moeder dit zong, werden haar oogen vochtig, en aan haar lange
wimpers parelde een traan, maar zij pinkte dien weg en bakte ons
brood in de asch. Dan balde ik mijn vuist en zeide: «We zullen de
Turken doodslaan!» maar dan herhaalde zij uit het lied: «Ik jaag ze
over de eilanden in de diepe zee!--Maar voordat de avond daalde, was
de reebok verslagen, en voordat de nacht aanbrak, was het hert gedood!»
Verscheidene dagen en nachten waren wij eenzaam in onze hut geweest;
daar kwam vader thuis; ik wist, dat hij voor mij mosselschelpen
uit de golf van Lepanto zou meebrengen, of ook een mes, scherp en
blinkend. Ditmaal bracht hij ons een kind, een klein, naakt meisje, dat
hij onder zijn schaapspels hield; het was in een dierenhuid gewikkeld,
en alles, wat de kleine bezat, toen zij zonder deze op den schoot
van mijn moeder lag, waren drie zilveren geldstukken, die in haar
zwarte lokken vastgemaakt waren. Vader vertelde van de Turken, die de
ouders van het kind doodgeslagen hadden; hij vertelde ons zooveel,
dat ik er den heelen nacht van droomde.--Vader was zelfs gekwetst,
moeder verbond zijn arm, de wond was diep, de dikke schaapspels zat
aan het geronnen bloed vastgekleefd. Het kleine meisje zou mij tot een
zuster zijn. O, wat was het beeldschoon! De oogen van moeder waren
niet vriendelijker dan de hare. Anastasia, zooals zij genoemd werd,
zou mijn zuster zijn; want haar vader had zich aan den mijnen verbonden
naar oud gebruik, zooals wij dit nog in eere houden. Zij hadden in
hun jeugd broederschap gesloten en het schoonste en deugdzaamste
meisje uit den geheelen omtrek gekozen, om hun vriendschapsverbond
te wijden. Dikwijls hoorde ik van dit zonderlinge, treffende gebruik.
Nu was de kleine mijn zuster; zij zat op mijn schoot, ik bracht haar
bloemen en de veeren der vogels, wij dronken samen uit de wateren
van den Parnassus en sliepen hoofd aan hoofd onder het laurieren dak
der hut, terwijl moeder nog menigen winter van de roode, groene en
lichtblauwe tranen zong! Maar nog begreep ik niet, dat het mijn eigen
volk was, welks duizendvoudige zorgen zich in deze tranen afspiegelden.
Op zekeren dag kwamen er drie Frankische mannen; dezen waren anders
dan wij gekleed. Hun bedden en tenten hadden zij op paarden, en meer
dan twintig Turken, allen met sabels en geweren gewapend, vergezelden
hen; want ze waren vrienden van den pacha en hadden brieven van
vrijgeleide van hem bij zich. Zij kwamen slechts om onze bergen
te zien, om in sneeuw en wolken den Parnassus te beklimmen, en de
zonderlinge, zwarte, steile rotsen rondom onze hut te bekijken. Zij
hadden daarin geen plaats, en konden ook den rook niet verdragen,
die onder de zoldering bleef hangen en langzaam door de lage deur
naar buiten trok, zij sloegen hun tenten daarom naast onze hut op,
braadden lammeren en vogels, schonken zoete, krachtige wijnen in,
maar de Turken mochten daarvan niet drinken.
Toen zij wegreisden, vergezelde ik hen een eindweegs, en mijn
zusje Anastasia hing, in een bokkevel genaaid, op mijn rug. Een
der Frankische heeren zette mij tegen een rots aan en teekende mij
en haar uit, precies zooals wij daar stonden; wij zagen er als één
schepsel uit;--nooit had ik er aan gedacht, maar Anastasia en ik
waren immers één, altijd zat zij op mijn schoot of hing op mijn rug,
en als ik droomde, verscheen zij mij in mijn droomen.
Twee nachten later kwamen er andere menschen, met messen en geweren
gewapend, in onze hut. Het waren Albaneezen, moedige lieden, zooals
moeder zeide. Zij vertoefden slechts korten tijd; mijn zusje Anastasia
zat op den schoot van een hunner,--toen zij weg waren, had zij twee
en niet meer drie geldstukken in haar lokken. Zij rolden tabak in
papiertjes en rookten deze; de oudste sprak over den weg, dien zij
moesten inslaan, en was daaromtrent in het onzekere. «Als ik in de
hoogte spuw,» zeide hij, «dan komt het op mijn gezicht, als ik naar
beneden spuw, dan komt het in mijn baard!»
Maar een weg moest er gekozen worden; zij gingen heen en vader
vergezelde hen. Al spoedig daarop hoorden wij schoten,--er deed zich
nogmaals een knal hooren; soldaten drongen onze hut binnen en namen
moeder, mij en Anastasia gevangen; de roovers hadden hun verblijf bij
ons gehouden, vader was hun aanvoerder geweest, daarom moesten wij
weg. Ik zag de lijken der roovers, ik zag het lijk van mijn vader,
en weende, totdat ik in slaap viel. Toen ik wakker werd, waren wij in
de gevangenis; maar de kamer was niet slechter dan die in onze eigen
hut; ik kreeg uien en harsachtigen wijn, dien zij uit een geteerden
zak schonken: beter hadden wij het te huis ook niet.
Hoe lang wij gevangen bleven, weet ik niet; maar er verliepen vele
dagen en nachten. Toen wij vrijgelaten werden, was het het heilige
Paaschfeest; ik droeg Anastasia op mijn rug; want moeder was ziek; zij
kon slechts langzaam loopen, en het was een heel eind, voordat wij aan
de zee, aan de golf van Lepanto kwamen. Wij traden een kerk binnen,
die van beelden op een gouden grond straalde; het waren engelen, en
dezen zagen er heel lief uit, maar het kwam mij toch voor, dat onze
kleine Anastasia er even lief uitzag. Midden op den vloer stond een
doodkist vol rozen. «De Heere Jezus ligt daar als een schoone bloem,»
zei mijn moeder, en «Christus is opgestaan!»
Alle menschen omarmden elkaar. Ieder hield een brandende kaars in de
hand, ik kreeg er zelf ook een, en Anastasia eveneens; de doedelzakken
klonken, mannen dansten hand aan hand de kerk uit, en daarbuiten waren
vrouwen bezig het paaschlam te braden. Wij werden uitgenoodigd om er
deel aan te nemen, en ik ging bij het vuur zitten. Een knaap, ouder
dan ik, sloeg zijn armen om mijn hals, kuste mij en zeide: «Christus is
opgestaan!» Zoo ontmoetten Aphtanides en ik elkaar voor de eerste maal.
Moeder kon vischnetten breien, dat gaf haar hier bij de golf een goede
verdienste, en wij bleven geruimen tijd bij de zee wonen,--de schoone
zee, die als tranen smaakte en mij door haar kleuren aan de tranen
van het hert deed denken: nu eens was zij immers rood, dan groen,
en dan weer blauw.
Aphtanides wist de boot te besturen, en ik zat er met mijn kleine
Anastasia in; zij gleed over het water als een wolk door de lucht. Als
dan de zon onderging, kleurden zich de bergen met een donkerder blauw,
de eene bergketen verhief zich boven de andere, en het verst stond
de Parnassus met zijn sneeuw. In de avondzon schitterde de bergtop
als gloeiend ijzer; hij zag er uit, alsof het licht van binnen kwam,
want lang nadat de zon ondergegaan was, flikkerde hij in de blauwe,
heldere lucht; de witte watervogels raakten den waterspiegel met hun
vlerken aan; overigens was het hier even stil als bij Delphi tusschen
de zwarte rotsen. Ik lag in de boot op mijn rug. Anastasia lag aan
mijn borst, en de sterren boven ons fonkelden nog helderder dan
de lampen in onze kerk. Het waren dezelfde sterren, en zij stonden
op dezelfde plaats boven mij, als toen ik te Delphi voor onze hut
zat. Eindelijk kwam het mij voor, alsof ik daar nog was!--Daar plofte
er iets in het water, en de boot schommelde hevig; ik gaf een luiden
gil; want Anastasia was in het water gevallen, maar even snel sprong
Aphtanides haar achterna, en al spoedig daarop reikte hij haar aan
mij over! Wij trokken haar kleeren uit, wrongen het water er uit en
kleedden haar toen weer aan; dat deed Aphtanides. Wij bleven op het
water, totdat de kleeren van Anastasia weer heelemaal droog waren,
en niemand kwam iets te weten van den schrik, dien wij met de kleine
pleegzuster gehad hadden, aan wier leven Aphtanides nu immers deel had.
De zomer kwam. De zon brandde zoo heet, dat de bladeren der boomen
verdorden; ik dacht aan onze koele bergen, aan het frissche water,
dat wij daar hadden; ook moeder verlangde daarnaar, en op zekeren
avond ondernamen wij de terugreis. Welk een rust, welk een stilte! Wij
liepen door den hoogen tijm, die nog geur van zich gaf, ofschoon de
zon zijn bladeren verzengd had. Geen enkelen herder ontmoetten wij,
geen enkele hut kwamen wij voorbij. Alles was stil en eenzaam; slechts
een vallende ster zeide, dat daarboven in den hemel nog leven was. Ik
weet niet, of de heldere, blauwe lucht zelf licht van zich gaf, dan
of het de stralen der sterren waren; wij herkenden de omtrekken der
bergen zeer goed. Mijn moeder legde vuur aan, kookte uien, die zij
meegebracht had, en mijn zusje en ik sliepen in den tijm, zonder vrees
voor den afschuwelijken Smidraki [14] uit wiens muil vlammen springen,
of voor den wolf en den jakhals; moeder zat immers naast ons, en dat
was voldoende voor onze veiligheid.
Wij bereikten onze vroegere woonplaats; maar de hut was in een puinhoop
veranderd, er moest dus een nieuwe gebouwd worden. Eenige vrouwen
hielpen moeder, en binnen weinige dagen waren de muren opgetrokken
en was er een nieuw dak van oleander op gezet. Mijn moeder vlocht
van huiden en boomschors vele foedralen voor flesschen, ik hoedde de
kudde der priesters [15]; Anastasia en de kleine schildpadden waren
mijn speelkameraden.
Op zekeren dag kregen wij bezoek van den geliefden Aphtanides; hij
verlangde zoo, ons te zien, zeide hij, en hij bleef twee volle dagen
bij ons.
Na verloop van een maand kwam hij weer en vertelde, dat hij met een
schip naar Patras en Corfu wilde; vooraf echter wilde hij ons vaarwel
zeggen; voor onze moeder bracht hij een grooten visch mee. Hij wist
zeer veel te vertellen, niet alleen van de visschers aan de golf van
Lepanto, maar ook van koningen en helden, die eenmaal Griekenland
beheerscht hadden, evenals nu de Turken deden.
Ik heb den rozeboom een knop zien krijgen en gezien, hoe deze zich
in dagen en weken tot een bloem ontplooide; hij werd dit, eer ik er
aan dacht. Wat was zij groot, schoon en rood! Zoo ging het ook met
Anastasia. Zij was een mooi volwassen meisje, en ik een krachtige
jongeling. De wolfshuiden op het bed van moeder en van Anastasia had
ik zelf afgestroopt van de dieren, die onder mijn schot gevallen waren.
Jaren waren er verloopen. Nu kwam op zekeren avond Aphtanides, slank
als een riet, krachtig en bruin; hij gaf ons allen een kus en wist
van de groote zee, van Malta's vestingwerken en Egypte's zonderlinge
graven te vertellen; het klonk mij wonderbaar in de ooren als een
legende der priesters; ik zag met een soort van eerbied tot hem op.
«Wat weet ge veel!» zei ik. «Wat kunt ge aardig vertellen!»
«Gij hebt mij toch eenmaal het schoonste verteld!» zeide hij. «Gij
hebt mij verteld, wat mij nooit uit de gedachten gegaan is, van het
schoone, oude gebruik, het vriendschapsverbond, dat gebruik, dat ik
wel graag zou willen navolgen. Broeder! laat ons beiden ook, evenals
de vaders van u en Anastasia gedaan hebben, naar de kerk toe gaan;
het schoonste en onschuldigste meisje is Anastasia; zij moet ons
wijden! Geen volk heeft toch schoonere gebruiken dan wij Grieken.»
Anastasia bloosde als een jonge roos; mijn moeder gaf Aphtanides
een kus.
Op een uur afstands van onze hut, daar, waar op de rotsen losse
aarde ligt en eenige boomen schaduw werpen, stond de kleine kerk;
een zilveren lamp hing voor het altaar.
Ik had mijn beste kleeren aangetrokken, de witte fustanella viel in
rijke plooien langs mijn heupen neer, het roode wambuis sloot mij nauw
om de leden, aan den kwast van mijn fez zat zilver, in mijn gordel
staken messen en pistolen. Aphtanides had zijn blauwe kleeding aan,
zooals Grieksche zeelieden dragen. Op zijn borst hing een zilveren
plaat omzet met schitterende steenen, zijn sjerp was kostbaar, zooals
slechts de rijke heeren er een dragen. Iedereen kon wel zien, dat ons
een plechtigheid wachtte. Wij traden de kleine, stille kerk binnen,
waar de avondzon door de deur de brandende lamp en de bonte beelden op
den gouden grond bestraalde. Wij knielden op de trappen van het altaar
neer, en Anastasia plaatste zich voor ons; een lang, wit gewaad hing
los en luchtig om haar schoone gestalte; haar blanke hals en haar borst
waren met een ketting van oude en nieuwe munten bedekt; deze vormden
een kraag. Haar zwart haar was op het hoofd opgestoken en werd door een
klein hoofddeksel van zilveren en gouden munten vastgehouden, die in de
oude tempels gevonden waren. Een schooner sieraad bezat geen Grieksch
meisje. Haar gezicht fonkelde, haar oogen waren als twee sterren.
Stil baden wij alle drie; daarop vroeg zij ons: «Wilt gij vrienden
zijn in leven en dood?»--«Ja!» antwoordden wij.--«Wilt ge u, wat er
ook moge gebeuren, dit herinneren: mijn broeder is een deel van mij;
mijn geheim, mijn geluk is het zijne; opoffering, volharding, alles
in mij behoort hem zoowel als mij?» En wij herhaalden ons «ja!»
Zij legde onze handen in elkaar, drukte ons een kus op het voorhoofd,
en wij baden weer zachtjes. Nu trad de priester uit de deur naast
het altaar, zegende ons alle drie, en een gezang van de andere
allerheiligste heeren klonk achter den muur van het altaar. Het
verbond van eeuwige vriendschap was gesloten. Toen wij opstonden,
zag ik mijn moeder weenende aan de deur der kerk staan.
Wat was het vroolijk in onze kleine hut en aan Delphi's bronnen! Den
avond, voordat Aphtanides zou vertrekken, zat hij peinzend evenals ik
tegen de helling der rots aan; zijn arm was om mijn middel geslagen,
de mijne om zijn hals; wij spraken over de ellende van Griekenland en
over de mannen, die het kon vertrouwen. Iedere gedachte onzer zielen
lag duidelijk voor ons beiden open; nu greep ik zijn hand.
«Één ding moet ge nog weten, één ding, dat tot hiertoe slechts ik en
God geweten hebben! Mijn geheele ziel is liefde! 't Is een liefde,
sterker dan die ik mijn moeder en u toedraag....»
«En wie hebt ge lief?» vroeg Aphtanides, en zijn gezicht en zijn hals
werden vuurrood.
«Ik heb Anastasia lief!» zei ik,--en zijn hand beefde in de mijne; hij
werd zoo wit als een doek; ik zag het, ik begreep het en ik merkte,
dat ook mijn hand beefde; ik boog mij naar hem voorover, drukte hem
een kus op het voorhoofd en fluisterde: «Ik heb het haar nooit gezegd,
zij heeft mij misschien niet lief!--Broeder! denk er aan, ik zag haar
dagelijks; zij is aan mijn zijde opgegroeid, één met mijn ziel!»
«En u zal zij toebehooren!» zeide hij. «Ik mag u niet bedriegen, en ik
wil dit ook niet. Ook ik heb haar lief!--Maar morgen vertrek ik. Over
een jaar zien wij elkaar weer; dan zijt ge getrouwd, niet waar?--Ik
bezit eenig goud, het behoort u toe, ge moet, ge zult het aannemen!»
Zwijgend wandelden wij over de rotsen; het was laat op den avond,
toen wij voor de hut van mijn moeder stonden.
Anastasia hield ons de lamp toe, toen wij binnentraden, mijn moeder
was er niet. Zij keek verwonderlijk weemoedig naar Aphtanides.
«Morgen gaat ge ons verlaten!» zeide zij. «Wat spijt mij dat!»
«Spijt het u?» zeide hij, en er scheen mij in deze woorden een smart
te liggen, even groot als de mijne. Ik kon niet spreken; maar hij
greep haar bij de hand en zeide: «Onze broeder daar heeft u lief;
hij is u dierbaar! Zijn zwijgen bewijst juist zijn liefde.»
Anastasia beefde en barstte in tranen uit; nu zag ik slechts haar,
dacht slechts aan haar, sloeg mijn arm om haar middel en zeide: «Ja,
ik heb u lief!» Zij drukte haar lippen op de mijne en sloeg haar armen
om mijn hals; maar de lamp was op den grond gevallen, het was donker
om ons heen, evenals in het hart van den armen Aphtanides.
Voor het aanbreken van den dag stond hij op, kuste ons allen tot
afscheid en ging heen. Aan mijn moeder had hij zijn geld voor ons
gegeven. Anastasia was mijn verloofde en na verloop van weinige dagen
mijn vrouw!