In de warme landen brandt de zon zeer sterk; daar worden de menschen
zoo bruin als mahoniehout; ja, in de warmste landen worden zij zelfs
tot negers gebrand. Naar deze warme landen was een geleerd man uit
de koude streken vertrokken. Deze dacht nu, dat hij daar eveneens
kon rondloopen als in zijn vaderland; maar van die meening kwam hij
al spoedig terug. Hij en alle verstandige lieden moesten in huis
blijven: de luiken en deuren werden den heelen dag gesloten; het
had den schijn, alsof allen in huis sliepen of uitgegaan waren. De
nauwe straat met de hooge huizen, waarin hij woonde, was echter ook
zoo gebouwd, dat de zon er van den ochtend tot den avond in moest
schijnen; het was werkelijk onverdraaglijk. De geleerde uit de koude
streken was een jong, kundig man; het kwam hem voor, alsof hij in
een gloeienden oven zat; dat deed hem veel kwaad: hij werd mager;
zelfs zijn schim kromp en werd veel kleiner dan hij [10] in zijn
vaderland geweest was; de zon nam ook zelfs dezen mede, en hij begon
's avonds, als zij ondergegaan was, eerst te leven. Het was een aardig
tooneel, dit aan te zien: zoodra er licht in de kamer gebracht werd,
rekte de schim zich tegen den muur uit, ja nog verder, tot aan de
zoldering, zoo lang maakte hij zich; hij moest zich wel uitrekken, om
weer tot vroegere krachten te komen. De geleerde ging op het balkon
om zich te verfrisschen, en zoodra de sterren aan den prachtigen,
helderen hemel te voorschijn kwamen, was het hem, alsof hij weer
herleefde. Op al de balkons in de straat,--en in de warme landen is
er voor ieder raam een balkon,--vertoonden zich nu menschen; want
versche lucht moet men toch hebben, al is men er ook aan gewoon,
zoo bruin als mahoniehout te worden; dan werd het boven en beneden
levendig; beneden stalden schoenmakers en kleermakers hun goederen op
de straat uit; dan bracht men tafels en stoelen, en werden er lichten
opgestoken, ja, over de duizend lichten: de een sprak, een ander zong,
en de menschen wandelden; er reden rijtuigen, er draafden muildieren,
«klingelingling,»--deze dragen namelijk schelletjes aan hun tuig,--er
werden lijken met gezang begraven; de kerkklokken luidden; ja, het
was werkelijk zeer druk en levendig op de straat. Slechts in één huis,
tegenover dat, waar de vreemde, geleerde man woonde, was het doodstil;
en toch woonde daar iemand, want er stonden bloemen op het balkon,
en deze bloeiden heerlijk in de zonnehitte; en dat hadden zij niet
kunnen doen, als zij niet van tijd tot tijd begoten werden, en iemand
moest ze toch begieten. Menschen moeten er dus wel wonen. De deur
werd ook tegen den avond op een kier gezet; maar dan was het donker,
althans in de voorkamer; uit het binnenste van het huis hoorde
men muziek. De vreemde, geleerde man vond deze allerprachtigst;
doch het was ook wel mogelijk, dat hij het zich maar verbeeldde,
want hij vond daar in die warme landen alles voortreffelijk, als er
maar geen zon geweest was. De huisheer van den vreemdeling zeide,
dat hij niet wist, wie het huis aan den overkant gehuurd had; men
zag er geen menschen, en wat de muziek betrof, het kwam hem voor,
dat deze verschrikkelijk vervelend was. «Het was, alsof daar iemand
een stuk zat in te studeeren, dat hij toch niet goed kon uitvoeren:
altijd hetzelfde stuk. ««Ik speel het toch goed!»» denkt hij zeker;
maar hij doet het nooit goed, hoe lang hij ook speelt.»
Eens werd de vreemdeling midden in den nacht wakker; hij sliep met
de deur van het balkon open; de wind lichtte het gordijn, dat er
voor hing, op, en nu scheen het hem toe, alsof er een wonderbare
glans van het balkon van het huis aan den overkant afstraalde: alle
bloemen vertoonden zich als vlammen in de schoonste kleuren, en midden
tusschen de bloemen stond een schoone, slanke maagd. Het was, alsof
zij insgelijks licht van zich gaf; het verblindde zijn oogen werkelijk,
doch hij had ze wat te wijd opengespalkt en kwam nog maar pas uit zijn
slaap. Met een enkelen sprong was hij uit zijn bed; zachtjes sloop
hij achter het gordijn;--maar de maagd was weg, de glans was weg,
de bloemen gaven geen licht meer van zich, maar stonden daar nog even
schoon als altijd; de deur stond op een kier en van binnen deed zich
muziek hooren, zoo heerlijk, zoo schoon, dat men zich daarbij werkelijk
in liefelijke gedachten kon verdiepen. Het was als een tooverwerk;
maar wie woonde daar? Waar was de eigenlijke ingang? Want aan den
straatkant en in het steegje had men in het geheele benedenhuis raam
aan raam, en daar konden de menschen toch niet altijd doorheen klimmen.
Op zekeren avond zat de vreemdeling op zijn balkon; in de kamer achter
hem brandde licht, en dus was het natuurlijk, dat zijn schim zich op
den muur van het huis aan den overkant afteekende; ja, daar zat hij
tusschen de bloemen op het balkon; en als de vreemdeling zich bewoog,
dan bewoog de schim zich ook.
«Ik geloof, dat mijn schim het eenige levende voorwerp is, wat men
daar aan den overkant ziet,» zei de geleerde man. «Kijk eens, hoe
aardig hij daar tusschen de bloemen zit; de deur staat maar op een
kier; nu moest de schim eens zoo slim zijn en naar binnen toe gaan,
daar eens rondkijken, dan terugkomen en mij vertellen, wat hij daar
gezien heeft. «Ja, je zoudt je daardoor verdienstelijk maken,» zei hij
schertsende. «Wees zoo goed en treed binnen! Welnu, zal je ook gaan?»
En daarop knikte hij den schim toe, en de schim knikte terug. «Komaan,
ga nu maar, en blijf niet weg!» En de vreemdeling stond op, en de schim
op het balkon aan den overkant stond ook op; de vreemdeling keerde
zich om: ja, als iemand er nauwkeurig op gelet had, dan zou hij gezien
hebben, hoe de schim de halfgeopende balkondeur van het huis aan den
overkant juist op hetzelfde oogenblik doorging, waarop de vreemdeling
naar zijn kamer terugkeerde en het lange gordijn liet zakken.
Den volgenden morgen ging de geleerde man uit, om koffie te
drinken en kranten te lezen. «Wat is dat?» zei hij toen hij in den
zonneschijn kwam. «Ik heb geen schim meer! Dus is hij gisteravond
dan toch werkelijk heengegaan en niet teruggekomen, dat is toch
recht verdrietig!»
Hij was hierover geërgerd, doch niet zoozeer omdat de schim weg was,
maar omdat hij wist, dat er een geschiedenis was van een man zonder
schim;--alle menschen in zijn vaderland waren met deze geschiedenis
bekend; en als de geleerde man nu in zijn vaderland terugkwam en
zijn eigen geschiedenis vertelde, dan zouden zij zeggen, dat het
maar een naäperij van hem was, en dat wilde hij liever niet van zich
laten zeggen. Hij zou er daarom maar niet over spreken, en dat was
verstandig van hem bedacht.
Toen het avond was, ging hij weer op zijn balkon; het licht had hij
wel is waar achter zich gezet, want hij wist, dat de schim altijd zijn
heer tot scherm wil hebben; maar hij kon hem niet te voorschijn doen
komen. Hij maakte zich klein, hij maakte zich lang; maar er was geen
schim en er kwam geen schim. Hij zeide: «Hm, hm!» maar dat hielp niets.
Dat was grievend; maar in de warme landen groeit alles zoo vlug,
en na verloop van acht dagen bemerkte hij dan ook tot zijn vurige
blijdschap, dat er een nieuwe schim uit zijn beenen groeide, als
hij in den zonneschijn kwam; de wortel moest alzoo zijn blijven
zitten. Na verloop van drie weken had hij een vrij grooten schim,
die, toen hij op de terugreis naar de noordelijke landen was, al meer
en meer aangroeide, zoodat hij eindelijk zoo lang en zoo breed was,
dat hij er best de helft van had kunnen missen.
Toen de geleerde man weer in zijn vaderland teruggekomen was,
schreef hij boeken over het ware, het goede en het schoone, dat er
in de wereld is, en er verliepen dagen, en er verliepen jaren,--er
verliepen vele jaren.
Daar zat hij op zekeren avond in zijn kamer, toen er zachtjes aan zijn
deur getikt werd. «Binnen!» riep hij; maar er kwam niemand binnen;
nu deed hij de deur open: daar stond een zoo buitengewoon mager man
voor hem, dat het hem wonderlijk te moede werd. Overigens was deze
man allerkeurigst gekleed: het moest zeker een deftig heer zijn.
«Met wien heb ik de eer te spreken?» vroeg hij.
«Ja, dat had ik wel gedacht,» zei de deftige heer, «dat ge mij niet
zoudt kennen: ik ben zooveel lichaam geworden, dat ik vleesch en
kleeren gekregen heb. Ge hebt er zeker nooit aan gedacht, dat ge mij in
zulk een toestand zoudt zien? Kent ge uw ouden schim dan niet meer? Ja,
ge hebt zeker niet gedacht, dat ik toch zou terugkomen. Het is met
mij buitengewoon goed gegaan, sedert ik de laatste maal bij u was;
ik ben in alle opzichten zeer vermogend geworden; als ik mij van den
dienst wil vrijkoopen, dan kan ik dit.» Hij rammelde met een menigte
kostbare sieraden, die aan zijn horloge hingen, en stak zijn hand
door den zwaren gouden ketting, dien hij om den hals droeg; en wat
fonkelden er aan al zijn vingers diamanten ringen! En alles was echt!
«Ik weet waarlijk niet, wat ik er aan heb!» zei de geleerde man. «Wat
moet dit alles beteekenen?»
«Nu, iets gewoons niet!» zei de schim. «Maar ge behoort immers zelf
ook niet tot de gewone menschen, en ik ben, zooals ge wel weet, van
kindsbeen af in uw voetstappen getreden. Zoodra ge vondt, dat ik rijp
genoeg was, om alleen in de wereld voort te komen, ging ik mijn eigen
weg; ik verkeer in de gunstigste omstandigheden. Maar er overviel mij
een soort van verlangen om u nog eenmaal te zien, voordat ge sterft;
ik wilde deze streken weerzien, want men blijft toch altijd aan zijn
vaderland gehecht. Ik weet, dat ge een anderen schim gekregen hebt;
heb ik aan hem of aan u iets te betalen? Wees maar zoo goed, dit
te zeggen.»
«Wat? Ben je het waarlijk?» zei de geleerde man. «Dat is toch iets
opmerkelijks! Ik had niet gedacht, dat men zijn ouden schim ooit als
mensch zou kunnen weerzien.»
«Zeg mij maar, wat ik te betalen heb,» hernam de schim, «want ik zou
niet graag bij iemand schuld hebben.»
«Hoe kun je nu zoo spreken?» vroeg de geleerde man. «Van welke schuld
kan hier sprake zijn? Je bent zoo vrij van schuld, als iemand maar
wezen kan! Ik verblijd mij van harte over je geluk! Ga zitten, oude
vriend, en vertel mij eens, hoe alles in zijn werk gegaan is en wat
je daar in die warme landen in het huis aan den overkant gezien hebt.»
«Ja, dat zal ik u vertellen,» zei de schim en zette zich neer;
«maar dan moet ge mij beloven, dat ge nimmer tegen iemand hier in
de stad, waar ge mij ook moogt aantreffen, zult zeggen, dat ik uw
schim geweest ben. Ik heb plan om te gaan trouwen; ik kan best een
vrouw onderhouden.»
«Wees maar niet bang,» zei de geleerde man; «ik zal aan niemand
zeggen, wie je eigenlijk bent. Hier heb je mijn hand, ik beloof het
je, en een man een man, een woord een woord!»
«Een schim een schim, een woord een woord!» zei de schim; want zoo
moest deze wel spreken.
Het was overigens uiterst opmerkelijk, hoe hij geheel en al mensch
geworden was. Hij was in het zwart gekleed en droeg het fijnste zwarte
laken, verlakte laarzen en een hoed, die men in elkaar kon drukken,
zoodat het niets anders dan een bol en een rand was, om niet te spreken
van hetgeen we reeds weten: van de sieraden, de gouden halsketting
en de diamanten ringen. Ja, de schim was bijzonder keurig gekleed,
en dat was het juist, wat hem tot een man maakte.
«Nu zal ik u eens het een en ander vertellen,» zei de schim, en toen
zette hij zijn voeten met de verlakte laarzen zoo vast als hij maar
kon op den arm van den nieuwen schim van den geleerden man neer, die
als een poedel aan zijn voeten lag. Dit deed hij of uit hoogmoed, of
misschien ook, opdat de nieuwe schim daaraan zou blijven kleven. Maar
de liggende schim hield zich kalm en bedaard, om eens goed te kunnen
luisteren; hij wilde ook weten, hoe men zich kon losmaken en zijn
eigen heer en meester worden.
«Weet ge, wie er in het huis aan den overkant woonde?» zei de
schim. «Dat was het heerlijkste van alles: het was de poëzie! Ik ben
daar drie weken geweest, en dat heeft dezelfde uitwerking, alsof men
drie duizend jaren lang leefde en alles kon lezen, wat er gedicht en
geschreven is. Want dat zeg ik, en het is waar: Ik heb alles gezien
en ik weet alles.»
«De poëzie!» riep de geleerde man uit. «Ja, deze leeft dikwijls als
een kluizenaarster in de groote steden. De poëzie! Ja, ik heb haar
een enkel vluchtig oogenblik gezien, maar de slaap stak mij in de
oogen; zij stond op het balkon en flikkerde, evenals het noorderlicht
flikkert: bloemen met levende vlammen. Vertel, vertel! Je waart op
het balkon, je gingt de deur door, en toen....»
«Toen bevond ik mij in de voorkamer,» zei de schim. «Gij zat op het
balkon en keekt aldoor maar naar de voorkamer aan den overkant. Daar
was geen licht: er heerschte daar een soort van schemering; maar de
eene deur na de andere in een reeks van kamers en zalen stond open,
en daar was het helder, en de massa licht zou mij gedood hebben,
als ik gegaan was tot de plek waar de jonkvrouw zat. Maar ik was
voorzichtig; ik gunde mij den tijd, en dat moet men ook doen.»
«En wat zag je nu?» vroeg de geleerde man.
«Ik zag alles! En dat zal ik u vertellen; maar--het is waarlijk geen
trots van mijn kant--als vrij man en uit hoofde van de kundigheden,
die ik bezit, om niet te spreken van mijn deftigen stand en mijn
aanzienlijk fortuin, zou ik toch wel wenschen, dat ge «u» tegen
mij zeidet.»
«Neem mij niet kwalijk,» zei de geleerde man; «dat «je» is een oude
gewoonte, en die legt men niet zoo gemakkelijk af. Ge hebt volkomen
gelijk, en ik zal er aan denken. Maar vertel mij nu, wat ge gezien
hebt.»
«Alles,» zei de schim, «want ik zag alles en weet alles.»
«Hoe zag het er dan in de binnenvertrekken uit?» vroeg de geleerde
man. «Was het daar als in het koele bosch? Was het daar als in een
heiligen tempel? Waren de vertrekken evenals de gesternde hemel,
wanneer men op de hooge bergen staat?»
«Alles was er,» zeide de schim; «ik ben er wel is waar niet heelemaal
in geweest; ik bleef in de voorkamer in de schemering, maar daar
stond ik heel goed. Ik zag alles en weet alles. Ik ben aan het hof
der poëzie in de voorkamer geweest.»
«Maar wat hebt ge dan gezien? Gingen door de groote zalen al de goden
van den voortijd? Streden daar de oude helden? Speelden daar lieve
kinderen en vertelden hun droomen?»
«Ik zeg u, dat ik er geweest ben, en dus begrijpt ge wel, dat ik alles
gezien heb, wat er te zien was. Maar als gij er naar toe gegaan waart,
dan zoudt ge geen mensch gebleven zijn; maar dat werd ik, en tevens
leerde ik mijn innerlijk wezen, mijn aangeborene eigenschappen en de
betrekking kennen, waarin ik tot de poëzie stond. Ja, indertijd, toen
ik bij u was, dacht ik daarover niet na; maar altijd, zooals ge weet,
wanneer de zon op- en onderging, werd ik zoo verwonderlijk lang: in
den maneschijn was ik bijna nog duidelijker te onderscheiden dan gij
zelf; ik begreep destijds mijn innerlijk wezen niet: in de voorkamer
onthulde zich dit aan mij,--ik werd mensch! Rijp kwam ik er weder
uit, maar gij waart niet meer in de warme landen. Ik schaamde er mij
over, als mensch zoo te loopen, als ik liep; ik had laarzen, ik had
kleederen en al dat menschenvernis noodig, dat den eenen mensch van
den anderen onderscheidt: ik zocht bescherming,--ja, aan u kan ik het
wel toevertrouwen: gij zult het immers in geen boek zetten,--ik zocht
bescherming onder de rokken der koekverkoopster; daaronder verschool
ik mij; de vrouw dacht er niet aan, hoe veel zij verborg. Eerst
's avonds ging ik uit; ik liep in den maneschijn op de straat rond;
ik strekte mij zoo lang als ik was tegen den muur uit; dat kittelde
heel plezierig op mijn rug; ik liep naar boven en naar beneden, keek
door de hoogste ramen in de zalen en door het dak, waar niemand in
kon zien, en ik zag, wat niemand zag, wat niemand mocht zien.--Het
is toch eigenlijk een booze wereld! Ik zou geen mensch willen zijn,
als het niet eenmaal aangenomen was, dat het wat beteekent, mensch
te zijn. Ik zag het allerongeloofelijkste bij vrouwen en mannen
en ouders en «die lieve, engelachtige kinderen.» Ik zag, wat geen
mensch moest weten, en wat zij allen toch zoo graag willen weten:
kwaad bij de naasten. Als ik een krant geschreven had, dan zou zij
gelezen zijn; maar ik schreef regelrecht aan de personen zelf, en er
ontstond schrik in alle steden, waar ik kwam. Zij werden bang voor mij,
en zij hadden mij zoo ontzettend lief! De professor maakte mij tot
professor; de kleermaker gaf mij nieuwe kleeren (ik ben daarvan goed
voorzien); de muntmeester sloeg munten voor mij; de vrouwen zeiden,
dat ik mooi was,--en zoo werd ik de man, die ik nu ben. En nu zeg ik
u vaarwel! Hier is mijn naamkaartje. Ik woon aan de zonzijde en ben
met regenachtig weer altijd thuis.» En de schim verdween.
«Dat was toch iets opmerkelijks!» zei de geleerde man.
Jaren en dagen verliepen er, en nu kwam de schim terug.
«Hoe gaat het?» vroeg hij.
«Ach!» zei de geleerde man; «ik schrijf over het ware, het goede
en het schoone; maar het kan niemand schelen, zoo iets te hooren;
ik ben wanhopig; want ik trek mij dit erg aan!»
«Dat doe ik niet,» zei de schim; «ik word dik en vet, en dat moet
men trachten te worden. Ge kent de wereld niet; ge wordt ziek
daarenboven,--ge moet reizen. Ik ga van den zomer een reis doen:
wilt ge mee? Ik zou wel een reismakker willen hebben: wilt ge als
schim meereizen? Dat zou mij veel genoegen doen! Ik betaal de reis!»
«Gaat ge een verre reis doen?» vroeg de geleerde man.
«Al naardat men het nemen wil!» zei de schim. «Een reis zal u goed
doen. Wilt ge mijn schim zijn? Dan zult ge alles op reis vrij hebben.»
«Dat is toch te dwaas!» zei de geleerde man.
«Maar zoo is de wereld nu eenmaal,» zei de schim, «en zoo zal zij
ook blijven!»
Daarop verwijderde hij zich.
Met den geleerden man ging het alles behalve goed; zorg en kommer
vervolgden hem, en wat hij over het ware, het goede en het schoone
schreef, dat was voor de meesten, wat de muskaatnoot voor de koe
is. Hij werd eindelijk ziek.
«Ge ziet er werkelijk als een schim uit!» zeiden de menschen tegen
hem, en er ging den geleerden man een huivering over de leden, want
hij dacht daarvan het zijne.
«Ge moet naar een badplaats!» zei de schim, die hem een bezoek
bracht. «Er is geen ander redmiddel voor u. Ik zal u ter wille van
onze oude betrekking meenemen. Ik betaal de reis, en gij maakt de
beschrijving daarvan en kort mij daardoor onderweg den tijd wat op. Ik
wil de baden gebruiken; mijn baard groeit niet zoo hard, als hij wel
moest, dat is ook een ziekte; en een baard moet ik toch hebben. Wees
verstandig en neem mijn aanbod aan; wij reizen als kameraden.»
En zij gingen samen op reis. De schim was nu heer en de heer was
schim. Zij reden met elkaar, zij wandelden samen, naast elkander,
voor en achter elkander, al naardat de zon stond. De schaduw wist
altijd de eereplaats in te nemen; dat liet de geleerde man zich echter
maar welgevallen: hij had een zeer goed hart en was uiterst mild en
vriendelijk. Nu zei de heer op zekeren dag tegen den schim: «Daar we
nu op zulk een wijze reiskameraden geworden en tevens van kindsbeen
af met elkaar opgegroeid zijn, moeten we eens op onze verbroedering
drinken. «Jij» en «jou» klinkt toch vertrouwelijker.»
«Ge zeidet daar iets,» hernam de schim, die nu immers eigenlijk de
heer was, «wat zeer welwillend en onbewimpeld gesproken is; ik zal nu
even welwillend en onbewimpeld zijn. Gij, die een geleerd man zijt,
weet wel, hoe wonderlijk de natuur is. Er zijn menschen, die het niet
kunnen verdragen, aan grauw papier te ruiken; zij worden daarvan
onpasselijk; anderen gaat het door merg en been, als men met een
spijker op een glasruit krast: ik voor mij heb een dergelijk gevoel,
als ik u «jij» en «jou» tegen mij hoor zeggen: ik gevoel mij daardoor,
evenals in mijn eerste stelling bij u, terneergedrukt. Ge ziet, dat dit
een eigenaardigheid is, en geen trots. Ik kan u niet «jij» en «jou»
tegen mij laten zeggen; maar ik wil met alle genoegen «jij» en «jou»
tegen u zeggen: dan wordt uw wensch ten minste voor de helft vervuld.»
En nu zei de schim «jij» en «jou» tegen zijn vroegeren heer.
«Dat is toch wat erg,» dacht deze, «dat ik «u» moet zeggen, terwijl
hij «jij» en «jou» zegt;» maar hij moest het zich laten welgevallen.
Zij kwamen op een badplaats, waar vele vreemdelingen waren, en onder
deze een wonderschoone koningsdochter, die de ziekte had, dat zij al
te scherp zag, hetgeen iets zeer verontrustends was.
Terstond merkte zij, dat de pas aangekomene een heel ander man was
dan de anderen. «Men zegt, dat hij hier is, om aan zijn baard meer
groei te geven; maar ik doorzie de eigenlijke reden: hij kan geen
schaduw werpen!»
Nu was zij nieuwsgierig geworden, en daarom knoopte zij op de
wandeling terstond een gesprek met den vreemden heer aan. Daar zij
een koningsdochter was, behoefde zij niet veel komplimenten te maken;
daarom zeide zij onverholen tegen hem: «Uw ziekte bestaat daarin,
dat ge geen schaduw kunt werpen.»
«Uwe Koninklijke Hoogheid moet reeds op den weg van beterschap zijn,»
zei de schim. «Ik weet, dat uw ziekte daarin bestaat, dat ge al te
scherp ziet; maar dat is nu voorbij; ge zijt weer hersteld. Ik heb een
zonderlingen schim. Ziet ge den persoon, die altijd naast mij loopt,
niet? Andere menschen hebben een gewonen schim; maar ik houd niet van
het gewone. Men geeft dikwijls aan zijn bedienden fijner laken voor
hun livrei, dan men zelf draagt, en zoo heb ik mijn schim zich als
een mensch laten kleeden; ja, ge ziet, dat ik hem zelfs een schim
gegeven heb. Dat kost heel veel, maar ik houd er van, iets op mijn
eigen handje te hebben.»
«Wat?» riep de prinses uit. «Zou ik werkelijk hersteld zijn? Dit
bad is het beste, dat er bestaat; het water heeft in onze tijden
wonderbare krachten. Maar ik ga hier nog niet vandaan, want nu
wordt het eerst amusant; de vreemde prins--want een prins moet het
zijn--bevalt mij uitmuntend. Als nu zijn baard maar niet groeit,
want dan gaat hij heen.»
Des avonds in de groote balzaal dansten de koningsdochter en de schim
te zamen. Zij was licht, maar hij was nog lichter; zulk een danser had
zij nog nooit gezien. Zij zeide tegen hem, uit welk land zij was, en
hij kende dit land; hij was er geweest, maar destijds was zij afwezig;
hij had door de ramen van het kasteel gekeken, zoowel door die van
beneden als door die van boven: hij had het een en ander omtrent
haar vernomen, en dus kon hij aan de koningsdochter antwoord geven en
zinspelingen maken, waarover deze zich niet weinig verwonderde. Hij
moest de verstandigste man van de heele wereld zijn; zij kreeg hooge
achting voor alles, wat hij wist. En toen zij weer met hem danste,
raakte zij op hem verliefd; en dat merkte de schim heel goed, want
zij had hem met haar oogen bijna door en door gekeken. Zij dansten
nog eens, en het lag haar op de lippen, het tegen hem te zeggen;
maar zij was verstandig, zij dacht aan haar land en haar rijk,
en aan de vele menschen, waarover zij moest regeeren. «Hij is een
schrander man,» zeide zij bij zich zelve, «dat is goed; en hij danst
voortreffelijk, dat is ook goed; maar zou hij wel grondige kennis
bezitten? Dat is even gewichtig; daarom moet hij ondervraagd worden.»
En nu richtte zij terstond zulk een moeilijke vraag tot hem, dat zij
zelve daarop geen antwoord zou hebben kunnen geven, en de schim zette
een zonderling gezicht.
«Daar kunt ge mij geen antwoord op geven,» zei de koningsdochter.
«Dat heb ik al in mijn kinderjaren geleerd,» zei de schim; «ik geloof
zelfs, dat mijn schim, die daar bij de deur staat, er wel antwoord
op zou kunnen geven.»
«Uw schim?» riep de koningsdochter uit. «Dat zou iets zeer opmerkelijks
zijn!»
«Ik zeg het niet stellig, dat hij het kan,» zei de schim; «maar ik
zou het wel haast denken. Hij heeft mij al zoo menig jaar gevolgd en
zoo veel van mij gehoord; ik zou het daarom wel haast denken. Maar
Uwe Koninklijke Hoogheid vergunne mij, er u opmerkzaam op te maken,
dat hij er zoo trotsch op is, voor een mensch door te gaan, dat hij,
als hij in een goede luim zal zijn,--en dat moet hij zijn, om een
juist antwoord te geven,--geheel als een mensch wil behandeld worden.»
«Dat bevalt mij,» zei de koningsdochter.
En nu ging zij naar den geleerden man, die bij de deur stond, en
sprak met hem over de zon en de maan, over de groene bosschen en
over de menschen nabij en verre, en de geleerde man antwoordde zeer
verstandig en zeer goed.
«Wat moet dat voor een man zijn, die zulk een verstandigen schim
heeft!» dacht zij. «Het zou een ware zegen voor mijn volk en mijn
rijk zijn, als ik dien koos. Ik zal het doen.»
En zij werden het er al spoedig over eens, de koningsdochter en de
schim namelijk; maar niemand mocht er iets van weten, voordat zij
naar haar rijk teruggekeerd was.
«Niemand, niet eens mijn schim!» zei de schim; en daarvoor had hij
zijn bijzondere redenen.
Zij kwamen in het land, waar de koningsdochter regeerde, als zij
thuis was.
«Hoor eens, beste vriend!» zei de schim tegen den geleerden man,
«nu ben ik zoo gelukkig en machtig, als maar iemand worden kan;
nu zal ik ook iets bijzonders voor je doen. Je moet bij mij op het
kasteel wonen, met mij in een koninklijk rijtuig rijden en honderd
duizend gulden in het jaar hebben; maar je moet je door elk en een
ieder schim laten noemen en moogt het nimmer zeggen, dat je eenmaal
mensch geweest bent; en dan moet je jaarlijks eenmaal, wanneer ik op
het balkon in den zonneschijn zit en mij laat zien, aan mijn voeten
liggen, zooals het een schim betaamt. Want ik moet je zeggen, dat ik
met de koningsdochter trouw, en van avond is het bruiloft!»
«Neen, dat is toch te dwaas!» zei de geleerde man. «Dat wil ik
niet, dat doe ik niet; dat heet, het geheele land bedriegen en de
koningsdochter daarbij! Ik zal aan allen zeggen, dat ik mensch ben
en gij schim, en dat ge maar menschenkleeren aanhebt.»
«Dat zou niemand gelooven,» zei de schim, «wees verstandig, of ik
laat de wacht roepen!»
«Ik ga regelrecht naar de koningsdochter!» zei de geleerde man.
«Maar ik ga er eerst heen,» zei de schim, «en jij gaat naar de
gevangenis toe!» En dit gebeurde; want de schildwachten gehoorzaamden
dengene, die, zooals zij wisten, met de koningsdochter zou trouwen.
«Beef je?» vroeg de koningsdochter, toen de schim bij haar
binnentrad. «Is er iets voorgevallen? Je moogt vandaag niet ziek
worden, thans, nu wij bruiloft zullen houden.»
«Ik heb het vreeselijkste beleefd, wat men kan beleven!» zei de
schim. «Begrijp eens--ja, zulke arme schimmehersens kunnen niet veel
verdragen!--begrijp eens, mijn schim is krankzinnig geworden; hij
verbeeldt zich, dat hij mensch geworden is en dat--begrijp eens!--dat
ik zijn schim ben!»
«Dat is verschrikkelijk!» zei de prinses. «Hij is immers in de
gevangenis gezet?»
«Dat spreekt vanzelf; ik vrees, dat hij niet meer zal herstellen.»
«Die arme schim!» riep de prinses uit. «Hij is erg ongelukkig; het
zou een waarachtige weldaad zijn, hem van zijn leven te verlossen,
en als ik er recht over nadenk, hoe het volk in onzen tijd maar al te
zeer geneigd is, voor de geringen tegenover de aanzienlijken partij
te trekken, dan komt het mij noodzakelijk voor, dat men hem in alle
stilte uit den weg ruimt.»
«Dat is toch een harde zaak: want hij is een getrouw dienaar geweest,»
zei de schim, en hij deed, alsof hij zuchtte.
«Je bezit een edel karakter!» zei de koningsdochter en maakte voor
hem een buiging.
Des avonds was de geheele stad geïllumineerd en werden er kanonnen
afgeschoten. En de soldaten presenteerden hun geweren. Dat was eerst
een bruiloft! De koningsdochter en de schim kwamen op het balkon,
om zich aan het volk te vertoonen en zich nog eenmaal een «Hoera!»
te laten toeroepen.
De geleerde man hoorde niets van al deze heerlijkheid,--want hij was
al ter dood gebracht.