Grootmoeder is heel oud, zij heeft vele rimpels in haar voorhoofd
en sneeuwwit haar; maar haar oogen, die als twee sterren fonkelen,
ja veel schooner nog, hebben een milden en vriendelijken blik, en
weldadig is het, er in te staren! En dan weet zij de mooiste sprookjes
te vertellen. Zij weet heel veel; want zij heeft veel vroeger geleefd
dan vader en moeder; dat is bepaald zeker! Grootmoeder heeft een
gezangboek met groote zilveren sloten en leest dikwijls in dit boek;
daarin ligt een roos, geheel platgedrukt en verdroogd; deze is niet
zoo mooi als de rozen, die zij in een glas heeft staan, maar toch
lacht zij haar het vriendelijkst toe, ja, er komen haar zelfs tranen
in de oogen! Waarom zou grootmoeder de verwelkte bloem in het oude
boek toch zoo aankijken? Weet gij het?--Wel, telkens wanneer de
tranen van grootmoeder op de bloem vallen, worden de kleuren weer
frisch, de roos zwelt op en vervult de geheele kamer met haar geur,
de muren zinken weg, als waren zij slechts nevel, en rondom haar is het
groene, heerlijke bosch, waar de zon door het loof der boomen straalt:
en grootmoeder--ja, zij is weer geheel jong, zij is een bekoorlijk
meisje met blonde lokken, met blozende wangen, schoon en aanminnig,
geen roos is frisscher; maar de oogen, die vriendelijke, gezegende
oogen,--ja, die behooren nog aan grootmoeder toe.--Naast haar zit
een jonkman, rijzig en krachtig, hij reikt haar de roos over, en zij
glimlacht,--zoo glimlacht grootmoeder toch niet!--ja, toch wel! Maar
hij is verdwenen; vele gedachten, vele gestalten zweven voorbij,
de knappe jonkman is verdwenen, de roos ligt in het gezangboek, en
grootmoeder,--ja, zij zit daar weer als een oude vrouw en bekijkt de
verwelkte roos, die er in het boek ligt.
Nu is grootmoeder dood.--Zij zat in haar leuningstoel en vertelde een
uitvoerig, mooi sprookje; zij zeide, dat het sprookje nu uit en dat
zij moede was; zij ging met haar hoofd achterover leunen om een weinig
te slapen. Men kon haar ademhaling hooren, zij sliep; maar het werd
al stiller en stiller, en haar gelaat straalde van geluk en vrede;
het was, alsof er zich zonneschijn over haar trekken verspreidde,
zij glimlachte weer, en toen zeiden de menschen, dat zij gestorven was.
Zij werd in de zwarte kist neergelegd; daar lag zij, gehuld in het
witte linnen, zacht en schoon, en toch waren haar oogen gesloten,
maar iedere rimpel was verdwenen; zij lag daar met een glimlachje
om de lippen; heur haar was zilverwit en eerwaardig, het was niet
akelig om de doode aan te staren, het was immers de lieve, goedhartige
grootmoeder. En het gezangboek werd onder haar hoofd neergelegd, dat
had zij zelf begeerd, de roos lag in het oude boek; toen begroeven
zij grootmoeder.
Op het graf, dicht bij den muur der kerk, plantten zij een rozeboompje;
dit zat vol rozen, en de nachtegaal vloog zingend over de bloemen en
het graf; binnen in de kerk klonken van het orgel de schoonste psalmen,
die er in het oude boek onder het hoofd der overledene stonden. De
maan scheen op het graf neer, maar de doode was hier niet; ieder kind
kon er 's nachts gerust heengaan en een roos bij den kerkhofsmuur
plukken. Een doode weet meer, dan wij levenden met ons allen weten. De
dooden weten heel goed, welk een angst zich van ons meester zou maken,
als het zonderlinge geschiedde en zij tot ons kwamen; de dooden zijn
beter dan wij allen; zij keeren niet weer. De aarde heeft zich boven
de doodkist opgehoopt; ook in de doodkist is aarde, de bladen van het
gezangboek zijn stof, en de roos met al haar herinneringen is tot
stof vergaan. Maar boven haar bloeien frissche rozen, boven zingt
de nachtegaal en klinkt het orgel, boven leeft de herinnering aan
de oude grootmoeder met de milde, eeuwig jonge oogen.--_Oogen kunnen
nimmer sterven._--De onze zullen eenmaal grootmoeder weerzien, jong en
schoon, zooals zij voor de eerste maal de frissche, roode roos kuste,
die nu stof in het graf is.