DE KLEINE TUK.

Ja, dat was de kleine Tuk. Hij heette eigenlijk niet Tuk, maar

toen hij nog niet goed kon praten, noemde hij zich zelf zoo; dat

moest Karl beteekenen, en dat is wel goed, als men het maar weet. Nu

moest hij op zijn zusje Gustava passen, dat nog kleiner was dan hij,

en tegelijkertijd moest hij ook zijn les leeren; maar deze beide

dingen wilden niet best samengaan. De arme jongen zat daar met zijn

zusje op den schoot, en zong haar al de liedjes voor, die hij kende,

en ondertusschen keek bij eens schuins in het geographieboek, dat

open voor hem lag; tegen den volgenden dag moest hij al de steden

van Seeland van buiten kennen en alles daarvan weten wat men maar

weten kan.

Nu kwam zijn moeder te huis, want zij was uit geweest, en nam de kleine

Gustava op den arm. Tuk liep ijlings naar het raam toe en las nu zoo

ijverig, dat hij zich bijna de oogen uitgelezen had, want het werd

gedurig donkerder; maar zijn moeder had geen geld om licht te koopen.

«Daar gaat de oude waschvrouw uit de straat hier dichtbij!» zei zijn

moeder, toen zij het raam uitkeek. «De arme vrouw kan zich zelve

tenauwernood voortsleepen, en nu moet zij nog een emmer vol water van

de bron naar huis dragen. Wees een beste jongen, Tuk, en help de oude

vrouw eens!»

En Tuk liep in aller ijl de deur uit en hielp haar; maar toen hij

weer in de kamer kwam, was het heelemaal donker geworden, en van licht

was er geen sprake. Nu moest hij naar bed toe: dat was een armzalige

krib! Daar lag hij nu en dacht aan zijn geographieles en aan Seeland

en aan alles, wat de meester verteld had. Hij had wel is waar zijn

les nog moeten leeren, maar dat kon hij immers niet. Daarom legde

hij zijn geographieboek onder zijn hoofdkussen, want hij had wel eens

gehoord, dat dit zeer veel helpen moet, als men zijn les wil leeren;

maar men kan zich daarop niet verlaten. Daar lag hij nu en dacht en

dacht; en daar was het op eens, alsof iemand hem een kus gaf.--Hij

sliep en sliep toch ook niet; het was, alsof de oude waschvrouw hem

met haar vriendelijke oogen aankeek en zei: «Het zou jammer zijn,

als je je les morgen niet kende! Je hebt mij geholpen, daarom wil ik

je nu ook helpen, en onze goede God zal dat altijd doen!»

En eensklaps kriebelde en krabbelde het boek onder het hoofdkussen

van Tuk.

«Kikeliki! Ka ka!» Het was een kip, die kwam aanloopen, en deze was

van Kjöge vandaan. «Ik ben een Kjögekip!» [4] zeide zij, en daarop

vertelde zij, hoeveel inwoners er daar waren, en van den slag,

die daar geleverd was, maar die was eigenlijk niet waard om er een

woord over te spreken. «Kriebel, krabbel, plomp!» Daar viel wat naar

beneden; het was een houten vogel, de papegaai van het vogelschieten

te Prästöe. Die zei nu, dat er daar zoo vele inwoners waren, als hij

spijkers in zijn lijf had; ook was hij trotsch. «Thorwaldsen heeft

vlak naast mij gewoond. [5] Plomp! Hier lig ik heerlijk!»

Maar Tuk lag nu niet meer; eensklaps zat hij te paard. Hop, hop, hop,

in galop: zoo ging het voort. Een prachtig gekleed ridder met een

schitterenden helm en een wuivenden vederbos hield hem voor zich op het

paard, en zoo reden zij door het bosch naar de oude stad Wordingborg;

dat was een groote, zeer levendige stad; op het kasteel des konings

verhieven zich hooge torens, en een lichtglans stroomde er uit alle

ramen; daar binnen was zang en dans, en koning Waldemar en jonge,

opgepronkte hofdames dansten met elkander.--Nu werd het morgen,

en zoodra de zon opkwam, vielen de geheele stad en het koninklijk

kasteel plotseling in elkaar, en de eene toren na den anderen verdween;

en eindelijk bleef er nog maar een enkele op den heuvel staan, waar

vroeger het kasteel geweest was, [6] en de stad was zeer klein en arm,

en de schooljongens kwamen met hun boeken onder den arm en zeiden:

«Twee duizend inwoners,» maar dat was niet waar, want zoo veel had

zij er niet.

En de kleine Tuk lag in zijn bed; het was hem, alsof hij droomde,

en toch ook weer, alsof hij niet droomde; maar er stond iemand dicht

naast hem.

«Kleine Tuk! Kleine Tuk!» werd er geroepen: dat was een zeeman, een

heel klein mannetje, zoo klein, alsof het een cadet was; maar het was

geen cadet. «Ik moet u veelmalen van Korsöer [7] groeten; dat is een

stad, die in haar opkomst is, een levendige stad, die stoombooten en

postwagens heeft; vroeger noemde men haar altijd leelijk, maar dat

is nu niet meer waar.»

«Ik lig aan de zee,» zei Korsöer, «ik heb straatwegen en lusthoven;

ik heb een dichter voortgebracht, die geestig en onderhoudend was,

en dat zijn ze niet allemaal. Ik wilde eens een schip uitrusten,

dat rondom de aarde zou gaan; maar ik deed het niet, ofschoon ik het

wel had kunnen doen; en verder ruik ik ook overheerlijk, want dicht

bij de poort bloeien de prachtigste rozen.»

De kleine Tuk keek er naar, en het werd hem geel en groen voor de

oogen; maar toen nu het kleurenspel voorbij was, was het op eens een

begroeide helling dicht aan de baai, en hoog daarboven stond een

prachtige oude kerk met twee hooge, spitse torens. Uit de helling

sprongen bronnen in dikke waterstralen, zoodat het aldoor plaste,

en dicht daarnaast zat een oude koning met een gouden kroon op het

witte hoofd; dat was koning Hroar bij de bronnen, dicht bij de stad

Roeskilde, zooals men haar tegenwoordig noemt. En over de helling heen

in de oude kerk gingen al de koningen en koninginnen van Denemarken

hand aan hand, allen met gouden kronen op; en het orgel speelde en

de bronnen murmelden. De kleine Tuk zag alles, hoorde alles. «Vergeet

de steden niet!» zei koning Hroar. [8]

Op eens was alles weer weg; ja, waar was het gebleven? Het was hem,

alsof men een blad in een boek omslaat. En nu stond daar een oude

boerin; deze kwam uit Soröe, [9] waar het gras op de markt groeit;

zij had een grauw linnen schort over haar hoofd en haar rug hangen;

dit was druipnat,--het moest dus zeker geregend hebben. «Ja, dat heeft

het!» zeide zij, en nu vertelde zij veel moois uit Holbergs comedies en

van Waldemar en Absalom. Maar op eens kromp zij ineen en schudde met

het hoofd, het was precies, alsof zij een sprong wilde doen. «Krok,

krok!» zeide zij, «het is nat, het is nat; het is doodstil in Soröe!»

Nu was zij eensklaps een kikvorsch. «Krok, krok!» en toen was zij

weer een oude vrouw. «Men moet zich naar het weer kleeden.» zeide

zij. «Het is nat, het is nat! Mijn stad is als een flesch; bij de stop

moet men er in, bij de stop moet men er weer uit! Vroeger had ik de

heerlijkste visschen, en nu heb ik frissche jongens met roode wangen

op den bodem der flesch; dezen leeren daar wijsheid: Hebreeuwsch,

Grieksch! Krok!» Dat klonk precies, alsof er kikvorschen kwaakten,

of alsof men met groote laarzen in het moeras liep: altijd hetzelfde

geluid, zoo eentonig en zoo vervelend, dat de kleine Tuk er van in

slaap viel, hetgeen voor hem ook geen kwaad kon.

Maar zelfs in dezen slaap kwam er een droom of wat het anders was. Zijn

zusje Gustava met haar blauwe oogen en haar blond gelokt haar was op

eens een volwassen, schoon meisje, en zonder dat zij vleugels had kon

zij vliegen, en nu vlogen zij over Seeland, over de groene bosschen

en de blauwe meren.

«Hoor je den haan kraaien, kleine Tuk? Kukelekuku! De hanen vliegen

uit de stad Kjöge op! Je krijgt een kippenhok, een groot kippenhok! Je

zult geen honger of gebrek meer lijden! En den vogel zal je schieten,

zooals men zegt; je zult een rijk en gelukkig man worden! Je huis

zal zich verheffen als de toren van koning Waldemar en rijk versierd

zijn met marmeren beeldzuilen, evenals die uit Prästöe. Je begrijpt

mij wel! Je naam zal met roem om de heele aarde trekken, evenals

het schip, dat van Korsöer had moeten uitloopen, en te Roeskilde

..... «Vergeet de steden niet!» zeide koning Hjoar.--Je zult goed en

verstandig spreken, kleine Tuk, en als je dan eindelijk in je graf

komt, dan zul je gerust slapen....»

«Alsof ik in Soröe lag!» zei Tuk, en nu werd hij wakker. Het was

klaarlichte dag, en hij kon zich zijn droom niet meer herinneren. Dat

was echter ook niet noodig; want men mag niet weten, wat er eenmaal

zal gebeuren.

Nu sprong hij vlug uit zijn bed en las in zijn boek, nu kende hij op

eens zijn geheele les. Maar de oude waschvrouw stak het hoofd in de

kamer, knikte hem vriendelijk toe en zei:

«Hartelijk dank, beste jongen, voor je hulp! De goede God moge je

schoonen droom vervullen!»

De kleine Tuk wist echter niet, wat hij gedroomd had, maar--de goede

God wist het wel.

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 34 / 83 题