DE TUIN VAN HET PARADIJS.

Daar was eens een koningszoon; niemand had zooveel mooie boeken, als

hij; alles wat er op deze wereld gebeurd is, kon hij daarin lezen

en de afbeelding daarvan in prachtige koperplaten zien. Met ieder

volk en met ieder land kon hij daardoor kennis maken; maar waar de

tuin van het Paradijs te vinden was, daar stond geen woord van in;

en deze juist was het, waaraan hij het meest dacht.

Zijn grootmoeder had hem, toen hij nog klein was, maar toch spoedig

naar school zou gaan, verteld, dat iedere bloem in den tuin van dit

Paradijs de lekkerste koek en de meeldraden de fijnste wijn waren;

op de eene bloem stond geschiedenis, op de andere aardrijkskunde,

op de derde rekenkunde; men behoefde maar koek te eten, dan kende

men zijn les; hoe meer men er van at, des te meer geschiedenis en

aardrijkskunde en rekenkunde leerde men.

Dat geloofde hij toen ter tijd. Maar reeds toen hij een grootere

jongen werd, meer leerde en verstandiger werd, begreep hij wel,

dat er een heel andere heerlijkheid in den tuis van het Paradijs te

vinden moest zijn.

«O, waarom plukte Eva toch van den boom der kennis? Waarom at Adam van

de verboden vrucht? Als ik in hun plaats was geweest, dan zou ik dit

niet gedaan hebben! Nooit zou de zonde dan in de wereld gekomen zijn!»

Dat zei hij destijds, en dat zei hij nog, toen hij zeventien jaar

oud was. De tuin van het Paradijs vervulde hem geheel en al.

Op zekeren dag ging hij het bosch alleen in, want dat was zijn

grootste plezier.

De avond brak aan, de wolken pakten zich samen; er viel een regen,

alsof de geheele hemel een enkele sluis was, waaruit water stroomde;

het was zoo donker, als het anders 's nachts slechts in den diepsten

put is. Nu eens gleed hij op het natte gras uit, dan weer viel hij

over de gladde steenen, die boven den natten, rotsachtigen grond

uitstaken. Alles droop van het water: de arme prins had geen enkelen

drogen draad meer aan het lijf. Hij moest over groote steenblokken

klauteren, waar het water uit het hooge mos vloeide. Het scheelde

niet veel, of hij was in onmacht gevallen. Eensklaps hoorde hij

een zonderling gesuis, en nu zag hij voor zich een groote verlichte

grot. In het midden daarvan brandde zulk een groot vuur, dat men daarop

wel een hert kon braden. En dit gebeurde ook. Het prachtigste hert

met zijn hooge horens was aan het braadspit gestoken en werd langzaam

tusschen twee afgekapte pijnboomstammen omgedraaid. Een oude vrouw,

forsch en sterk, als ware zij een verkleed manspersoon, zat bij het

vuur en wierp er het eene stuk hout na het andere op.

«Kom maar naderbij!» zeide zij; «zet u bij het vuur neer, dan kunt

ge uw kleeren wat laten drogen.»

«Het tocht hier geducht!» zei de prins en zette zich op den vloer

neder.

«Dat zal nog wel erger worden, als mijn zonen thuis komen!» antwoordde

de vrouw. «Ge zijt hier in de grot der winden: mijn zonen zijn de

vier winden der wereld. Kunt ge dat begrijpen?»

«Waar zijn uw zonen?» vroeg de prins.

«Ja, het is moeilijk, een antwoord te geven, als men ons een dwaze

vraag doet,» zei de vrouw. «Mijn zonen doen alles op hun eigen houtje;

zij zijn met de wolken daar in de koningszaal aan het raketten!»

En daarbij wees zij naar de hoogte.

«O, zoo!» zei de prins. «Ge spreekt overigens vrij barsch en zijt

niet zoo vriendelijk als de vrouwen, die ik anders om mij heen heb!»

«O, die hebben zeker niets anders te doen! Ik moet wel streng zijn,

als ik mijn jongens in bedwang wil houden; maar dat kan ik, ofschoon

het stijfkoppen zijn. Ziet ge die vier zakken hier aan den muur

hangen? Daarvoor zijn zij even bang, als gij vroeger voor de roede

achter den spiegel! Ik kan de jongens in elkaar buigen, zeg ik u, en

dan stop ik ze in den zak; daar maken wij geen komplimenten mee! Daar

zitten ze dan en mogen er niet uit, voordat ik het hun toesta. Maar

daar hebben we een van hen.»

Het was de noordenwind, die met een ijzige koude binnentrad; groote

hagelsteenen kletterden op den grond neer, en sneeuwvlokken dwarrelden

in de rondte. Hij droeg een broek en buis van een berenhuid; een

muts van zeehondenvel was heelemaal over zijn ooren getrokken;

lange ijskegels hingen er aan zijn baard; en de eene hagelsteen na

den anderen gleed van den kraag van zijn buis naar beneden.

«Ga niet dadelijk bij het vuur zitten!» zei de prins. «Anders zoudt

ge licht winter in uw gezicht en uw handen kunnen krijgen.»

«Winter?» zei de noordenwind en barstte in een luid gelach uit. «Koude

is mijn grootste plezier! Maar wat ben jij voor een kereltje? Hoe

kom je in de grot der winden?»

«Hij is mijn gast,» zei de oude vrouw, «en als je met deze verklaring

niet tevreden bent, dan zal ik je in den zak stoppen! Versta je mij?»

Zie, dat hielp, en de noordenwind vertelde, waar hij vandaan kwam en

waar hij bijna een maand geweest was.

«Ik kom van de Poolzee,» zei hij; «ik ben op het Bereneiland met

de Russische walrusjagers geweest. Ik zat en sliep op het roer,

toen zij van de Noordkaap wegzeilden: als ik nu en dan wakker werd,

vloog de stormvogel mij om de beenen. Dat is een kluchtige vogel! Hij

klapwiekt met zijn vleugels, houdt deze daarop onbeweeglijk uitgestrekt

en vliegt toch voort!»

«Maak het niet te wijdloopig!» zei de moeder der winden. «Je bent

dus op het Bereneiland geweest, niet waar?»

«Daar is het prachtig! Daar is een vloer om te dansen, zoo glad als

een bord! Half ontdooide sneeuw met een weinig mos, puntige steenen

en geraamten van walrussen en ijsberen lagen er in de rondte, evenals

reuzenarmen en beenen met beschimmeld groen. Men zou haast denken, dat

de zon daarop nooit geschenen had. Ik blies een weinig in den nevel,

en nu zag ik een huis, dat van wrakhout gebouwd en met walrushuiden

bedekt was; de kant, waaraan het vleesch gezeten had, was naar buiten

gekeerd; op het dak zat een levende ijsbeer te brommen. Ik ging naar

het strand toe, keek naar de vogelnesten, zag de naakte jongen, die

schreeuwden en hun bekken opensperden; nu blies ik in hun kelen,

en zoo leerden zij hun bekken dichtdoen. Verderop krioelden de

walrussen door elkaar, als levende ingewanden of reusachtige maden

met varkenskoppen en ellenlange tanden!»

«Je weet goed te vertellen, mijn zoon!» zei de moeder. «Ik watertand

er van, als ik naar je luister.»

«Toen begon de jacht! De harpoen werd in de borst van den walrus

geworpen, zoodat een dampende bloedstraal als een fontein over het ijs

spoot. Nu dacht ik ook aan mijn spel! Ik blies en liet de torenhooge

ijsbergen de booten insluiten. Och! wat floot en wat schreeuwde men;

maar ik floot nog luider! De walruslijken, kisten en touwwerk moesten

zij op het ijs uitpakken; ik schudde er sneeuwvlokken over heen en

liet ze in de beklemd geraakte vaartuigen, met hun vangst naar het

zuiden drijven, om daar zout water te proeven. Zij komen nimmer meer

naar het Bereneiland toe!»

«Dan heb je heel wat kwaad gedaan!» zei de moeder der winden.

«Wat ik goeds gedaan heb, moeten de anderen maar vertellen!» zei

hij. «Maar daar hebben we mijn broeder uit het westen; hem mag ik

het liefste van allen lijden; hij ruikt naar de zee en voert een

heerlijke koude met zich mee!»

«Is dat de kleine westenwind?» vroeg de prins.

«Zeker is het de westenwind!» zei de oude vrouw. «Maar hij is toch

niet zoo klein. Jaren geleden was hij een aardige knaap, maar dat is

nu voorbij!»

Hij zag er als een woeste kerel uit, maar hij had een valhoed op,

om zich niet te bezeeren. In de hand hield hij een mahoniehouten

knots, die hij in de Amerikaansche bosschen afgehakt had. Dit was

geen gemakkelijk werk geweest!

«Waar kom je vandaan?» vroeg zijn moeder.

«Uit de maagdelijke bosschen,» zei hij, «waar de waterslang in het

natte gras ligt en de menschen overbodig schijnen te zijn!»

«Wat heeft je vandaar weggejaagd?»

«Ik zag in de diepste rivier, zag, hoe deze van de rotsen naar

beneden stortte, stof werd en naar de wolken vloog, om den regenboog

te dragen. Ik zag den wilden buffel in de rivier zwemmen; maar

de stroom voerde hem met zich mee. Hij dreef met een troep wilde

eenden, die er in de hoogte vlogen, naar de plaats, waar het water

naar beneden stortte. De buffel moest naar beneden; dat beviel mij,

en ik blies een storm, zoodat overoude boomen aan splinters barstten

en tot spaanders werden.»

«En heb je anders niets gedaan?» vroeg de oude vrouw.

«Ik heb in de savannen allerlei kromme sprongen gemaakt; ik heb

de wilde paarden gestreeld en kokosnoten doen afvallen. Ja, ja, ik

zou heel wat weten te vertellen! Maar men moet niet alles zeggen,

wat men weet. Dat weet ge ook wel, oudje!» En hij gaf zijn moeder

zulk een duchtigen kus, dat zij bijna achterover gevallen was. Het

was een verschrikkelijk wilde jongen.

Nu kwam de zuidenwind met een tulband en een wuivenden bedouïnenmantel.

«Het is hier vrij koud!» zeide hij en wierp nog wat hout op het

vuur. «Ik kan wel merken, dat de noordenwind het eerst van allen

thuis gekomen is!»

«Het is hier zoo heet, dat men wel een ijsbeer kan braden!» zei

de noordenwind.

«Je bent zelf een ijsbeer!» antwoordde de zuidenwind.

«Wil je in den zak gestopt worden?» vroeg de oude vrouw.--«Ga daar

op dien steen zitten en vertel, waar je geweest bent.»

«In Afrika, moeder!» antwoordde hij. «Ik ben met de Hottentotten op

de leeuwenjacht geweest in het land der Kaffers. Daar groeit gras in

de vlakten, groen als een olijf. Daar liep de struisvogel met mij om

't hardst: maar ik ben toch nog vlugger ter been. Ik ging naar de

woestijn met het gele zand; daar ziet het er uit als op den bodem der

zee. Ik trof een karavaan aan; men slachtte den laatsten kameel om aan

drinkwater te komen; maar het was slechts weinig, wat men kreeg. De zon

brandde van boven en het zand van beneden. De uitgestrekte woestijn had

geen grenzen. Nu wentelde ik mij in het fijne, losse zand en maakte,

dat dit zich tot hooge zuilen opstapelde. Dat was een dans! Ge hadt

eens moeten zien, hoe moedeloos de dromedaris daar stond, en hoe de

koopman zich den kaftan over het hoofd trok. Hij wierp zich voor mij

neer, evenals voor Allah zijn God. Nu zijn zij begraven: er staat

een piramide van zand boven hen allen. Als ik deze eenmaal wegblaas,

dan zal de zon de beenderen doen verbleeken; dan kunnen de reizigers

zien, dat daar vroeger menschen geweest zijn. Anders zal men dit in

de woestijn niet gelooven!»

«Je hebt dus niets anders dan kwaad gedaan!» zei zijn

moeder. «Marsch! in den zak!» En eer de zuidenwind er op verdacht was,

had zij hem om zijn middel beetgepakt en in den zak gestopt. Hij lag

op den vloer rond te wentelen, maar zij zette zich op den zak neer,

en nu moest hij wel stil blijven liggen.

«Dat zijn vroolijke jongens, die ge hebt!» zei de prins.

«O ja,» antwoordde zij, «en ik weet ze te straffen! Daar hebben we

den vierde!»

Dat was de oostenwind; deze was als een Chinees gekleed.

«Zoo! kom je uit je land?» vroeg zijn moeder. «Ik dacht, dat je in

den tuin van het Paradijs geweest waart.»

«Daar vlieg ik morgen eerst naar toe!» zei de oostenwind. «Morgen is

het honderd jaar geleden, dat ik er geweest ben! Ik kom nu uit China,

waar ik zoo om den porseleinen toren gedanst heb, dat alle klokken

klingelden. Op de straat kregen de beambten zweepslagen; een bamboes

riet werd op hun rug aan stukken geslagen, en dat waren lieden van

den eersten tot den negenden graad. Zij schreeuwden: «Hartelijk dank,

mijn vaderlijke weldoener!» Maar dat ging hun niet van harte af,

en ik klingelde met de klokken en zong: «Tjing, tjang!»»

«Je bent ook altijd ondeugend!» zei de oude vrouw. «Het is goed,

dat je morgen naar den tuin van het Paradijs gaat; dat draagt altijd

tot je beschaving bij. Drink dan eens ferm uit de wijsheidsbron,

en breng een fleschvol voor mij mee!»

«Dat zal ik doen!» zei de oostenwind. «Maar waarom hebt ge mijn broeder

uit het zuiden in den zak gestopt? Laat hem er uit! Hij moet mij van

den vogel Phoenix vertellen, van dezen wil de prinses in den tuin van

het Paradijs altijd hooren, als ik om de honderd jaren een bezoek

bij haar afleg. Doe den zak open, dan zijt ge mijn lieve moeder,

en dan geef ik u twee zakken vol thee, zoo groen en frisch, als ik

ze geplukt heb!»

«Welnu dan, om de thee en omdat je mijn lieve jongen bent, zal ik den

zak opendoen!» Dat deed zij, en nu kroop de zuidenwind er uit; maar

hij zag er erg neerslachtig uit, omdat de vreemde prins het gezien had.

«Daar heb je een palmblad voor de prinses!» zei de zuidenwind. «Dit

blad heeft de vogel Phoenix, de eenige, die er op de wereld was, aan

mij gegeven! Hij heeft er met zijn snavel zijn heele levensgeschiedenis

gedurende de honderd jaren, die hij geleefd heeft, op geschreven. Nu

kan zij het zelf lezen, hoe de vogel Phoenix zijn nest in brand stak

en daarin zat en verbrandde, evenals de vrouw van een Hindoe. Wat

knetterden de dorre takken! Het was een rook en een damp van

belang! Eindelijk ging alles in vlammen op; de oude vogel Phoenix

werd tot asch verteerd; maar zijn ei lag gloeiend rood in het vuur;

het barstte met een geweldigen knal open, en het jong vloog er uit;

nu is _deze_ heer over alle vogels en de eenige vogel Phoenix in de

wereld. Hij heeft in het palmblad, dat ik je gegeven heb, een gat

gebeten: dat is zijn groet aan de prinses!»

«Laat ons wat gebruiken!» zei de moeder der winden. En nu zetten zij

zich allen bij elkander neer, om van het gebraden hert te eten; de

jonge prins zat naast den oostenwind; daardoor werden zij al spoedig

goede vrienden.

«Zeg mij eens,» vroeg de prins, «wat is dat toch voor een prinses,

waarvan hier zooveel gesproken wordt, en waar ligt de tuin van het

Paradijs?»

«Wel zoo!» zei de oostenwind, «wilt ge daar naar toe? Welnu, vlieg

dan morgen maar met mij mee! Maar dat moet ik u zeggen: sedert Adams

en Eva's tijd is geen mensch daar geweest. Ge kent die zeker wel uit

uw bijbelsche geschiedenis?»

«Jawel,» zei de prins.

«Indertijd, toen zij verdreven werden, zonk de tuin van het Paradijs

in den grond weg; maar hij behield zijn warmen zonneschijn, zijn

zachte lucht en al zijn heerlijkheid. De feeënkoningin woont daarin;

daar ligt het land der gelukzaligheid, waar de dood nooit komt, waar

het heerlijk is! Zet u morgen op mijn rug neer, dan zal ik u meenemen:

ik denk, dat dit wel zal gaan. Maar zwijg stil, want ik wil nu slapen!»

En nu gingen zij allemaal slapen.

Reeds vroeg in den morgen werd de prins wakker en was niet weinig

verbaasd, toen hij merkte, dat hij zich al hoog boven de wolken

bevond. Hij zat op den rug van den oostenwind, die hem stevig

vasthield; zij waren zoo hoog in de lucht, dat bosschen en velden,

rivieren en zeeën zich als op een landkaart aan hen voordeden.

«Goeden morgen!» zei de oostenwind. «Ge hadt best nog een beetje kunnen

blijven slapen, want er is niet veel op het vlakke veld onder ons te

zien, of ge moest lust hebben om de kerken te tellen! Die staan als

krijtstipjes op het groene bord.» Wat hij het groene bord noemde,

waren velden en weiden.

«Het is niet heel beleefd van mij, dat ik uw moeder en uw broers niet

goedendag gezegd heb!» zei de prins.

«Als men slaapt, is men verontschuldigd!» beweerde de oostenwind. En

daarop vlogen zij nog sneller dan te voren. Men kon het in de toppen

van de boomen hooren, want als zij daar overheen vlogen, ritselden alle

takken en bladeren; men kon het aan de zeeën en op de meren merken,

want waar zij vlogen, stegen de golven hooger, en de groote schepen

bogen zich diep in het water evenals zwemmende zwanen.

Tegen den avond, toen het donker werd, zagen de groote steden er

bekoorlijk uit; de lichten brandden daar beneden, nu eens hier,

dan weer daar, het was, als wanneer men een stuk papier in brand

gestoken heeft en al de kleine vonken ziet, waarvan de eene na

de andere verdwijnt. En de prins klapte in zijn handen; maar de

oostenwind verzocht hem, dit niet te doen en zich liever vast te

houden; anders zou hij licht naar beneden kunnen vallen en aan een

kerktoren blijven hangen.

De adelaar in de donkere bosschen vloog wel is waar snel, maar de

oostenwind vloog toch nog sneller. De kozak reed op zijn klein paard

vlug over de vlakte heen, maar de prins ging toch nog vlugger!

«Nu kunt ge den Himalaya zien!» zei de oostenwind. «Dat is het hoogste

gebergte in Azië; nu zullen wij spoedig in den tuin van het Paradijs

komen!»

Daarop wendden zij zich meer zuidwaarts; al spoedig geurde het daar

van specerijen en bloemen; vijgen en granaatappels groeiden in het

wild, en aan de wilde wijnstokken zaten blauwe en roode druiven. Hier

lieten zij zich beiden neer en strekten zich op het zachte gras uit,

waar de bloemen den wind toeknikten, als wilden zij zeggen: «Welkom!»

«Zijn wij nu in den tuin van het Paradijs?» vroeg de prins.

«Neen, nog niet!» antwoordde de oostenwind. «Maar wij zullen er spoedig

komen. Ziet ge daar dien rotsachtigen muur en die ruime grot, waarvoor

de wijngaardranken als een groot, groen gordijn hangen? Daardoor

zullen we er inkomen! Wikkel u in uw mantel; hier brandt de zon,

maar nog een schrede verder, en het is ijskoud. De vogel, die daar

voorbij de grot heenvliegt, heeft zijn eenen vleugel buiten in den

warmen zomer en zijn anderen binnen in den kouden winter!»

«Wel zoo! Is dat dan de weg naar den tuin van het Paradijs?» vroeg

de prins.

Nu gingen zij de grot in. Hu! wat was het daar ijskoud! Maar het

duurde toch niet lang. De oostenwind spreidde zijn vleugelen uit,

en deze schitterden evenals het helderste vuur. O, wat was dat een

grot! De groote rotsblokken, waarvan het water afdroop, hingen in de

zonderlingste gestalten daaroverheen; nu eens was het er zoo nauw,

dat zij op handen en voeten moesten kruipen, dan weer zoo hoog en

uitgestrekt, als in de open lucht. Het zag er uit als grafkapellen

met stomme orgelpijpen en versteende orgels.

«Wij betreden den weg des doods toch niet, nu wij naar den tuin

van het Paradijs toe gaan?» vroeg de prins. Maar de oostenwind gaf

hierop niets hoegenaamd ten antwoord, maar wees slechts voorwaarts,

en het schoonste blauwe licht straalde hun tegen. De rotsblokken

boven hen werden meer en meer een nevel, die er eindelijk als een

witte wolk in den maneschijn uitzag. Nu waren zij in de heerlijke,

zachte lucht, zoo frisch als op de bergen, zoo geurig als bij de rozen

in het dal. Daar stroomde een rivier, zoo helder als de lucht zelf;

en de visschen waren als zilver en goud; purperroode palingen, die

bij iedere beweging blauwe vonken om zich heen spreidden, speelden

onder in het water, en de breede lotusbladeren hadden al de kleuren

van den regenboog; de bloem, die daaraan groeide, was een roodachtige

gele brandende vlam, waaraan het water voedsel gaf, evenals de olie

de lamp bestendig aan het branden houdt; een stevige brug van marmer,

maar zoo kunstig en fijn uitgesneden, alsof zij van kant en paarlen

gemaakt was, voerde over het water naar het eiland der gelukzaligheid,

waar de tuin van het Paradijs bloeide.

De oostenwind nam den prins op zijn armen en droeg er hem naar

toe. Daar zongen de bloemen en de bladeren de schoonste liederen uit

zijn kindsheid, maar zoo welluidend en liefelijk, als geen menschelijke

stem ze hier kan zingen.

Waren het palmboomen of reusachtig groote waterplanten, die hier

groeiden? Zulke sappige en groote boomen had de prins vroeger

nooit gezien; in lange festoenen hingen daar de wonderlijkste

slingerplanten, zooals men ze slechts met kleuren en goud op den

rand van oude heiligenboeken, of door de beginletters geslingerd,

afgebeeld ziet. Dat waren de zonderlingste samenstellingen van vogels,

bloemen en ranken. Dicht daarnaast in het gras stond een troep pauwen

met ontplooide, glanzige staarten. Ja, dat was werkelijk zoo! Doch

toen de prins daaraan raakte, merkte hij, dat het geen dieren, maar

planten waren; het waren groote klissen, die hier als een prachtige

pauwestaart schitterden. De leeuw en de tijger sprongen als katten

tusschen de groene heggen door, die als de bloemen van den olijfboom

geurden; en de leeuw en de tijger waren tam. De wilde boschduif

straalde als de schoonste parel en sloeg met haar vleugels tegen de

manen van den leeuw aan; en de antilope, die anders zoo schuw is,

stond daarnaast en knikte met den kop, alsof zij ook wilde meespelen.

Nu kwam de fee van het Paradijs; haar kleederen straalden als de

zon, en haar gelaat was vroolijk als dat van een blijde moeder,

wanneer zij recht gelukkig met haar kind is. Zij was jong en schoon,

en de bekoorlijkste meisjes, elk met een schitterende ster in het

haar, volgden haar. De oostenwind gaf haar het beschreven blad van

den vogel Phoenix, en haar oogen fonkelden van blijdschap. Zij nam

den prins bij de hand en bracht hem naar haar kasteel, waar de muren

kleuren hadden als het prachtigste tulpeblad, wanneer het tegen de zon

gehouden wordt. De zoldering zelve was een groote, fonkelende bloem,

en hoe meer men daarnaar keek, des te dieper scheen haar kelk. De

prins ging naar het raam toe en keek door een der ruiten: daar zag

hij den boom der kennis met de slang, en Adam en Eva stonden dicht

daarbij. «Zijn die niet verdreven?» vroeg hij. En de fee glimlachte en

verklaarde hem, dat de tijd op iedere ruit zijn beeld ingebrand heeft,

maar niet, zooals men het gewoonlijk ziet; neen, er was leven daarin;

de bladeren der bloemen bewogen zich; de menschen kwamen en gingen,

als in een spiegelbeeld. En hij keek door een andere ruit: daar was

Jacobs droom, waar de ladder tot aan den hemel reikte; en de engelen

met hun groote vleugels zweefden op en neer. Ja, alles, wat er op

de wereld gebeurd was, leefde en bewoog zich in de glazen ruiten;

zulke kunstige schilderijen kon slechts de tijd er in branden.

De fee glimlachte en bracht hem in een groote, hooge zaal, wier muren

doorzichtig schenen te zijn. Hier waren portretten, waarvan het eene

gezicht nog mooier was dan het andere. Men zag millioenen gelukkigen,

die glimlachten en zongen, zoodat het in ééne melodie samensmolt;

de voornaamsten onder hen waren zoo klein, dat zij kleiner schenen

dan de kleinste rozeknop, wanneer deze als een punt op het papier

geteekend wordt. Midden in de zaal stond een groote boom met hangende,

weelderige takken; gouden appelen hingen als sinaasappels tusschen

de groene bladeren. Dat was de boom der kennis, van welks vrucht

Adam en Eva gegeten hadden. Van ieder blad droop een schitterende,

roode dauwdroppel: het was, alsof de boom bloedige tranen stortte.

«Laat ons nu in de boot stappen!» zei de fee; «dan zullen wij eenige

ververschingen op het water gebruiken! De boot schommelt en komt niet

van haar plaats af; maar al de landen der wereld glijden onze oogen

voorbij.» En het was wonderbaar om aan te zien, hoe de geheele kust

zich bewoog. Daar kwamen de hooge, met sneeuw bedekte Alpen met wolken

en zwarte dennen; de hoorn klonk diep weemoedig, en de herder zong

vroolijk in het dal. Daarop bogen de bananen haar lange, hangende

takken over de boot neer; zwarte zwanen zwommen er in het water,

en de zeldzaamste dieren en bloemen vertoonden zich aan den oever:

dat was Nieuw-Holland, het vijfde werelddeel, dat, met een uitzicht op

de blauwe bergen, voorbijgleed. Men hoorde het gezang der priesters en

zag den dans der wilden, begeleid door het geroffel van trommels en het

geschetter van trompetten. De piramiden van Egypte, die zich tot aan

de wolken verhieven, omvergevallen zuilen en sfinxen, half onder het

zand bedolven, zeilden insgelijks voorbij. Het noorderlicht straalde

over uitgebrande vulkanen van het noorden: dat was een vuurwerk,

dat niemand kon nabootsen. De prins gevoelde zich hoogst gelukkig:

ja, hij zag nog honderdmaal meer, dan wat wij hier vertellen.

«En kan ik hier altijd blijven?» vroeg hij.

«Dat hangt van u zelf af!» antwoordde de fee. «Als ge u niet,

evenals Adam, laat verleiden om het verbodene te doen, dan kunt ge

hier altijd blijven.»

«Ik zal de appelen van den boom der kennis niet aanraken!» zei de

prins. «Hier zijn immers duizenden vruchten, even heerlijk als die.»

«Onderzoek u zelven, en als ge niet sterk genoeg zijt, ga dan met

den oostenwind mee, die u hier haar toe gebracht heeft. Hij vliegt nu

terug en laat zich in honderd jaren hier niet meer zien; de tijd zal

op deze plaats voor u voorbijvliegen, alsof het honderd uren waren:

maar het is een lange tijd voor de verzoeking. Iederen avond, wanneer

ik van u heenga, moet ik u toeroepen: Kom mee! Ik moet u met de hand

wenken,--maar blijf achter! Ga niet mee; want anders zal met iedere

schrede uw verlangen grooter worden. Ge komt dan in de zaal, waar

de boom der kennis groeit; ik slaap onder zijn geurige, overhangende

takken; ge zult u over mij heenbuigen, en ik moet glimlachen; maar als

ge een kus op mijn lippen drukt, dan zinkt het Paradijs diep in den

grond weg, en het is voor u verloren. De scherpe wind der woestijn

zal om u heen suizen, de koude regen op uw hoofd droppelen. Kommer

en ellende worden uw deel.»

«Ik blijf hier!» zei de prins. En de oostenwind kuste hem op het

voorhoofd en zei: «Wees sterk, dan ontmoeten wij elkander hier na

verloop van honderd jaren weer! Vaarwel! Vaarwel!» En de oostenwind

spreidde zijn groote vleugelen uit; zij schitterden, evenals het

weerlicht in den oogsttijd, of het noorderlicht in den winter.

«Vaarwel! Vaarwel!» klonk het van bloemen en boomen. Ooievaars en

pelikanen schaarden zich als fladderende linten in rijen en brachten

hem tot op de grenzen van den tuin.

«Nu beginnen wij onze dansen!» zei de fee. «Wanneer ik ten slotte, als

de zon ondergaat, met u dans, zult gij zien, dat ik u toewenk; ge zult

me u hooren toeroepen: Kom mee! Maar doe dit niet! Honderd jaren lang

moet ik het iederen avond herhalen; telkens wanneer die tijd voorbij

is, krijgt ge meer kracht; eindelijk denkt ge er volstrekt niet meer

aan. Heden avond is het voor de eerste maal; nu heb ik u gewaarschuwd!»

En de fee bracht hem in een groote zaal van witte, doorzichtige leliën;

de gele meeldraden in iedere bloem vormden een kleine gouden harp,

wier snaren liefelijke tonen van zich gaven. De schoonste meisjes,

zwevend en slank, in golvend gaas gekleed, zoodat men haar bekoorlijke

gestalte kon zien, zweefden in den dans en zongen, hoe heerlijk het

is, te leven, en dat zij nimmer zouden sterven, en dat de tuin van

het Paradijs eeuwig zou bloeien.

En de zon ging onder; de geheele hemel werd een en al goud, dat aan

de leliën den glans der heerlijkste rozen gaf; en de prins dronk van

den parelenden wijn, dien de meisjes hem toereikten, en voelde een

gelukzaligheid als nooit te voren. Hij zag, hoe de achtergrond der

zaal zich opende, en de boom der kennis stond daar in een glans,

die zijn oogen verblindde; het gezang was daar zacht en liefelijk

evenals de stem van zijn moeder en het was, alsof zij zong: «Mijn kind,

mijn geliefd kind!»

Nu wenkte de fee hem toe en riep vol liefde: «Kom mee! Kom mee!»

En hij snelde haar tegemoet, vergat zijn belofte, vergat deze reeds

den eersten avond, en zij wenkte en glimlachte. De geur, de heerlijke

geur in de rondte werd sterker; de harpen klonken veel liefelijker,

en het was, alsof de millioenen glimlachende hoofden in de zaal, waar

de boom groeide, knikten en zongen: «Alles moet men kennen! De mensch

is de heer der aarde!» En het waren geen bloedige tranen meer, die

van den boom der kennis afvielen; het waren roode, fonkelende sterren,

die hij meende te zien. «Kom mee! Kom mee!» luidden de bevende klanken,

en bij iedere schrede werden de wangen van den prins rooder, vloeide

het bloed hem sneller door de aderen. «Ik moet!» zeide hij. «Het

is immers geen zonde, het kan geen zonde zijn! Waarom de schoonheid

en de vreugde niet te volgen? Ik wil haar zien slapen; er is immers

niets aan misdaan, als ik haar maar geen kus geef; en een kus zal ik

haar niet geven: ik ben sterk, ik heb een vasten wil!»

En de fee wierp haar schitterende kleeding af, boog de takken weg,

en na een oogenblik was zij daarin verborgen.

«Nog heb ik niet gezondigd!» zei de prins, «en ik zal het ook niet

doen!» En hierop boog hij de takken ter zijde: daar sliep zij reeds,

schoon, zooals slechts een fee in den tuin van het Paradijs wezen

kan. Zij glimlachte in den droom, hij boog zich over haar heen en

zag tusschen haar oogleden tranen beven.

«Weent ge over mij?» fluisterde hij. «Ween niet, gij bekoorlijke

vrouw! Nu begrijp ik het geluk van het Paradijs eerst. Het doorstroomt

mijn bloed, mijn gedachten; de kracht van den cherub en van het eeuwige

leven voel ik in mijn aardsche lichaam! Al moge het ook eeuwig nacht

voor mij worden, een minuut als deze is rijkdom genoeg!» En hij kuste

de tranen uit haar oogen; zijn mond raakte den haren aan.

Daar ratelde een donderslag, zoo zwaar en verschrikkelijk, als niemand

dien ooit gehoord heeft. En alles stortte ineen; de schoone fee en

het bloeiende paradijs zonken al dieper en dieper. De prins zag het in

den zwarten nacht wegzinken; als een kleine, lichtende ster straalde

het hem heel uit de verte tegen; een doodelijke koude deed hem over

zijn geheele lichaam beven; hij sloot zijn oogen en lag een geruimen

tijd als dood.

De koude regen viel hem op het gezicht, de scherpe wind blies om zijn

hoofd; nu kwam hij weer tot zijn zinnen. «Wat heb ik gedaan!» zeide

hij met een zucht. «Ik heb gezondigd, evenals Adam gezondigd, zoodat

het Paradijs in de diepte weggezonken is!» En hij deed zijn oogen

open; de ster in de verte, die als het gezonken paradijs fonkelde,

zag hij nog,--het was de morgenster aan den hemel.

Hij stond op en was in het groote bosch dicht bij de grot der winden;

en de moeder der winden zat naast hem; zij zag er kwaadwillig uit en

hief haar arm omhoog.

«Reeds den eersten avond!» zeide zij. «Dat dacht ik wel! Als ge mijn

jongen waart, dan zoudt ge in den zak moeten!»

«Daar moet hij in!» zei de Dood, een krachtig, oud man met een zeis

in de hand en met groote, zwarte vleugelen. «In de doodkist moet hij

gelegd worden; maar nu nog niet; ik teeken hem slechts op, doch laat

hem nog een poos in de wereld rondzwerven, om zijn zonde te boeten

en beter te worden. Ik kom echter eenmaal. Wanneer hij het juist

het minst verwacht, stop ik hem in de zwarte doodkist, zet deze op

mijn hoofd en vlieg naar de sterren op. Ook daar bloeit de tuin van

het Paradijs, en is hij goed en vroom, dan zal hij er binnentreden;

maar zijn zijn gedachten boos en is zijn hart nog vol zonde, dan zinkt

hij met de doodkist dieper dan het Paradijs gezonken is, en slechts

om de duizend jaren haal ik hem terug, opdat hij nog dieper zinke of

op de fonkelende ster kome, de fonkelende ster daarboven!»

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 33 / 83 题