Het liep tegen het einde van Mei en ik zocht in de omstreken van
Parijs, op eenig frisch en vredig plaatsje, naar een klein huisje, om
daar den zomer door te brengen. Ik ging op goed geluk aan het zoeken,
na reeds, zonder iets naar mijn smaak gevonden te hebben, de oevers der
Seine te hebben afgeloopen, die door de kroegjes en de publieke
danslocalen onteerd worden; daarna had ik het heerlijke landschap
doorkruist, dat zich om Versailles uitstrekt, maar waarvan de wegen,
het hout en de heldere rivieren eenigszins de hinderlijke
majestueusiteit van deze stad hebben. Ook had ik de heerlijke vallei
van Chevreuse bezocht, die door de spoorlijn van Scaux van de hoofdstad
is afgescheiden. Eindelijk werd ik op een goeden dag verleid door het
schilderachtig aanzien van een station op de Westerlijn, tusschen Lagny
en Meaux, waar men den breeden loop der Marne overzag. Ik stapte daar
uit den trein en vroeg aan een stationsbeambte, of hij ook wist, welke
woningen er in deze streek te huur stonden.
„Niet veel bijzonders, mijnheer,” antwoordde hij.
Hij scheen na te denken.
„Ja, een is er, die u misschien wel zou lijken. Het is het huis van
vader Perrin te Chigny, dat verleden jaar aan Parijzenaars is verhuurd
geweest. Ik geloof, dat het dit jaar leeg staat.”
„Is dat dicht bij de rivier?”
„Het staat op de hoogte, maar als men naar beneden gaat, is men direct
aan de Marne.”
Ik dacht: „dat is misschien wat ik zoek.”
„En hoever is Chigny van het station af?”
„Het zal dertig à veertig, minuten gaans zijn... vijf en dertig
minuten... ja, het is bepaald niet verder dan vijf en dertig minuten.”
Ik bedankte hem.
„Het is heel gemakkelijk te vinden,” voegde hij er bij. „Ge hebt
slechts dezen weg, die voor u ligt, te volgen, daarna gaat ge door het
boschje, dat ge ginds ziet en u zult dan van zelf Chigny wel zien. De
eerste de beste zal u daar het huis van vader Perrin aanwijzen.”
Ik begaf mij op weg. Er is niets zoo bedriegelijk op het land, als een
boschje aan het eind van een weg en ik liep al een kwartier lang, toen
het boschje mij nog altijd voorkwam een goed einde verder te zijn. Ik
wierp een blik in het rond om te zien, of ik mij ook vergiste met een
ander boschje, dat dichterbij was. Maar het was het eenige; overigens
liep de weg er recht op af, en was er geen vergissing mogelijk. Ik
bracht mij de woorden van den spoorwegbeambte te binnen. Als ik het
bosch uitkwam, moest ik Chigny zien, dat er niet ver vandaan kon zijn,
omdat men van het station in vijf-en-dertig minuten aan het dorp kwam.
Ik bereikte de eerste boomen eenige minuten na deze redeneering te
hebben gehouden. Doch daar verschillende wegen in verschillende
richtingen door het bosch leidden, was ik eerst in de war. Gelukkig
bemerkte ik een kar, die stapvoets naderde. Op een teeken, dat ik
maakte, hield de karrevoerder zijn paard in. Ik vroeg hem welke weg
naar Chigny leidde.
„Daar kom ik net vandaan,” zeide hij. „U behoeft slechts denzelfden weg
te nemen als ik afgekomen ben, kijk, die daar, links.”
„Leidt die regelrecht naar het dorp?”
„U kunt je onmogelijk vergissen. Als de weg buiten het bosch is, zijt
ge te Chigny.”
„Op de hoogte, niet?”
Hij glimlachte even.
„Ja, op de hoogte. U kent dus de streek al?”
„Een beetje... ik heb inlichtingen ingewonnen.”
En mijn horloge raadplegende, vervolgde ik:
„Het is hier niet ver meer vandaan, wel, Chigny?”
„Chigny,” herhaalde hij, de schouders ophalende, „het is zoo goed alsof
u er reeds waart..... U hebt heelemaal een vijf-en-dertig minuten te
loopen, op zijn hoogst....”
Ik bedankte hem; hij legde de zweep over zijn paard en vervolgde zijn
weg. Ik dacht, dat ik den spoorwegbeambte verkeerd verstaan had en dat
hij had willen zeggen, dat het vijf-en-dertig minuten loopen was tot
aan het boschje en dan nog eens vijf-en-dertig minuten naar Chigny. Dat
was zoo’n heel erge vergissing niet; overigens is het ook een feit, dat
de beambten der kleine spoorwegstations in den regel niet veel
topografische kennis hebben van het omliggende land. Ik had op mijn
uitstapjes al meermalen de gelegenheid gehad deze opmerking te maken.
Deze man kon mij dus heel goed den afstand zoo’n beetje op goed geluk
hebben genoemd. In allen gevalle was het pas drie uur in den middag en
had ik ruim den tijd om den trein van zeven uur te halen, na het huis
van vader Perrin bezocht te hebben. Ik ging het bosch in, en wandelde
langzaam voort om de frischheid op te snuiven van een windje, dat
ternauwernood de bladeren deed ritselen.
Het was een lang bosch; de laan, die ik volgde, liep uit op een groote
uitgestrektheid land, dat met koren en haver bezaaid was, groen en vlak
zoover het oog reikte. Geen enkele heuvel brak er de eentonigheid van
af; men ontdekte niet het geringste van een dorp. Alleen verhief zich
op enkele passen afstand van mij, aan het begin van deze vlakte, een
stulp, bestemd om gereedschappen in te bergen, die potdicht was.
Het was nu al minstens een uur, dat ik aan het loopen was. Ik rustte
een oogenblikje uit, mij voornemende daarna eenvoudig weer naar het
station terug te keeren, toen ik uit een boschje een boerin te
voorschijn zag treden, die gras in haar boezelaar droeg. Zij werd
gevolgd door twee kinderen, die lentebloemen in de hand droegen. Dit
landelijk tooneeltje ontnam mij het voornemen om te vertrekken en ik
trad, met de hoed in de hand, op de boerin toe.
„Waar ligt toch Chigny? Men had mij gezegd, dat ik, als ik uit het
bosch kwam, Chigny zou zien. Ben ik soms verdwaald?”
„Wel neen, mijnheer, Chigny is daar”... en zij wees naar den linkerkant
van het bosch. „U hebt u alleen vergist in den weg, denk ik. Bij den
kruisweg is u recht doorgeloopen, maar u had het voetpad moeten nemen.”
„Maar hoe kan ik dan nu naar Chigny komen?”
„U volgt dit pad hier langs het bosch, slaat dan links af en steekt de
rivier over. Chigny ligt aan de overzijde.”
„Is er een brug over de rivier?” vroeg ik wantrouwend.
„Van drie bogen, mijnheer.”
„En in hoeveel tijd kan ik in Chigny zijn?”
Zij keek mij aan, als om de snelheid mijner beenen te berekenen, en
antwoordde:
„O, het is niet ver. Vijf-en-dertig minuten.”
Ik stond versteld. Dit cijfer begon mij al heel wonderlijk toe te
schijnen, en die drie afstanden, elk van vijf-en-dertig minuten, waren
een inderdaad zeer vreemd verschijnsel. Ik begon te vermoeden, dat
ieder een loopje met mij nam. Maar hoe kon de boerin weten, dat zoowel
de spoorwegbeambte als de karrevoerder mij eveneens hadden verzekerd,
dat ik in vijf-en-dertig minuten te Chigny zou zijn, en welke
waarschijnlijkheid bestond er om aan te nemen, dat een boerin, een
karrevoerder en een spoorwegbeambte zich zouden hebben verstaan om een
poets te spelen aan een Parijzenaar, die voor de eerste maal in die
streek kwam? Klaarblijkelijk was het hier niets anders dan een
eenvoudige toevalligheid, die de vermoeienis, de warmte en mijn
zenuwachtigheid mij verkeerd deden opnemen. Weldra was dit vermoeden
dan ook weer uit mijn geest verdwenen. Een half uur lang liep ik het
voetpad af, dat de boerin mij had aangewezen, en toen sloeg ik den weg
in, die naar de rivier afliep, en trachtte mij te oriënteeren. De weg
liep wederom tusschen de vlakke en eentonige velden, die aan den
horizont verdwenen; op een heuvel, die zoowat een 5 à 600 meter verder
was, zag ik een groepje van vier huizen staan, die meer op een hoeve en
toebehooren, dan op een dorp geleken. Maar toch kon het immers ook wel
Chigny zijn.
Plotseling hoorde ik van den kant van de rivier het geluid van
liederen. Het waren waschmeisjes, die haar bedrijf uitoefenden.
Ik naderde.
„Dat is zeker Chigny, daar, meisjes?”
Eén harer antwoordde:
„Neen, dat is het gehucht Bray. Chigny is verder.”
„En hoe ver dan nog?”
Drie stemmen antwoordden in koor:
„Vijf-en-dertig minuten!”
Ik was geheel overbluft en bijna ongerust. Er was iets fantastisch in
dit avontuur. Hoe kwam het, dat de waschmeisjes hetzelfde zeiden als de
boerin, de karrevoerder en de spoorwegbeambte?
„En het huis van vader Perrin, kent u dat?” vroeg ik verder.
Eén uitroep:
„Dat geloof ik! het mooiste van de streek!”
„Is het niet verhuurd?”
„Nog niet. Maar het zal niet lang meer duren. Elk jaar komen er
Parijzenaars.”
Ik groette en vervolgde mijn weg. Ik liep de brug over en hield stil in
het gehucht Bray, bij den herbergier, waar ik iets gebruikte. Ik
rekende uit, dat ik, als ik over tien minuten in Chigny was, nog den
trein kon halen en vroeg den waard om inlichtingen.
„Waar ligt Chigny?”
Hij strekte de hand uit.
„Daar!”
„Hoe lang zou ik noodig hebben om er te komen?”
Op den meest natuurlijken toon van de wereld antwoordde hij:
„Vijf-en-dertig minuten!”
Nu stond ik niet alleen verbaasd, maar werd tevens kwaad. Ik keek den
herbergier eens aan, maar deze zag er heel kalm en verstrooid uit.
Niets wettigde de onderstelling van een fopperij.
„U komt misschien om het huis van vader Perrin te huren?” vroeg hij.
„Juist,” antwoordde ik.
„Dat is tot nu toe nog te huur.”
Woedend verliet ik de herberg, het was al over zessen. De zon neigde
ten onder. Ik liep het veld in, op goed geluk, zonder eenig doel, ten
prooi aan een koortsachtige opwinding. Een uur lang liep ik zoo voort,
trachtende de oplossing te vinden van dit flauwe complot.
De avond viel. Ik was heelemaal verdwaald. Tegen een uur of acht hoorde
ik het geluid van een loopend paard en tot mijn groote verwondering,
bemerkte ik, dat het een genummerd huurrijtuig was, dat op
vijf-en-twintig kilometer van Parijs op de groote wegen trachtte een
vrachtje op te sporen.
Hoe kwam dat rijtuig juist daar?
Dat was geheimzinnig. Ik riep den koetsier aan, als waren wij op een
der boulevards, en hij hield stil zonder iets meer. Ik stapte in en wij
bereikten het station weer voor den trein van elf uur. Ik had wel lust
den koetsier de hand te drukken.
Aan het station zocht ik naar den beambte, die mij zulke mooie
inlichtingen had gegeven. Hij was er niet meer.
Dat jaar heb ik Parijs niet meer verlaten, hoewel ik er schrikkelijk
van de warmte heb geleden. Ik heb trouwens nooit geweten wat dat huis
van vader Perrin voor een woning was en naar aanleiding van welke
legende men den menschen, die het wilden bezoeken, vertelde, dat het
vijf-en-dertig minuten van het station af lag.