HET EINDE VAN DEN OPIUM-SCHUIVER.

Den volgenden morgen, toen Lord Lister en zijn vriend nog in de

ontbijtkamer zaten, waar zij beiden verdiept waren in het lezen der

ochtendbladen, kondigde oude James reeds het bezoek aan van mijnheer

Mollen.

Charly wierp een blik op de pendule en sprak:

„Het is waar ook! Ik had bijna vergeten, dat Pim me zou komen halen om

het nieuwe tennisveld van onze club te gaan bekijken. Maar zóó vroeg

had ik hem niet verwacht.

„Laat mijnheer Mollen maar hier binnen,” verzocht Charly den huisknecht

en toen deze, na beleefd gebogen te hebben, de deur weer achter zich

had gesloten, vervolgde Charly tot zijn ouderen vriend:

„Dikke Pim heeft immers een wit voetje bij jou?”

Raffles knikte glimlachend en Charly vervolgde:

„Je begrijpt, dat ik het anders niet gewaagd zou hebben, gestrenge

meester, om een mijner kennissen, wien dan ook, in jouw ongenaakbare

tegenwoordigheid te brengen.”

Raffles had geen gelegenheid om zijn jongen secretaris hierop te

antwoorden, want reeds opende James de kamerdeur om den vroegen

bezoeker binnen te laten.

Reeds bij den eersten oogopslag zagen de beide vrienden, dat Pim iets

bijzonders had. Op zijn dik, rood, niet heel intelligent gelaat, dat

echter een goedige uitdrukking had, stond duidelijk te lezen, dat hem

iets op het hart lag en daar het Pim’s gewoonte niet was, om zijn

mededeelingen lang vóór zich te houden, begon hij al dadelijk, nadat

hij zijn beide kennissen had begroet:

„Eigenlijk heb ik niet veel lust om te gaan tennissen vanmorgen. Maar

ik had met je afgesproken, Brand, dus ik wou je niet laten wachten.”

„Wat is er gebeurd?” vroeg Charly. „Toch geen onaangename dingen, hoop

ik?”

„Jawel en al betreft het mij niet rechtstreeks, ik ben er toch

heelemaal kapot van. Toen ik, nu zoowat een half uur geleden, van huis

kwam en langs de woning van Harringa wandelde, waren daar alle

gordijnen neergelaten. Natuurlijk keek ik verbaasd en ik was

nieuwsgierig, wat daarvan de reden kon zijn. Och, een sterfgeval wekt

altijd je belangstelling, nietwaar? Vooral als je de lui goed kent.

Nou, ik trof het, want juist toen ik passeerde, kwam een van de meiden

naar buiten en die vertelde me, dat de oudste zoon, Oswald, heel vroeg

vanmorgen dood was thuis gebracht.”

„Da’s treurig!” riep Charly uit. „Wat naar voor die oude mijnheer en

mevrouw!” en even keek hij naar zijn vriend Edward.

Raffles echter zei niets.

Bij de laatste woorden van Richard Mollen hadden de oogen van den

Grooten Onbekende een gansch eigenaardige uitdrukking gekregen, doch

toen goedige Pim hem aankeek, om te zien, welke uitwerking zijn

nieuwsbericht op jonker Van Leeuwen maakte, was hiervan niets meer te

bespeuren.

„Weet je geen verdere bijzonderheden?” vroeg Charly.

„Ja,” klonk het van Pim’s dikke, roode lippen, terwijl hij zich heel

gewichtig voelde, nu hij zooveel nieuws wist mede te deelen: „Het

dienstmeisje vertelde mij, dat de jonge meneer op zijn club een soort

van beroerte had gehad, een hartaandoening, zei ze.”

„Van welke club was Oswald Harringa lid?” vroeg Raffles.

„Precies weet ik het niet,” antwoordde Richard Mollen, „maar ik geloof,

een kaartclub, een besloten gezelschap van een stuk of tien, twaalf

jongelui.”

„Het is zeker een heel droevig sterfgeval, voornamelijk voor de

ouders?” sprak nu Lord Lister weer. Toen wisselde hij een korten blik

met Charly, welken door dezen onmiddellijk werd begrepen en vervolgde

tot dezen:

„Kan ik erop rekenen, dat je thuis komt lunchen?”

„Zeker!” sprak Charly.

De jonge secretaris stond op, vulde uit een geopend kistje zijn

sigarenkoker met Havanna’s en zei tot Pim, terwijl hij hem op den

schouder klopte:

„Kom, kerel, ga mee de lucht in. Tob nou niet over dat sterfgeval,

daaraan kan je toch niets veranderen!”

Met een handdruk nam Pim afscheid van jonker Van Leeuwen en de beide

jonge mannen wandelden samen naar de nieuwe tennisbaan, op korten

afstand van Lord Lister’s woning.

Peinzend bleef de Groote Onbekende in zijn gemakkelijken stoel

achterover leunen. Weer liet hij de gebeurtenissen der laatste dagen

aan zijn geest passeeren en toen hij terugdacht aan het geheimzinnige

clublokaal waar de twaalf opiumschuivers bijeenkwamen, om zich over te

geven aan de bedwelming, die de uitwerking was van dat verderfelijke

vergift, dat zooveel onheil en ellende teweegbrengt, sprak hij tot zich

zelf:

„Dat plotseling einde was misschien de beste oplossing! Een beroerte...

een hartaandoening... Hij was wél een vreemde en eigenaardige

verschijning, deze jonge man, die het slachtoffer is geworden van zijn

hartstocht en ik ben er van overtuigd, dat hij zijn vader niet heeft

bestolen om geld te maken voor de waardevolle voorwerpen; hij handelde

uit een buitengewone beweegreden. Het was geen gemeene diefstal, dat

begreep ik onmiddellijk, en gelukkig ben ik erin geslaagd, een

duidelijk bewijs voor mijn overtuiging te krijgen.

„De oudste zoon van Albert Harringa, de leider der opiumschuivers, moet

dezen diefstal zonder twijfel hebben gepleegd, omdat hij van meening

was, dat de doodshoofdenbeker en de andere zeldzame kostbaarheden

nutteloos waren in zijn vaders „schatkamer” en veel zouden toebrengen

tot de versiering der tafel in de „Droomersclub”, waarvan hij

voorzitter was...”

Toen richtte de Groote Onbekende zich met een energieke beweging op uit

zijn fauteuil, liep een paar maal met de handen in de zakken door de

kamer heen en weer en sprak toen op halfluiden toon, als legde hij

zichzelf in dit oogenblik een gelofte af:

„Dit geheim zal ik bewaren; nimmer zal de vader van den aan opium

verslaafden zoon vernemen, op welke wijze ik zijn gestolen

kostbaarheden terugvond!”

Nu begaf Lord Lister zich naar zijn studeerkamer, waar hij een

donker-eikenhouten kast, die in een der hoeken van het vertrek stond,

met een fijnbewerkten sleutel opende.

Deze kast was van binnen geheel voorzien van stevige stalen platen en

bevatte verschillende binnenkastjes, van hetzelfde staal vervaardigd,

elk afzonderlijk afgesloten.

De grootste dezer veilige bergplaatsen opende lord Lister met een

sleuteltje, dat nauwelijks groot genoeg scheen om een horloge op te

winden, en uit de ruimte, die nu voor hem lag, haalde hij het gouden

doodshoofd, den Indischen lepel en de twaalf zilveren kopjes te

voorschijn.

De waardevolle voorwerpen pakte hij in een stevig handvalies van

donkerbruin leer, dat hij daarna sloot.

Het sleuteltje van het valies schoof hij in een kleinen, witten

enveloppe en hierop zette hij met duidelijke letters het adres van

Albert Harringa.

Het middaguur had nauwelijks geslagen, toen Charly Brand de

studeerkamer van lord Edward Lister binnentrad.

Het was hem aan te zien, dat hij eenige uren in de buitenlucht beweging

had genomen, want zijn gelaat zag er blozend uit en een uitdrukking van

gezonde levenslust lag in de helderblauwe oogen van den jongeman.

„Voldoet de nieuwe tennisbaan aan de eischen?” vroeg lord Lister,

terwijl hij het laatste overblijfsel van zijn sigaret in een fijn,

Japansch aschbakje legde.

„De baan is onberispelijk en er werd uitstekend gespeeld vanmorgen.

Alleen Pim heeft geen goeden bal gemaakt, zoodat hij weer leelijk

geplaagd werd. De goeie jongen schijnt erg onder den indruk van het

sterfgeval te zijn.”

En toen Raffles hierop, tot Charly’s teleurstelling niets antwoordde,

vervolgde de jonge secretaris:

„Heb je al besloten, hoe je in deze zaak verder zult handelen, Edward?

Je gelooft zeker, evenmin als ik, aan een beroerte of hartverlamming

van Oswald Harringa?”

„Neen,” antwoordde Lord Lister, en zijn donkere oogen keken den blonden

secretaris met een ernstige uitdrukking aan. „Neen, Charly, ook ik

geloof daaraan niet. Maar ik wensch dit geheim te eerbiedigen, al was

het alleen ter wille van de ouders van den ongelukkigen jongen man.”

„En de kostbaarheden?”

„Daarover spreken we straks, na den lunch!”

De begrafenis van Oswald Harringa, de oudste zoon van den schatrijken

Indischen suikerlord, had veel belangstelling getrokken.

Twee landauers waren noodig geweest om den bloemenschat mee te dragen

naar het kerkhof, waar de overledene een laatste rustplaats zou vinden.

Een kostbare krans van lila bloemen, waaraan breede, purperkleurige

linten hingen, en die ter rechterzijde van de lijkkoets was opgehangen,

trok vooral de aandacht der voorbijgangers, die nieuwsgierig bleven

staan, als de stoet passeerde.

„Aan onzen leider,” waren de woorden die in gouden letters op een der

linten prijkten, terwijl op het andere lint, eveneens in gouden

letters, maar veel kleiner, stond:

„d. i. l. d. w. o. i. s.”

Geen kaartje, geen boodschap zelfs was er bij geweest, toen deze krans

werd bezorgd en zonder te weten, wien zij te danken hadden voor dezen

laatsten groet, aan hun zoon gebracht, hadden de ouders den grooten

krans van bedwelmend geurende bloemen in paarsen tint in ontvangst

genomen.

Op verzoek van Oswalds vader werd aan het graf geen woord gesproken en

toen de oude heer, nadat de plechtigheid was afgeloopen, in huis was

teruggekeerd, nam hij zwijgend de kleine hand van zijn vrouw in de

zijne, terwijl hij haar een kus op het voorhoofd drukte.

Zij zeiden het elkaar niet in woorden, deze beide ouders, wat er op dat

oogenblik in hen omging, maar welsprekender dan iets was de blik,

waarmee zij elkaar aankeken en de tranen, die langs hun wangen

vloeiden.

Doch bij beiden was, sinds hun oudste zoon levenloos thuis was

gebracht, geen oogenblik de gedachte uit het hoofd geweest, hoe de

voorspelling van den Radjah van Mooltan was bewaarheid geworden:

„Indien de beker verloren gaat, of gestolen wordt, zal het ongeluk u

achtervolgen!”

Doch geen van beiden vermoedden zij het, deze bedroefde ouders, hoe

hij, die hun nu voor altijd was ontvallen, zelf den noodlottigen beker

het huis had uitgedragen.

Dien namiddag wachtte voor het bordes van de mooie villa in het

Willemsparkkwartier, bewoond door jonker Van Leeuwen en diens vriend,

een gewone taxi, een huurauto zooals men die dagelijks honderden door

Amsterdam ziet vliegen.

Een jonge man, gekleed in de keurige livrei der deftige families,

verscheen op den drempel.

Hij had een kortgeknipte, blonde baard en onder de met goud

gegallonneerde pet kwam het dikke, blonde krulhaar te voorschijn. In de

rechterhand droeg hij een handtasch van bruin leer, die vrij zwaar

scheen te zijn en die hij, in de atax gezeten, zorgvuldig op zijn

knieën hield.

Tien minuten later hield het voertuig stil voor de woning van den heer

Albert Harringa.

De blonde livreibediende stapte uit en overhandigde met een paar korte

woorden het valiesje en de witte enveloppe aan Egbert.

Toen begaf hij zich weer terug naar de wachtende huurauto, die een

oogenblik later uit het gezicht verdwenen was......

... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...

„Aan wien heb je het taschje afgegeven?” vroeg dien middag aan het

diner lord Lister zijn vriend en helper, Charly Brand.

„Aan den ouden huisknecht, Edward. Hij zou het zijn meester

onmiddellijk overhandigen.”

„All right, boy!” klonk het antwoord en toen werd er door de beide

vrienden geen woord verder over dat onderwerp gewisseld.

Den volgenden dag, toen lord Lister alleen in zijn studeerkamer zat,

bezig een brief van een zijner Engelsche vrienden te beantwoorden,

terwijl Charly een zeiltocht op de Zuiderzee maakte, met de leden van

zijn tennisclub, bracht oude James op een zilveren blad een

visitekaartje binnen.

„Willy Harringa”

las Raffles en, hij verzocht den huisknecht, den bezoeker binnen te

laten.

Eenige oogenblikken later had Willy tegenover lord Lister plaats

genomen.

Nadat het gesprek eenigen tijd had geloopen over het verlies, dat de

familie Harringa had getroffen, sprak Willy:

„De eigenlijke reden van mijn komst zal u misschien zeer verbazen,

jonker Van Leeuwen.”

En toen vervolgde hij, na eenige aarzeling, terwijl hij Raffles aankeek

met zijn eerlijke, oprechte oogen, die op dat oogenblik hun gewone

overmoedige uitdrukking echter misten:

„Misschien verbaast ze u ook in het geheel niet en weet u al van te

voren, wat ik u te vertellen heb.”

Kalm hield Raffles de donkere oogen op het gelaat van den bezoeker

gevestigd, toen hij sprak:

„Ja, mijnheer Harringa, ik weet het, uw vader ontving een leeren valies

met inhoud. Het verheugt me, dat deze duistere zaak tot zulk een goed

einde is gebracht.”

En toen hij zag, hoe Willy met een trek van blijde verrassing op het

gelaat beide handen uitstak, om zijn dankbaarheid te betuigen, maakte

de Groote Onbekende een afwerend gebaar en zei:

„Dat is in orde, mijnheer Harringa. De éénige dank, die ik van u vraag,

is, dat u niet meer op deze zaak terugkomt.”

De jonge Harringa liet de uitgestrekte handen weer zakken en een wolk

van teleurstelling trok over zijn gelaat.

„Ik eerbiedig uw wensen, jonker Van Leeuwen,” sprak hij.

„Maar dan is er nog iets,” vervolgde Willy, „wat bijna even

geheimzinnig is, als die diefstallen waren.”

Hij schoof zijn stoel een beetje dichter naar dien van Raffles en sprak

op schier fluisterenden toon, als vreesde hij, dat onbescheiden ooren

mochten meeluisteren:

„In de portefeuille, die mijn gestorven broer bij zich droeg, heb ik

een drietal briefjes gevonden van onverklaarbaren inhoud en nog

onverklaarbaarder onderteekening. Misschien zoudt u ook in dezen

opheldering kunnen geven.”

Al sprekende haalde hij uit zijn borstzak een zakportefeuille van wit

slangenleer te voorschijn en vervolgde:

„Deze portefeuille was het eigendom van mijn broer Oswald en dit zijn

de briefjes, die zich erin bevonden.”

Toen overhandigde hij den Grooten Onbekende drie gele velletjes papier,

beschreven met violetkleurige inkt.

En Raffles las de korte mededeelingen één voor één langzaam door:

„Broeder!

Hedenavond elf uur! Hindoe-vrouw heeft de sleutels!

Opiophaag.”

In den linker-benedenhoek van het papier stonden, in een kring gedrukt,

de volgende letters:

„d. i. l. d. w. o. i. s.”

Nu opende lord Lister het tweede briefje, dat op hetzelfde papier, met

dezelfde violette inkt geschreven was en onderaan dezelfde in het rond

gedrukte letters.

Hij las:

„Broeder!

Twee uur vóór middernacht. Purperen zaal zal geopend zijn.

Opiophaag.”

Ten derden male ontvouwde hij een der gele papieren, waarvan de inhoud

luidde:

„Broeder leider!

De broeders wenschen u te danken voor de aanwinst! Kom heden op

gewonen tijd tot ons.

Opiophaag.”

„En wat alles nog eigenaardiger en geheimzinniger maakte,” vervolgde

Willy, toen Raffles zwijgend de briefjes op tafel legde, „is, dat

gistermorgen, een uur vóór de begrafenis van Oswald, een krans werd

thuisbezorgd, op welker violetkleurige linten deze zelfde

onverklaarbare letters stonden gedrukt. De naam van de zenders, want

het schijnen leden van een club of vereeniging te zijn, werd er niet

bij vermeld.”

„Begrijpt uw vader ook niet, wie de personen geweest kunnen zijn, met

wie uw broeder deze geheimzinnige correspondentie voerde?”

„Voor papa is alles even duister als voor mij. Trouwens, vader spreekt

weinig sinds Oswalds dood en houdt zich meestal in zijn eigen kamer op.

De reis naar Egypte is nu natuurlijk uitgesteld voor eenigen tijd.”

„Mijnheer Harringa,” sprak Raffles, terwijl hij den jongen man, die

tegenover hem zat, recht in de oogen keek, „veel is mij duidelijk, van

wat voor u en uw vader altijd een gesloten boek zal blijven. Vraag er

niet naar—het is beter, dat die geheimen mèt uw broeder in het graf

zijn gegaan.

„Slechts dit wil ik u en ook u alleen—in vertrouwen mededeelen: uw

broeder Oswald is het slachtoffer geworden van het opium, het opium,

dat reeds zooveel ellende om zich heen heeft verspreid en dat den prooi

welke het eenmaal in zijn scherpe klauwen heeft, niet meer loslaat. En

laat het u tot troost zijn, dat zijn onverwachte en plotselinge dood

hem heeft gespaard voor een lang, duldeloos lijden.”

Toen nam de Groote Onbekende de drie, op geel papier geschreven

briefjes van de tafel, gaf ze den jongen man terug en vervolgde:

„Ik geef u den raad, deze briefjes te vernietigen. En, spreek tegen

niemand, ook niet tegen uw vader, over ons onderhoud.”

Acht dagen na het bezoek, dat Willy had gebracht in de villa van jonker

Van Leeuwen, ontving de heer Albert Harringa een brief van den

volgenden inhoud:

„Uit betrouwbare bron heb ik vernomen, dat het gouden doodshoofd,

dat voor u van zoo groote waarde schijnt te zijn, de Indische lepel

en de zilveren kopjes, weer in uw bezit zijn teruggekomen. En dit

verheugt mij om uwentwil.

Het was zeer juist van u gezien, om in deze duistere zaak niet de

hulp in te roepen van rechercheurs of politie. Immers—hoe dikwijls

niet is het reeds gebleken, dat deze personen minder geschikt zijn

om dergelijke opsporingen met succes ten uitvoer te brengen.

„Onoplosbare raadsels” kunnen beter worden opgelost door iemand die

het gewend is, zulke zaakjes op te knappen.

Ondergeteekende was zoo vrij, u, nu ruim een week geleden, uw

eigendommen weder te doen toekomen, nadat hij ze had teruggehaald

van de plaats, waar ze niet behoorden.

Hoe en waar hij ze heeft gevonden zal zijn geheim blijven!

Moge de gouden doodshoofdbeker voortaan alle onheil verre van u

houden!

De Groote Onbekende,

John C. Raffles”.

Lord Lister No. 0119: Het Genootschap der Droomers · 第 18 / 19 题