DROOM, WANT ONTWAKEN IS STERVEN!”

Het doffe licht en de sombere, zware meubelen en behangsels gaven het

geheel een tooverachtig aanzien.

Het was alles zeer indrukwekkend.

Terwijl Raffles nog steeds de kamer rondkeek, klonk plotseling luide de

huisbel. De kleine Hindoe-vrouw werd zeer zenuwachtig.

„Dat is mijn man!” sprak zij. „Hij zal verschrikkelijk woedend zijn als

hij u hier vindt. O, ik weet zeker, dat hij me zal slaan, als hij ziet,

dat ik een vreemde in de vergaderzaal heb toegelaten! Hier! Ga in deze

nis! Ik zal u verbergen, totdat ik u straks ongemerkt het huis kan doen

verlaten.”

Zij wees den Grooten Onbekende een soort nis aan, waarin vroeger een

standbeeld had gestaan, dat thans echter was weggenomen en waarvoor nu

een gordijn hing.

Raffles ging in de nis staan, vast besloten, om in dien schuilhoek te

blijven, totdat hij het geheim had opgelost.

De vrouw ging heen door een binnen- en buitendeur, beide dik gevoerd en

bedekt met fluweel.

Daarna hoorde Raffles niets meer.

De atmospheer was zwaar en hij ondervond een gevoel van matheid, dat

hem anders totaal vreemd was.

Hij verliet echter terstond de schuilplaats om het vertrek te

onderzoeken en toen bemerkte hij, dat de rustbedden verrukkelijk en

verleidelijk zacht waren en de tapijten, kussens en gordijnen van het

kostbaarste fluweel.

Het was hier een heerlijke kamer om te liggen droomen, geheel en al

afgesloten van de buitenwereld.

Aan het eene einde der kamer stond een groote kast, vervaardigd uit

Indisch hout. Zij was geheel voorzien van ijzeren banden en gesloten

met een groot, koperen hangslot.

Op een tafeltje naast die kast lag een stapeltje kanariegeel papier,

daarnaast een pak witte enveloppen bij een zwaar zilveren inktstel met

toebehooren.

Raffles nam een der enveloppen in de hand en bekeek ze vol aandacht en

toen zag hij, dat in den linkerbenedenhoek een soort monogram was

aangebracht met de daarin verwerkte letters: d. i. l. d. w. o. i. s.

„Droomen is leven! Droom, want ontwaken is sterven!” fluisterde de

Groote Onbekende en een vreemde gewaarwording overviel hem, een gevoel

van oneindigen weemoed.

Maar hij worstelde tegen die wonderlijke aanvechting en terzelfdertijd

werd de deur wederom geopend.

De Hindoe-vrouw kwam binnen.

Ze greep den Grooten Onbekende bij den arm.

„Kom,” fluisterde ze, „er is nu gelegenheid cm heen te gaan. Mijn man

is naar boven gegaan. Hij zal over een paar minuten terug komen.”

„Om hoe laat komen de leden der vereeniging hier?” vroeg Raffles.

„Vandaag om zeven uur.”

„Dan blijf ik daar in dien schuilhoek totdat zij komen!”

Raffles zei het op korten toon.

Maar in wanhoop wrong de vrouw haar handen en haar oogen, waarin een

smeekende uitdrukking lag, sloeg zij op naar den Grooten Onbekende.

„Doe het niet,” sprak ze, „doe het niet! Hij zal me dooden!”

„Stil,” fluisterde Lord Lister, „als ge mij hier verbergt zal ik u ruim

beloonen. Niemand zal mij ontdekken.”

De vrouw begreep, dat verdere tegenspraak haar niet zou helpen en, in

doodsangst voor haar man, zei ze:

„De gevolgen komen op uw hoofd, meneer, alleen op uw hoofd!”

Bevende aan al haar leden, zonder verder nog een woord te spreken,

verliet zij de kamer.

Het gevaar, waarvoor zij zoozeer bevreesd was, scheen echter den

Grooten Onbekende volstrekt niet te verontrusten. Feitelijk dacht hij

er niet eens over na, welk gevaar misschien kon dreigen.

Hij stelde veel te veel belang in de dingen, die komen gingen, want hij

gevoelde, dat hij op het punt stond, den sluier van het geheim van het

doodshoofd op te lichten.

Lord Lister No. 0119: Het Genootschap der Droomers · 第 14 / 19 题