De Munttoren had het negende avonduur verkondigd.
Uit Hotel de l’Europe traden twee elegant gekleede heeren naar buiten,
die de brug naar het Sophiaplein overgingen en toen, bij het
wachthuisje van de tram afscheid van elkaar namen.
„Bonsoir, Charly,” klonk de stem van den oudste hunner, „ik hoop, dat
je den avond aangenaam zult doorbrengen!”
De jonge man, tegen wien deze woorden werden gesproken, drukte zijn
vriend de hand en was een oogenblik later verdwenen in het drukke
Kalverstraatgewoel.
De lange, slanke heer bleef nog even staan. Toen wandelde hij heel
langzaam, nadat hij een sigaret had opgestoken, den Amstel langs.
Geen tien minuten later scheen hij het doel van zijn wandeling te
hebben bereikt.
Hij begaf zich namelijk in een diepe, ruime portiek van een der
heerenhuizen aan den Amstel gelegen. Het was het perceel, grenzende aan
dat van den heer Harringa.
Ruim een kwartier had de heer, in wien wij reeds den Grooten Onbekende
hebben gezien, staan wachten en reeds meende hij, dat zijn tocht dezen
avond zonder eenig resultaat zou blijven, toen de zware eikenhouten
voordeur in het huis van den suikerlord werd dichtgeslagen.
Luid dreunde de klap van het massieve hout op het koperen beslag door
de avondstilte op deze eenzame gracht.
Even later zag Raffles, dat een magere figuur zich over de straat
bewoog. En bij het schijnsel der straatlantaarn herkende hij den
oudsten zoon van Albert Harringa.
Raffles liet Oswald Harringa een vijftig schreden vóór gaan.
Toen verliet hij den portiek en volgde de gedaante, die, een weinig
voorovergebogen, voort liep langs den Amstel.
„Als ik nu maar eerst eens weet,” peinsde de Groote Onbekende, „waar
die zonderling zijn avonden doorbrengt en een groot gedeelte der
nachten, dan zijn we al een heel eind verder.”
Oswald Harringa wandelde den Amstel af tot aan de Heerengracht. Hij
beklom de hooge brug en sloeg toen linksaf de gracht op.
Langzaam volgde hem de Groote Onbekende. Hij gevoelde zich volkomen
veilig, want Oswald had hem alleen gezien in zijn vermomming van
dominee Bronsmand.
Vele grachten liep de jonge Harringa af, maar bij geen dier hooge,
breede en deftig uitziende huizen bleef hij staan. Hij sloeg eindelijk
een korte zijstraat in, die naar den Singel voerde, een straat, waar
vroeger eveneens welgestelde lieden hadden gewoond.
Maar van deze straat waren de roemrijke dagen vervlogen en nu werden de
huizen voor het grootste gedeelte gebruikt voor kantoren.
Het was een stille, rustige straat, hoewel zij toch naar een vrij druk
punt van den Singel leidde.
Het huis, waarin de Groote Onbekende Oswald Harringa zag verdwijnen,
was het laatste aan de linkerhand. Het was het eenige huis, dat niet
voor kantoor werd gebruikt en de eerste gedachte van Raffles was, toen
hij keek naar den grijzen muur en de witte lancastergordijnen, die voor
de ramen hingen, dat hier de een of andere vergaderzaal was gevestigd.
Maar welke vereeniging hield hier hare bijeenkomsten?
Waarom kwam ze hier bijeen?
En hoe dikwijls?
De Groote Onbekende gevoelde en begreep maar àl te goed, dat het thans
niet het aangegeven uur en de juiste gelegenheid was om dat alles te
onderzoeken.
Hij haalde een klein, zwaar notitieboekje te voorschijn, schreef daarin
den naam der straat en het nummer van het huis en wandelde langzaam
terug langs de Heerengracht tot aan de Westermarkt.
Hier nam hij een taxi en daarmee liet hij zich naar de club brengen,
waar Charly reeds aan de whisttafel had plaats genomen.
Even keek de jonge secretaris verbaasd, toen hij, zóó gauw reeds, zijn
vriend en meester zag verschijnen.
Maar Edward Lister nam zelfs niet de minste notitie van Brand. Hij
begaf zich naar een der hoeken van het clublokaal, waar de goedige,
dikke Richard Mollen een partijtje bridge speelde en veel domheden
debiteerde.
En al heel spoedig liet ook John C. Raffles de kaarten door de gladde
vingers glijden en hoorde men niets dan: „Harten troef, jonker Van
Leeuwen speelt voor!...... Da’s een mooi spel, jonker......”
Om vijf uur den volgenden middag stond Raffles weer voor het groote
huis in de stille dwarsstraat tusschen Singel en Heerengracht.
Op zijn schellen werd de deur geopend door een vrouw van een bepaald
Oostersch voorkomen.
Het was een klein, droevig uitziend wezen en Raffles, die op zijn
reizen bijkans alle volksstammen en alle rassen met hun uiterlijk zoo
verschillende eigenaardigheden en kenmerken had leeren kennen, zag
terstond, dat dit een Hindoesche was.
Hij vroeg haar, welke vereeniging in dit gebouw haar vergaderingen
hield en in gebroken Hollandsch met een sterk Engelsch accent
antwoordde zij, dat het de vereniging was van de Indische droomers.
Maar verder kon Raffles niets uit haar krijgen.
„Het is beter,” sprak de kleine vrouw, „dat gij eens terug komt, als
mijn man thuis is.”
De Groote Onbekende, nu wetende, dat de conciërge van het huis afwezig
was en begrijpende, dat de vrouw, zijn vragen allicht eerder zou
beantwoorden dan haar man, vroeg thans in de Engelsche taal, of hij
niet eens de vergaderzaal der vereeniging zou mogen zien.
Ook dit werd geweigerd.
Toen nam Raffles zijn toevlucht tot het eenige, wat hem in dezen nog
overbleef!
„Als dat niet helpt, helpt niemendal!” dacht hij en hij haalde een
vijftal gouden tientjes uit zijn vestzak te voorschijn.
De zwarte oogen der Hindoesche glinsterden van hebzucht, toen ze de
gouden schijfjes zag liggen in de blanke hand van den vreemdeling, die
haar moedertaal op zoo onberispelijke wijze sprak.
Nog echter aarzelde zij.
En wederom tastte Raffles in zijn zak en hij verdubbelde het aantal der
gouden muntstukken.
Nòg gretiger keken de oogen der kleine vrouw.
Maar toen ook bezweek zij voor de verzoeking.
Met een enkele handbeweging en een bijna onmerkbaar hoofdknikje noodde
zij den slanken bezoeker binnen te treden. En toen de grijze deur
achter Raffles was dicht gevallen, stond hij in een klein voorportaal.
Dat voorportaal leidde door een matglazen deur naar een vestibule, waar
een dik wollig kleed lag, dat iederen voetstap dempte.
De muren waren behangen met zwart fluweel, een breede trap, waarvoor
zware gordijnen hingen, voerde naar boven.
Bijna volslagen duisternis heerschte in deze vestibule. Een drukkende
somberte overviel den Grooten Onbekende en de lucht, die hij inademde,
was doordrongen van een vreemden, ziekelijken damp.
Geleid door de Hindoe-vrouw, kwam Raffles door een met gordijnen
behangen deur in een groot vertrek, dat de diepte had van het gansche
huis.
Het daglicht was hier totaal buitengesloten; het vertrek werd verlicht
door een groote lamp, die in het midden van de zoldering afhing. Een
kleinere lamp brandde in een der hoeken.
Purperkleurig was het fluweel, waarmede in deze kamer de muren en ook
de zoldering waren bekleed. Een rijk Indisch kleed, waarin diep de voet
wegzonk, lag op den vloer en de tafel, die in het midden van de kamer
was geplaatst, was bedekt met een fluweelen kleed in dezelfde kleur als
het muurbekleedsel.
Rijke rustbedden met fluweelen kussens en kostbare Indische dekens
belegd, stonden rondom.
Dezelfde ziekelijke geur, die Raffles reeds in de vestibule had
opgemerkt, hing ook in deze merkwaardige kamer, waar een stilte
heerschte als in het graf en waar geen enkel geluid uit de buitenwereld
tot het oor doordrong.
De lampen brandden, maar desondanks duurde, het geruimen tijd, voordat
Lord Lister’s oogen gewend waren aan de schemering en ze de
bijzonderheden in het vertrek konden opnemen.
Toen bemerkte hij op het fluweel aan de eene zijde der kamer in
fonkelende gouden letters, die zeer duidelijk uitkwamen tegen den
violetkleurigen achtergrond, de volgende woorden:
„DROOMEN IS LEVEN!