OPIOPHAAG.”

De jonge Harringa vouwde den brief weer dicht en borg hem in de

portefeuille.

Hij stond op en fluisterde: „Wàt moet ik doen!”

Hij keek naar het boek: „beneveld verstand.... vermagerd lichaam....

verminderd geheugen.... puisten... zweren... kliergezwellen... en

dan—sterven aan hartlijden......”

Een uur later werd op de deur van Oswald Harringa’s zitkamer geklopt.

„Binnen.”

De huisknecht trad in.

„Of meneer komt dineeren.”

„Neen, Egbert. Ik zal niet komen. Ik heb zware hoofdpijn.”

De oude man keek op.

„Als meneer eens wat minder rookte,” waagde hij te zeggen.

Oswald keek op.

„Zei je wat, Egbert? Wat minder rookte? Neen, neen, die paar sigaretten

hinderen niet!”

De huisknecht ging heen om zijn mevrouw te gaan vertellen, dat de jonge

meneer geen eetlust had en op zijn kamer wenschte te blijven.

En onderwijl bedacht de huisknecht, dat het toch niet alles moest zijn

voor een vlijtig, werkzaam man als meneer Albert Harringa was, die den

heelen dag nog arbeidde op zijn kantoor en nu weer voor zaken heelemaal

naar Egypte moest, om een zoon „d’r op na te houen”, die niks

uitvoerde. Die hoogstens eens een uurtje naar het kantoor van zijn

vader ging maar daar óók al niemendal werkte. Dat had Albert wel eens

gehoord, als meneer en mevrouw samen spraken over hun oudsten zoon, die

zoo’n doelloos leven leidde en wiens gezondheid zoo zwak scheen, dat

zijn ouders hem maar ontzagen.

Wat er nog eens van meneer Oswald terecht moest komen, dáár was de oude

benieuwd naar.

Lord Lister No. 0119: Het Genootschap der Droomers · 第 9 / 19 题