OSWALD HARRINGA.

De oudste zoon van den heer Albert Harringa was een zonderling; als

zoodanig werd hij althans door zijn vrienden beschouwd en ook de

huisgenooten tot zelfs zijn ouders behandelden Oswald steeds met een

zekere terughoudendheid. Zijn zusters schenen zelfs eenige vrees te

koesteren voor hun somberen broer, die zoo geheel verschilde van den

levenslustigen Willy.

Want waar Willy altijd bereid werd gevonden met de zusjes uit te gaan,

haar te begeleiden op feestjes en uitstapjes; en waar Willy’s heldere,

gezonde lach en prettige, jonge stem zoo luidruchtig door de gangen en

de ruime kamers van het groote huis kon daveren, daar hoorde men Oswald

zich schier niet bewegen.

Hij deed alles geruischloos; hij liep zachtjes... als op fluweelen

schoenen, zooals de keukenmeid placht te zeggen, die over Oswald nooit

anders sprak dan over „de vleermuis”.

„De oudste jonge meneer,” zei ze dan. „ziet er net zoo grauw en zoo

vaal uit, als zoo’n griezelig nachtgedierte en als ik hem tegenkom ben

ik altijd bang.”

„Loop heen,” lachte de oude huisknecht, „meneer Oswald is wat

eenzelvig, maar hij zal geen kind kwaad doen. Als je ’t mij vraagt,

geloof ik, dat meneer niet al te bestig in orde is. Hij ziet er zoo

minnetjes uit; zoo heel anders dan de andere kinderen van meneer en

mevrouw. De jonge dames en meneer Willy hebben wangen als appels en

oogen als sterren!”

Oswald Harringa was altijd een stil en ingetogen kind geweest. Zelden

of nooit had hij meegedaan aan de luidruchtige spelen van zijn

vriendjes en urenlang kon hij thuis in een hoekje zitten lezen, of,

aanhoudend voor zich uitstarend, droomend suffen.

„Ga toch met de jongens naar het veld voetballen, of wordt lid van een

tennis- of zwem- of roeivereeniging,” hadden zijne ouders hem

aangeraden, toen hij, op zeventienjarigen leeftijd van een goede

kostschool was thuisgekomen.

Op aanraden van den dokter was Oswald op twaalfjarigen leeftijd naar

kostschool gestuurd.

„De jongen moet maar den boer op, meneer Harringa,” had de geneesheer

gevonden, „stuur hem maar naar een gezonde streek. De vrije natuur en

de buitenlucht zullen hem goed doen.”

Zoo was de jongen vijf jaren van huis geweest. Alleen de vacanties

bracht hij bij zijn ouders door. Steeds was Oswald stil gebleven en in

zich zelf gekeerd en toen hij eindelijk voor goed thuis kwam had zijn

moeder niet veel in gezelligheid aan haar zoon gewonnen.

Hij versmaadde alle pretjes; hij dacht er niet aan, zich aan te sluiten

bij jongelui van zijn leeftijd en een groot gedeelte van den dag bracht

hij op zijn kamer door.

Oswald had slechts één hartstocht: rooken.

Zijn ruime zitkamer op de tweede verdieping gelegen, was gansch en al

doortrokken van een scherpe, doordringende lucht van een zeker soort

sigaretten, die hem bij vele doozen tegelijk door een vriend uit

Brussel werden gestuurd.

Geen der mannelijke huisgenooten was het mogelijk die sigaretten te

rooken, zonder daarvan de nadeelige gevolgen te ondervinden: hoofdpijn,

lichte duizeligheid, onpasselijkheid.

Als Oswald iets van een dergelijke uitwerking bespeurde bij zijn vader

of zijn broer, trok een minachtend lachje om zijn smalle lippen, even

haalde hij de schouders op, om het volgende oogenblik weer den brand te

steken in een dergelijk vreemdsoortig rook-exemplaar en zwijgend in een

hoek te gaan zitten, zonder deel te nemen of belang te stellen in de

huiselijke conversatie.

„De vleermuis” noemde hem het bedienend personeel, omdat hij des avonds

alleen het huis verliet en dan, meestal héél laat in den nacht

terugkeerde.

En „de droomer” zeiden z’n zusters tegen hem, omdat hij op haar den

indruk maakte van iemand, die den ganschen dag verkeert in een

droomtoestand.

Maar noch van het een noch van het ander wenschte Oswald de minste

notitie te nemen.

Hij zweeg, verliet de huiskamer en begaf zich naar zijn eigen

zitvertrek.

Die zitkamer zag er vreemd en wonderlijk uit en was door den bewoner

met de uiterste zorg, met bijna vrouwelijke netheid in orde gebracht.

Op den grond lagen een Perzisch tapijt en een viertal zachte

ijsberenvellen, die hun machtige, grimmige koppen opstaken en onder de

strak-starende oogen den grooten muil met de spitse hoektanden lieten

zien.

Een lage, zeer breede divan was overdekt door een kostbare Oostersche

lap in gloeiende kleuren en stond tegen een achtergrond, die werd

gevormd door de huid van een Bengaalschen tijger.

Overal waren in de kamer draperieën en doeken gehangen van zeldzame

stoffen en wondermooie kleuren. Overal stonden makkelijke zetels vol

zwaarzijden en fluweelen kussens. Tegen den muur hingen wapens en

olifantstanden, vleugels van uitheemsche vogels, waaiers van ivoor,

honderden jaren oud.

Een groote schilderij boven den schoorsteenmantel, gevat in zwarte

ebbenhouten lijst met gouden rand, stelde eenige Indische fakirs voor.

Een der mannen werd voorgesteld, terwijl hij bezig was met een

vlijmscherp mes den duim van zijn rechterhand te splijten.

Vermiljoenrood waren de bloeddroppels gekleurd, die neersijpelden op

het witte kleed van een dier andere Indische bedelmonniken, die van

aalmoezen leven en zich allerlei wreede lichaamskwellingen opleggen.

De meesten dier fakirs zijn onwetend, onbeschaafd, lui en vuil en, in

weerwil van hunne bekende ondeugden, worden ze door het volk met

eerbied bejegend, hoewel ze zelfs in sommige streken van Azië een

hoogst verderfelijken invloed uitoefenen.

Oswald dacht aan de fakirs, die hij ook hier te lande wel eens had zien

werken en die zoo bekend zijn door de buitengewone, zelfs

onbeschrijfelijke behendigheid, waarmede zij allerlei goocheltoeren en

schijnbaar bovennatuurlijke handelingen verrichten.

Dat was een zijner liefste bezigheden.

Zóó liggende op den divan, op te zien naar die bloederige schilderij.

Maar ook wel begaf hij zich, voordat hij zich uitstrekte op de

rustbank, naar een boekenkastje, gesneden van ebbenhout, kunstig

bewerkt en ingelegd met paarlmoer en steunende op vreemd gedraaide

pooten, vervaardigd van olifantstanden.

Uit dat kastje haalde hij dan een der in marokijnleer gebonden boeken

te voorschijn.

Het was een boek, waarvan de bladen van soepele zijde waren

vervaardigd. Vreemde, grillige figuren stonden op den omslag boven de

afbeelding van een opiumschuiver.

Oswald las, hoewel hij den inhoud, reeds honderden malen verslonden,

uit zijn hoofd kende.

Hij wist het zeer wel, dat het opium als geneesmiddel door bevoegden

toegediend, in vele opzichten heilrijk werkt; het was hem bekend, dat

door opium iemands gemoedsstemming kan worden verlevendigd; een gevoel

van welbehagen kan intreden, de kwelling van zorg en smart gaat wijken.

Maar óók was het hem bekend, dat het onmatig gebruik van opium op

den duur het lichaam sloopt en dat de opiumgebruikers, die gaan

lijden aan longen en hart, aan maag en darmen, ook door hun uiterlijk

kenbaar worden. „Immers”, las Oswald, „krijgt het gelaat iets

perkament-achtigs; uit de oogen verdwijnt alle glans, alle flikkering

gaat verloren. Ze schijnen in hunne holten geheel te zijn weggezonken,

terwijl de wenkbrauwen kwijnender worden en een vaal geel het gansche

gelaat bedekt. Ook de nieren worden aangedaan en vertoonen spoedig

een ontsteking, die de aanleidende oorzaak wordt van waterzucht,

opgezwollen, met water doortrokken voeten, beenen en buik.

„Den lijder, die reeds langen tijd klaagde over spanning op de borst en

kortademigheid, wordt het ademhalen bijna onmogelijk, zoodat hij ieder

oogenblik dreigt te stikken.”

Kleine zweetdroppels parelden op het voorhoofd van den jongen Harringa,

toen hij verder las:

„Het bederf der vochten roept groote puisten, vuile, boosaardige

zweren, kliergezwellen en knobbels te voorschijn.

„Intusschen is het lichaam vermagerd. Het vleesch is allengs verteerd,

het vel hangt als een zak om het gebeente. Het aangezicht wordt

lijkkleurig en zwart, de beenen raken ontbloot als hout en blokken. Dat

ook de werkzaamheid der hersenen wordt aangedaan, spreekt vanzelf; het

verstand wordt beneveld, de denkkracht vernietigd, het geheugen

vermindert. Dit lijden kan jarenlang duren, totdat de betrokkene

sterft, veelal aan een hartlijden.

„En ook op de moraliteit van den gebruiker werkt het opium vaak in

hooge mate ongunstig. Menigeen is er door tot misdrijf vervallen ten

einde zich de middelen te verschaffen om het gebruik van opium voort te

zetten.

„Was men vóór het gebruik van opium moe, lusteloos, krachteloos, daarna

is elk gevoel van moeheid en afmatting geweken. Doch dan wordt spoedig

verslapping van kracht waargenomen, dan is de spierkracht blijkbaar

verminderd, de geest werkt trager, en hieraan paart zich een hol gevoel

in het hoofd, met neiging tot slapen.

„Een en ander schijnt het gevolg te zijn van den verlammenden invloed

dien het opium uitoefent, waardoor, vooral bij veelvuldig gebruik, het

zenuwstelsel sterk wordt aangegrepen.........”

Oswald Harringa had de zijde bladen van het eigenaardige boek in elkaar

gefrommeld.

Toen, met een geweldigen smak, wierp hij het boekdeel van zich af en de

marokijnleeren band vloog met een harden klap tegen een klein,

porseleinen afgodsbeeldje, dat op een onyxtafeltje te pronk stond en

nu, met gebroken arm en hoofd, neerviel op het gladde tafelblad.

Oswald schrikte.

„Scherven op Vrijdagmorgen beteekent onheil”, fluisterde hij in

fanatiek bijgeloof en zijn dunne, wasbleeke vingers tastten langs het

klamme voorhoofd.

„Scherven op Vrijdag—verdoemd! Hoe kon ik ook zóó onvoorzichtig zijn en

dat ongeluksboek zoo ruw wegsmijten!”

Hij richtte zich op met mat gebaar, legde den sterk geurenden sigaret

op een zilveren aschbak, waarin de grillige figuren van een drakenkop

waren gedreven, en liep naar het onyxtafeltje.

De scherven van het porseleinen afgodsbeeldje raapte hij bijeen en

wierp ze in een uit Turksche kralen en haaientanden geregen prullemand.

Daarna nam hij het boek van den vloer en begaf zich er opnieuw mee naar

den divan.

Hij sloeg de zijden bladen open op de plek waar hij zooeven was

opgehouden en las weer:

„Papaver somniferum, slaapwekkende maankop.... sterk verdoovende

kracht.... voortdurend gebruik bij Chineezen en Javanen zeer in

zwang... ondermijnt, nòg erger dan de jenever, de krachten des

levens....”

Oswald rilde.

Toen haalde hij uit zijn borstzak een portefeuille van wit slangenleer

te voorschijn. Hij opende het voorwerp en kreeg daaruit een zwaren

brief, met violetkleurige inkt geschreven op kanariegeel papier.

De brief was, gestoken in een eenvoudigen witten envelop, geadresseerd

aan: Oswald Harringa.

Niets bijzonders was op het adres te bespeuren. Alleen in den

linkerbenedenhoek van deze envelop was een eigenaardige versiering

aangebracht, een soort monogram.

En de aandachtige beschouwer, die meer dan oppervlakkig de dingen

wenschte te bekijken, had in die vlakversiering een aantal letters

kunnen zien aangebracht. Hij had dan de volgende letters kunnen

ontcijferen:

d-i-l-d-w-o-i-s.

Maar in den huize Harringa had niemand er nog ooit aan gedacht om zoo’n

kleine versiering, aangebracht op een eenvoudige witte enveloppe, nader

te gaan bestudeeren.

En zóó al iemand het in zijn hoofd mocht hebben gekregen om die letters

te ontwarren, hij zou immers niets wijzer zijn geworden.

Wat zeiden hem die acht letters? d-i-l-d-w-o-i-s.

De gele brief, beschreven met violetkleurige inkt, bevatte slechts

enkele regels schrift.

Ze luidden:

„Broeder!

Hedenavond elf uur! Hindoe-vrouw heeft de sleutels!

Lord Lister No. 0119: Het Genootschap der Droomers · 第 8 / 19 题