En ja, in de verte klonk muziek!
Vlak voor 't bruggetje hield even later 't muziekcorps stil.
Henk, versierd met 'n groote sjerp, kwam Hesse afhalen, om hem naar
't feest te begeleiden.
En nu voerde hij den vriend naar 'n wagentje op twee wielen, opgetooid
met bloemen en groen, en getrokken door 'n wit paard.
Hesse moest in stappen en Henk nam naast hem plaats.
Vooruit!
De feestelijke optocht door 't dorp begon!
De muziek voorop, dan 't karretje en daarachter de vrienden.
En in 't dorp hingen de vlaggen uit en al de inwoners liepen te hoop
en voor 't huis van den burgemeester hield de stoet halt.
Daar werd Hesse toegesproken....
Vooral de woorden: "Met jou vieren we allemaal feest, omdat we zoo
blij zijn, dat 'n jongen als jij behouden is gebleven. In jou vieren
we alle vrienden van de arme dieren!" deden Hesse goed. Hij begreep,
dat 't feest niet uitsluitend hèm gold, maar dat 't heele dorp wilde
jubelen en pret maken om die ééne gedachte: Wees 'n goed mensch,
heb medelijden met zwakken en verdrukten, óók onder de dieren!
En toen ging 't naar 't feestterrein!....
Al enkele malen had Hesse boven de huizen 't vreemde licht gezien....
Nu kwam hij voor de kerk en daar zag hij de overgebleven muren
afgeteekend door lijnen van lichten.... daar rees de halve toren voor
hem op, nu van licht!
En heel 't dorp stroomde door 't hek binnen en overal klonk 't gejoel
en de vreugde.
Hesse stond verbluft, toen hij uit de sjees was gesprongen.
De sterke aandoeningen maakten hem week en dit tooverachtige schouwspel
ontroerde hem. Zwijgend volgde hij Henk, die hem naar 'n zitplaats
bracht recht tegenover 't tooneel. En naast hem op dezelfde rij kwamen
de notaris en z'n vrouw, de burgemeester, de dokter en meer voorname
bewoners te zitten.
Daarachter vond 't heele dorp plaats genoeg.
En Hesse begreep er niemendal van wat er gebeuren zou....
Toen begon 't spel!
Eerst trad 'n jonge vrouw naar voren, helder van terzijde beschenen
door 't sterke licht van carbid lantarens. Ze was in 't blauw gekleed
en ze droeg 't lange blonde haar los over den rug.
Duidelijk en plechtig sprak ze 'n aantal versregels, waarin gezegd
werd dat met liefde niet alleen bedoeld wordt: liefde voor de menschen,
maar ook voor dieren.
Na deze proloog volgde 't eerste tafereel, waarin enkele jonge mannen
en vrouwen, kennissen van Fred, den strijd afbeeldden tusschen 't
goede en 't kwade.
Ze droegen allen vreemde costuums en ze spraken heel anders dan
gewone menschen.
En nu pas werd de belangstelling van Hesse bizonder gespannen want
daar verschenen ook Henk en Jan en al de anderen, spelend voor dwergen
en kabouters, gekleed in kleurige pakjes. En ze droegen lange baarden!
Ze moesten vrienden van de dieren voorstellen en samen middelen
beramen om ze te beschermen.
Dan vinden ze 'n slapenden jongeman, verstooten door z'n vrienden,
omdat hij zich verzet heeft tegen wreedheid.
Ze besluiten hem op te nemen in hun midden, hij zal hen helpen en
omgekeerd hij ook hen. Ze zullen wraak nemen op de dierenbeulen en
hen eens doen voelen wat hardheid en ellende beteekenen.
Dan worden de wreedaards gedwongen de rol van dieren te vervullen en
ze ondergaan de verschillende vreeselijke behandelingen, waaronder
zoo vele ongelukkige beesten zuchten.
Dat doet hen om genade smeeken en daarna mogen ze deelnemen aan
't groote feest, waarbij alle wreedheid wordt afgezworen en alle
deelnemers beloven medelijden te hebben en mee te zullen werken om
arme dieren te beschermen. En aan 't slot sperde Hesse z'n oogen
wagenwijd open....
Rip en Kas speelden óók mee!
Zij moesten alle dieren vertegenwoordigen en daarom werden zij in
't laatste tafereel op 'n verhevenheid geplaatst en toen begon er
'n soort van huldiging.
Jonge meisjes in 't wit wuifden hen toe en strooiden bloemen....
Alle andere deelnemers zongen 'n lied, dat aandoenlijk klonk in de
stilte van dien wonderschoonen Septemberavond.
En eindelijk verscheen dezelfde jonge vrouw weer, nu op 't witte paard,
op haar schouder zat de duif....
Rip en Kas sprongen nu blaffend rond.... 't Aapje zat achter haar
en ook Lizi en Knuppeltje waren van de partij, zelfs Koko! De jonge
vrouw stelde de toekomst voor, de mensch is de vriend van alle dieren!
Toen groepeerden zich de medespelenden om haar heen.... de muziek
zette 'n plechtig koraal in.... 't bengaalsche licht ontbrandde en
hulde alles in 'n toovergloed....
Hesse zuchtte diep....
Zoo iets had hij nog nooit gezien!
Terwijl al de toeschouwers luid in de handen klapten, bleef hij
stil zitten....
Hij hoorde niet eens de vragen, die tot hem gericht werden.
Maar allen stonden op....
Nog één nummer en dan was 't feest afgeloopen.
Naar 't vreugde vuur!
Joelend en lachend en dringend zochten allen 'n goed plaatsje om
't slot van 't feest zoo dicht mogelijk bij te wonen.
Midden in 't weiland lag 'n donkere massa, niemand kon onderscheiden
wat 't eigenlijk was, maar iedereen kende 't verhaal van de lont.
Schimmige gedaanten bewogen er zich om heen. Opeens klonk er 'n scherp
gefluit.... toen werd 't stil en--eensklaps sloeg er 'n vlam ten hemel
alsof die uit den grond was geschoten, 'n reusachtige roode tong,
die kronkelde en in zware bochten voor en achterover sloeg....
Daarna volgde 'n oplaaiing van 'n groot rood vuur, dat heel den
omtrek verlichtte....
De toeschouwers stonden zwijgend toe te zien, getroffen door den
aanblik van dit geweldige vuur....
Toen barstten allen los!
'n Donderend gejuich steeg omhoog in de stille avondlucht....
Het scheen of iedereen z'n diepste gevoelens wilde uiten door 'n
vervaarlijk geschreeuw, door 'n wild draaien en zwaaien....
Alleen Hesse jubelde niet mee....
Hij keek met ernstige oogen naar 't groote vuur.... hij alleen wist
ook, wat hij had geleden in dien donkeren nacht in den toren, toen
de lont aldoor verder brandde en hij zoo diep ellendig was.... Dat
zelfde kruit ging nu in rook voor hem op en al dat gejuich, al die
drukte gold hèm en z'n werken voor arme lijdende schepsels....
't Werd Hesse warm om 't hart en hij schrikte werkelijk, toen de
zware stem van den burgemeester klonk: "Wel Hesse, is dat nou geen
mooi vuurtje? Zóó één in 't kamp, hè? Dat zou je wat zijn."
Hesse wist niets te antwoorden....
Daar reed 't karretje weer vóór!
Hesse moest geholpen worden om weer in te stappen....
Nog éénmaal maakte hij 'n rondgang door 't dorp dwars door de woelende
menigte en Henk zat hem aldoor maar te stompen in z'n zij en telkens
vroeg hij: "Hoe vond je 't, jò? Leuk hè? Mooi hè?"
Dan knikte Hesse iederen keer met 't hoofd en in z'n jonge hart leefde
't geluk.
Voor 't brugje hield 't karretje stil--Hesse klom er af en na 'n
laatsten blik op den nog altijd verlichten toren en afgewacht door
mevrouw en meneer, zat hij eindelijk afgemat in de binnenkamer,
wèl bleek, maar z'n oogen zeiden genoeg!
Later kwam Wibbe--die had zich nog moeten verkleeden en helpen opruimen
en toen waren ze met d'r allen ook nog wat rond gaan loopen. Wibbe
deed verschrikkelijk druk!
Hesse hoefde heelemaal niets te zeggen, de vriend hield geen seconde
stil en zoo doorleefde Hesse nog eens de gelukkige uren. Nog weer
later verscheen Fred, de broer van Henk met de dames en heeren,
die meegewerkt hadden aan 't openluchtspel.
Met ruime hand bood mevrouw ververschingen en verkwikking aan.
'n Algemeen gepraat vulde de groote kamer, 't lachen was niet van de
lucht en toen ook nog de burgervader binnentrad om allen te bedanken,
voor 't prachtige feest, nou, toen vormden ze zoowaar 'n kring met
Hesse en den ouden heer in 't midden.
Ze zongen en jubelden nog eens voor 't laatst en toen was 't uit....
Hesse sliep dien nacht niet best en toch was 't de gelukkigste uit
z'n heele leven!