Ze konden 't beneden niet uithouden! Ze moesten ze zien naderen,
en dus verschenen de vijf ridders op den toren en ja, daar naderden
de wolven....
'n Woest gehuil brak los!
Boven op den toren en bij 't hek beneden.
Flip hield z'n bende tegen, want de meeste wolven wilden dadelijk 'n
aanval beginnen. Hij begreep de moeilijkheid om dat steenen gevaarte
te veroveren.
Ze hielden krijgsraad.
Eerst besloten ze, 'n onderzoek in te stellen naar den toestand van
den ingang.
Maar nauwelijks wilden ze beginnen met 't bestijgen van de ruïne,
of de luide stem van Hesse weerklonk:
"Terug! of we gooien!"
Verrast hielden de wolven halt....
Het scheen ze daar op den toren ernst te zijn.
Ze weken!
En de ridders juichten!
Maar Flip legde z'n mannetjes uit, hoe ze veilig konden naderen onder
bescherming van 'n schild.
Een schild! Gemakkelijk gezegd! Waar haalden ze zoo iets vandaan?
Flip voerde hen mee achter 'n muur, waar ze veilig konden
beraadslagen....
De ridders bleven in ongerustheid afwachten.
Ze begrepen wel, dat 't ernstig spelletje nog lang niet uit was,
maar hoe 't zou worden voortgezet, nee, daarvan hadden ze geen idee.
Opeens, na 'n goed half uur trok 'n zonderling schouwspel hun
aandacht....
Er bewoog 'n plat gevaarte....
Het leek wel beenen te hebben!
Hesse begreep 't dadelijk.
"Ze loopen er onder! 't Is 'n groot dekschild! Kijk maar! Van latten
en stukken plank is 't gemaakt. Opgepast!"
Met 'n smak kletste hij er 'n stuk steen op neer.... de anderen
volgden....
Niet graag zouden ze hun vijanden zoo regelrecht bestookt hebben,
maar nu deze veilig onder hun schild liepen, smeten ze er op los.
Langzaam naderden de wolven den toegang....
Het werd dus tijd dien te verdedigen.
Snel vlogen de ridders naar beneden en, gewapend met stokken en
steenen vatten ze post voor de versperring....
Daar begon me 'n hevige strijd--met de tongen!
Enkele slagen vielen er maar, als soms 'n wolf het waagde 'n lat aan
te raken.
Nu hun schild overbodig was geworden boven hun hoofd, gebruikten ze
het als beschutting vóór zich.
Verschrikkelijke stooten en slagen kwamen op schild of op de
versperring terecht.
Flip begreep eindelijk, dat ze er zóó niet makkelijk in kwamen! Ze
hadden den tegenstand van de vijf te licht geschat.
Juist wilde hij den aftocht bevelen, toen z'n oog op 't luchtgat
viel....
Onmiddellijk had hij z'n plan klaar!
Maar ook 't zelfde oogenblik werd hij er in verhinderd door de
verschijning van boer Peggers. Deze brave kerel kwam juist langs
en omdat hij z'n jonge vrienden in gevaar geloofde, trok hij op de
vreemde indringers af, zwaaiend met z'n geduchten knuppel....
"Pak je weg! Gauw, als de....!"
De plotselinge verschijning van den grooten boer met de harde stem
en den knoestigen doornstok, veroorzaakte 'n geweldige verwarring
onder de wolven.
Ze vluchtten!....
De ridders lieten de wapens zakken en boer Peggers, die eens naderbij
kwam koekeloeren, vond ze met vuurroode gezichten en felle oogen
achter de versperring.
Hij maakte ze 'n geducht standje en hij waarschuwde ze, met die
gekkigheid op te houden. "D'r komme nog ongelukken van! En as de
notaris 't heurt, dan mag jullie hier heelegaar niet meer spele."
Hesse wierp alle schuld op de wolven!
"We willen niet vechten," riep Hesse, "moeten we dan toelaten, dat
zij in den toren komen? Wij hebben verlof gekregen, en zij niet!"
Boer Peggers gaf ze den raad de hulp van den burgemeester in te roepen
maar hier tegen verzette zich 't jongensgevoel van eer.
Boer Peggers dacht er toen 't zijne van en hij besloot 'n wakend oog
te houden op 't doen en laten van de rakkers.
Hesse kwam dadelijk met 't plan om 't luchtgat dicht te maken.
Hij had heel goed de beweging van Flip opgemerkt en begrepen, hoe
moeilijk 't hun zou vallen de kelder vrij te houden.
Hij was niet zoozeer bang voor 'n overwinning van de wolven als voor
Dodo en Rip, die nu overgeleverd bleven aan de wolven.
Wibbe meende, dat ze de twee dieren niet in de kelder moesten houden,
maar Hesse beschouwde dat weer als lafheid.
"Er komen er nog méér!" zei hij op zulk 'n vasten toon, dat de ridders
hem vreemd aankeken.
"Hoe meen je dat?" vroeg Henk.
"Ik meen, dat er zeker meer dan twéé ongelukkige dieren in de wereld
zijn," antwoordde Hesse.
Tegelijkertijd wees hij op 't luchtgat en kommandeerde! "Dicht maken,
vooruit!"
'n Heel aardig bevel, maar moeielijk uit te voeren, want 't moest
zóó gebeuren, dat de wolven 't niet gemakkelijk open konden krijgen.
Jan vond de beste oplossing!
"We nemen hun eigen schild! Dat brengen we in de kelder en door
middel van vier steunsels komt 't in de kelder tegen 't gat aan! Is
't niet goed?"
O maar, ze vonden 't uitmuntend!
Ze zeulden 't schild naar beneden, maakten 't wat steviger en toen
zochten ze stukken hout om die er onder te plaatsen bij wijze van
stutpalen.
Druk met 't werk bezig, verloren ze alle aandacht voor wat er aan
den achterkant van den toren gebeurde.
Daar verzamelden zich ongemerkt de wolven en ze loerden om den
hoek naar de ridders, waarvan er telkens één of meer in 't lichtgat
verschenen om te passen en vast te houden.
'n Regelrechte aanval durfden de wolven niet te ondernemen, want
ginds zagen ze de gedaante van boer Peggers nog bewegen. En voor
dien reuzenkerel waren ze bang! Vandaar, dat Flip voorstelde van list
gebruik te maken.
Hij wees op de gescheurde zerksteenen aan den voet, de zelfde waaraan
de ridders zoo lang gemorreld hadden.
"Als we kans zien, dáár 'n gat te maken, dan kruipen we er ongemerkt
door, halen de vlag neer, bezetten den toegang en nemen ze in d'r
eigen kelder gevangen!"
Zoo wilde Flip z'n slag slaan.
Het kwam er nu maar op aan, om zoo'n gat ongemerkt te maken. Dat diende
zonder rumoer gepaard te gaan, anders hoorden de anderen 't dadelijk.
De gespleten steenen werden nog eens nauwkeurig bekeken, allerhande
manieren om te slagen overwogen de wolven....
Opeens riep Flip uit: "Ik weet 't! Je kunt zien, dat ze hier al bezig
geweest zijn, maar 't is toen niet gelukt.
"Ik geloof, dat we met 'n flink breekijzer best klaar komen. Het
zal hier net gaan als met 'n raam, dat je met 'n haak open wil
trekken. 't Lukt niet.... 'n ander zal 't probeeren.... die kan
't ook niet.... weer 'n volgende.... 't gaat nog niet.... eindelijk
komt er een, die met 'n vaartje 't raam naar beneden trekt, alleen
omdat al de vorigen elk 'n beetje hadden gedaan.
"Zoo is 't hier ook! We moeten eenvoudig volhouden!
"Daarom stel ik vóór, nu weg te gaan. Van nacht komen we terug met
sterke breekijzers en we houden net zoo lang vol, tot we 'n gat
hebben. Wie doet mee?"
--"Van nacht? Nou, dat is me wat kras!"--zei Geert Joosten.
"Nou ja, ik bedoel met donker!" zei Flip haastig.
Er waren vier liefhebbers!
Ze spraken af, om tien uur bij den toren te zijn, en als ze laat
thuis kwamen, ja, de straf, die ze opliepen, zouden ze maar geduldig
dragen!....
"We zullen ze nog even laten schrikken!" zei Flip bij 't weggaan.
Met d'r allen liepen ze om den toren, voorzichtig loerend naar
de ridders.
Deze waren nog vol ijver bezig en ze dachten niet meer aan de
wolven. Kees klauterde juist met 'n pas ontdekt stuk plank door den
toegang. Dat ging 'n beetje lastig en juist op 't oogenblik waarin
hij zich omkeerde om z'n plank 'n flinke oplawaai te geven, daar zàg
hij de wolven!
Onmiddellijk slaakte hij 'n woeste kreet, liet z'n plank in den steek
en gilde bij de trap: "Verraad! Hoei! hoei! hoei!"
Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven om den toegang
te verdedigen. De wolven stonden er voor en 't zou hun haast gelukt
zijn binnen te dringen. Ze trokken met woest geweld 'n gedeelte van
de versperring weg, maar toen ook kregen ze met Hesse te maken!
Als 'n woedende stier stormde hij op den toegang af, doordringende
schreeuwen stootte hij uit en met 'n geweldige lans, niets anders dan
'n lat begon hij door de opening te stooten.
Onderwijl stoven de anderen naderbij, gewapend met steenen....
De versperring begon te bezwijken en de wolven nu door 't dolle heen,
grepen de speer van Hesse beet en trokken die met 'n forsche ruk uit
z'n handen.
Weer viel er 'n brokstuk op zij en 't gat werd nog grooter.
"Geef je over!" gilde Flip.
Wibbe antwoordde door 'n woeste stoot met 'n eind hout, zoodat de
aanvoerder achterover tuimelde.
Dat deed de andere wolven opnieuw aanvallen.... ze waren niet langer
bang voor de steenen, die om hen heen vlogen en waarvan enkele maar
raakten.
De versperring hield 't niet langer.... Maar voor de tweede maal
greep boer Peggers met twee van z'n knechts in. Onverwachts voelden
drie wolven zich beetgepakt en achteruit geslingerd.
De ridders, die de hulptroepen hadden zien opdagen, hieven 'n
juichend gejubel aan. Ze hernieuwden hun uitval en nu verloren de
wolven alle bezinning.
'n Flinke hoeveelheid klappen en schoppen kwam op hen neer en haastig
gingen ze er van door....
Maar buiten 't dorp kookte Flip van woede en half huilend van pijn en
teleurstelling zei hij: "Van nacht maken we 't gat en morgenochtend
kruipen we er door! Dan is de toren in onze macht!"