Met toestemming van burgemeester en notaris mochten Wibbe en Hesse
de puinhoopen van de afgebrande kerk als 'n speelterrein beschouwen.
'n Week na 't onheil ondernamen de twee hun eerste onderzoekingstocht
en beklommen de ruïne met de gewone behendigheid van jonge snuiters.
Mevrouw had ze nog gezegd: "Waag je er niet op in je goeie kleeren want
't is er vreeselijk vuil."
Ja, hoe zijn jongens? Ze luisteren maar half of ze vergeten 't dadelijk
weer, omdat ze met hun hersens altijd bezig zijn met de een of andere
heldendaad.
Dus klauterden Wibbe en Hesse als katten over de zwarte balken en over
de steenklompen. Ze verdwenen als dwergen tusschen de stapels steenen,
waaruit half verbrande latten uitstaken, en vuil dat ze werden!
Nog lagen er drabbige vieze plassen, ontstaan door 't bluschwater, en
juist geschikt om jongensvoeten 'n aardige opfrissching te geven. De
afscheidingsmuren tusschen de deelen van de kerk waren voor 'n goed
deel blijven staan, maar met brokken en gaten.
Dat gaf 'n prachtkans om telkens den hals te breken en de restjes
van verbrande of beschadigde voorwerpen verlokten ze tot 'n vernuftig
smijten door 'n raamgat.
Na 'n poos geklauter kwamen ze dicht bij den toegang tot den toren,
maar 'n hevige teleurstelling overviel de twee, toen ze merkten,
dat deze versperd was door neergestort puin.
Ietwat vies, 'n heel klein beetje griezelig bleven Wibbe en Hesse
naast elkaar zitten op 'n stuk balk, vol smerige brandplekken.
Ze staarden naar den half verborgen toegang en ze begonnen de heele
onderneming zwaar in te zien.
"We zullen 'n tunnel moeten graven," meende Wibbe.
"Of toch 'n dynamietpatroon gebruiken," opperde Hesse.
Wibbe keek hem van terzijde aan en hij zei: "Welnee! aanpakken! die
rommel moet op zij, dat 's alles!"
Ze begrepen na eenig nadenken, dat er niets anders op zat en toen
ze later de vrienden ontmoetten, wisten die al vast, dat er gewerkt
moest worden als paarden.
Op de plechtige bijeenkomst ten huize van den notaris, trad de heer
Hesse als voorzitter op.
Wibbe had hem al dagen te voren zien prutsen en 't was hem niet gelukt
te weten te komen, waarmee.
Op zijn vragen kreeg hij van Hesse alleen ten antwoord: "Dat is voor
jou ook 'n geheim."
Geen wonder, dat hij heel nieuwsgierig was en met spanning de groote
openingsrede van den voorzitter aanhoorde.
Hesse bezat 'n radde tong, die hij uitstekend wist te gebruiken,
maar nu scheen hij toch zelf onder den indruk van 'n gebeurtenis,
die door z'n verbeelding al bizonder belangrijk zou worden.
Wibbe stráálde!
Hij leefde in spanning en dan, 't ging nu toch zóó, als hij vroeger
in z'n boeken had gelezen.
Héérlijk!
Hesse zei dan! "We gaan 'n geheim verbond oprichten, ja, 'n geheim
verbond, dat is 'n verbond, waarvan je lid mag zijn in 't geheim. Ja,
in 't geheim."
De aanstaande leden glimlachten.
Hesse ging voort: "We kiezen als plaats van samenkomst den toren.... ik
wil zeggen, den halven toren. We noemen ons: de ridders van den
halven toren...."
Pauze.
"We moeten plechtig beloven, elkaar trouw bij te staan in alle
moeielijke gevallen.
"Vóór ik verder ga, wil ik eerst bespreken, wat 't doel is van
onzen bond.
"Mag ik Wibbe uitnoodigen zijn plan ter tafel te brengen. Daarna
zullen we ook de andere aanwezigen uitnoodigen. 't Beste plan voeren
we uit. Dan gaan we de eed afleggen."
Hesse zuchtte diep, geweldig ernstig door dit ongewone gebeuren.
Hij ging zitten en keek Wibbe aan.
Deze heer had genoeg over 'n plan gedacht. Ridders waren
volgens de boeken, bizonder dappere kerels, dat was één:
dapperheid. Ook volbrachten ze edele daden, dat was twee:
edelmoedigheid. Verder.... ja, verder wist hij niets meer. Vandaar,
dat Wibbe met 'n onbegrijpelijk plan voor den dag kwam.
Daarin bazelde hij zoo iets van: dappere daden verrichten, moedig zijn,
edel, weezen en vrouwen beschermen....
Dat klonk wat vreemd in de ooren van de aandachtig luisterende
aanstaande ridders. Ze wisten niet wat Wibbe eigenlijk van hen
verlangde.
Jan bracht 't er niet veel beter af. Die kwam met 'n oud verhaal
op de proppen, waarin geweldige ridders geheime schatten wisten te
ontdekken en daarvan telkens 'n deel gebruikten om armen te helpen.
Ze vonden 't allemaal verbazend mooi, maar Henk vroeg onnoozel:
"Waar moet je die schatten in ònzen tijd vinden? Zeker in den toren!"
Kees zat feitelijk met z'n mond vol tanden. Hij had heelemaal
niets weten te bedenken. Vandaar z'n gestotter over riddertochten,
gevangenen, tweegevechten en meer van die bombast, heel aardig in
den goeden ouden tijd, maar nu eenvoudig onzin.
Henk deed leuk!
"Ik weet niets," zei hij, "niemand van ons weet iets, dat is
gebleken! Ik stel dus vóór, om niet zoo dik te doen en op te scheppen
over al die mooie dingen van vroeger, maar eenvoudig echt fijn in
den toren te gaan spelen. Vraag je me nou, wat, dan zeg ik alweer:
"ik weet 't nog niet. Dat zullen we wel zien.""
De bondgenooten knikten goedkeurend, blij, dat niemand was geslaagd.
Maar Hesse liet zich deze prachtkans om avontuurlijk en geheimzinnig
te doen, niet ontglippen.
Daar was nou 'n halve toren met onderaardsche gewelven misschien,
moesten ze nu als doodgewone jongens er alleen wat in spelen?
Dus sprak de voorzitter de volgende rede uit:
"Het valt me bitter tegen, dat niemand 't een of ander heeft kunnen
bedenken. Ik moet dus zelf wel voor den dag komen met mijn plan...."
Volle aandacht van de vier!
"Jullie hebt zelf gezegd, dat de ridders vroeger de beschermers waren
van ongelukkigen, van weerlooze kinderen en vrouwen.
"Jullie lacht, omdat je denkt, dat ik jullie zou willen opwekken om
weer zoo te doen.
"Ach nee, ik heb wat anders bedacht...."
Verbazende aandacht!
"Er zijn in onzen tijd nog weerlooze ongelukkige schepsels genoeg,
die mishandeld worden door wreedaards en domme suffers.
"En die schepsels kunnen wij heel goed beschermen als we willen...."
Henk begon Hesse te begrijpen.
"Mijn plan is nu zóó: We vormen 't geheime verbond De Ridders van den
halven toren! Die ridders hebben 't doel om overal waar ze kunnen de
honden, de paarden, de vogels, alle dieren, die mishandeld worden,
te beschermen.
"En ongelukkige zwervers worden door die ridders in hun schuilplaats
gebracht, daar verzorgd en gevoed.
"Begrijpen jullie me nou?"
Ja, ze begrepen hem uitstekend!
Henk zei zelfs heel aardig: "Dàt is nou 't mooiste plan van de
wereld. Wij worden ridders van den nieuwen tijd!"
Nadat de eerste luidruchtigheid over 't voorstel van Hesse was bedaard,
ging de voorzitter verder:
"Wij sluiten dus 'n verbond en nu had ik gedacht om die oprichting
plechtig te vieren door iets bizonders."
Hesse maakte 't pakje open, dat de jongens al 'n half uur geprikkeld
had, zóó nieuwsgierig waren ze om den inhoud te leeren kennen.
Er kwam 'n naald te voorschijn, 'n fleschje met gekleurd goedje en
'n reep rood lint. Dat gaf te denken!
Hesse verklaarde toen: "Ik prik met deze naald ons geheime teeken in
je arm."
"Ha! tatoueeren noem je dat!" riep Kees.
"En wat voor teeken?" vroeg Jan.
Hesse stroopte z'n mouw op en, na de naald in 't gekleurde vocht
gedoopt te hebben, prikte hij snel den vorm van 'n hond.
Hij scheen daarin geduchte oefeningen gehouden te hebben,
want werkelijk, de omtrek van 'n hondenlijf stond duidelijk op
't vel. Achtereenvolgens kregen de overige leden van den nieuwen
ridderbond 'n beurt en met de hoogste voldoening bekeken ze dit teeken
van trouw en toewijding.
Er volgde nog méér!
't Stuk rood lint werd in vijven gesneden. Op elke reep kwam nu
't zelfde teeken te staan en dit was nu 't uiterlijk bewijs van
lidmaatschap.
Na kort beraad besloten ze 't lintje niet al te zichtbaar onder
't buis op 't vest te dragen.
Mevrouw, die wat versnaperingen kwam brengen, vond de nieuwe ridders
met hoogroode gezichten aan 't naaien.
Wibbe had naald en draad weten te vinden en probeerde nu de stukjes
lint op 'n vest te naaien, maar 't ging alles behalve netjes. Mevrouw
hielp hen, terwijl Hesse haar inlichtte omtrent den nieuwen bond.
Verrast keek ze er van op en ze prees de jongens om dit prachtige plan.
Na afloop van de openingsplechtigheid trokken de ridders naar de
plaats van hun nieuw verblijf--de ruïne.
Op den plek zelf wilden ze de middelen beramen om in den halven toren
door te dringen.
Er zat waarlijk niet veel anders op dan werken, hard werken!
En omdat 't verkoopen van veel praatjes toch niet hielp, trokken ze
maar dadelijk aan den arbeid.
Met vereenigde krachten wisten ze zwartgebrande balken terzijde te
schuiven. Met behulp van twee schoppen, één uit den tuin en één uit
de keuken, groeven ze 't puin zooveel mogelijk weg.
De vallende duisternis plus 't bevel van den notaris plus de
noodzakelijkheid voor de stadsjongens om naar huis te komen, maakten
dezen eersten avond 'n eind aan 't werk.
De roode plakkaatjes op de vesten van de vijf ridders vielen den
anderen dag gauw genoeg in 't oog.
Géén van de klasgenooten begreep er de beteekenis van.
Minachtend verklaarde Flip het voor aanstellerij.
"Ze hebben 'n hondenclub opgericht," zei hij, "ze hadden liever apen
moeten nemen."
Deze geestige woorden werden natuurlijk zóó luid gezegd, dat Hesse
ze hoorde. Hij keek Flip scherp aan en beet hem toe:
"Dat laten we aan jullie over."
Flip riep toen: "Als jullie honden zijn, dan zullen wij wolven worden
om jullie één voor één dood te bijten."
Nog 'n poosje ging 't geschreeuw over en weer, tot de les begon.
Maar van nu af aan bleef 't: honden en wolven.
Zelfs Riek van Merlen, nummer één onder de meisjes, wilde er alles
van weten en beurtelings hoorde ze Wibbe uit en Flip.
Over 't algemeen hielden de meisjes 't meer met de ridders.
Door de echte gevoeligheid van kleine vrouwtjes mochten ze 't
medelijdende van Hesse, Wibbe en de anderen liever lijden dan de
brutaliteit van Flip.
Toch verstond die beter de kunst, ze te doen lachen en hij was ook
nog vrind met den broer van Guusje Raders.
's Middags verscheen de bende van Flip met 'n wolfsportret op 't
vest genaaid.
Zeven tegen vijf!
Na vier avonden van hard werken kwam eindelijk de toegang tot den
toren vrij!
De deur, half verbrand, bood niet veel tegenstand en dus naderde
't oogenblik, waarin de ridders hun nieuw verblijf zouden betrekken.
Juist dien zelfden dag was de groote vacantie begonnen en niet zonder
reden hoopten de vijf vrienden van hun vrije dagen 'n heerlijk gebruik
te maken.
De duisternis gleed over de ruïne en zware schaduwen vielen door
't maanlicht over de puinhoopen.
Hesse stak nu de kaars aan in den ouden lantaren en aldus trokken de
ridders voor de eerste maal den halven toren binnen....
Door 'n onbekende oorzaak was 't beneden gedeelte vrij wel
onbeschadigd, alleen de bovenste helft brandde uit en daardoor werden
de ridders gehinderd door 'n massa stukken steen en neergevallen
houtbrokken.
Hesse ging voorop.
Hij hield den lantaren boven 't hoofd en nu wierp 't flauwe licht
'n allergeheimzinnigst schijnsel op 't inwendige van den toren.
Onwillekeurig voelden ze 'n kille huivering vooral door den
tocht.... 'n koude luchtstroom viel van boven door 't groote open
gat naar omlaag en ontsnapte door de deur.
In 't duister bespeurden de jongens rechts een steenen trap langs
den muur en daaronder was 't donker, volkomen donker.
Enkele minuten stonden ze op 'n hoopje.... ze fluisterden en hun
oogen trachtten te onderscheiden....
Het leek hen toe alsof er onder die trap iets leefde... wat kon
't zijn?....
Hesse was de eerste, die moedig voortging en 't licht deed schijnen in
't donker.
Ze zagen niets dan wat kisten, oude rommel en de overblijfselen van
gereedschappen, alles in een grooten kring van steenen.
Deze ontdekking gaf den ridders meer moed en nu doorzochten ze de
heele ruimte, maar ze vonden er niets bizonders.
Hesse maakte nu aanstalten om de trap te beklimmen, maar toen werden
ze helaas weggeroepen door den notaris.
Eerlijk gezegd, viel die heele halve toren hen geducht tegen! Ze hadden
't zich veel geheimzinniger voorgesteld.
Nou ja, zoo in 't donker met 'n lantarentje leek 't heel wat.
Hesse ging niet met de teleurgestelden mee. "Morgen middag komen
jullie terug, dan zullen we eens nader onderzoeken."
Natuurlijk waren de vrienden weer op tijd aanwezig en toen begon
't tweede bezoek.
De zon wierp gele stralen in den toren en tooverde zonderlinge
lichtplekken op de muren en op de trap.
Kalmpjes beklommen ze den laatste tot ze den rand van de afgebroken
muren bereikten en hun gezichten daarbovenuit verschenen.
Wijd uit zagen ze nu over de velden en ze herkenden 't huis van den
notaris en achter hen stonden de zwarte kerkmuren met gele rookplekken
en de verbrijzelde ramen.
Toch liet dit alles de jongens onbevredigd!
Ze verlangden méér.
't Was wel leuk, maar wat moesten ze hier nu verder uitvoeren?
Veel ruimte leverde dit inwendige van den toren niet op. En gezellig
leek 't ook niet.
Maar Hesse was er óók nog!
Zonder iets te zeggen klom hij alleen naar beneden en begon daar in
z'n eentje 'n nauwkeurig onderzoek.
Toen de anderen hem misten, zochten ze hem op en daar vonden ze hem
bezig met 't wegwerken van 't puin, dat den bodem bedekte.
"Zoek je aardappelen?" vroeg Kees.
"Hij zoekt 't haantje van den toren," riep Jan.
Maar Hesse deed nijdig en beval kortaf:
"Help me!"
"Wat wil je dan? Vertel 't ons eerst," zei Henk.