Zoo scheen het de jongens ten minste, die geweldig onder den indruk
raakten van 't tooneel. Ze hoorden de brandmeesters hun bevelen
uitschreeuwen, ze zagen de mannen met hoog ernstige gezichten heen
en weer hollen, 'n groep vrouwen met angstige gezichten.
De brandspuit gaf maar 'n droevig beetje water en ook de later
aanrukkende spuit uit 't naburige dorp kon de machtige vuurzee niet
beheerschen.
'n Paar flinke kerels drongen nog in de consistoriekamer om 'n paar
dingen van waarde en de boeken te redden.
Hesse en Wibbe stonden aan den kant van 't dorp 't schouwspel aan
te zien. Gevaar voor andere huizen bestond niet want de wind joeg de
vonkenregens landwaarts.
Daar bezweek 't dak! Onder 'n heftig geraas stortte het in de
brandende diepte.
Op 'n gegeven oogenblik renden de brandmeesters naar de menschen bij
't groote hek.
"Achteruit!" gilden ze, "de toren valt!"
Verschrikt stoof alles terug en alle oogen vestigden zich op 't
hooge gevaarte, dat schijnbaar ongedeerd als 'n zwart monster in
't laaiende vuur bleef staan.
Maar z'n ouderdom deed 'm bezwijken!
Plotseling klonk er 'n kreet van schrik, de spits bewóóg.... eenklaps
zakte ze ter zijde en voor de oogen van de toeschouwers brak de
oude toren midden door, alsof 'n reuzenhand hem op halve hoogte met
'n geweldige moker had geraakt.
Hij viel als 'n oude soldaat, die niet langer kàn. De verbindingen
lieten los en in stukken en brokken stortte de helft van den toren voor
'n deel in de brandende kerk of op 't oude kerkhof.
Maar nu ook verminderden de vlammen en de twee spuiten bluschten ten
slotte toch 't vuur, dat af en toe nog even oplaaide.
Dikke rookwolken dreven over 't veld, de omtrek van de kerk werd
afgezet, alleen de spuitgasten bleven pompen....
Zachtjes aan overwon de nacht met z'n donkerte, 't schitterende
schouwspel van 'n brandende kerk veranderde in 'n tooneel van
verschrikking. De kale muren met de gebogen kerkramen zonder
'n enkele heele ruit, de gapende ruimte waar eens 't dak was en
vooral de ingestorte toren in 't toenemende duister, de nog steeds
kronkelende rook, 't naargeestig overschot van de vroegere dorpskerk,
wekte bij alle toeschouwers 'n gevoel van treurigheid.
Vele dorpelingen trokken zich 't geval persoonlijk aan. Kooten
bloeide toch al niet, en nu weer deze ramp. Waar haalden ze ooit
't geld vandaan om 'n nieuwe kerk te bouwen.
Toen kwam daarbij 't gissen naar de oorzaak.
Er liep 'n gerucht, dat Van Offelen krankzinnig uit 't gebouw was
komen hollen.
Had hij den brand aangestoken?
Nu 't indrukwekkende van 't schouwspel voorbij was, en 't droevig
overschot van 't kerkje zwart en somber voor hen stond, voelden de
meesten 'n woede in zich opkomen.
Maanden en maanden zouden ze met die ellendige ruïne blijven zitten. 's
Zondags dienden ze heele einden te loopen om ter kerk te gaan. En
dat alleen om dien koster, die gek geworden was.
Waar zat die ellendige kerel? Hij had méér van die buien. Zou 't toch
waar zijn, wat gemompeld werd.... zou hij 'n stille drinker zijn? Was
hun lief oud kerkje dáárom ten onder gegaan?....
Wibbe en Hesse moesten eindelijk mee naar huis.
Het was half een.
Zij hadden niet veel meer gedaan dan kijken, al maar kijken. Ze waren
moe door 't ongewone gebeuren en toch konden ze vooreerst niet in
slaap komen.
Nog altijd zagen ze de brandende kerk en den doorgebroken toren en
in hun droomen begon 't zeldzame voorval zich uit te breiden.
De brandgasten werden duivels, die in 't vuur dansten, zij zelf
waren opgesloten onder in den toren en Hesse bleef bij 't vluchten
vastzitten in de nauwe spleet....
Geen wonder, dat ze niet al te frisch wakker werden, maar de
herinnering aan 't nachtelijk voorval dreef ze met groote haast
naar buiten.
Nog vóór 't ontbijt moesten ze even met eigen oogen zien, of 't
werkelijk waar was. En ja--al dadelijk lag 't treurig overschot van
't eens zoo aardige kerkje voor hen.
Nog dwarrelden er kleine rookwolkjes tusschen de verkoolde balken en
de brokken steen uit. De muren stonden nog, maar met diep uitgekartelde
randen.
Ook de toren, zwart van de rook, plompte met afgebrokkelde bovenkanten
en met z'n halve grootte somber tegen de heldere lucht.
Het was dus wáár!
Zwijgend liepen ze om 't overschot van 't kerkje heen. Te dicht
mochten ze de ruïne niet naderen op bevel van den veldwachter. Nog
nooit werd Kooten zoo druk bezocht als dien Zondag.
Alles wat maar weg kon, trok er heen, om de gevolgen van den brand
te zien.
In tweewielige karretjes, op fietsen, in auto's kwamen de bezoekers
aanzetten.
Wibbe en Hesse voelden zich gewichtig door deze algemeene
belangstelling. Meermalen werden ze ondervraagd en dan deed Wibbe
heel bescheiden, terwijl Hesse 'n lief beetje opsneed.
Van Offelen scheen er leelijk aan toe, want 't ging als 'n loopend
vuurtje door 't dorp dat hij krankzinnig geworden en weggevoerd was.
's Middags groeide de stroom nog meer en plotseling stonden Wibbe en
Hesse tegenover hun oude vijanden: Flip en z'n bende.
Even hielden beide partijen halt en 't had er veel van of ze 'n gevecht
op leven en dood zouden beginnen, maar de menschenstroom voerde hen
van elkaar.
Toch herkenden ze elkander af en toe, gelukkig op 'n afstand.
Ook Henk en de vrienden kwamen aanrukken en na de eerste beschouwing
van de verwoeste kerk, werden ze op de hoogte gebracht van de
aanwezigheid der algemeene vijanden.