DE HALVE TOREN.

Wibbe had den laatsten tijd niet veel meer aan z'n weldoener

gedacht. 't Nieuwe leven nam hem te veel in beslag en dan, op zijn

leeftijd besefte hij niet genoeg hoeveel z'n eerste pleegvader voor

hem had gedaan en hoe hij ook z'n toekomst verzekerde.

Dat wist de notaris des te beter!

Maar nu hij meereed in de langzaam voortbewegende koets met twee

onbekende heeren, nu herinnerde hij zich met volle kracht 't vroegere

leven, wèl eenzaam, maar toch ook gelukkig.

Dat hij dien goeden meneer Bribon nooit meer zou zien, deed hem iets

begrijpen van sterven.

Stil en ernstig volgde hij de begrafenisplechtigheid en 's avonds

kon Hesse hem niet aan 't lachen krijgen.

Hesse had 't dien dag heel moeilijk gehad zonder z'n beschermer.

Voor 't eerst voelde hij Wibbe's stompen niet als waarschuwingen voor

zotte streken of ondoordachte woorden.

Het kwam weer tot 'n heftig tooneel tusschen hem en Flip.

Dat scheen telkens veroorzaakt te worden door 'n dier.

Nu was 't weer 'n onnoozele musch.

Een jong fladderde angstig over de speelplaats. Blijkbaar trok

't diertje op eigenwijze manier de wereld in zonder voldoende te

kunnen vliegen.

De kinderen kwamen buiten, ontdekten 't piepende beestje en de

jacht begon.

Eer de onderwijzers er erg in hadden, kreeg Flip het te pakken en

maakte aanstalten om één van z'n gemeene streken uit te halen. Eerst

riep hij zoo iets van oogen uitsteken, toen weer haalde hij 'n touwtje

uit z'n zak om dat aan den poot van 't diertje te binden en toen hij

den onderwijzer zag naderen, wilde hij 't muschje gauw in de rioolput

stoppen. Maar Hesse, eerst tegengehouden door de bondgenooten, rukte

zich nu los, stormde op Flip af, terwijl hij op 't rooster van de

put ging staan en met luider stem riep:

"Laat dat beest los!"

Flip, woedend om dien tegenstand, wilde z'n vijand hinderen. Hij hief

de hand op, waarin 't muschje bekneld zat en wilde 't beest tegen de

steenen te pletter gooien.

Maar nu gingen er tal van afkeurende kreten de lucht in, grootere

jongens grepen Flip vast en Hesse kreeg de pols te pakken.

Hij kneep die zóó hevig, dat Flip 't muschje moest los laten.

En nu onder leiding van meneer Fube, werd 't afgejakkerde diertje op

't dak van de schuur in veiligheid gebracht.

Maar Flip zag de kans schoon om in de drukte z'n ouden vijand 'n

been te haken, zoodat Hesse met 'n slag voorover viel en hevig uit

den neus begon te bloeden....

En Flip kreeg van de drie bondgenooten 'n ris opstoppers en stompen.

Het gaf 'n heel standje, eindigend met de veroordeeling van Flip--

'n week niet meespelen.

Om vier uur miste Hesse z'n vriend Wibbe en 's avonds vergat hij

er veel over te praten doordat Wibbe zoo vervuld was van wat hij

zelf beleefde. Het werd 'n vreemde avond, want later wilde Hesse

z'n zwijgenden vriend niet lastig vallen met 'n gewone kijfpartij

op school.

Ze maakten hun werk en verder sleten ze nog 'n anderhalf uur in de

huiskamer, want de vrienden kwamen natuurlijk niet.

Eerst na een paar dagen deed Wibbe weer gewoon. Toen begonnen de tongen

weer flink te rammelen en ze spraken af om den volgenden avond weer

voort te gaan met gaten boren....

Van Offelen, de kerkeknecht strompelde als gewoonlijk uit z'n huisje

naar 't gebouw, dat hij met z'n vrouw moest schoonhouden.

Omdat deze laatste niet al te best in orde was, zou hij dezen avond

in z'n eentje wat vegen, 't stof van de banken afnemen, de toga van

den dominé borstelen en zoo meer.

Met den grooten sleutel opende hij de achterdeur, ging naar 't berghok,

waar hij doeken, bezem en stoffer van daan haalde.

'n Oude lantaren nam hij ook mee, om, bij 't vallen van de duisternis

dóór te kunnen gaan.

Van Offelen, 'n zestiger, had vele goede eigenschappen en enkele

slechte.

Hij deed altijd trouw zijn plicht, hij mocht graag 'n ander mensch

helpen, hij was eerlijk en 'n redder in den nood voor dominé,

diakenen en ouderlingen, die hij in allerlei omstandigheden uit

lastige gevalletjes hielp.

Voor z'n vrouw en kinderen was hij steeds 'n goed man en vader geweest.

Maar--ééne eigenschap maakte soms al de andere waardeloos.

Heel in 't geheim gebruikte hij veel borreltjes, zonder dat iemand

er van wist. Zorgvuldig verdreef hij dan de lucht van den drank en

kwam weer in huis, wèl vreemd druk, maar noch z'n vrouw, nòch anderen

vermoedden iets van deze slavernij.

Nauwelijks was Van Offelen dan ook dezen avond alleen in de kerk,

of 't verborgen fleschje kwam voor den dag en behaaglijk slurpte hij

enkele teugjes van 't gevaarlijk goedje naar binnen.

Daarna verborg hij 't fleschje in den binnenzak van z'n jas en maakte

zich gereed om met z'n bezigheden te beginnen.

Straks, zoo beloofde hij zich, als hij klaar was met den preekstoel,

zou hij 'n tweede opfrissching nemen.

Allo, nu aan 't werk!

En, zacht neuriënd veegde Van Offelen de paden aan en nam 't stof van

de banken. Morgen zou er 'n dominé uit de stad komen preeken! Alles

mocht dus wel 'n goede beurt hebben!

Onder invloed van den drank deed Van Offelen z'n werk op 'n vreemde

manier.

Hij wilde alle hoopjes vuil, hoep! in eens op 't blik vegen en bleef

er dan wat liggen, dan keek hij er naar met 'n scheef hoofd. Bij 't

bukken om de rest op te vegen, liet hij 't blik weer leeg glijden. Dan

liep hij weg, brommend: "Als je me wilt treiteren, laat ik je liggen."

En op 'n andere plek begon 't zelfde spelletje nog eens.

Het spreekt van zelf, dat de vreemde dominé geen bijster schoone kerk

zou vinden.

Om meer kracht te krijgen, nam Van Offelen maar weer 'n slokje nog

vóór dat de preekstoel klaar was.

Ziezoo! nu zou 't wel handiger gaan!

Helaas, telkens stootte hij zich en grinnikte om z'n rare loopen.

Met den bezem raagde hij de banken af en met z'n vingers probeerde hij

't vuil op te rapen. Eindelijk werd 't donker en dus stak Van Offelen

de kaars in den lantaren aan. 't Deurtje kon hij niet goed meer dicht

krijgen en dus liet hij 't maar open.

Nu nog 'n slokje en daarna wat pepermunt voor de lucht en dan 'n pijp.

Langzaam sjokte hij met den slingerenden lantaren door 't middenpad

naar den preekstoel en klom naar boven.

De trap kraakte van ouderdom en de leuning gaf wat mee.

Halverwege bleef Van Offelen staan en hij giegelde om z'n lange

schaduw, die door de heele kerk viel.

Nu begon hij zoo goed mogelijk te vegen en volgens z'n eigen denken

deed hij 't keurig.

Na 'n minuut of tien vond hij 't welletjes, nam den lantaren weer op

en wilde naar beneden stappen.

Maar Van Offelen had niet genoeg stuur meer over z'n beenen en z'n

oogen zagen dubbel. Hij miste de vierde trede bij de ombuiging [1] van

de wenteltrap.... hij viel.... de lantaren viel mee.... de kaars liet

los en bleef beneden brandend liggen.... Van Offelen rolde tweemaal om

z'n as, plofte toen op den rand van de onderste trede.... 't fleschje

jenever brak en de rest van 't leelijke goedje vloeide van de trede in

de richting van de kaarsvlam, vlak bij den looper. Van Offelen verloor

't bewustzijn....

En de looper begon te smeulen.... te branden.... 't droge eeuwenoude

hout van den preekstoel vatte vlam....

Door dat ook de kleeren van den koster brandden, kwam de man tot

bewustzijn.

Waanzinnig door 't zien van 't vuur, en door de pijn, vloog hij naar

de deur, naar de groote deur, die gesloten was.

Hij dacht niet meer na, hij verloor alle bezinning, rukte zich de

kleeren van 't lijf, beukte op de deur en gilde om hulp....

Onderwijl greep 't vuur om zich heen.... de preekstoel stond in volle

vlam.... 'n roode gloed verlichtte de ramen.... de rook bolderde

langzaam door 't gewelf....

En de ongelukkige koster holde door de paden, gillend van angst,

tot hij de achterdeur vond en nu klonken z'n wilde kreten door de

stilte van 't dorp....

Wibbe werd 't eerst wakker door 't rumoer. Hij ging rechtop in bed

zitten en z'n slaperige oogen tuurden door 't half open raam.

Zag hij goed?.... was de lucht rood?....

In een wip stond hij voor 't venster en daar zag hij de vlammen uit

de kerk slaan, hij hoorde luide kreten....

Dadelijk schudde hij Hesse wakker: "De kerk brandt, kleed je aan,

gauw!"

Hesse keek hem verbaasd aan, zoodat Wibbe hem even schudde en hem

naar buiten wees. Toen begreep Hesse den toestand!

In 'n ommezien waren de twee jongens gekleed en holden ze de trap af.

De notaris wilde hen juist roepen, met d'r drieën gingen ze naar

buiten en ze mengden zich onder de toestroomende dorpelingen.

't Kerkgebouw brandde met 'n fellen gloed en de oude toren stak boven

't vuur uit alsof hij ongenaakbaar was. Maar de vlammen blakerden

hem leelijk en ook 't binnenwerk begon te smeulen--toen sloegen de

vurige tongen uit z'n geheimzinnig binnenste.

De ongelukkige dorpsbrandspuit kwam aangereden, voortgetrokken door

'n groep mannen--de slang werd naar 't slootje geleid en uit alle

macht begonnen twaalf kerels te pompen, telkens afgelost door anderen.

De ridders van den halven toren · 第 33 / 77 题