Zoo verschenen op 'n avond vijf sluipende gedaanten aan den voet van
den toren.
't Groote werk begon!
Wat twee niet konden, zou toch wel lukken aan vijf.
Ze zwoegden met 't ijzer, ze trokken en hakten, ze werkten zich in
't zweet, maar wat er gebeurde, 't brok steen wilde niet wijken.
Hijgend en vuurrood stonden ze elkander na 'n poos aan te gapen.
't Bleek toch niet zoo héél eenvoudig, geheime spelonken te gaan
bewonen!
Ze hielden 'n korte beraadslaging.
Henk: 't Lukt nooit, 't stuk is te groot.
Jan de Bas: Alleen met 'n dynamietpatroon zou 't wel gaan.
Kees Vermeer: Of door middel van 'n machine.
Wibbe: (Zwijgt).
Hesse: (denkt).
Henk: Zooals de Watergeuzen de poort open rammelden!
Kees: Is hier geen boomstam?
Jan: Laten we Henk gebruiken!
Henk: Wat aardig!
Kees: Niet zaniken! Zeg jij dan wat, Hesse.
Hesse: 'k Weet niets.
Wibbe: Toch om den sleutel vragen.
Henk: Van boven af er in! Kijk!
Alle vijf volgden de richting van Henks vinger en daar ontdekten ze
'n luchtgat.
Hesse: Daar komen we nooit door.
Wibbe: 't Is veel te hoog.
Jan: Haal jij 'n ladder.
Kees: Twee ladders aan elkaar.
Henk: 't Gaat niet.
Hesse: 'k Geef 't toch niet op!
Henk: Geduld overwint alles.
Jan: Ga nou geen spreekwoorden opzeggen.
Henk: Ik raad aan om met ons vijven net zoo lang te blijven hakken,
hier, aan den kant van de spleet tot er 'n gat komt, groot genoeg om
ons door te laten. Wie weet wat beters?
Kees: 't Zal 'n jaar duren.
Wibbe: Ze zullen ons hooren.
Hesse: Ik ben er voor! Henk heeft gelijk. 'n Andere manier is er niet.
Henk: Hoofdzaak is, dat we zorgen voor goede bullen om mee te krabben
of af te hakken.
Hesse: Morgenavond brengt ieder van ons een beitel en 'n hamer mee
en dan gaan we aan 't werk. Dat zal geen jaar duren.
Wibbe: En als we gesnapt worden.
Hesse: Dan draag ik de schuld.
Henk: Nee nee! we zijn met ons vijven één! We willen met Hesse meedoen
en dus zijn we allemaal schuldig.
Jan: Zóó erg is 't toch niet.
Kees: Aan dien ouden toren is niets verloren.
Jan: Hoor jullie dat? Kees gaat rijmen.
Kees: 'k Heb 'n oom, die versjes maakt.
Hesse: Maak jij d'r nog 's èen!
Kees: In dien ouden toren,
Gaan we 'n gaatje boren!
Henk: Ik kan 't ook wel! Maar bij al dat boren, mag men ons niet
hooren!
Wibbe: Nou, en ik! Maar al zouden ze ons hooren, we laten ons niet
storen!
Jan: Ik kan 't óók! We werken aan den toren, niet van achteren,
maar van voren.
Hesse: (staat vreeselijk te verzinnen. Eindelijk:) En die oude toren,
gaat stellig nooit verloren!
Nee maar, die Hesse! Ze zwaaiden met d'r armen en 't scheelde 'n
haartje of ze waren om hem heen gaan springen.
Juist kwam de heer Van der Bilt, de burgemeester aanstappen. Hij
had hoofdpijn en toch moest hij den notaris spreken. Daarom liep hij
'n eindje òm.
Nauwelijks zagen de jongens hem naderen of Hesse riep haastig: "Op
't ijzer zitten, wèg met de instrumenten!"
Toen de burgemeester bij hen was gekomen, zag hij vijf brave jongens
op den grond zitten. Ze namen de petten af, voor zoover ze die
droegen. Wibbe stond zelfs op.
Maar de oude heer scheen hen nauwelijks op te merken. Hij liep na
'n gemompelden groet verder.
"Zie je nou!" riep Hesse even later, "zelfs de burgemeester zegt
niets. Nee hoor! Morgenavond aan 't werk!"--
Inderdaad begonnen ze den anderen dag met beitels den ondersten steen
aan te vallen.
Het lukte wel, er na veel moeite kleine piezelewietjes af te
hameren, maar 't werd hen duidelijk, dat ze niet heel hard zouden
opschieten. Bovendien sloeg Jan zich met den hamer op z'n vingers,
zoodat hij vooreerst geen lust meer had.
Kees bracht 'n instrument mee, waarvan de steel was gebarsten en om de
minuut vloog 't ijzer 'n paar meters ver weg als hij begon te hameren:
Bovendien kregen ze ongewenscht bezoek van dorpsjongens, aangelokt door
't rumoer. Dan gingen de vijf doodleuk zitten wachten, maar zoodoende
schoot 't werk niet op.
Aan 't einde van den avond begrepen ze in elk geval, dat er weken
mee gemoeid waren eer er 'n behoorlijk gat zou zijn.
Hesse hield ze warm en voorspelde ze buitengewone avonturen in 't
binnenste van den toren.